(Alle Sampol-artikels, behoudens die van de laatste 6 nummers, worden hier integraal beschikbaar gesteld. Geen overname zonder bronvermelding.)

De geboorte van de leegte

maart 2006
Vanholme Pieter
2006

“Het is zo eenvoudig om werkkracht te hebben,
en zo moeilijk om daar een zin voor te zoeken.”

Robert Musil - De man zonder eigenschappen

 

Arbeid…

Het eindeloopbaandebat illustreerde onlangs duidelijk een heersende gedachte in onze samenleving: iedereen aan het werk, en dat liefst zo lang mogelijk. We zien arbeid als een zinvolle invulling van ons geïndividualiseerd, geseculariseerd leven. Dit was nochtans niet altijd zo: de oude Grieken hanteerden reeds andere begrippen om aan te tonen hoe we ons leven zinvol kunnen maken. Zo pleitte Socrates voor een zelfstandigheid van de rede, autarkeia genaamd. Want slechts wie in staat is zelfstandig te denken, is in staat ware kennis te verwerven, en kan zo het ware geluk bereiken. De epicuristen dachten het ware geluk te kunnen vinden in de ataraxia, de onverstoorbaarheid. Het geestelijk genot als voorwaarde voor een gelukkig leven. Epicurus hechtte veel belang aan het samenzijn met vrienden in zijn beruchte tuin. En Socrates hing eigenlijk ook maar wat rond op de markt van Athene, vandaag zou men wellicht een avondklok instellen om hem het spreken te beletten. Met arbeid hebben deze dingen weinig te maken, en toch was dat voor hen de manier om een waarachtig leven te leiden. Hoe komt het dat we daar in deze tijd zo ver vanaf staan?

