Log in

Het politiek deficit van de EU in het Israëlisch-Palestijns conflict

De Europese Unie is de grootste handelspartner van Israël en veruit de grootste donor van de Palestijnse Autoriteit. Deze geprivilegieerde positie vertaalt zich echter niet in politieke slagkracht om bij te dragen aan een rechtvaardige oplossing voor het kernconflict in het Midden-Oosten dat nu 61 jaar duurt. De recente Israëlische oorlog tegen de Palestijnen in de Gazastrook, en de inconsequente reactie hierop van Europa, heeft nogmaals aangetoond dat de EU niet au sérieux genomen wordt in Tel Aviv. Een ongeloofwaardigheid waar het doen en laten van de EU zelve debet aan is.

Er liggen drie redenen ten grondslag van het politiek deficit van de EU in het Midden-Oosten. Vooreerst is dit te wijten aan de dominante Amerikaanse rol in de regio. Vervolgens kampt de EU met institutionele onvolmaaktheden waardoor ze op cruciale momenten o.a. niet met één stem kan spreken. Ten slotte is er een kloof tussen de mogelijkheden die de EU voorhanden heeft en de bedroevende afwezigheid van de wil om deze mogelijkheden ook consequent aan te wenden. Deze laatste reden is zonder meer de belangrijkste hefboom van de EU, wil het een rol van betekenis spelen in de transformatie van het conflict. De drie redenen zullen achtereenvolgens besproken worden, waarbij vooral de laatste reden, in het licht van het opzet van dit essay, zal worden uitgepluisd.

DE EG ALS AFWEZIGE AANWEZIGE

De dominante Amerikaanse rol in het Midden-Oosten is decennia oud. Tijdens de Koude Oorlog hebben de Negen van de Europese Gemeenschap in het beste geval tweede viool gespeeld. En dat is vandaag niet anders. In de loop van de jaren 1970 waren de VS en Israël zeer achterdochtig jegens het gematigde discours van de EG. Een vertoog dat, binnen het kader van de Europese Politieke Samenwerking (EPS), met consensus tot stand kwam en gradueel de Palestijnen en hun rechten erkende. De Verklaring van Londen van 29 juni 1977 vormde een primeur terzake: het was het eerste gemeenschappelijke, Europese beleidsdocument waarin de Palestijnen als volk erkend werden, evenals de noodzaak aan een homeland voor de Palestijnen onderschreven werd. De Verklaring van Venetië van 13 juni 1980 zou het culminatiepunt worden van de EPS: het Palestijnse recht op zelfbeschikking werd expliciet erkend. Ook stelde de EG dat de Palestine Liberation Organization (PLO) erkend moest worden als legitieme vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. Dit was de VS en Israël een doorn in het oog omdat de PLO, waarin Fatah van wijlen Yasser Arafat dominant was, bij hen geboekstaafd stond als een ‘terroristische organisatie’ zonder meer - de parallel die men kan trekken met Hamas anno 2009 is natuurlijk treffend.
In de nasleep van de Camp David vredesakkoorden tussen Egypte en Israël, die onder bemiddeling van Amerikaans president Jimmy Carter werden afgesloten, zette de EG de volledige uitvoering van Veiligheidsraadresolutie 242 en 338 op de agenda. Anders gezegd, dat Israël zich terugtrok uit de Sinaï was goed, maar dit moest gecomplementeerd worden met de terugtrekking uit alle gebieden die Israël sinds de zesdaagse oorlog van 1967 bezette - in casu Gaza, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem (alsook uit bezette delen van Libanon en Syrië).

