Log in

Geen rozen zonder doornen

Op 1 mei vierde de socialistische beweging 120 jaar Dag van de Arbeid. Een maand eerder stond een ander jubileum op de agenda: 125 jaar socialistische partij. Een ideaal moment voor Amsab-Instituut voor Sociale Geschiedenis om terug te blikken op de verwezenlijkingen van 125 socialisme, met een indrukwekkend boek De droom van een betere wereld. 125 jaar socialistische partij. Daarin neemt historicus en Amsab-voorzitter Geert Van Goethem de lezer mee doorheen de hoogtes en laagtes van de partij. Zijn verhaal eindigt in 1991. Voor de recentste periode zocht men naar een onafhankelijke, niet met de sp.a verbonden auteur. De Morgen-journalist Walter Pauli neemt daar de pen over met een kritische en persoonlijke analyse van de SP/sp.a. Hierna leest u zijn essay.

Waar de historicus stopt bij de grenzen van het verleden, kan de journalist overnemen bij het duiden van ‘vandaag’, al strekt die tegenwoordige tijd zich inmiddels toch al over een kleine kwarteeuw uit. Het relaas van die laatste kwarteeuw is bijzonder ambigu, om niet te zeggen problematisch. ‘Zwarte Zondag’ - de dramatische verkiezingsdag van 24 november 1991 - was niet het echte begin van die tijd. Het was alleen de eerste cesuur, een onheilspellend mene tekel voor de post-Van Miertgeneratie. Zowel 1999 als 2007 zouden immers nog eens zwarte zondagen kennen, tenminste voor de Vlaamse socialisten. Het is de particuliere paradox van de jongste fase van de SP/sp.a. Sinds 1988 dragen de socialisten continu regeringsverantwoordelijkheid. Ze doen dat graag en ook goed, zo vinden ze zelf. Ze sturen ook meestal hun sterkste mensen uit. In de late jaren 1980 waren dat Willy Claes, Louis Tobback, Freddy Willockx, Norbert De Batselier en Luc Van den Bossche. Na de zegevierende verkiezingen van 2003 heetten de nieuwe vedetten Johan Vande Lanotte, Freya Van den Bossche, Bruno Tobback, Frank Vandenbroucke, en Bert Anciaux namens de kartelpartner. En toch kreeg de eerste generatie de electorale klap van Zwarte Zondag te verteren, en werd de tweede in 2007 op haar beurt van de kaart geveegd.

Hoe is die neergaande lijn van de Vlaamse socialisten te beschrijven en te verklaren? Niet eenmaal, als accident de parcours, maar bij herhaling? Men kan relativeren: de neergang zette zich al vroeger in, de score van de jaren 1970 was ook niet meer die van de jaren 1950.
Maar toch blijft het een dramatische vaststelling voor een socialistische partij die dus telkens haar zwaargewichten uitzond, waarvan de partijleiding oprecht van oordeel was dat er in die regeringen heel wat werd gerealiseerd. Toen de Vlaamse socialisten na een lange oppositiekuur in 1988 opnieuw in de regering kwamen, vertrokken ze van een verkiezingsuitslag van 24,20 procent. Dat was erg goed, maar euforisch was de partij toen niet, vermits men bij de Europese verkiezingen van 1984 zelfs de eenmalige recordscore van 28,13 procent had behaald. Het was dus niet onlogisch dat in de late jaren 1980 SP-kopstukken een score van ‘30 procent’ een realistische utopie noemden. Vandaag zit de sp.a in een oncomfortabele vork tussen 16,3 (verkiezingen 2007, Kamer van Volksvertegenwoordigers) en 15,3 procent (verkiezingen 2009, Vlaams Parlement): de helft van het verhoopte potentieel toen Karel Van Miert de voorzittershamer doorgaf. Het is het portret van een partij die goed wilde doen maar intussen schrammen opliep. Vandaar dus:
geen rozen zonder doornen.