Ik zal mijn tijd en die van de lezer niet nodeloos verkwisten met een uiteenzetting over de opkomst van het christendom. Toch kan ik niet voorbijgaan aan enkele opmerkelijke feiten. Allereerst hebben we natuurlijk de onvermijdelijke zondeval, die de mens blootstelde aan de grillen van de natuur. Hij is uit het paradijs verdreven, en moet zelf in zijn levensonderhoud voorzien. Hier wordt arbeid nog als negatief ervaren: we zijn ertoe veroordeeld. Maar niet willen arbeiden, dat betekent het ontkennen van de zonde die ons allen treft … Godslastering!
Edoch, in De civitate Dei stelt Augustinus dat dit ook een mogelijkheid biedt: door arbeid kunnen we onszelf verwerkelijken, we moeten het zien als een kans om onze talenten te ontwikkelen. Ons zweet stroomt ter meerdere eer en glorie van het rijk Gods… en wie hieraan verzaakt, diens talent zal hem ontnomen worden en in duisternis zal hij dwalen. In De opere monachorum neemt Augustinus dan ook het standpunt in dat monniken moeten werken1, met als bijkomend argument dat wie geen evenwicht kan vinden tussen hand- en geestesarbeid zijn innerlijke rust zal verliezen. (Of zoals Benedictus al zei: ‘Arbeidt en vertwijfelt niet.’) Enerzijds is arbeid dus noodzakelijk om de Goddelijke orde te respecteren, anderzijds een manier om een evenwicht te bewaren tussen geest en lichaam. Augustinus is er dus van overtuigd dat wie zich enkel aan een geestelijk leven waagt, ten onder zal gaan aan zichzelf. Het ziet er naar uit dat een ballingschap in de woestijn enkel voor de Here Jezus weggelegd is, maar niet voor ons, aardse stervelingen. Ten slotte wil ik hierbij nog opmerken, in het licht van wat later komen zal, dat Augustinus zich aan het einde van De opere monachorum verontschuldigt omdat hij zélf niet eens zijn eigen maatstaven haalde. ‘Andere dingen’ weerhielden hem, helaas, van de handenarbeid.
Maar was arbeid in de Middeleeuwen nog een manier om niet gek te worden (men zal toen lessen getrokken hebben uit de kluizenaars die de gekste visioenen kregen), bij Maarten Luther is het onomwonden een manier om een voetje voor te krijgen bij God. Men zal niet werken omwille van het levensonderhoud, maar omwille van de arbeid zélf. Van een doel-middelverdraaiing gesproken! Vanaf nu zal ook de rijke zwoegen, want zijn zweet geldt als een plengoffer die hem ook in het hiernamaals van Gods glorie laat genieten… En ook Calvijn herwaardeert de parabel van de talenten, die de mens moet gebruiken ter meerdere eer en glorie van God. Max Weber toonde reeds in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus (1905) aan hoezeer deze protestantse visie op arbeid bepalend zou zijn voor de verdere ontwikkeling van het kapitalisme.
Hadden de oude Grieken dus nog een immense afkeer van arbeid, die zij dan ook liever uitbesteedden aan slaven, dan kunnen we doorheen de geschiedenis zien hoe arbeid steeds positiever ingevuld wordt. Ook al omdat de slavernij zoals de Grieken die kenden steeds beperkter werd, en het systeem van horigen uit de vroege Middeleeuwen stilaan verdrongen werd door de opkomst van de burgerij. In de psychologie spreekt men over cognitieve dissonantie: iemand stelt een bepaald gedrag, maar dat stemt niet overeen met zijn opvattingen. In plaats van zijn gedrag aan te passen, omdat dat hem om de één of andere reden onmogelijk lijkt, gaat hij zijn opvattingen aanpassen. Ook op het gebied van de visie op arbeid zou je dit kunnen toepassen: naarmate men zelf meer moest werken, en ook wel in staat was rijkdom te verwerven, ging men geloven dat dit gedrag helemaal nog zo slecht niet was. De eerdere visie, dat arbeid een kwelling was, werd dus vervangen door de idee dat men zijn talenten moest inzetten ten dienste van God.
God mag dan ondertussen wel dood verklaard zijn door de meest schuimbekkende der waanzinnigen, en onze samenleving mag dan wel geseculariseerd zijn, veel christelijke opvattingen zijn gewoon overgeërfd. Op het gebied van de ethiek, bijvoorbeeld, zijn we nog steeds niet in staat een absolute moraal op basis van het Niets te grondvesten. Alle pogingen blijven relatief, blijven in het luchtledige hangen. Kant moet de belangrijkste poging ondernomen hebben, maar zelfs na het lezen van de Kritik der praktischen Vernunft is het niet evident om te bepalen wat wel of niet absoluut goed is.2 En volgens Wittgenstein houden we er beter onze mond over, want we zullen er toch nooit iets zinnigs kunnen over zeggen. Men zou vermoeden dat, eenmaal tot die conclusie gekomen, de gehele maatschappij zijn hoofd wanhopig tegen de muur zou bonken totdat er een oplossing voorhanden is, en Nietzsche zal ook wel vermoed hebben dat we niet gewoon konden doorgaan zoals we bezig waren, maar kijk, mensen lopen over straat alsof er niets aan de hand is. Met God als ultiem referentiepunt zijn we de grondslag voor onze moraal verloren, maar niemand die er van opkijkt.
Laten we even onze aandacht vestigen op die tijd waarin het individu plots zichzelf wou verwerkelijken: de romantiek. God is dood en begraven, en de mens geeft zich over aan het irrationele, streeft naar het sublieme, met kunst als nieuwe religie. En ook een nieuw begrip vindt ingang, namelijk dat van de geniale kunstenaar. Maar hoezeer deze romantische mens zich ook overgeeft aan zijn irrationele driften, hij streeft ernaar zijn authentieke, subjectieve gewaarwordingen tot uiting te brengen in de objectieve wereld. Een onmogelijkheid, echter, die hem ertoe zal brengen de maatschappij te benaderen met veel ironie, decadentie, een totale afwijzing. Deze tweeledigheid, deze verscheurdheid, vinden we ook terug bij één van de literaire iconen uit dat tijdperk: de Faust van Goethe. Het verhaal is bekend, we weten hoe Faust zijn ziel aan de duivel belooft als die ervoor kan zorgen dat hij één moment beleeft waarin hij nergens meer naar streeft. Maar de duivel ziet zijn buit wegvliegen als Faust behagen schept in het onbehagen, als hij geniet van het onvoldane streven. Faust heeft zich tot doel gesteld om het water van zee en moeras terug te dringen, een eeuwige en niet te voltooien bezigheid, en spreekt:

Het spoor van d’arbeid mijner aardse dagen
Blijft leven tot in verst aeoon. -
In ’t voorgevoel van zulk een heil op ’t end,
Geniet ik thans mijn levens hoogst moment.3 