De Verklaring van Venetië zou een breuk inluiden tussen de EG en Israël.1 De Israëli’s interpreteerden deze resolutie als ronduit anti-Israëlisch en ‘antisemitisch’ - ofschoon het bestaansrecht van Israël, binnen erkende grenzen, één van de 11 punten was in de desbetreffende verklaring. Israël en de VS besloten om de EG uit de regio te weren als politiek-militair inferieure en dus verwaarloosbare internationale speler. De Palestijnen waren, bij monde van toenmalig vertegenwoordiger van de PLO in België, Naïm Khader, opgetogen, maar bekritiseerden de strikt declaratoire rol en trage beleidsbijsturing van de EG: ‘Dans leur politique vis-à-vis du Moyen-Orient, la position de Neuf reste timide, vague et ne dépasse pas le stade des voeux pieux et les déclarations de principe. Il est vrai que la position des Neuf a évolué. Mais la situation au Moyen-Orient évolue beaucoup plus rapidement. Résultat: la position européenne reste toujours en retard sur les événements…’.2 Hoe dan ook, het Europese pleidooi voor een ‘tweestatenoplossing’, impliciet aanwezig in de Verklaring van Venetië, zou een decennium later als ‘visionair’ bestempeld worden.

MEERSTEMMIGHEID TROEF

De tweede oorzaak die aan de basis ligt van het politiek deficit van de Europese Unie zijn haar institutionele onvolmaaktheden. Enerzijds kan de EU zelden met één stem spreken. Anderzijds leverde de besluitvorming bij consensus het buitenlandse beleid over aan de grillen van de dwarse schakel in de Europese Raad.
De Europese landen ervaarden ondertussen - zoals Naïm Khader terecht opmerkte - dat de EPS ineffectief en weinig pro-actief was. Met het Verdrag van Maastricht, en dus de mutatie van de Europese Politieke Samenwerking in de tweede pijler van het meer geïntegreerde Gemeenschappelijke Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB), werd een stap voorwaarts gezet in de creatie van een ‘politiek Europa’. De hoop dat het consensusprincipe van de EPS ingeruild zou worden voor effectieve meerderheidsbesluitvorming werd echter al snel de kop ingedrukt. De verwachtingen hieromtrent werden niet ingelost door het GBVB want dit bleef in wezen intergouvernementeel. Hoewel stemmen met gekwalificeerde meerderheid in het leven werd geroepen, zou elk land een de facto vetorecht hebben, geworteld in het nationaal belang.3 De EU bleef in het licht van internationale crisissen - bijvoorbeeld bij de ontbinding van Joegoslavië en de daaropvolgende oorlogen - quasi impotent en post factum reageren.
Het Verdrag van Amsterdam uit 1997 riep een vernieuwing in het leven: het GBVB kreeg een gezicht. De installatie van een Hoge Vertegenwoordiger zou de eenduidigheid en visibiliteit van het politieke Europa in de wereld moeten vergroten. Javier Solana mocht zijn post van Secretaris-Generaal van de NAVO inruilen voor die van Hoge Vertegenwoordiger. Maar door de belangrijke functie die het roterende voorzitterschap in de besluitvorming innam, zou de meerstemmigheid ook nu niet verdwijnen. Integendeel. Het Verdrag van Nice uit 2001 zou niet sleutelen aan de tekortkomingen van de tweede pijler van de EU.

Is er beterschap te verwachten met het Verdrag van Lissabon? Het antwoord is affirmatief omdat de positie van de Hoge Vertegenwoordiger versterkt wordt. Als het Verdrag van Lissabon in werking treedt, zal de Hoge Vertegenwoordiger tripple hatted worden: hij/zij zal niet louter verantwoordelijk zijn voor het klassieke GBVB, maar ook voor het Europees Nabuurschapsbeleid en de Externe Betrekkingen bij de Europese Commissie. De uitstraling van de EU op politiek vlak zal hierdoor ongetwijfeld een hoge vlucht nemen. Het Ierse veto mag dan de inwerkingtreding van het Lissabonverdrag uitgesteld hebben, de Politieke Unie begeeft zich langzaam maar zeker en path dependent in de richting van een volwaardige internationale speler.