TERUGBLIKKEN OP BEWOGEN JAREN

De ontwikkeling van de sp.a zoals die zich vandaag voordoet, heeft een lange voorgeschiedenis. Die gaat terug tot de vier, vijf jaar tussen de verkiezingsoverwinningen van Karel Van Miert (1984-1987) en Zwarte Zondag, in 1991. Het waren de jaren van de socialistische regeringsdeelname aan Martens VIII (en de kortstondige opvolger Martens IX). De socialisten waren niet zonder slag of stoot tot die regeringsvorming toegelaten. De lange en harde oppositie tegen de roomsblauwe kabinetten-Martens-Gol van de jaren 1980 had niet alleen bij socialisten, maar ook bij de christendemocraten sporen nagelaten. Maar zowel in noord als zuid waren de SP en de PS bijzonder gretig in het opnemen van regeringsverantwoordelijkheid. Dat was vanaf de eerste dag na de verkiezingen van 1987 zonneklaar: de socialisten wilden weer wegen op het beleid.
Ze wilden regeren. De SP geloofde in de regering, en plaatste zoals gezegd ook haar sterkste mensen op de belangrijkste regeringsfuncties.

Misschien dat over de opstelling van die ‘sterke mensen’ toch nog iets te zeggen valt. De (Vlaamse) socialisten hadden jarenlang de reputatie dat hun politieke kopstukken een leven leidden dat nagenoeg samenviel met hun engagement voor ‘de partij’. De kopstukken van de eerste naoorlogse generatie hielden pas op met aan politiek te doen als het einde van hun leven in zicht kwam. Dat gold voor Achiel Van Acker, Camille Huysmans en Paul-Henri Spaak, voor Antoon Spinoy, voor Edward Anseele jr., zelfs voor Louis Major en Jos Van Eynde. In de moderne tijd is dat beslist niet meer zo. In 1989 liet Karel Van Miert zich als partijvoorzitter aflossen door de relatief jonge Leuvense econoom Frank Vandenbroucke (°1955). Aanvankelijk was Louis Tobback voor die functie verwacht, maar die koos uiteindelijk toch voor de federale regering. Dat komt bij de socialistische partij wel meer voor, dat de zogenaamde ‘patron’ niét kiest voor het voorzitterschap. Na de desastreuze verkiezingen van 1999 was Steve Stevaert de nieuwe sterke man van de SP, maar de feitelijke partijtop droeg nieuwkomer Patrick Janssens als voorzitter voor. In 2007 was de jonge Caroline Gennez zeker niet de voornaamste beslisser binnen de sp.a. Maar zij werd door ontslagnemend voorzitter Vande Lanotte en dus in zijn naam op het schild gehesen.

Ook dat is dus een weerkerend fenomeen, misschien inherent aan alle partijen, maar zeker aan de Vlaamse socialisten: de kopstukken plaatsen zichzelf niet alleen op het schaakbord waar hen dat uitkomt, ze verlaten het spel ook het liefst op hun eigen condities. En op een dag ziet een (vaak verraste) achterban zijn voorzitters vertrekken: Karel Van Miert in 1989 naar de Europese Commissie, Patrick Janssens in 2003 naar het stadhuis van Antwerpen, Steve Stevaert in 2005 naar het Limburgse gouverneurschap, en Johan Vande Lanotte in 2007 in zelfgekozen ballingschap naar de Gentse universiteit en de Oostendse haven.