Goethe bezorgde Faust dan wel wereldfaam, maar de sage dateert van vroeger, en heeft altijd een anti-humanistische inslag gekend, die nauw samenhangt met Luthers reformatie. In diens tijd trokken namelijk vaganten rond die zichzelf presenteerden als geleerden, alchemisten, astrologen,… wat uiteraard niet kon stroken met de visie op hel en verdoemenis voor wie zonder geloof was. De vroege Faust kan dan ook gezien worden als een protestantse vogelverschrikker, de verpersoonlijking van humanisme en wetenschap, voorbestemd om te knarsetanden in de hel. Slechts tijdens de Verlichting, met name bij Lessing, heeft Faust voor het eerst uitzicht op verlossing: zijn streven naar kennis is nu zijn redding in plaats van zijn verdoemenis. Bij Goethe is dit niet anders, ook hier wordt Faust gered door zijn zoektocht naar het volmaakte. Het Faust-verhaal heeft hierbij een wending gekregen waarbij de wetenschap niet langer als immoreel bestempeld wordt, wat Luther wellicht hoofdpijn had bezorgd, maar de visie op arbeid zou hem zeker wél hebben kunnen bekoren. Faust die tegen beter weten in steeds opnieuw de zee probeert terug te dringen, die de arbeid waardeert omwille van zichzelf… het zou Luther als muziek in de oren geklonken hebben!
God is dus dood, maar de Verlichte mens heeft wel een aantal zaken overgenomen van datgene wat ze in de vergeetput geduwd hebben. De visie op arbeid is slechts één gegeven. Ten slotte kan ik uiteraard in dit betoog Marx niet zomaar links laten liggen. Ook hij zag arbeid als een wezenlijk onderdeel van de mens, en zette zich af tegen de Griekse opvattingen die arbeid bestempelden als een kwaad dat vermeden moest worden. Door arbeid kan de mens zichzelf realiseren, zichzelf verwerkelijken. Hij kan zich in de arbeid objectiveren, en men zou cru kunnen stellen dat volgens Marx iemand die niet werkt geen mens is. Of tenminste een mens die niet voldoet aan wat noodzakelijk is om een mens te zijn… Ik had het hem graag horen vertellen aan enkele Griekse lanterfanters…