GROTE STOKKEN, ZOETE WORTELS MAAR VERTWIJFELING

De periode tussen de Verklaring van Venetië en het begin van de Eerste Intifada (1987) werd gekenmerkt door een introvert Europa dat vooral bezig was met de uitbreiding van de eigen rangen met Spanje, Griekenland en Portugal. Terwijl begin jaren 1990 de EG vooral (de evenwichten in) de interne keuken op orde zette, met de Duitse hereniging en het Verdrag van Maastricht, zou het einde van de Koude Oorlog de ene historische gebeurtenis na de andere inluiden, waaronder een pad naar vrede tussen Israël en de PLO. Ofschoon de paden van de vrede door Madrid (1991) en Oslo (1993) liepen, verwezen de VS en Israël Europa naar de marge van de onderhandelingen en conferenties. Europa mocht wel opdraaien voor de kosten van de vrede. Het kon zich bankier van de vrede beginnen noemen.

Een vredesproces tussen Israël en de Palestijnen was de conditio sine qua non voor een langverwacht multilateraal partnerschap van de EU met alle landen die grenzen aan de Middellandse Zee. Wat dus ook geschiedde. Op 27 en 28 oktober 1995 werd de Verklaring van Barcelona ondertekend. Deze riep het Euromediterraan Partnerschap - Barcelonaproces: de Unie voor de Middellandse Zee, sinds 13 juli 2008 - in leven. Dit multilaterale partnerschap, waar dus ook Israël en de Palestijnse Autoriteit deel van uitmaken, heeft ook een bilaterale component: de associatieakkoorden. Deze associatieakkoorden introduceren de vier vrijheden in de bilaterale betrekkingen met de mediterrane partnerlanden (vrijheid van beweging van kapitaal, goederen, diensten en personen). Het sterkste wapen waar de EU sindsdien over beschikt, en wat haar onderscheidt van andere internationale actoren, is haar economische macht en aantrekkingskracht.
Binnen het kader van deze associatieakkoorden hanteert de EU in theorie een zogenaamd politiek conditionaliteitsbeleid. Dit houdt in dat op voorwaarde van het respecteren van de mensenrechten de EU een economische en politieke associatie aangaat, of behoudt, met de oeverstaten van de Middellandse Zee. De associatieakkoorden kunnen bij het schenden van dit mensenrechtenprincipe (artikel 2) of in geval van special urgency (artikel 79) geschorst worden. Deze contractuele relaties vormen met andere woorden een belangrijke wortel (beloning) of stok (straf) van de EU in haar betrekkingen met de mediterrane landen. Het zijn de geschikte instrumenten par excellence om een rol te kunnen spelen in het oplossen en manipuleren van conflicten in de periferie van de EU.

Naar aanleiding van de Tweede Intifada en de bloedige invallen in de bezette Palestijnse gebieden van toenmalig Israëlisch premier Ariel Sharon, die resulteerden in de dood van maar liefst 1354 Palestijnen4 en 158 Israëli’s5, zouden de Europese instellingen stilaan wakker geschud worden. Naast het grote aantal burgerslachtoffers had Israël ook voor ruim 24 miljoen euro aan door de EU gefinancierde infrastructuur vernietigd.6 Bovendien bleef het land - tegen het Europees Gemeenschapsrecht in - producten vervaardigd in de bezette gebieden onder Israëlisch oorsprongcertificaat exporteren. Op 15 mei 2002 riep het Europees Parlement de Europese Raad op om ‘dringend de associatieraad EU-Israël bijeen te roepen om de Israëlische regering kennis te geven van hun standpunt en haar te vragen om zich te voegen naar de laatste VN-resoluties en in positieve zin te antwoorden op de lopende pogingen van de Europese Unie om voor een vreedzame oplossing van het conflict te zorgen; verzoekt de Commissie en de Raad om in dit verband de Euromediterrane associatieovereenkomst EU-Israël op te schorten’.7 Het Europees Parlement vroeg de opschorting van het EU-Israël associatieakkoord. Een primeur.
Toenmalig Europees Commissievoorzitter Romano Prodi schaarde zich achter de oproep, maar de Europese Raad van regeringsleiders reageerde in verdeelde slagorde, volgens de eigen nationale belangen en overtuigingen. De Israëli’s zijn meesters gebleken in het bespelen van het ‘politiek intergouvernementeel Europa’ door een verdeel-en-heerstactiek. Israël kwam er zonder kleerscheuren vanaf, wat een feitelijke pro-Israëlische bias betekende. Ondanks de moraliserende retoriek van Frans president Chirac was het vooral zijn land dat afkerig stond van deze resolutie en sterk lobbyde tégen sancties.8