Nooit was een politieke loopbaan vluchtiger dan tijdens de jongste decennia. Nooit ook werden ministers sneller ontslagen. Ook daarvan heeft de SP haar deel gehad. Deels was dat ‘zelf gezocht’ natuurlijk, voor zover de partijtop, toppolitici en hun vertrouwelingen mee verantwoordelijk waren voor een partijfinancier en een politieke cultuur die tot de vreselijke Agusta-affaire leidde - een zaak, toch niet om te vergeten, die aan het licht kwam tijdens het gerechtelijk onderzoek naar de moord op PS-voorman André Cools, in 1990. Louis Tobback had het toen over ‘het einde van een politieke generatie’. De burger zag het zich voor zijn ogen voltrekken. Nooit namen zoveel politici ontslag als in de jaren 1990. En meer dan gemiddeld zaten daar Vlaamse socialisten bij. Hoe vreemd het klinkt: deels kwam dit omdat zij ‘het goede voorbeeld’ wilden stellen. Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid Pierre Chevalier werd in 1990 tot ontslag gedwongen na een hoge hotelrekening. De Agusta-affaire deed in 1995 de koppen rollen van Frank Vandenbroucke als vicepremier en, in afgeleide orde, van Willy Claes als secretaris-generaal van de NAVO. Een schimmige tussenkomst bij een of ander examen betekende in 1994 het einde van Louis Vanvelthoven als voorzitter van het Vlaams Parlement. De ontsnapping van veelvoudig moordenaar Marc Dutroux noopte Johan Vande Lanotte in april 1998 tot ontslag als minister van Binnenlandse Zaken. In september van dat jaar al stapte Louis Tobback op, bij de dood van vluchtelinge Semira Adamu. En in 1999 hoopte men de dioxinecrisis te bezweren met het ontslag van minister van Volksgezondheid Marcel Colla. Het dramatische is dat het gros van die politici ontslag nam/moest nemen omdat men van mening was dat dit de enige correcte manier was om aan het publiek duidelijk te maken dat ‘de politiek’ proper is, dat politici hun verantwoordelijkheid durven nemen. Terwijl het volk in wezen weinig veranderd lijkt sinds de tijden van Robespierre: als het bloed ziet, wil het vooral méér bloed. Men nam met de beste bedoeling ontslag, namelijk om een sfeer van scandalitis te vermijden, maar ongewild werkte men zo’n sfeer juist in de hand. Dat was de ‘helaasheid der dingen’ van de jaren 1990. De SP heeft er een zware prijs voor betaald, financieel, politiek en ook menselijk.

En dat de verwachtingen bij de socialistische achterban zo hooggespannen waren toen de SP en de PS in 1988 opnieuw in de verschillende regeringen van dit land raakten, was dat vanzelfsprekend met de ambitie om eigen accenten te leggen. Zeker na de harde inleveringsjaren 1980 zou de toekomst sociaal moeten zijn. De PS verwoordde dat nog het treffendst met haar slogan ‘le retour du cœur’. Helaas werden die ambities en de binnenlandse agenda volledig doorkruist door de internationale context.
Tijdens de regering-Martens VIII barstte namelijk de Eerste Golfoorlog uit, als antwoord op de Iraakse invasie in Koeweit op 2 augustus 1990. De krijgsverrichtingen zouden een jaar later de val van het Belgische kabinet veroorzaken - ‘geen kogel naar het Nabije Oosten’ was zowel bij de Volksunie als de SP een slagzin -, maar eigenlijk waren de economische gevolgen belangrijker. De Golfoorlog luidde de crisis van de vroege jaren 1990 in, en elke ‘retour du cœur’ werd onherroepelijk uitgesteld, met een vol decennium verdaagd eigenlijk, tot de eerste paarsgroene jaren. De eerste tien jaar in de regering waren de socialisten dus gedoemd om op hun beurt een matigingsbeleid te voeren. Dat begon tijdens de laatste twee jaar van de regering-Martens VIII. En het zou nadien alleen maar geaccentueerd worden, aangezien de Europese staats- en regeringsleiders begin 1992 de Maastrichtnorm als doelstelling naar voren schoven, als pad om in 1999 tot een volwaardige Economische en Monetaire Unie te komen. Gezien de hoogte van het Belgische financieringstekort en de omvang van de staatsschuld werden de inleveringen van de jaren 1980 gevolgd door de bezuinigingen van de jaren 1990. In de jaren 1980 hadden de socialistische partijen nog oppositie gevoerd tegen het matigingsbeleid. In de jaren 1990 moesten ze zelf zo’n inleveringen uitvoeren, verdedigen en verantwoorden. Dat was noodzakelijk, maar niet evident.