…en verveling

De vraag die me bezighoudt is deze: moet men werken om een mens te zijn? En met werken bedoel ik niet meteen van de ene vergadering naar de andere hollen om je vol te laten lopen met allerlei geestrijke dranken… Met werken bedoel ik een zekere productiviteit aan de dag leggen, iets creëren wat aangewezen kan worden als het resultaat van arbeid. Of kunnen wij het ons permitteren om als Griekse wijsgeren bij elkaar te zitten, en ons laten overvallen door de ledigheid van de wereld. Het totale niets-doen kan voor velen zeer deprimerend werken. Drie weken kunnen zij nog wel aan, maar daarna willen zij weer een vooruitzicht. Men wil wel vrije tijd, maar dan in oppositie met de werktijd. Als er geen werkuren meer zijn, is er geen vrije tijd meer. Dan is alles Tijd. Had Augustinus het dan toch bij het rechte eind toen hij beweerde dat arbeid noodzakelijk is voor de geestelijke gezondheid? Brood en spelen, Ora et Labora…  Maar waarom leefde hij dan zelf niet naar zijn inzichten? Zou het kunnen dat hij zichzelf wel in staat achtte om de Tijd te trotseren, maar dit niet weggelegd zag voor zijn kudde? Dostojewski schrijft over de groot-inquisiteur die de massa wou beschermen voor de vrijheid, was Augustinus een groot-inquisiteur van de Tijd? Is een oeverloze Tijd op zich geen Vrijheid? En wie durft die te trotseren?
Van Augustinus tot Marx, allen poneerden ze de stelling dat arbeid noodzakelijk is, maar wie van hen heeft zich werkelijk bekeerd tot de cultus van de arbeid? Zij schreven gedachten, inzichten op papier, ja, maar daar is weinig in terug te vinden dat er zou op wijzen dat dit hen lid maakt van de zwoegende klasse. Het is gemakkelijk om de arbeid te bewieroken van achter de schrijftafel. Vonden zij zich allen diep in hun hart zo uitzonderlijk, zo… geniaal dat ze dachten wel de Tijd te kunnen trotseren? En wat is het dat die Tijd zo afschrikwekkend maakt voor de anderen, zozeer zelfs dat deze massa maar al te graag toegeeft aan de plicht tot arbeid?
In De toverberg van Thomas Mann volgen we Hans Castorp, een jongeling van wie Mann maar niet genoeg kan benadrukken dat er helemaal niets speciaals aan hem is. Hij staat op het punt om aan de slag te gaan als ingenieur op een scheepswerf wanneer hij voor drie weken zijn neef in een kuuroord bezoekt, alwaar hij uiteindelijk zeven jaar zal verblijven. Doorheen de roman ziet men hem groeien van een bedeesde jongeman die vol interesse luistert naar wat anderen hem te vertellen hebben, tot iemand die door toedoen van een zee aan Tijd geconfronteerd wordt met de zandstormen van het leven. Mann illustreert in deze roman uitstekend wat een eindeloze Tijd met een mens kan aanvangen: de jonge Hans Castorp wordt ingepalmd door onderwerpen waar hij vroeger nooit aandacht zou aan besteed hebben, men voelt hoe hij steeds zelfbewuster in het leven staat, hoe hij in de Grote discussies zijn mannetje leert te staan. In een wereld van ziekte waarin een taboe rust op de dood, is het deze Hans Castorp, dit zorgenkind des levens, die probeert hier iets aan te verhelpen door de stervenden een bezoek te brengen. Hij leek voorbestemd om een burgerlijk leven te leiden, maar de Tijd drijft hem een andere richting uit. Hij wordt geconfronteerd met de Grote levensvragen en hij laat zich er vol overgave door ondersneeuwen. Maar Castorp is een uitzondering, de andere patiënten uit het hoogland lijken helemaal niet zo ontvankelijk voor deze confrontaties met het Hogere. De meeste verdoen hun tijd maar wat, en lijken geen enkele ambitie te koesteren om ooit nog een rol in het laagland te vervullen, dit tot grote ergernis van de humanist Settembrini, die leeft voor de menselijke vooruitgang.
De vraag die Mann opwerpt is boeiend: wat doet Tijd, eeuwige eindeloze oningevulde Tijd, met een mens? Hoe gaat iemand om met de ledigheid van het bestaan? Voor een enkeling zal het een verdieping van zijn leven betekenen, voor de meerderheid zal dit uitmonden in indolentie. Als kleine Oblomows volbrengen zij hun ligkuur, en zijn enkel nog in beweging te brengen voor een abstract idee van de liefde. (Zowat iedereen op de toverberg loenst wel naar een object van begeerte, maar bijna nooit komt het effectief tot een daadwerkelijke verhouding. Zelfs Hans Castorp ontkomt hier niet aan. Meer zelfs, zijn liefde is de reden waarom hij zoveel tijd doorbrengt in het hooggebergte.) Men zou kunnen vermoeden dat Mann insinueert dat iedereen kan meemaken wat Hans Castorp beleeft, omdat deze held zo’n buitengewoon gewoon persoon is, maar dat is net het punt: niet iedereen beleeft het zo, slechts een enkeling zal openstaan voor de desolate vlaktes van de Tijd…
In Filosofie van de verveling neemt Lars Svendsen op het eerste gezicht een gelijkaardig standpunt in. Hij geeft weer hoe we sinds de romantiek onszelf moeten verwerkelijken, hoe we zelf zin en betekenis moeten geven, maar dat dit niet voor iedereen zo evident lijkt. De meerderheid slaagt hier niet in, en wat overblijft is een diepe, diepe leegte die als hoogst vervelend wordt beschouwd. Als alles even interessant is, wordt alles uiteindelijk even vervelend, waardoor de grenzen steeds verlegd moeten worden, met steeds hetzelfde dramatische gevolg: niets kan ons redden van de verveling. Hoeveel we ook consumeren, tv kijken of in het rond neuken als hitsige konijntjes, steeds blijft er een onbevredigd gevoel. Svendsen haalt uitvoerig Heidegger aan, die de verveling zag als een grondstemming om tot metafysische vragen te kunnen komen: “De filosofie wordt dus in het niets van de verveling geboren. Door de filosofie beseffen we de leegte, de onbeduidendheid, waarin de dingen in een alomvattende onverschilligheid wegzinken. Wij beseffen dat de verveling uit de alledaagse afhankelijkheid van de dingen voortkomt. Het onechte leven heeft voor dit inzicht ‘geen tijd’, omdat zijn op de wereld georiënteerde grondbeweging de tijd weghaalt.”4 
Bij Heidegger zorgt de leegte van de verveling er dus voor dat er een grotere, verborgen betekenis geopenbaard kan worden, ze kan een andere manier van zijn bewerkstelligen. Svendsen is het hier niet mee eens omdat hij vindt dat op die manier de verveling een te grote betekenis toegeschreven krijgt, terwijl we volgens hem gewoon moeten aanvaarden dat er zoiets als verveling bestaat, zonder dat die ons optilt naar ongekende hoogtes. Maar misschien hebben zowel Svendsen als Heidegger het bij het rechte eind? Misschien zijn beide visies op verveling te rechtvaardigen? Immers, indien elk individu uniek is, waarom zou verveling dan bij iedereen hetzelfde effect teweegbrengen? De toverberg zou een bijzonder saaie roman zijn indien elk personage een Hans Castorp zou zijn. Heidegger had het dan bij het rechte eind als we spreken over dit hoofdpersonage, terwijl Svendsen dan weer spreekt voor de talloze nevenpersonages.5  

