(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

'We mogen 'wederkerigheid' niet laten kapen door rechts'

Interview met Frank Vandenbroucke (Hoogleraar Universiteit van Amsterdam)

juni 2016
Vermeersch Wim
2016

Voor sommigen is Frank Vandenbroucke het gezicht van de strenge en activerende welvaartsstaat, maar nu rechtse partijen het begrip ‘wederkerigheid’ in een overdosis toedienen, pleit hij voor mededogen. "Wederkerigheid is het cement van de welvaartsstaat, maar een overdosis is ook niet goed. Je hebt geen oog meer voor menselijk falen. Je wordt hardvochtig." Sociaaldemocraten mogen het begrip ‘wederkerigheid’ niet laten kapen door rechts. Vandenbroucke waarschuwt: "We moeten het kompas van wederkerigheid, voor zowel de boven- als onderkant van de samenleving, meer ongegeneerd op tafel leggen. Ik ben bang dat we, in een zoektocht om iets radicaal nieuw te bedenken, niet meer voor ons elementaire gedachtegoed willen vechten. Als dat gebeurt, zijn we alles kwijt." 

In zijn politieke carrière was Frank Vandenbroucke gemeenteraadslid, volksvertegenwoordiger, partijvoorzitter, minister en senator. Europarlementslid is hij nooit geweest, hoewel Europa hem altijd heeft geboeid. In 1999 al sprak Vandenbroucke op de prestigieuze Den Uyl-lezing over de sociale doelstellingen van Europa en trok hij mee aan de kar van de Open Coördinatiemethode. In zijn ‘tweede’ carrière als hoogleraar legt hij zich vol toe op Europa. Eerst verbonden aan de Universiteit Antwerpen en de KU Leuven, nu aan de Universiteit van Amsterdam. Een bewuste keuze. "Onze noorderburen zijn een stuk eurosceptischer dan wij. In Vlaanderen was een pro-Europees verhaal, tot voor kort, mainstream. Het is een uitdaging om in Nederland mijn verhaal te vertellen. Het is soms vloeken in de Lutheraanse kerk."

Frank Vandenbroucke heeft een duidelijk plan voor Europa. Hij wil dat soevereiniteit gedeeld wordt in een Europese Sociale Unie met een gemeenschappelijke oriëntatie, op afgesproken, realistische sociale doelstellingen en standaarden. "Zolang er geen deling van soevereiniteit is en de solidaire risicospreiding uitblijft, modderen we door," is Vandenbroucke scherp voor het Europese project. Ook voor zijn eigen politieke beweging vreest hij. "Voor de sociaaldemocraten is dit een existentiële kwestie geworden. Slagen we hier niet in, dan worden we irrelevant als Europese stroming."

We ontmoeten Vandenbroucke de dag na zijn oratie waarmee hij zijn Amsterdamse ambt officieel aanving. Hij legde er, ietwat verrassend, sterk de nadruk op de herverdelings- en verzekeringsmechanismes in de Verenigde Staten. Het is een contra-intuïtieve vaststelling, maar in zekere zin is er in Europa evenveel ongelijkheid als in de Verenigde Staten. "We zijn ons onvoldoende bewust van het feit dat de continentale ongelijkheid in Europa buitengewoon groot is, vooral aan de onderkant. Dat is een probleem, want Bulgaren zijn voor ons op een relevante manier arm. We moeten dus een dubbel perspectief ontwikkelen. Enerzijds een sterk ontwikkelde nationale solidariteit die je niet wil opofferen aan het Europese verhaal. Anderzijds wordt het pan-Europese perspectief in toenemende mate relevant."

Zijn sterke nationale welvaartsstaten en Europese integratie strijdig met elkaar?

"De Founding Fathers van het Europese project gingen ervan uit dat die twee perspectieven probleemloos samenliepen. Sinds het midden van de jaren 2000 zie je de barsten in hun model; met de financiële crisis werden de constructiefouten van de Unie pijnlijk duidelijk. Ik denk echter niet dat we met een tragisch dilemma te maken hebben. Alleen moeten we nu stappen zetten. We moeten evolueren naar een Sociale Unie van welvaartsstaten die het nationale beleid oriënteert en ondersteunt. Ik pleit niet voor een Europese welvaartsstaat."