Vooral omdat de SP op die manier bijna gedwongen werd in de rol van een single-issuepartij, een partij die de sociale zekerheid ‘verdedigde’ (wat wilde zeggen: haar afslanking begeleidde en temperde), maar geen of weinig aandacht had voor tal van nieuwe maatschappelijke problemen. En die zwakte werd extra geaccentueerd doordat de omvorming van de SP van oppositie- tot beleidspartij min of meer samenviel met de opkomst van twee nieuwe electorale concurrenten: het Vlaams Blok, nu Vlaams Belang, en Agalev, nu Groen!. Die twee partijen zagen beide het levenslicht in de late jaren 1970, kenden in zekere zin een incubatieperiode in de vroege jaren 1980, maar kwamen pas sterk opzetten vanaf 1987. Ze dwongen de SP/sp.a in een spagaat waar de socialistische partij sindsdien mee is blijven worstelen. In de jaren 1980 was het relatief gemakkelijk oppositie voeren voor een linkse partij, want de historische ‘concurrent’, de Kommunistische Partij of KP, stelde eigenlijk niets meer voor. Dat was even anders met Agalev, waar vanaf 1987 nieuwe kopstukken als Mieke Vogels en Jos Geysels een lijn uitzetten die voor de SP veel moeilijker te bekampen was. Wat de socialisten ook deden of verwezenlijkten in de regering, voor de groene oppositie was dat ‘nooit goed genoeg’. Het kon altijd principiëler, ecologischer, socialer, nadien ook multicultureler. Voor Agalev was dat een logische opstelling, maar ze was voor de socialisten erg moeilijk te counteren. Zeker voor socialisten die gedwongen werden hun ‘retour du cœur’ op te geven en die gezien de economische omstandigheden op den duur pijnlijke compromissen moesten sluiten die hen steeds vaker in conflict brachten met de vakbondsvleugel van het ABVV. Agalev, dat al snel uitstekende introducties had in het ACV, maakte het de SP knap lastig. En waar de BSP-leiding in de jaren 1970 eventueel nog beschikte over een ‘eigen’ pers met Volksgazet en Vooruit, was dat niet meer zo in de jaren 1990. En ook hier ligt de kantelperiode in de nadagen van Van Miert. Er kwam een breuk tussen de socialistische zuil, de SP voorop, en het nieuwe dagblad De Morgen vanaf het faillissement in oktober 1986. Toen stopte de loyauteit van De Morgen aan de socialistische politiek ook formeel. Aanvankelijk bleef De Morgen nog een dagblad van onversneden progressieve signatuur, maar het was geen ‘socialistische’ krant meer. Hoe paradoxaal ook: de krant was in die fase zelfs linkser dan de oude partijpers. Vooruit en Volksgazet zouden elke sociale inlevering met hand en tand verdedigd en uitgelegd hebben aan hun lezers, indien dergelijke ingrepen beslist waren door regeringen met socialisten erin. De Morgen deed dat niet meer. De redactie was zelfs erg ontvankelijk voor de kritiek dat het regeringswerk wat beter mocht. En ‘beter’ wilde dus zeggen: progressiever, socialer en linkser. Een kritiek die vaak spoorde met die van Agalev.

Het paradoxale aan de nieuwe situatie was dat de SP het steeds moeilijker kreeg haar groene en syndicale flank af te dekken, en dat Agalev toch niet kapitaliseerde op de traditionele arbeidersachterban. Dat deed het Vlaams Blok wel, dat met zijn egoïstisch discours een zeer luisterend oor vond bij menige ‘kleine man’. Het is niét zo dat de opgang van het VB en de electorale moeilijkheden van de SP/sp.a twee communicerende vaten zijn. Wie bijvoorbeeld de electorale evoluties in het Antwerpse stemgedrag ziet, kan niet anders dan besluiten dat met name het oude CVP- en VU-electoraat minstens zo gevoelig waren voor de boodschap van Dewinter en zijn kornuiten als de oude socialistische achterban. Maar tegelijk valt het niet te loochenen dat een bepaald volks electoraat zich aangesproken voelde door het VB. En aan de ‘stemrecht voor migranten’-leuze, waar Agalev zo ijverig en vastberaden de SP de hele jaren 1980 en 1990 mee uitdaagde, had dit electoraat natuurlijk een broertje dood.