Waar in 2002 de pro-Israëlische uitkomst het gevolg was van een institutionele deadlock, verwerd deze met de komst van het Europees Nabuurschapsbeleid (2004) intentioneel. Het Nabuurschapsbeleid dat, in het geval van de mediterrane landen, een bilateraal complement moest vormen van het Barcelonaproces, gomde zowaar de bezetting en onderdrukking van de Palestijnen door Israël uit de nieuwe actieplannen. Het EU-Israël actieplan dat in december 2004 in Brussel werd opgesteld, bevatte geen enkele oproep tot het beëindigen van de bezetting en het buitensporige geweld. Ook was er niet de minste verwijzing naar de afscheidingsmuur (voor de Palestijnen de Apartheidsmuur) of de illegale kolonies in de Westelijke Jordaanoever. Israël was er met andere woorden ‘eindelijk’ in geslaagd om de economische van de politieke relaties te scheiden. Met betrekking tot het EU-Israël actieplan besluit Karen Smith: ‘The action plans with the other neighbours are certainly much, much more commanding - and perceived inconsistency in the EU’s treatment of its neighbours may reduce credibility and legitimacy’.9
In tegenstelling tot het EU-Israel actieplan bevat het actieplan tussen de EU en de Palestijnse Autoriteit zeer concrete maatregelen, waarbij de ‘strijd tegen terreur’ en de ontwapening van het verzet prioritair zijn. De EU stuurde onder meer vier politie-instructeurs die de Palestijnse politie moesten trainen (EU COPPS).

VAN ‘POLITICIDE’ NAAR POLITIEK FAILLIET

Naar aanleiding van de tiende verjaardag van het Barcelonaproces in 2005 benadrukte Javier Solana in het bijzijn van mediterrane partnerlanden de primauteit van democratisering en eerlijke verkiezingen: ‘There can be no mistake: promoting democracy, pluralism and human rights was part of the original Barcelona recipe. (...) What are we doing concretely? We are providing monitoring and assistance for the organisation of elections’.10
Een jaar later, op 21 januari 2006, behaalde Hamas een klinkende verkiezingsoverwinning: Hamas rijfde 74 van de 132 parlementszetels binnen, tegenover 45 voor Fatah. Niet omdat de politieke islam de harten van de Palestijnen had veroverd, maar dankzij het unilateralisme van Israël en het opportunisme en de corruptie van Fatah. Het internationale monitoringteam, onder leiding van de voormalige Amerikaanse president Jimmy Carter, zou het verloop van de verkiezingen evalueren als completely fair.11 Ook de EU-monitoren zouden dezelfde boodschap versturen naar de Europese Raad en de Commissie.