Uw verhaal verschilt op dat vlak met dat van Guy Verhofstadt, die pleit voor een Verenigde Staten van Europa.

"Voor mij zit het democratisch deficit van de Europese Unie vooral bij het gebrek aan gemeenschappelijke doelstellingen. Het is goed dat Guy Verhofstadt daar een helder antwoord op geeft. De vraag is of dat het goede antwoord is. Verhofstadt belijdt een probleemloos, euforisch kosmopolitisme. Maar de realiteit is anders. Doordat we de Europese binnengrenzen opengooiden, worden mensen aan de onderkant van de samenleving gedwongen met elkaar te concurreren. Dat zorgt voor sociale en culturele spanningen. Maar los van de vraag of je ooit een Verenigde Staten van Europa wenst, is er de wetenschap dat je dat morgen niet hebt. Maar je hebt morgen wel een Unie van welvaartsstaten nodig."

De Sociale Unie waar u voor pleit, moet ook nog worden bedacht. Ze bestaat nergens anders ter wereld. Die Unie is dan toch ook niet voor morgen?

"Een Europees verzekeringssysteem kan je wél op korte termijn ontwikkelen. Met een verzekeringspremie van slechts 1 of 1,5% van het bnp kan je een schokdemper maken. Je hebt daarvoor geen begroting van 10 of 15% van het bnp nodig. Ik weet wel, ook zo’n verzekeringssysteem is een work in progress. Er is nog steeds veel weerstand om gelijktijdig soevereiniteit te delen en solidariteit te organiseren. Als we slim samenwerken gaan we geen macht afgeven, maar zullen we net beleidsvermogen heroveren."

We beseffen onvoldoende dat het nationale beleid inspeelt op het Europese beleid, en omgekeerd?

"We zijn één geheel aan het worden. In Italië heeft de helft van de werknemers geen werkloosheidsverzekering. Dat heeft onrechtstreeks ook een impact op ons. In Nederland zijn er straks 1 miljoen zzp’ers, zelfstandigen zonder personeel die vaak in precaire omstandigheden werken. Ook dat correleert met Europa. Nederlands Minister van Sociale Zaken en Werk Lodewijk Asscher fulmineert terecht tegen Europa dat de detacheringsrichtlijn moet worden aangepakt, maar het is wel de Nederlandse regering zelf die met een doorgedreven flexibilisering de deur heeft opengezet voor arbeidsmigranten die flexi-jobs aannemen. Als je op nationaal vlak zelf dat aanbod mogelijk maakt, moet je niet bij Europa klagen dat er een probleem ontstaat aan de onderkant van jouw arbeidsmarkt."

In België spreekt vooral Open VLD over flexi-jobs, aparte statuten in de horeca, meer studentenjobs,...

"Daar moeten we mee opletten. Je creëert een segment van werkenden die niet geïntegreerd is in de sociale zekerheid. In mijn eigen vroegere beleid was het streven naar een universeel systeem van sociale bescherming een axioma. Je kan een onderscheid maken tussen zelfstandigen, ambtenaren en werknemers, maar je mag geen gaten creëren. Zo vond ik het belangrijk dat artiesten en onthaalmoeders een aangepast statuut kregen. Dat was knutselwerk, maar we integreerden hen wel volledig in de sociale zekerheid. Dat was ook wat me motiveerde bij het creëren van de dienstencheques."

Waarom is het vandaag zo moeilijk om solidariteit te betonen binnen de Europese Unie?

"Intergouvernementeel crisismanagement is een wankele basis voor het organiseren van solidariteit. De solidariteit binnen de Europese Unie is voornamelijk ex post. Dat betekent dat regeringsleiders pas rond de tafel gaan zitten als er een probleem is; zoals bij de Griekse crisis vorige zomer. Dat heeft twee grote nadelen. Een. Je krijgt meteen een blame game. Wie is in de fout? Vermits je absoluut moet aantonen dat jij juist en de andere fout was, leidt dat tot complicaties in de manier waarop je solidariteitsmechanismes opzet. Vervolgens moeten regeringsleiders het akkoord in het thuisland uitleggen. Dat soort solidariteitsmarathons vraagt veel politiek kapitaal. Twee. Als je ex-post optreedt, loopt de economische schade snel op. Je hebt immers vaak te maken met self fulfilling prophecies. Als men verwacht dat een land in de problemen geraakt, wordt daarop gespeculeerd en worden de problemen nog erger. Als je ex post optreedt, ben je gedoemd om daar achter aan te lopen."