En zo raakte de socialistische partij in een situatie die voorheen ongekend was, of toch niet in die mate: haar programma moest beantwoorden aan de verzuchtingen van de ‘kleine’, of althans de ‘gewone’ man, en aan die van de progressieve, stedelijke intellectueel. En dat is ook zo gebleken: de SP was in nationale verkiezingen alleen goed aan de stembus als ze gedragen werd door kopstukken die zowel door De Morgen gefêteerd werden als het goed deden voor het VTM-publiek. Louis Tobback deed dat in een stembusslag in 1995, toen de Agusta-affaire potentieel levensbedreigend was voor zijn partij. Pas één jaar eerder had de Italiaanse socialistische partij PSI bijvoorbeeld beslist om zich te ontbinden omdat men de schandaalsfeer na de val van Bettino Craxi niet te boven kwam. En Steve Stevaert deed dat in 2003, waar hij sp.a-spirit als geen ander liet kapitaliseren op het paarsgroene beleid. Met zijn gratis-verhaal bracht Stevaert een variant van het paarse optimisme waarop groen noch blauw aanvankelijk een antwoord hadden. Er was bij de ‘kleine man’ geen herkenbaarder politicus dan ‘Steve’, de eerste SP-voorzitter die een kookboek schreef. En tegelijk kopte De Morgen na de verkiezingsoverwinning: ‘Steve is God’.

LOUIS TOBBACK EN STEVE STEVAERT

Dat zijn meteen ook de twee bepalende figuren uit het Vlaamse socialisme van de laatste kwarteeuw: Louis Tobback (°1938) uit Vlaams-Brabant, en Steve Stevaert (°1954) uit Limburg. Er zijn geen twee mannen meer verschillend. En er zijn ook geen twee mannen die meer gelijkenis vertonen. Verschillend in temperament, zelfs in talent. Louis Tobback begon zijn nationale carrière als een man van de oppositie, als een redenaar uit het parlementaire halfrond ook. Met zijn rauwe stentorstem was (en is) hij de Cicero van deze tijd, de meest begaafde politieke redenaar van zijn generatie. Zeker in de jaren 1980 was hij ‘tegen’, en het land zou dat geweten hebben: tégen de raketten, tégen de inleveringen, tégen de volmachten, tégen Wilfried Martens, tégen de CVP. Zelfs toen hij als minister van Binnenlandse Zaken een uitstekend bestuurder bleek, debatteerde hij het liefst door tégen de oppositie te zijn. Neem zijn boekje Afscheid van een stiefzoon: dat is in essentie een antwoord op de opvatting van de burger en de staat zoals de liberale leider Guy Verhofstadt dat in zijn Burgermanifesten aan het uitwerken was. Louis Tobback was daar tégen.

Stevaert is het vleesgeworden positivisme. Van hem is de slogan: ‘Het socialisme zal gezellig zijn, of niet zijn’. Stevaert liet als voorzitter aan een project werken om sp.a deel te laten zijn van een groter maar losser verbond van progressieve krachten. En de ideale naam daarvoor moest ‘Pro’ zijn: pro van progressief, pro van ‘voor’. Stevaert was helemaal geen man van het parlementaire debat, zelfs niet van het parlement tout court. Hij heeft alleen in het begin van zijn carrière oppositie gevoerd: tot hij in 1994 in Hasselt burgermeester werd, overigens in een lokaal verbond - toen al - met Agalev. En toen hij in 2000 zelfs de volstrekte meerderheid haalde in Hasselt, nodigde hij alle andere partijen (minus het Vlaams Blok) mee uit om samen de stad te besturen.

Stevaert was de Johan Cruyff van de Vlaamse politiek. Tegelijk scorende spits en spelverdeler, een man die volgens ingevingen waarvan hij alleen het geheim had, zomaar over het veld leek te zwerven, van links naar rechts, zogezegd spontaan en intuïtief. Terwijl hij in werkelijkheid elke pass, elke versnelling vooraf had ingeschat. Terwijl het leek alsof, net zoals bij Cruyff en Oranje destijds, zijn genie alleen volstond, maar hij in werkelijkheid de ster van een sterke ploeg was. In het sp.a-geval, van de drie vreselijke V’s: Frank Vandenbroucke met zijn Maximumfactuur, Johan Vande Lanotte met zijn Zilverfonds en Luc Van den Bossche met zijn Copernicusplan.