De overwinning van Hamas zou de EU in een nauwe hoek duwen aangezien ze drie jaar voordien, op de Europese Raad in Riga, ook de politieke tak van Hamas op de Europese terreurlijst gezet hadden. Nederland was er toentertijd in geslaagd om na jarenlang aandringen haar slag thuis te halen, met het buiten de wet stellen van de islamitische verzetsbeweging.12 Optimisten zagen deze democratische overwinning van Hamas als een kans. Door deel te nemen aan het politieke spel zou Hamas haar doelstellingen moeten leren nastreven op een politieke manier. Sven Biscop was één van hen. Hij bepleitte dat de EU Hamas moest blijven stimuleren om politiek kapitaal op te bouwen. Zodoende kon Hamas gesocialiseerd raken in het regionale politieke spel én in de betrekkingen met de EU.13 Eurocommissaris voor Externe betrekkingen en het Europees Nabuurschapsbeleid, Benita Ferrero-Waldner, was sceptisch. Mits Hamas zich zou scharen achter de tweestatenoplossing en de erkenning van Israël, was een herziening van de verkiezingsuitslagen bespreekbaar.14 Hamas besloot om werk te maken van een regering en de EU keek vertwijfeld uit naar haar samenstelling.
Fatah en andere links-seculiere fracties weigerden in een éénheidsregering te stappen. Hamas besloot het alleen te doen. Gedreven door de ambitie om enige rol te blijven spelen in de regio schotelden de Europeanen, in samenspraak met Israël en de VS, Hamas de drie alom bekende voorwaarden voor: de erkenning van Israël, respect voor de door de PLO aangegane akkoorden en het afzweren van geweld. Het was te nemen of te laten. Misschien zouden deze voorwaarden de integratie van Hamas in de politiek faciliteren, maar ze waren daarom nog niet legitiem. Immers, moet de erkenning van (een) Israël - het land heeft geen internationaal erkende grenzen - niet eerder de uitkomst zijn van een vredesproces eerder dan een voorwaarde ervoor? Met een tikkeltje goodwill had men ook ingezien dat Hamas Israël impliciet erkend had door aan Palestijnse verkiezingen deel te nemen. Deze grepen immers plaats binnen de door het Osloproces - en dus door de PLO aangegane akkoorden - uitgetekende gebieden en erkenden dus de facto het Israël van voor 1967.
Ondertussen had Fatah geweigerd om in een eenheidsregering te stappen. Hamas stelde op 29 maart 2006 de nieuwe Palestijnse regering voor: 18 van de 24 regeringsleden waren Hamas-partizanen, 6 waren (onafhankelijke) technocraten, waaronder één christen. ‘The Palestinian people have opted for this government, so they will have to bear the consequences’, aldus een dreigende Nederlander Ben Bot.15 Niet veel later zou het Kwartet (VS, EU, VN en Rusland) een totale boycot afkondigen van de Palestijnse gebieden en de democratisch verkozen regering. Benita Ferrero-Waldner wond er geen doekjes om: de EU hoopte dat Hamas de schuld zou krijgen voor de dramatische politieke, sociale en economische toestand die uit de boycot resulteerde. Wat niet gebeurde, integendeel.
De boycot stortte de bezette Palestijnse gebieden in de grootste humanitaire crisis sinds 1948. De Wereldbank luidde de alarmbel. Niet veel later kreeg de EU het fiat van de VS om voor het Kwartet een Tijdelijk Internationaal Mechanisme uit te werken om de humanitaire crisis ‘af te lijnen’. De verliezer van de verkiezingen, Mahmoud Abbas, werd our man en werd financieel gesteund. Dit polariseerde de twee politieke families en leidde tot een ware burgeroorlog waar het Kwartet de oorzaak van was.
Dankzij bemiddeling van de Saudi’s konden de twee politieke families toch boven zichzelf uitstijgen en werd in maart 2007 het Mekka-akkoord ondertekend. De eenheidsregering die in de steigers stond, werd eveneens geboycot door het Kwartet. Dit leidde weerom tot intra-Palestijns geweld en tot de politieke opdeling van de Palestijnse gebieden: Gaza - onder Hamas-administratie - bleef hermetisch afgesloten van de buitenwereld en het Fatah-bewind op de Westelijke Jordaanoever werd voluit gesteund door het Westen.