Dus moeten we vooraf solidariteitsmechanismen opzetten?

"In het vakjargon heet dit ex ante solidariteit. Deze solidariteitsmechanismen hebben een groter draagvlak, gelden voor iedereen en werken tijdig. Neem opnieuw het voorbeeld van de werkloosheid. Als je daar een Europees verzekeringsmechanisme op ent, kan dat in een crisis snel werken. Dit draagt er toe bij dat verwachtingen worden gestabiliseerd, en zo ook het vertrouwen van internationale kredietmarkten wordt ondersteund."

Moeten we eerst aan het draagvlak werken vooraleer we aan zo’n Sociale Unie beginnen, of maken we er best gewoon werk van en rekenen we erop dat het draagvlak wel zal komen?

"In de jaren 1980 ben ik sterk aangesproken door het werk van de Amerikaanse filosoof John Rawls. Hij zei dat goed geordende rechtvaardige samenlevingen stabiel zijn en zichzelf als het ware in stand houden omdat de mensen een zin voor rechtvaardigheid ontwikkelen. Ik wou dat het waar was, maar mijn ervaring als politicus is dat je voortdurend moet blijven vechten om mensen te overtuigen. Draagvlak komt nooit vanzelf, en blijft dus ook niet vanzelf bestaan. Maar we mogen nu geen afwachtende houding aannemen. De geloofwaardigheid van het Europese verhaal herstellen, is een race tegen de tijd. Er is geen tijd voor uitstel: nu moeten nieuwe oplossingen op tafel gelegd worden."

Ook Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker zei bij zijn aanstelling dat dit de Commissie van de laatste kans was voor een sociaal Europa. Verstandig?

"Met het motto dat haar ambitie een sociale AAA-rating is voor de Europese Unie, creëerde de Commissie Juncker hoge verwachtingen: dat opent een window of opportunity, maar wie dan faalt, heeft zijn eigen executie georganiseerd. Ik heb een dubbel gevoel over deze Commissie. Ze zegt dat Europa een stabilisatiemechanisme moet krijgen, wat goed is, en ze pakt nu uit met een mooi initiatief voor een Europese pijler van sociale rechten; maar het eerste blijft zeer vaag, en het tweede is onduidelijk qua operationele doelstelling. De uitdaging is om deze initiatieven met voldoende elan en voldoende concreet op de agenda van de nationale regeringen te krijgen. Anders dreigt haar zelfverklaarde ambitie als een boemerang in het gezicht te komen. Daar ben ik bezorgd over, want ik voel veel koudwatervrees. Het blijft rijden en omzien. De Commissie werkt natuurlijk met forse tegenwind: onlangs nog werden de gematigde voorstellen van Marianne Thyssen inzake detachering meteen weggeblazen."

Het begrip ‘solidariteit’ lijkt vandaag een vies woord geworden te zijn. De verantwoordelijkheid voor eigen falen wordt steeds meer bij de burger gelegd.

"Een samenleving kan enkel functioneren op basis van de idee dat mensen verantwoordelijk zijn voor zichzelf en voor elkaar. Maar je kan niet alleen door de bril van verantwoordelijkheid kijken. Je moet ook mededogen hebben met menselijk falen. Als op de spoeddienst twee zwaargewonden na een ongeval worden binnengevoerd, zal men zich niet afvragen wie in fout was. Men zal beiden opereren om levens te redden, pas nadien volgt de schuldvraag. Mededogen dus. Op een bepaald moment worden mensen zo kwetsbaar dat je de verantwoordelijkheidsvraag niet meer in eerste instantie moet stellen, maar dat je moet helpen."

In hoeverre verschilt het ‘voor wat hoort wat’ discours van het verhaal over ‘wederkerigheid’?