En toch zijn Tobback en Stevaert zo gelijkend. Stevaert maakte naam door kritiek te leveren op Tobback - hij doopte hem ‘Deng’ - en Tobback liet dat ook toe. Ze komen beiden uit een middelgrote stad, uit gezinnen zonder socialistische voorgeschiedenis. Ze werden beiden burgemeester door een door christendemocraten geleide meerderheid te breken. Ze zijn beiden pragmatische bestuurders. Ze werden beiden op handen gedragen door de socialistische achterban, hoewel ze beiden die achterban openlijk tegen de haren instreken. Tobback door de interne structuur van de SP te kraken (hij bouwde de macht van de federaties flink af), Stevaert door het klassieke politieke discours op zijn kop te zetten (Stevaert was positief voor katholieken, voor zelfstandigen, voor mensen die een huis wilden kopen en die minder belastingen wilden betalen). En bovenal: sinds Karel Van Miert waren Louis Tobback en Steve Stevaert als enigen in staat als grote winnaar van een nationale verkiezing uitgeroepen te worden. Welteverstaan: bij één nationale verkiezing.

Hoe fundamenteel verschillend de situatie ook was in 1995, toen Tobback won, en in 2003, toen Stevaert heerste, toch zijn de parallellen bijzonder leerzaam. Parallel één. Tweemaal waren het verkiezingen waarin de sp.a geen of weinig concurrentie ter linkerzijde had. In 1995 trok de SP zich niet alleen op aan de slogan ‘Uw Sociale Zekerheid’ - hoewel die natuurlijk werkte, en niemand beter dan Louis Tobback de verbeten verdediging van de ‘kleine man’ symboliseerde. Maar er was ook de campagne ‘De SP is nodig’, en zelfs groene kopstukken als Jos Geysels erkenden dat een eventuele implosie van de sociaaldemocratie een politieke ramp zou zijn. In 2003 zat Agalev mee in de paarsgroene regering, en viel voor de groenen precies dát argument weg wat tot dan toe hun voornaamste unique selling position was ten opzichte van de socialisten: dat het allemaal linkser, socialer en groener mag zijn. Agalev haalde de kiesdrempel niet, de sp.a flirtte met een onverwachte bovengrens van 25 procent. Correctie: niet de sp.a deed dat, maar het kartel sp.a-spirit.
Tussen 1999 en 2003 vonden twéé operaties plaats. Eerst moderniseerde Patrick Janssens de SP - Socialistische Partij - tot sp.a, met als baseline ‘sociaal-progressief alternatief’. Dat was de uitgestoken hand. Daarna kwam daar de VU-ID-restant rond Bert Anciaux bij. Dat was het aanvaarden van die hand. Op de verkiezingsavond legde Steve Stevaert het nut van dat kartel uit in een beeldspraak die geheel de zijne was: ‘Met het inlijven van Bert (Anciaux, wp) hebben we de keeper uit het doel van de tegenpartij gehaald.’ Vertaal: ook Anciaux zou zich niet meer tégen de sp.a kunnen profileren, wat hij in de late jaren 1990 niet zonder enig succes deed. Hij pionierde bijvoorbeeld rond homorechten, nog zo’n thema dat het SP-kader en zijn potentiële jongere kiezers meer aansprak dan de oudere en mee traditionele achterban. Louis Tobback had daar niet meteen een antwoord op, tot men overstag ging met een halfwas ‘samenlevingscontract’.
En, niet onbelangrijk, in de paarsgroene jaren had de sp.a voor het eerst ‘de pers’ mee. Mettertijd sloeg het paarse project aan, misschien meer nog in de samenleving en bij journalisten dan in de parlementen en de Wetstraat zelf. In 1995 voelden velen mee met de SP van Tobback, in 2003 waren weinigen tegen het socialistische project van Stevaert.

Parallel twee: de successen waren van korte duur. Zelfs absolute toptalenten als Stevaert en Tobback was het niet gegeven om lang én volks én hip te blijven. In het geval van Tobback was dat zelfs een bewuste keuze. Kort na de verkiezingen van 1995 schreef hij Zwart op wit, een boekje waarin hij uitlegt waarom de SP volgens hem terug moet naar haar (culturele) roots: de gewone man, een inzicht waartoe onder meer socioloog en VUB-hoogleraar Mark Elchardus hem had gebracht. Het was een poging om opnieuw contact te vinden met the silent majority van de eigen achterban. Tobback poogde het paradigma te keren waarin zijn partij dreigde terecht te komen: cultureel-progressief en sociaaleconomisch progressief. Sociaaleconomisch progressief wilde hij blijven, want binnen het carcan van de Maastrichtnorm zou het gevaar op te linkse economische ontsporingen trouwens gering zijn. Maar cultureel zocht hij meer aansluiting bij de achterban die zich verweesd had gevoeld door het in haar ogen te elitair optreden van een bepaald soort ‘weldenkend links’. Die poging mislukte, zij het vooral omdat de tweede regering-Dehaene weinig inspirerend was, en in een schaal van scandalitis terechtkwam, met als culminatiepunt de ‘kippencrisis’ in volle verkiezingsperiode.
Anders dan de verkiezingen van 1995, die getekend waren door het Agustaschandaal, raakte de SP in 1999 niet onder de doem van de dioxine uit. Louis Tobback was nog wel het uithangbord van de verkiezingen geweest, maar nu gaf hij de fakkel door aan een nieuwe generatie. Die koos niet alleen de coalitie waarvoor hij altijd gewaarschuwd had (‘wie paars begint, eindigt bont en blauw’), maar veranderde ook van koers. Gezien de andere omstandigheden was een nieuwe lijn trouwens aangewezen: wie in een paarsgroene coalitie stapt, moet maar zien dat hij zoveel mogelijk paarsgroene kiezers weet aan te trekken. Hetgeen in 2003 dus wonderwel lukte.

Waarna Stevaert in 2003 net het tegenovergestelde deed van Tobback in 1995. Stevaert ging namelijk expliciet achter de groene kiezers aan, dus bij uitbreiding: de niet-volkse progressieve Vlaming. Zijn (al dan niet vijandig) openbaar overnamebod op Agalev mislukte evenwel. Agalev werd Groen!, keerde zich nadrukkelijk tégen Stevaert, en dus tégen de sp.a. Op amper een half jaar tijd werd Stevaert van ‘God’ ineens het ‘schijnheilig paterke van Hasselt’. Nu trok Groen! zich op haar beurt op aan een campagne ‘Groen! is nodig’. De partij haalde in 2004 de kiesdrempel wél, de sp.a kon haar onverwacht hoge score van 2003 niet meer houden en viel terug op 19,6 procent. Dat was wellicht een realistischere meting van de werkelijke kracht van de Vlaamse socialisten, maar omdat de symbolische grens van de 20 procent niet meer werd gehaald, gold die verkiezing als een nederlaag.

Maar de consequentie bleef: in jaren dat socialisten felle progressieve concurrentie hadden, ging het niet goed aan de stembus. In jaren dat dit minder was, om welke reden dan ook, verliep het een stuk beter. Dat inzicht leidde ertoe dat Johan Vande Lanotte in de aanloop van de verkiezingen van 2007 de socialistische partij zo breed als kon wilde opengooien, en strategische allianties zocht met vooral nieuwe sociale bewegingen, van Greenpeace over de Fietsersbond tot zelfs de Gezinsbond toe. Dat mislukte evenwel. En wat erger was, in plaats van het vinden van nieuwe vrienden, trad er een vervreemding op met de oude kameraden: de relatie met de mutualiteit werd koel, die met de vakbond raakte zelfs verziekt. Op 1 mei 2005 had Stevaert openlijk ruzie met het ABVV over het vakbondsvoorstel van de Algemene Sociale Bijdrage: sp.a zei - riep - neen, ABVV was voor. Een jaar later betoogden ABVV’ers tegen het Generatiepact van de regering-Verhofstadt II, een activeringsplan dat voluit gesteund werd door de sp.a. Het ‘pro’ van Stevaert werd omgevormd tot de ‘Ja!’-campagne van Vande Lanotte in 2007. Maar uiteindelijk was niemand voor, en dus verloor de sp.a zwaar.

Waarna de nieuwe voorzitter Caroline Gennez gedoemd was om een correctie door te voeren. De verkiezingen van 2007 waren zo dramatisch: niet omdat de sp.a geen progressieven meer kon overtuigen, maar omdat blijkbaar ook zelfs veel socialisten begonnen af te haken. Men moest dus zijn kernpubliek verdedigen. Er werd grote schoonmaak gehouden bij de nieuwe vrienden. Het kartel met spirit werd opgedoekt. Ook al omdat de partner, die nu ineens VlPro heette, onder voorzitter Bettina Geysen op ergerlijk dilettante wijze aan politiek deed. Bert Anciaux en een paar getrouwen traden wel toe tot de sp.a, maar werden allesbehalve hartelijk ontvangen.
Want ook dat was een gevolg van de electorale erosie: de geroemde socialistische partijtucht spoelde weg. Caroline Gennez kreeg kritiek van oudere partijgenoten, van de linkse stroming SP.a-Rood, tussendoor van haar eigen partijbureau, ten slotte van de groep die na de verkiezingen van 2009 niet pikte dat Frank Vandenbroucke uitgerangeerd werd. Maar tegelijk haalde ze wel de banden aan met het ABVV. Maar het is afwachten tot de volgende verkiezingen of deze strategie loont.

PRAGMATIEK

Want strategische bondgenootschappen smeden is één zaak, een eigen politiek project uitwerken nog een andere. Ook op dat vlak was de laatste kwarteeuw zeer apart. Uitgerekend in diezelfde jaren dat ons verhaal begint, valt de Berlijnse muur. Vanaf 1989 zou ‘socialisme’ dus nooit meer zijn wat het voorheen was. Niet dat de Belgische sociaaldemocraten of socialisten ooit vrienden van Moskou waren, maar door hun steun aan de vredesbeweging in de jaren 1980 hadden ze wel sterk ingezet op de detente met Oost-Europa, op een vriendschappelijke relatie met politici als Gorbatsjov. Dat perspectief viel op een paar maanden tijd weg: ineens waren het de mannen van de harde, onbuigzame lijn die het historische gelijk aan hun kant hadden, de Reagans en Thatchers van deze wereld. Niet alleen verdween Karel Van Miert naar de Europese Commissie, de nieuwe generatie kon ook amper kapitaliseren op zijn erfenis. En bovendien was ‘socialisme’ ineens een aangebrand woord, leek het een ideologie uit een ver verleden. Natuurlijk was de West-Europese sociaaldemocratie in wezen verschillend van het Oost-Europese socialisme, maar in uiterlijkheden waren er natuurlijk wel gelijkenissen - de naam, de kleur, de gebalde linkervuist, De Internationale.Het lijkt de kwadratuur van de cirkel: na de val van de Muur nog zoeken naar een ideologie - laat staan een socialistische. Er is één zeer ideologische poging geweest: Het Sienjaal van Norbert De Batselier, een poging uit 1995-96 om socialisten, progressieve Vlaams-nationalisten, groenen en de christelijke arbeidersbeweging rond een inhoudelijk programma te krijgen. Het mislukte. Niet omdat ze het inhoudelijk niet eens zouden zijn, maar om allerlei andere redenen. En die hebben meestal met macht te maken. Met pragmatiek.

Dat lijkt meteen het sleutelwoord voor het socialisme in Vlaanderen ‘na de Muur’: het is pragmatisch, zelfs praktisch. Het is een lijn die glashelder wordt als je de boeken van de verschillende SP/sp.a-voorzitters na elkaar zou lezen, van Over dromen en mensen van Frank Vandenbroucke (1990), Afscheid van een stiefzoon van Louis Tobback (1991), het door Johan Vande Lanotte uitgewerkte Toekomstcontract (1998), Over de grenzen (2001) van Patrick Janssens, tot Steve op de rooster van Steve Stevaert (2003): zelfs de bevlogen passages zijn praktisch en pragmatisch. In een interview met De Morgen verwoordde Caroline Gennez de horizon van haar partij in een uitspraak die trouwens de perfecte synthese is van de ontwikkeling van het Vlaamse socialisme in de laatste kwarteeuw: ‘sp.a is de partij van de gewone mensen, met hun gewone dromen’.
Waarbij het voor de Vlaamse socialisten de uitdaging zal blijven om in een hard economisch en sociaal klimaat, met stijgende communautaire en etnisch-culturele spanningen, waar verdoken armoede hand in hand gaat met een openlijke dualisering, toch geen ‘gewone’ partij te zijn. Haar geschiedenis heeft ze alvast mee. Nu nog de toekomst vatten.

Walter Pauli
Journalist De Morgen

Geert Van Goethem & Walter Pauli

De droom van een betere wereld. 125 jaar socialistische partij
Gent: Amsab-ISG/Tijdsbeeld & Pièce Montée, 2010

sp.a - socialisme - verkiezingen

Samenleving en politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 5 (mei), pagina 71 tot 79