HET EINDE VAN DE GELOOFWAARDIGHEID

Op 16 juni 2008 besloot de EU-Israël associatieraad met unanimiteit van stemmen om het associatieakkoord met Israël te versterken. Op 8 december 2008 besloot de Europese Raad formeel tot deze upgrade. Concreet houdt dit in grote lijnen in dat de diplomatieke betrekkingen geïnstitutionaliseerd en van permanentie worden voorzien (1); dat Israël kan participeren in Europese agentschappen, werkgroepen en programma’s (2); en dat Israël geïntegreerd wordt in de Europese eenheidsmarkt (3). Dit heeft de geloofwaardigheid van de EU sterk aangetast. Hassan Kreish (onafhankelijk, ex-Fatah), ondervoorzitter van de Palestijnse Wetgevende Raad, stelt dat deze versterking van de banden tussen de EU en Israël hem erg heeft verrast ‘aangezien er tussen de Palestijnse Autoriteit en de EU overeengekomen was dat elke versterking van de banden tussen de twee gerelateerd zou zijn aan het boeken van vooruitgang in het vredesproces. Het is nu duidelijk dat de EU dubbele standaarden gebruikt’.16
Kortweg, de voordien schitterende normatieve ster van de EU is een vallende, uitdovende ster geworden. Met het versterken van het associatieakkoord van Israël heeft de EU Israël immers - onbewust of niet - carte blanche gegeven voor al haar koloniale en andere avonturen, met het argument dat het opschorten van het associatieakkoord de Israëli’s helemaal zou verwijderen uit de invloedssfeer van de EU. Dit is een drogreden van de bovenste plank als je weet dat Israël de grootste waarde hecht aan dit associatieakkoord omdat de EU haar grootste handelspartner is (in 2005 bedroeg de export van Israël naar de EU 32%, en de import vanuit de EU 40%).
Deze realiteit indachtig is het geen wonder dat Israël zich ongenaakbaar voelde aan de vooravond van haar oorlog in Gaza. Toen Israël op 26 december 2008 operatie ‘Gegoten Lood’ begon in de Gazastrook kreeg het land het fiat van Bush, en had het niets meer te vrezen van de EU want de buit was immers binnen. In den beginnen trachtte Israël de oorlog voor te stellen als een daad van zelfverdediging tegen de raketaanvallen van Hamas - Khaled Meshaal, de politieke leider van Hamas, had immers op 14 december aangekondigd dat het zes maanden durende staakt-het-vuren, dat op 19 december zou verlopen, niet verlengd zou worden.17

Het claimen van de rechtvaardige oorlog door Israël was echter niet gestoeld op feitelijkheden. Israël had het bestand reeds op 4 en 17 november doorbroken door bombardementen op Gaza waarbij respectievelijk 6 en 4 Palestijnse doden vielen.18 De eerste dag van de oorlog zou Israël maar liefst 225 (!) Palestijnen doden, waaronder een aanzienlijk aantal kinderen.19 Toch bleven de eerste dagen reacties van de EU uit. Op een aarzelend voorstel van Sarkozy tot een ‘humanitaire wapenstilstand’ van 48 uur na. Het werd onmiddellijk verworpen door de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken, Tzipi Livni.20 En wat met de raketten van Hamas? Natuurlijk zijn de lukrake beschietingen met primitieve, zelfgemaakte raketten schendingen van het oorlogsrecht omdat deze ongeleide projectielen evenzeer niet-discriminerend zijn (sinds de lancering van de eerste Qassamraket in februari 2002 zijn er 19 Israëlische burgerdoden21 gevallen, oftewel een hit rate van minder dan 0,5%). Maar ze zijn helemaal niet in proportie tot het loslaten van de Israëlische oorlogsmachine (het vierde sterkste leger ter wereld) op een bevolking die al jarenlang afgesneden leeft van de buitenwereld - onder Fatah of Hamas maakt(e) geen verschil.
De eerste anderhalve week van de oorlog bleef een veroordeling van de niet-discriminerende en buitenproportionele oorlog langs EU-zijde uit. Meer nog, hoewel de EU zich zorgen maakte over het toenemend aantal burgerslachtoffers, schaarden zowel Sarkozy, Merkel, Berlusconi als het nieuwe Tsjechische voorzitterschap zich ondubbelzinnig achter de actie van Israël. Het was ‘wettelijke zelfverdediging’.22 Niet alleen bleef een consequent gebruik van het sterkste wapen van de EU, de associatieakkoorden, uit. Het Tsjechische voorzitterschap besefte dat de EU geen kaart in handen heeft om Israël in te tomen. ‘We will try to achieve any success we can but we all realize this is very difficult’, aldus de Tsjechische Minister van Buitenlandse Zaken Karel Schwarzenberg.23 De oorlog zou eindigen met 1300 Palestijnse doden, meer dan 5000 zwaargewonde Palestijnen, 13 Israëlische doden (waaronder 4 burgers) en 2 miljard dollar aan materiële schade in de Gazastrook.24
Deze keer schaarde een nochtans gefragmenteerde EU zich achter Israël; het politiek deficit werd een politiek failliet. Ook de resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2009 ging niet verder dan een ‘uitstel’ van de versterking van het associatieakkoord.25 Waarnemers hadden verwacht dat het Europees Parlement net als in 2002 de opschorting zou vragen van het ganse associatieakkoord door het inroepen van de mensenrechtenclausule. Maar dat bleek wishful thinking.