"In het ‘voor wat hoort wat’ discours, dat we vandaag steeds vaker horen, zit geen mededogen. Het is een enge opvatting van ‘wederkerigheid’, een term waar ik meer van houd. ‘Wederkerigheid’ wil zeggen dat we dingen voor elkaar doen, niet omdat er altijd een tegenprestatie tegenover staat, maar wel omdat we geloven dat diegenen die onze hulp krijgen wel bereid zijn een tegenprestatie te leveren indien wij in nood zouden zijn. Tegelijkertijd beseffen we dat niet iedereen bij machte is een tegenprestatie te leveren. Wederkerigheid is het cement van de welvaartsstaat; daarin zit ‘voor wat hoort wat’, maar een overdosis ‘voor wat hoort wat’ is niet goed. Je hebt geen oog meer voor menselijk falen. Je wordt hardvochtig. Een overdosis leidt tot wantrouwen. Daardoor ben je niet meer in staat om een samenwerking op te zetten, laat staan om elkaar solidair te verzekeren."

Bij wederkerigheid hoort aanleunend mededogen, zegt u. Toch bent u voor sommigen het gezicht van de strenge en activerende welvaartsstaat.

"Dat sociaal beleid naast toewijzen van verantwoordelijkheid ook mededogen nodig heeft zeg ik al heel lang. Soms mankeert de verantwoordelijkheid. Als Minister van Werk in de regering-Verhofstadt II legde ik sterk de klemtoon op de verantwoordelijkheid van de regio’s. Vooral in Brussel en Wallonië liet men toen werklozen in een hoekje verkommeren, terwijl die net moesten worden geactiveerd. Aan dat strenge verantwoordelijkheidsdiscours koppelde ik dat werkzoekenden ook kansen zouden krijgen. Die combinatie heeft gewerkt. Le Forem is een dynamische instelling geworden. Soms mankeert dus verantwoordelijkheid, maar soms mankeert het mededogen. Vandaag willen centrumrechtse partijen steeds meer ‘tegenprestaties’ voor uitkeringen. Men vertrekt vanuit een diep wantrouwen tegenover wie uitkeringen krijgt; voor mededogen is hoe dan ook zeer weinig plaats. De verwijzingen naar de actieve welvaartsstaat of naar ‘flinks’ die je dan wel eens hoort, klinken voor mij daarom hol."

Vandaag worden de uitwassen van het sociale zekerheidssysteem doelbewust als representatief voorgesteld in een poging om het draagvlak voor solidariteit onderuit te halen.

"Bij elk verzekeringssysteem is er altijd een stukje oncontroleerbaarheid. Dat is onvermijdelijk. Het is zoeken naar een goed evenwicht tussen de voordelen van een verzekeringssysteem en het zo beperkt mogelijk houden van de moral hazard, het oneigenlijk gebruik van verzekeringen. Open VLD en N-VA kijken enkel nog naar die moral hazard. Ze willen die op 0 zetten. Maar daarmee zet je ook de solidariteit zelf op 0."

Wat moet de reactie zijn van sociaaldemocraten op politici die met hun discours het hele principe van de sociale zekerheid ondermijnen?

"Het is niet omdat de tegenpartij ‘wederkerigheid’ in een overdosis toedient, dat wij dat begrip moeten afzweren. Integendeel. Sociaaldemocraten moeten een evenwichtig verhaal van wederkerigheid mét mededogen vertellen. Tegen de elite moeten we zeggen dat ze die status te danken heeft aan de samenleving en dat ze daarvoor veel moet teruggeven. Tegen de werkende middenklasse moeten we zeggen dat de mensen die niet willen werken geen recht hebben op een uitkering, terwijl mensen die niet kunnen werken natuurlijk wel dat recht hebben; tegelijkertijd moeten we openheid vragen voor kwetsbaarheid door menselijk falen."

Is een meer evenwichtig verhaal over ‘wederkerigheid’ voldoende verschillend van de hardere rechtse variant om electoraal te scoren?

