De paradox van het Europees democratisch deficit
Olivier Pintelon
Op 12 juni 2008 ging een nieuwe schokgolf door de Europese Unie. In het enige land (Ierland) waar een referendum werd georganiseerd over het Verdrag van Lissabon liep het opnieuw verkeerd. Net zoals na de negatieve referenda over de Europese Grondwet in Frankrijk en Nederland (2005), werd duidelijk dat er een grote kloof gaapt tussen de EU en haar burgers. In dit artikel wordt gesteld dat het huidig legitimiteitsprobleem van de EU samenhangt met de manier waarop Europa vandaag functioneert. De EU kampt, zo zal worden geargumenteerd, met een democratisch deficit. Er is een probleem qua verantwoording van de beslissingen die op het Europese niveau worden genomen. Toch pleit dit artikel niet voor een blinde terugkeer naar de oude vertrouwde natiestaat. Het is net een versterking van het ‘ondemocratische’ Europa die dat deficit het best kan verhelpen: de ‘paradox van het Europees democratisch deficit’.
PERCEPTIEPROBLEEM, JA… MAAR OOK EEN ‘DEMOCRATISCH DEFICIT’
In het maatschappelijk debat zijn er al vele redenen aangehaald voor de huidige crisis van de EU: mensen zouden een verkeerd beeld hebben van de EU (hen aangepraat door allerlei demagogen), de nationale politici zouden onpopulaire maatregelen al te vaak op het credo schrijven van Europa en het perspectief van langdurige vrede zou jongeren niet meer kunnen bekoren. Hoewel er ongetwijfeld enkele waarheden in de bovenstaande beweringen zitten, zijn deze onvoldoende om de huidige crisis te duiden. Al te vaak wordt er gedacht dat er met de EU an sich niets mis is, maar dat vooral de kiezer het bij het verkeerde eind heeft. De huidige crisis hangt echter ook samen met de ingewikkelde institutionele structuur van de EU. De Europese Unie is immers noch een nationale staat, noch een klassieke internationale organisatie. Zo komt de Europese institutionele structuur niet overeen met wat de kiezer gewoon is in de eigen democratie, waar men om de 4 à 5 jaar de keuze heeft tussen een regering en een parlementaire oppositie. Anderzijds is de EU geen internationale organisatie als een ander. Nergens bestaat er immers zo’n sterke aanzet tot een vorm van supranationale parlementaire democratie. De EU heeft dus, om het in het ‘jargon’ te zeggen, zowel een intergouvernementele (interstatelijke) als een supranationale component (dat buiten de controle van de nationale staten valt). Het is precies die ongemakkelijke combinatie die zorgt voor een ‘democratisch deficit’ binnen Europa.
In dit artikel wordt democratie gelijk gesteld aan verantwoording. In de huidige EU gebeurt die verantwoording (in theorie) op twee manieren: enerzijds onrechtstreeks via de nationale parlementen (voor de interstatelijke/intergouvernementele component), anderzijds via verkiezingen voor het Europees Parlement (voor de supranationale component). Op dit ogenblik loopt de democratische controle via beide wegen echter spaak. De controle door de nationale parlementen laat vaak te wensen over en is in sommige landen nagenoeg afwezig. Er is sprake van een verschuiving van macht naar de nationale regeringen, weg van de nationale parlementen. De nationale ministers zetelen immers in de Raad (die samen met de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Europese Raad het Europese beleid uitstippelt) en beschikken hierbij over een relatief grote autonomie. Nationale parlementsleden lopen vaak achter de feiten aan en daarenboven loont het voor hen niet om zich in deze materie te verdiepen gezien de geringe media-aandacht. Daarnaast spelen Europese thema’s nauwelijks een rol bij verkiezingen voor de nationale parlementen. Europese beleidsthema’s zijn ongeveer non-issues in de huidige nationale verkiezingen. De democratische controle op de Europese besluitvorming via de nationale parlementen en verkiezingen vertoont dus zeker zijn gebreken.
Zoals eerder vermeld, is er binnen de EU ook sprake van een zogenaamde supranationale component. Binnen Europa is er namelijk een dynamiek die voor een deel ontsnapt aan de controle van de nationale staten, zoals het werk van de Commissie en het Europees Parlement. Normaalgezien verloopt de democratische controle hierbij via de vijfjaarlijkse Europese verkiezingen, maar nu vervullen die verkiezingen hun taak niet. Telkens spelen de Europese aangelegenheden nauwelijks een rol en maken de kiezers eerder de balans op van de nationale regering. De Europese verkiezingen worden vaak omschreven als ‘nationale verkiezingen van de tweede orde’.3 De kiezers gebruiken de Europese verkiezingen immers als tussentijdse nationale verkiezingen. De verkiezingsuitslag heeft eerder gevolgen voor de nationale politiek (bijvoorbeeld ontslag van een premier), dan voor de Europese politiek. De komende Europese verkiezingen zullen misschien al wat meer aandacht krijgen door de kandidatuur van enkele politieke zwaargewichten (zoals Verhofstadt en Dehaene), maar desalniettemin zal de uitslag sterk beïnvloed blijven door de nationale politieke context. Samenvattend kan er gesteld worden dat de huidige EU kampt met een democratisch deficit. In het vervolg van dit artikel wordt een voorstel gelanceerd over hoe dit tekort aan democratische controle kan worden verholpen, namelijk de invoering van een volwaardige ‘Europese regering’.
Samenleving en politiek, Jaargang 16, 2009, nr.5 (mei), pagina 22 tot 35