…maken goede vrienden

Ik wil niet beweren dat mensen niet gelijk zijn als mens. Maar ik durf ook niet te beweren dat iedereen op dezelfde manier reageert op wat het leven te bieden heeft. Sommigen zullen open bloeien in de ene situatie, anderen in een totaal verschillende. Ik kan me inbeelden dat er mensen zijn die zich als een vis in het water voelen in een totalitair systeem. In welk systeem men echter ook leeft, sinds Darwin weten we dat slechts wie het best aangepast is zal overleven. De zwakkeren worden weg geselecteerd. De democratie heeft zich tot doel gesteld om ook deze mensen aan de zelfkant van de maatschappij een kans te bieden om te overleven, net omdat zij als mens evenveel recht hebben op een waardig bestaan. Zieken hebben recht op verzorging, gehandicapten krijgen een uitkering, door het gelijkekansenonderwijs wordt een poging gedaan om ook kinderen uit de lagere sociale klassen zich te laten ontplooien,…
Dat is natuurlijk lovenswaardig, maar het gevaar bestaat dat de meerderheid zijn visie op het leven als de enige mogelijkheid uitdraagt. We weten dat minderheden het altijd al moeilijk gehad hebben om hun zorgen op de politieke agenda te krijgen, en daarbij ging het meestal alleen nog maar om het recht op een gelijke behandeling. Maar wat als een minderheid baat heeft bij een andere levenshouding? Zijn zij dan de slechtst aangepasten die moeten verdwijnen? Maar is dat niet juist wat een democratie wil vermijden?
Ik heb eerder aangetoond hoe de visie op arbeid veranderd is doorheen onze Westerse geschiedenis. Vandaag zijn we ervan overtuigd dat arbeid noodzakelijk is om een menselijk al te menselijk leven te leiden; zonder arbeid voelen we ons leeg en lijkt niets zin te hebben. Als men in linkse kringen spreekt over werklozen is dat steeds in negatieve zin: men heeft medelijden met die arme stakkers die wegkwijnen in de Leegte, en zich daar na enkele jaren zelfs niet meer weten uit te trekken. Rechtse kringen spreken dan weer over een sociaal profitariaat en onderschatten zo de last die deze Leegte kan meebrengen. Want inderdaad, ik geloof dat het voor de meerderheid van de bevolking een lijdensweg moet zijn om geconfronteerd te worden met het grote Niets, nog meer dan het gebrek aan financiële middelen dat is. Armoede stelt weinig voor in vergelijking met zin-armoede, hoewel beide natuurlijk liever te vermijden zijn.
Nu hoort u mij niet verklaren dat werkenden zoveel meer zin vinden in het bestaan, men zou zelfs kunnen stellen dat zij een surrogaat gebruiken: net omdat zij die zin niet vinden - of eerder niet kunnen omgaan met het gebrek aan zin - vinden zij troost, afleiding in hun arbeid. Zelfs hun vrije tijd pogen zij zo volledig mogelijk in te vullen door middel van allerhande activiteiten of verdovende middelen zoals afstompende televisieprogramma’s en drugs. Wie zegt dat hij zijn vrije uren invult met het Niets kan meestal op niet veel begrip rekenen.
De democratische meerderheid heeft beslist dat arbeiden noodzakelijk is. Niet alleen om te overleven, maar ook omdat het een verzachtend effect heeft op de zinloosheid van het bestaan, die wij goddelozen maar al te goed kennen. Dit is de visie van Augustinus: wie zich enkel aan het geestelijke leven wijdt, loopt te grote risico’s op waanzin. Men zou kunnen stellen dat het van een verregaande arrogantie getuigt om mensen de kans te ontnemen de confrontatie met het Zijn aan te gaan, maar hier is geen sprake meer van een Groot-Inquisiteur van de Tijd: het is de democratische meerderheid zelf die hiervoor gekozen heeft. Alleen hebben zij hiermee wel anderen de kans uit handen genomen om te doen wat zij zelf niet aandurven…
Men hoeft maar te kijken naar de manier waarop zij de zogenaamde zwakkeren willen helpen: wie minder begaafd is dan de gemiddelde burger wordt onder het mom van sociale integratie in een beschutte werkplaats tewerkgesteld. Ik zeg niet dat minder begaafden hier geen baat kunnen bij hebben, ik wil alleen wijzen op de denkwijze van de meerderheid, en die luidt: we moeten ook die mensen aan het werk zetten, anders zullen ze nooit een waardig bestaan kunnen leiden. Maar als ik daarnet sprak over de slechtst aangepasten, dan spreek ik niet per definitie alleen over zij die geestelijk onder het gemiddelde zitten, ik durf te stellen dat ook zij die hier boven zitten slecht aangepast zijn. Ik heb het over diegenen die de diepte van het Zijn willen trotseren, maar gedwongen worden om mee te draaien in een maatschappij die hen hiervan weerhoudt. De Leegte is hen niet gegund, net omdat de meerderheid ervan overtuigd is dat je die niemand toewenst. Niets dan goede bedoelingen, maar hoe kan de gemiddelde mens nu bepalen wat goed is voor iemand die ver boven de norm uitsteekt?
Ik spreek nu over wat ik het genie zal noemen, hoewel men hem vele benamingen zou kunnen geven. In tegenstelling tot ons is hij wel bereid om de desolaatheid van het bestaan te verkennen, meer zelfs, hij gedijt erin. Het is zijn natuurlijke biotoop. Arbeid zoals wij die kennen is niets voor hem, of ziet u Nietzsche soms functioneren aan de lopende band, kwestie van de eeuwige wederkeer in de praktijk te toetsen? Echter, in een wereld waar arbeid functioneel dient te zijn is hij een vogel voor de kat. Zijn enige mogelijkheid is dan wegkwijnen in de werkloosheidsstatistieken, waar hij bestempeld zal worden als een sociale parasiet, of zich conformeren aan de wereld rond hem. Hij kan een poging doen om te werken, maar zijn ware lotsbestemming ligt ver voorbij de grenzen van wat men hem hier kan bieden. Een vis leg je ook niet in het droge, waarom een genie dan wel?
Men zou kunnen opwerpen dat het genie wel degelijk de mogelijkheid krijgt om zich ‘te ontwikkelen’. Maar ons onderwijs is er op gericht de zwakkeren te helpen, met als enige reden ze later toch te kunnen inschakelen in het productieproces. Zij moeten later een job kunnen vinden, om zich volwaardig burger te voelen. Dat is de voornaamste bekommernis van onze educatie. Ons onderwijs is niet gericht op een confrontatie met de werkelijkheid. De universiteit kan misschien nog gezien worden als een instelling waar het genie zou kunnen gedijen, maar zelfs dit valt te betwijfelen. Universiteiten worden steeds meer onderzoeksinstellingen die een maatschappelijk nut moeten dienen. Maar welk maatschappelijk nut heeft het verkennen van het leven, als men bij voorbaat weet dat het een verloren strijd is?
Ik beweer niet dat het genie meer waard is dan een ander, net zomin als ik beweer dat een geestelijk gehandicapte minderwaardig zou zijn. Maar we moeten erkennen dat het genie onrecht wordt aangedaan als we hem willen onderwerpen aan de maatstaven van een ongeniale maatschappij. Een rechtvaardige samenleving moet voorwaarden scheppen zodat ook dit individu kan leven volgens zijn behoeftes. Het is mogelijk dat hij hierbij geen nuttig werk zal leveren, het is zelfs mogelijk dat hij in onze ogen helemaal geen werk zal leveren, maar hij zal tenminste geleefd hebben naar zijn aard. Eisen dat ook hij zich in de vlucht van het Zijn stort, verwachten dat ook hij nuttig ingepast wordt in het productieproces, is niets meer of minder dan de poorten van Auschwitz op een kiertje zetten, met de leus Arbeit macht frei in het achterhoofd. Ik geloof dat iedereen, ook het genie, de kans moet krijgen om een waardig leven te leiden.6 Als we geestelijk gehandicapten helpen, waarom dan niet genieën? Zijn wij bang om hun bestaan te erkennen omdat ze ons confronteren met onze eigen zwaktes? Nogmaals, dit is niet iets wat een rechtvaardige samenleving kan toestaan. Of om het met de woorden van Hans Castorp te zeggen: “Ik geloof dat de menselijkheid begint, waar ongeniale mensen menen dat zij ophoudt.”7

Wokinloksar
Pieter Vanholme
3e laureaat Emile Zola-prijs 2006

Samenleving en politiek, Jaargang 13, 2006, nr.3  Bijlage (maart), pagina 21 tot 30

Noten
1/ In die tijd een bron van discussie tussen verschillende kloosterordes.
2/ Ik cursiveer hier ‘absoluut’, omdat het op zich weer een hele discussie is of een moraal wel absoluut kan en/of moet zijn. In elk geval, Kant deed een poging met zijn categorische imperatief, en we moeten toegeven dat hij zijn best gedaan heeft.
3/ Johann Wolfgang von Goethe, Faust twee, vertaald door Nico van Suchtelen (10de uitgave; Amsterdam, Wereldbibliotheek BV, 1999), p.445.
4/ Lars Svendsen, Filosofie van de verveling, vertaald door Ronald Kuil (Kampen, Uitgeverij Agora, 2003), p.147.
5/ Het lijkt me niet te ver gezocht om te veronderstellen dat Heidegger zelf ervaren moet hebben dat de verveling hem aanzette tot een springen-in-het-zijn, terwijl Svendsen dezelfde leegte als hinderlijk moet ervaren hebben en daarom Heideggers idee van de hand wijst. Een theorie zegt immers vaak meer over zijn bedenker dan over zijn object, een gedachte waarvan ik niemand weerhouden wil om ze op dit essay toe te passen.
6/ Waarbij ik niet beweer dat het onmogelijk is dat een genie in deze maatschappij een manier kan vinden om te leven naar zijn behoeftes, het is best mogelijk dat sommigen het er goed van af brengen. Maar als slechts één genie gedwongen wordt te leven op een ongeniale manier, is dat er één teveel.
7/ Thomas Mann, De Toverberg, vertaald door Pé Hawinkels (12de uitgave; Amsterdam, De Arbeiderspers, 2004), p.775.

Geraadpleegde werken
- Augustinus Aurelius, Het werk van monniken. Vertaald door Laurens Baas en Vincent Hunink. Nijmegen (2005). Elektronische versie http://www.let.kun.nl/V.Hunink/documents/augustinus_opmon_nl.pdf
- Benschop Albert, Arbeid: een lastig en omstreden begrip. Amsterdam (1995). Elektronische versie :  http://www2.fmg.uva.nl/sociosite/labor/Arbeid/Arbeid.html
- De Kruijf Jan, Faust: een veel gebruikt duivels thema. http://www.audio-muziek.nl/muziek_algemeen/faust.htm
- Goethe Johann Wolfgang von., Faust twee. Vertaald door Nico van Suchtelen. 10de uitgave. Amsterdam, Wereldbibliotheek BV, 1999.
- Mann Thomas, De Toverberg. Vertaald door Pé Hawinkels. 12de uitgave. Amsterdam, De Arbeiderspers, 2004.
- Svendsen Lars, Filosofie van de verveling. Vertaald door Ronald Kuil. Kampen, Uitgeverij Agora, 2003.

 

Free business joomla templates
Ontwerp Amsab - Powered by Amsab helpdesk