"Dit is geen softere variant van wat rechtse partijen vertellen. Hun ‘voor wat hoort wat’-verhaal is een degeneratie van ons verhaal. Ik ben er absoluut van overtuigd dat het merendeel van de Vlamingen het eens is met een verhaal van ‘wederkerigheid’ en mededogen. Wie kan, doet zijn duit in het zakje. Wie meer heeft, doet meer in het zakje. Wie niet kan, krijgt steun. Voor kwetsbaarheid door menselijke zwakheid hebben we ook mededogen."

Valt het verhaal van wederkerigheid mét mededogen te enten op een gekleurde samenleving met minder natuurlijke cohesie?

"Migratie maakt dat verhaal moeilijker, dat mogen we niet ontkennen. Maar ook daar moet wederkerigheid de leidraad zijn. Een Bulgaar kan niet zomaar naar België komen om meteen bijstand te vragen; zijn recht op bijstand ontstaat pas wanneer hij een feitelijke band ontwikkelt met onze samenleving. Ik zie geen ander verhaal dan dat. Sociaaldemocraten hebben het normatieve concept van ‘wederkerigheid’ laten kapen door rechts. We moeten dat begrip weer bij ons krijgen. Ik ben bang dat we, in een zoektocht om iets radicaal nieuw te bedenken, niet meer voor ons elementaire gedachtegoed willen vechten. Als dat gebeurt, zijn we alles kwijt."

Gegeven uw discours over wederkerigheid, neem ik aan dat u geen voorstander bent van het basisinkomen?

"Het filosofische fundament voor basisinkomen is dat de productiviteit van onze huidige samenleving het resultaat is van een erfenis van eeuwen menselijke inzet, met name inzake wetenschap en techniek; het ‘dividend’ daarvan moet je gelijk onder iedereen verdelen zonder tegenprestatie: een ‘wederkerigheidsprincipe’ is op dit ‘dividend’ inderdaad niet toepasbaar. Daar ben ik het mee eens. De volgende vraag is: moet dat dividend prioritair uitgekeerd worden in geld voor iedereen, of prioritair in toegankelijk en uitstekende onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen? Ik kies voor het laatste. Daar moeten sociaaldemocraten voor vechten. Zal daar wat moral hazard zijn? Ja. Zullen er sommige mensen te veel naar de dokter gaan? Ja. Toch moeten we dat gevecht ongegeneerd voeren."
"Ik weet dat je tegenover mijn prioriteit voor onderwijs en zorg weer andere filosofische bedenkingen kan plaatsen. Maar toch zou ik het een grote vergissing vinden dat sociaaldemocraten vandaag voor een basisinkomen in geld pleiten. Men zou dan overigens ook moeten uitleggen hoe dat zou werken in een Europa met vrij verkeer van mensen over de grenzen; ik zie dat eerlijk gezegd niet."

Waarom doen sociaaldemocraten het in veel landen slecht en de partijen op de flanken het goed?

"Elites nemen vandaag een ongeziene vlucht qua rijkdom. Een deel van de elite profiteert ongegeneerd. Een brede middengroep van werkende mensen is daar verontwaardigd over en zou zich in theorie tot de sociaaldemocratie moeten bekennen. Alleen loopt diezelfde brede middengroep rond met allerlei ideeën over de profiteurs aan de onderkant, wat dan weer gekoppeld wordt aan migratie. Terwijl het bijstandstoerisme grotendeels een mythe is, en hoe dan ook in het niets verzinkt in vergelijking met het morele profitariaat dat tot uiting komt in het Panama-dossier. Sociaaldemocraten hebben deze werkende middengroep in handen gelaten van rechtse partijen, die op hun beurt dan nog eens die elite beschermen. Dan krijg je natuurlijk de verkeerde coalitie."

Hoe kan je die middengroepen terughalen naar de sociaaldemocratie?

"Je zal die middengroepen alleen maar overtuigen als je een dubbel verhaal vertelt: zowel de elite als iemand die van de bijstand leeft, heeft plichten. Het is de enige manier om te verhinderen dat rechts een front maakt van de middenklasse en de elite. Sociaaldemocraten moeten het kompas van wederkerigheid, voor zowel de boven- als onderkant van de samenleving, meer ongegeneerd op tafel leggen."