In Sarkozy’s eerste tour door de regio, een week na het begin van de oorlog, zaten de Tsjechische premier Topolanek, de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB Javier Solana én Eurocommisaris voor Externe Betrekkingen Benita Ferrero-Waldner er letterlijk bij als vijfde wiel aan de wagen, vaak buiten beeld bij de persconferenties die Sarkozy domineerde. De meerstemmigheid van de EU was groter dan ooit; Europese kakofonie op zijn best.
Sarkozy zag zijn kans mooi om een prominente plaats op te eisen voor Frankrijk in de onderhandelingen rond een staakt-het-vuren (hoewel de Israëli’s achter de schermen de wereld diets hadden gemaakt dat ze voor het aantreden van Obama de oorlog zouden beëindigen...). Samen met de Egyptische president Husni Mubarak tekende Frankrijk een plan uit om de oorlog en ‘zijn kapitale oorzaak’, namelijk ‘de wapens van Hamas die het bestaan van Israël bedreigen’, een halt toe te roepen. Frankrijk verviel geheel in de realistische traditie alsof de minutieus opgebouwde structuren van een gecoördineerd Europees buitenlands beleid nooit hadden bestaan. Deze werden opgeofferd op het altaar van het Amerikaanse bestuurlijke vacuüm, teneinde enfin een centrale ‘Europese’ rol te kunnen spelen in het Midden-Oostenconflict. Wat heeft deze oorlog nu - naast het feit dat de Europese belastingbetaler opnieuw moet opdraaien voor de door Israël aangerichte ravage - concreet opgeleverd voor de EU? Niet meer dan een herinstallatie van een (versterkte) Europese grensmissie, EU BAM, hoogstwaarschijnlijk in samenwerking met Turkije, die volledig naar Israëls wensen en grillen de grens moet monitoren op goederen, transacties en wapensmokkel.

Een Europese Unie die zich aan zijn ‘eigen’ waarden en normen had gehouden, kon bijna niet anders dan het associatieakkoord op te schorten. Toen Eurocommissaris voor ontwikkelingssamenwerking Louis Michel in La Dernière Heure met de vraag tot opschorting van het associatieakkoord geconfronteerd werd, antwoordde hij dat de EU moet oppassen met het aanwenden van instrumenten die het gevoel van partijdigheid bij één der partners kan voeden.26 Maar kan en mag er überhaupt sprake zijn van equidistance als we te maken hebben met twee uiterst ongelijke conflictpartijen? Bovendien kan je van zogenaamde onpartijdigheid allerminst spreken wanneer de EU de laatste jaren bijna systematisch de voor Israël gunstige kaart trekt.
In een interview met Le Soir, een dag voor de Israëlische oorlog in Gaza, ziet de wereldvermaarde joodse historicus Tony Judt blunders van morele, strategische en tactische aard inzake de versterking van het EU-Israël associatieakkoord: ‘c’est une erreur majeure strategique et morale. Cela ne donne rien à l’Europe, et tout à Israël (...). Et cela aliènera l’opinion arabe internationale à l’Europe. C’est aussi moralement contestable, à un moment où Israël se comporte de la pire façon, glissant dangereusement vers le populisme, et vers les leaders qui croient ouvertement aux vertus de la purification etnique. C’est aussi tactiquement mal joué, car cela affaiblit l’Europe dans ses interactions avec Israël, qui n’aura plus aucune raison de l’écouter’.27

Door de wortel inconsequent, en de stok nooit te hanteren jegens een geassocieerd land dat excelleert in schendingen van het internationaal en humanitair recht heeft de EU haar morele geloofwaardigheid sterk verspeeld. Niet in het minst in de ogen van de Israëli’s. Zij hebben oorlogsmisdaden begaan in Gaza (en de Westelijke Jordaanoever) en kunnen op beide oren slapen. Quo vadis Europa?

Bilal Benyaich
Politicoloog

Noten
1/ Dannreuther R., European Union Foreign and Security Policy. Towards a Neighbourhood Strategy, 2004, London, Routledge, p. 154.
2/ Khader N., Naïm Khader. Le sens d’une vie, 1981, Brussel, les éditions vie ouvrière, pp. 89-92.
3/ Nutall S., Two decades of EPC performance. In: Regelsberger E. e.a. (reds), Foreign Policy of the European Union. From EPC to CFSP and Beyond, 1997, London, Boulder, p. 22.
4/ Statistics: Palestinians killed by Israeli Security Forces in the Occupied Territories & Israel, B’Tselem, 2002.
5/ Statistics Israeli Civilians killed by Palestinians in Israel, B’Tselem, 2002.
6/ Yakemtchouk R., La politique étrangère de l’Union Europeénne. 2005, Parijs, L’Harmattan, p. 395
7/ Resolutie van het Europees Parlement over het Midden-Oosten, Europees Parlement, P5\TA(2002)0173, 10/04/2002.
8/ Porteilla, Les relations entre l’Union Européenne et la Palestine depuis 1995: des enseignements, lourds d’ambiquïtés’. In: Beurdeley L. e.a (reds), _L’Union Européenne et ses Espaces de Proximités
, 2007, Brussel, Bruylant, p. 277.
9/ Smith K. E., The Outsiders: the European Neighbourhood Policy, International Affairs, 2005, 81, 4, p. 766.
10/ Solana J., Barcelona ten years on: new impetus for a lasting vision, 2005, p. 2.
11/ Geciteerd in: Falk R., Slouching toward a Palestinian Holocaust. In: The Transnational Foundation for Peace and Future Research, 29/06/2007.
12/ CIDI, Israël nieuwsbrief, 10/09/2003.
13/ Biscop S., Strategy or Stratagem. The European Security Strategy in Perspective, 2006, Paper Presented at the UACES 36th Annual Conference and 11th Research Conference, pp. 6-7.
14/ Ferrero-Waldner B., Suspension of aid to the Palestinian Authority Government. 2006/260, Brussel. Speech voor het EP.
15/ Interview Ben Bot, AP, 10/04/2007.
16/ Benyaich B., Interview met Dr. Hassan Kreishi, persoonlijke communicatie, Brussel, 17/11/2008.
17/ Interview Khaled Meshal, Aljazeera, 20u journaal, 14/12/2008.
18/ Fisk R., Why do they hate the West so much, we will ask, The Independent, 07/01/2009.
19/ Timeline: Gaza crisis, Al Jazeera 19/01/2009.
20/ US truce efforts have yet to address Israel’s needs, Haaretz, 04/01/2009.
21/ Voor uitgebreide informatie omtrent de Israëlische doden, zie: http://www.nefa.gov.il/MFA.
22/ EU foreign policy chiefs begin mission to seek Gaza cease-fire, Haaretz, 04/01/2009.
23/ Idem.
24/ Now get back to making peace, The Economist, 24/01/2009.
25/ Europees Parlement (2009), Resolutie van het EP van 15 januari 2009 over de situatie in de Gazastrook. P6\TA-PROV (2009) 0025, 15 januari 2009.
26/ Israël ne respecte pas le droit humanitaire international, _La Dernière Heure
, 13/01/2009.
27/ Histoire et histoires d’Europe, Le Soir, 26/12/2008.

Europese Unie - Gaza - Israël - Palestina

Samenleving & Politiek, Jaargang 16, 2009, nr. 2 (februari), pagina 49 tot 57