Is de sociale zekerheid er in eerste instantie voor de middengroep of voor de onderkant?

"Voor beiden."

Moeten gemeenschapsmiddelen, gezien onze hoge armoedecijfers, niet prioritair naar de onderkant van de samenleving gaan?

"Bea Cantillon, van het Centrum Sociaal Beleid Herman Deleeck, vindt dat we meer aandacht moeten hebben voor de onderkant van de samenleving. Ik ga met haar akkoord. We mogen ons niet op sleeptouw laten nemen door het discours dat de hardwerkende Vlaming uitgebuit wordt en nooit iets terugkrijgt. We doen te weinig aan armoedebestrijding. We zouden op elke beleidsmaatregel een Mattheus-toets moeten doen om te kijken wat ze betekent voor de middengroepen en de zwakste groepen."
"Tegelijk wil ik wijzen op een goede lezing van wat Herman Deleeck daarover zei. Hij was sterk bezig met het feit dat er ook in het sociale en onderwijsbeleid een omgekeerde herverdeling kan zijn, maar beoordeelde dat niet per se negatief. Het punt van Deleeck was niet dat hij nooit of te nimmer ergens in een subsector een Mattheus-effect wilde zien. Wel dat er een evenwicht moest bestaan waarbij middengroepen ook iets terugkregen van de welvaartsstaat, wat een maatschappelijke deal rond sociaal beleid mogelijk maakte."

Is het verschil met 30 jaar geleden niet dat de middenklasse vandaag meer onder druk staat?

"Sedert het pionierswerk van Deleeck is er inderdaad veel veranderd in het functioneren van de Belgische welvaartsstaat. De Mattheus-effecten liggen anders dan toen hij ze situeerde, maar ook de positie van de middengroep zelf is veranderd: het feit dat de middengroep zich nu zelf door de globalisering belaagd voelt, creëert een nieuwe context waarin de eenvoudige maatschappelijke deal niet meer werkt: de middengroep is boos op de ‘profiteurs’ aan de bovenkant, maar vooral op de ‘profiteurs’ aan de onderkant van de maatschappij."

Een interessante case in dit debat zijn de dienstencheques. Daarover heeft u met Ive Marx, ook werkzaam bij het Centrum voor Sociaal Beleid Centrum Deleeck, een fundamenteel meningsverschil.

"Voor Ive Marx zorgen dienstencheques voor een omgekeerde herverdeling. Ik vind zijn kritiek prikkelend en daarom relevant, maar ben het er niet mee eens. Voor mij creëren dienstencheques een coalitie tussen een werkende middengroep, die er inderdaad voordeel mee doet, en mensen die dankzij die dienstencheques poetsen in wettelijk correcte omstandigheden, met een fatsoenlijk loon, vakbondsvertegenwoordiging en geïntegreerd in de universele sociale zekerheid."

 Gaat hetzelfde argument op voor de kinderbijslag? ‘Ieder kind gelijk’ komt de legitimiteit van de sociale zekerheid ten goede, zo luidt het argument bij de voorstanders van een hoge basistoeslag.

"Kinderbijslag komt inderdaad in de buurt van het dividend van de samenleving, waar we het eerder over hadden, maar vermits we met de kinderbijslag de kost van kinderen toch niet 100% kunnen compenseren, vind ik niet dat die voor iedereen gelijk moet zijn. Het akkoord van de Vlaamse regering is een voorbeeld hoe je foute uitgangspunten nog wat kan oplappen, maar niet kan rechttrekken. ‘Ieder kind gelijk’ is een dom dogma. Als je de kost van 1 kind niet kan compenseren, is dat minder erg dan als je de kost van 3 kinderen niet kan compenseren. Een rangorde heeft dus haar nut. Net zoals leeftijdstoeslagen die oplopen logica’s hebben. Het vertrekpunt ‘elk kind is hetzelfde’ verhindert een verstandige selectiviteit in te bouwen en de kinderbijslag te gebruiken om financiële armoede bij gezinnen aan te pakken. Gezinnen met meerdere kinderen zullen op termijn een minder goed stelsel erven."

Twintigers en dertigers dreigen ook een minder goed pensioensysteem te erven. Dat moet u, als trekker van het pensioenrapport, danig frustreren?

"Ons rapport kwam er na denkwerk van 12 mensen met zeer verschillende opvattingen. We wilden dat het rapport nuttig zou zijn voor meerderheid, oppositie, werkgevers en vakbonden. Rond pensioenen moet je, net zoals bij staatshervorming, een brede consensus maken. Dat heeft de regering-Michel uitgerekend niet gedaan. Ik zie de samenhang in het beleid niet. Zo stond in ons rapport dat een belasting op vermogens de stijgende pensioenkost mee zou kunnen financieren, maar de taxshift is op dat vlak erg ontgoochelend."

Heeft de regering aan cherry picking gedaan uit jullie rapport?

"Niet alles aan de pensioenhervorming van Daniel Bacquelaine is slecht. Het optrekken van de pensioenleeftijd naar 67 jaar is uiteindelijk nodig, daar ben ik wel van overtuigd, hoewel ons rapport daar een heel andere strategie voor voorstelde. Ook het afschaffen van diplomabonificaties voor benoemde ambtenaren stond in ons rapport; dat heeft op termijn geen legitimiteit meer. Maar er zijn ook maatregelen waar ik het absoluut niet mee eens ben. Het afschaffen van de pensioenbonus is erg verkeerd; men had dit mechanisme moeten versterken. Ook de plannen in de tweede pijler komt neer op het individualiseren van de tweede pijler. Niet doen. Om echt een nieuw maatschappelijk contract tot stand te brengen, is de pensioenhervorming vooralsnog een gemiste kans."

Is het pensioenverhaal niet exemplarisch voor de onevenwichtige keuzes van deze regering?

"Dat de regering voortdurend bevestigd wordt door werkgeversorganisaties, bewijst dat ze niet in het midden zit. Maar er is een breder probleem: een onbekwaamheid om grondig te hervormen. De regering-Michel neemt drastische maatregelen, maar her-vormt niet. Her-vormen wil zeggen dat je leiding geeft en tegelijk mobiliseert om iets nieuws te ‘vormen’, om iets nieuws tot stand te brengen. Ik zie een mentale verwarring tussen polarisatie en hervorming. Men vindt het feit dat er polarisatie is een teken dat er hervormd wordt."

Waaraan wijt u die onbekwaamheid om te hervormen?

"Het heeft te maken met de huidige politieke constellatie, maar meer fundamenteel met de Belgische politieke cultuur. Nederland is overigens in het omgekeerde bedje ziek. Daar wordt te gemakkelijk snel en grootschalig hervormd. De Nederlandse elite houdt van slingerbewegingen; de Belgische niet. Hier heerst een aangeboren conservatisme waardoor we moeilijk in globale hervormingsverhalen stappen. Dat is ook niet goed. Dat België verschillende democratische fora heeft, speelt een rol. Maar ik stel in Vlaanderen hetzelfde vast."

Heeft het te maken met deze generatie politici?

"Het zou voor mij pretentieus zijn om dat te zeggen, vermits ik daar nu niet meer bij ben. Neen, het zit dieper. Sommige administraties zijn niet in staat hervormingsplannen op tafel te leggen. Sociale actoren strijden vaak enkel voor het behoud van het verworvene. Het is niet louter een politiek gegeven."
"Het is misschien oude mannenpraat - ik ben ondertussen bijna 61 - maar door de jaren heen ben ik steeds meer belang gaan hechten aan de bekwaamheid om compromissen te maken. Veel politicologen en commentatoren houden daar niet van. Voor hen moeten de roden roder en de blauwen blauwer worden. Ik vind dat ze meer moeten uitleggen dat consensus nodig is. Kijk naar de VS. Die zijn zo gepolariseerd dat ze niets meer kunnen beslissen. België, maar ook de Europese Unie, is weinig geliefd als grijze consensusmachine, maar compromissen zijn nodig."

Samenleving en politiek, Jaargang 23, 2016, nr.6 (juni), pagina 50 tot 59
foto's: Theo Beck 

(De volledige tekst van zijn oratie kan u vinden op www.frankvandenbroucke.uva.nl)

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk