Abonneer Log in

Bestaat de Europese burger?

Over Europese identiteit en burgerschap

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 2 (februari), pagina 25 tot 33

Op 24 januari hield Etienne Balibar in Brussel een erg interessante uiteenzetting over Europese identiteit en burgerschap.1 Ondanks Europees triomfalisme is er van een Europees burgerschap tot nader order geen sprake. Dat heeft historische oorzaken, maar komt ook door het beleid van de Europese Unie en de nationale lidstaten. Door mensen uit te sluiten kan dit zelfs leiden tot een vorm van ‘Europese apartheid’.

In wat volgt neem ik bewust een standpunt in dat haaks staat op bepaalde triomfalistische betogen die vandaag door de regeringen, de Europese instanties zelf en een aantal politieke commentatoren worden gehouden. Ik verdedig hierbij de ‘pessimistische’ idee dat Europa geleidelijk in een onmogelijke situatie terechtkomt en ik wil via die weg oproepen tot een bewustwording, tot voorstellen, tot initiatieven.
Op welke elementen steunt de wijdverbreide idee dat de Europese constructie, ondanks alle hindernissen en regressieve episoden (de crisis n.a.v. de dollekoeienziekte, de uiteenlopende meningen over de uitbreiding van de Unie, de harmonisering van de fiscaliteit, enz.), op de goede weg is? Dat is voornamelijk gesteund op de vooruitgang van de monetaire, de administratieve en de - meer recente - militaire integratie en op de totstandkoming van overeenkomstige supranationale organismen. De tegenovergestelde diagnose die ik formuleer, vertrekt niet van de opvatting dat deze supranationale of ‘postnationale’ politieke structuren op zich onmogelijk of ongewenst zouden zijn. Integendeel, ze zijn een onvermijdelijke noodzaak geworden, maar stuiten op interne en externe hindernissen die nooit werden bezworen en die zelfs voortdurend worden ontkend. Die ontkenning speelt een grote rol in de vicieuze cirkel waarin de kwestie van het ‘burgerbewustzijn’ is terechtgekomen.

De gevolgen van de Balkanoorlogen - met de oprichting van een Euro-Amerikaans protectoraat in een aantal landen van de Balkan, de verrotting van de politieke situatie in Servië, de aanmoediging van het Russische Staatsterrorisme, enz. - zijn één aanwijzing van deze situatie, maar haar wortels zijn veel ouder en liggen veel dieper. Typisch voor het type ‘crisis’ waarin wij ons nu bevinden, en voor de middelen die worden gebruikt om die te verhullen of onvoelbaar te maken, is dat er buiten de kring van experten nauwelijks ideeën of voorstellen circuleren noch debatten plaatsvinden onder ‘Europese intellectuelen’. Op die manier worden er geen Europese ‘publieke opinies’ ontwikkeld, zonder dewelke er nochtans geen democratie mogelijk is (niet alleen geen representatieve democratie, maar helemaal geen democratie). Er zijn natuurlijk ook waardevolle uitzonderingen. Ik denk aan enkele groepen die een vergelijkend onderzoek voeren naar de crisis van de diverse vormen van de sociale Staat in Europa en bijgevolg naar de nationale vormen van sociale bescherming en overleg tussen kapitaal en arbeid. Zij proberen de kloof tussen de ‘syndicale culturen’ te dichten en het verstoorde machtsevenwicht tussen werkgevers en de arbeidersbeweging in Europa te herstellen. Er bestaan eveneens enkele (nog zeldzamere?) alternatieven om, op het niveau van de ngo’s, de reflectie en initiatieven te coördineren inzake de humanitaire acties in de Balkan of inzake de verdediging van het asielrecht in de Schengenruimte. Daar staat dan weer tegenover dat er geen sprake is van echte Europese politieke partijen (in het bijzonder linkse), maar alleen van gemeenschappelijke drukkingsgroepen in Brussel en Straatsburg. Er is evenmin sprake van Europese tijdschriften of kranten,2 noch van Europese theater- of spektakelgezelschappen. De uitwisseling is er sinds de oprichting van het Théâtre de L’Europe door Jack Lang en Giorgio Strehler zeker niet op vooruitgegaan.

Ik meen dat we geen genoegen mogen nemen met oppervlakkige vaststellingen. Daarom wil ik de vormen en oorzaken van deze remmingen meer gedetailleerd analyseren. Ze vormen immers een hinderpaal voor velen onder ons die hopen op een nieuw burgerschap dat niet wordt beknot door de grenzen van de nationale soevereiniteit noch wordt lamgelegd door de huidige crisis. Ik zal hieronder dieper ingaan op vier thema’s: 1) het probleem van de Staat, het volk en de ‘grondwet’ in Europa; 2) het probleem van het sociale burgerschap; 3) eenheid en verdeeldheid van Europa; 4) immigratie en asielrecht: het dilemma ‘staatsburgerschap of apartheid’ in Europa.

De Staat, het volk en de ‘grondwet’

De opbouw van Europa als politieke eenheid veronderstelt de uitvinding van een pluralistische - federale of confederale - staatsvorm, die meer is dan de antithese van de grotendeels fictief geworden ‘nationale soevereiniteit’ en van het ‘contintentaal hegemonisme’ zonder volksbasis, dat veronderstelt dat ‘mondialisering’ niet alleen wordt geïnterpreteerd als een geheel van externe verplichtingen of een economisch en technologisch kader waaraan de politiek zich op min of meer doeltreffende wijze probeert aan te passen, maar als een open beschavingsproces dat zeer diverse richtingen kan uitgaan en waaraan de Europese volkeren, in hun culturele en sociale diversiteit, participeren. Daartoe moeten diezelfde volkeren zich echter een gemeenschappelijke actie kunnen voorstellen. Ze hebben dus nood aan ideologieën of ‘mythen’ (in de soreliaanse betekenis van mobiliserende mythen). Er moet een concept van een Europese ‘grondwet’ tot stand komen. De juristen lijken op dat stuk echter verstrikt in discussies over de constitutionele vorm (juridische normativiteit, wetgevingsbevoegdheid en de moeilijkheid van verschillende gehiërarchiseerde ‘rechtsbronnen’ in het huidige Europa) enerzijds, en in metafysische debatten over de ‘grondwetgevende macht’ die de grondslag vormt voor legitimiteit (waarachter voortdurend het spook van de revolutie of de dictatuur waart) anderzijds. Ze zijn blijkbaar nauwelijks in staat een ruimer concept van de grondwet te bedenken ‘à la Montesquieu’ - een politiek-sociaal stelsel, een niet-gehiërarchiseerd historisch geheel van individuele en collectieve rechten, vormen van vertegenwoordiging, machts- of beslissingsorganen; noch ‘à la Gramsci’ een grondwet die instellingen tegelijkertijd de kans biedt om zichzelf te transformeren of te overstijgen.
Dat alles heeft waarschijnlijk met één en dezelfde oorzaak te maken, met name het diepe wantrouwen ten aanzien van de participatie en de inspraak van het volk, wat ik overigens ooit “angst voor de massa” heb genoemd, en die soms wordt gerechtvaardigd door te verwijzen naar de grilligheid van de massa of naar de mogelijkheid van gewelddadige conflicten. Toch zal men niet ontsnappen aan een grondig debat over de vorm en de plaats van de Staat in Europa, over de veranderingen van de instellingen zelf en over de ontwikkeling van conflicten waartoe één en ander aanleiding geeft.

Op dit ogenblik wordt het debat vervalst door de mythen van de ‘soevereiniteit’, maar ook door de perverse effecten van een formele democratie (die ertoe neigt enkel zijn formalisme te behouden, zonder de inhoud waardoor het wordt gerechtvaardigd, met name het actieve burgerschap en zijn collectieve praktijken) en van een voortwoekerende bureaucratie. Vandaag bestaat er veel bureaucratie in Europa, maar er is geen Staat in de betekenis van ‘politieke’ instelling; een structuur van beslissing, vertegenwoordiging of openbaar bestuur op grond van criteria van algemeen belang. Er zijn nochtans goede redenen om de idee van de volkssoevereiniteit, m.a.w. de gemeenschappelijke zaken die door het volk zelf worden geleid, in een dergelijke politieke instelling te integreren. Het is echter volkomen mythisch te denken dat de nationale staten nog over de middelen beschikken om zelf in te staan voor een ‘soeverein beheer’ van de sociale, economische en culturele problemen waarvan het dagelijks leven en de toekomst van de komende generaties afhangen. In werkelijkheid gaapt er een opmerkelijke kloof tussen de reële machten (die niet onbestaande zijn, maar wel beperkt) en de pretenties of mythen die ertoe bijdragen dat de vooruitzichten van de democratische constructie worden gevangen in een abstract alternatief dat zich situeert tussen de supranationaliteit - of ontbinding van de nationale eenheden - en de restauratie van de prerogatieven van de natiestaat of van de machtigste natiestaten, die vroeger vaak een imperalistische rol vervulden (wat men in Frankrijk soms het ‘soevereinisme’ noemt).

We moeten bijgevolg rekening houden met een dubbele evidentie: er is geen collectieve beoefening van de politiek mogelijk zonder publieke structuren (staatsstructuren dus) en geen openbare structuren of Staat in Europa zonder ontwikkeling van een gemeenschappelijke politieke praktijk. Kortom: geen ‘politiek zonder politiek’; de droom van alle bureaucraten die politiek wensen te vervangen door overleg, beheer en ‘consensusbeslissingen’. Dat betekent echter dat alle ideeën die traditioneel verbonden zijn met de idee soevereiniteit (en deze idee zelf) opnieuw in vraag moeten worden gesteld: volk en natie, grondwet en democratie, administratie en vertegenwoordiging. Ik heb niet de pretentie dat hier te doen, maar ik wil wel de aandacht vestigen op een punt dat in mijn ogen doorslaggevend is.
Ik heb met opzet over een ‘pluralistische Staat’ gesproken. Er moet immers een veelheid aan organisatie- en participatiestructuren functioneren zodat de soevereiniteitsinstellingen kunnen worden afgebouwd (terloops zij opgemerkt dat een dergelijke idee niet zo ‘anti-jacobijns’ is als men op het eerste gezicht wel zou denken; maar al te vaak worden het jacobinisme en de Napoleontische traditie van volstrekt gecentraliseerd bestuur met elkaar verward). Even belangrijk is evenwel dat een veelheid van culturele (linguïstische, godsdienstige en professionele) referenties onderling compatibel worden gemaakt. Als men de vragen vanuit deze gezichtshoek beschouwt, is de kwestie van de ‘Europese identiteit’, die regelmatig als politiek wapen wordt gehanteerd (bijvoorbeeld wanneer het erop aankomt te weten waar de ‘Europese grenzen’ moeten worden getrokken, die bij voorbaat de openingsmogelijkheden bepalen, in het bijzonder naar het Oosten en het Zuid-Oosten) eigenlijk een schijnprobleem of veeleer een probleem dat geen enkele andere inhoud heeft dan het oplossen van de hangende vragen van het democratische burgerschap. Om een dergelijk pluralisme van ‘aanhorigheden’ tot stand te brengen, kan men geen enkel bestaand historisch of ideaal model van staatsvorming en burgerschap zomaar overnemen; al kan men lering halen uit bepaalde voorbeelden uit het verleden (in het bijzonder dat van de federaties en de ‘multinationale’ en ‘multiculturele’ imperia). Men zal het met andere woorden vanuit het niets moeten opbouwen, op grond van de bestaande krachten en de democratische tradities van de verschillende Europese landen en door het oplossen van de problemen die tot blokkering van de huidige crisis hebben geleid.

Een dergelijke staatsvorm zal slechts het licht zien indien hij, vergeleken met de ‘grondwetten’ van de huidige nationale Staten, tot een groter democratisch burgerschap leidt en niet tot een achteruitgang of verwatering. Daarom ben ik ervan overtuigd dat het volkomen onrealistisch is om zich de Europese politieke eenwording voor te stellen volgens het ‘verticale schema’ dat vandaag wordt gehanteerd. Het moet duidelijk zijn dat de totstandkoming van een staat slechts mogelijk is wanneer er een ‘Europees volk’ ontstaat dat als referentie dient, zowel in termen van legitimiteit als in termen van reële politieke macht. Zoniet krijgen we te maken met een etatisme dat zich boven de coalities van nationale belangen stelt en dat almaar meer weerstand opwekt naarmate het zijn controle op de maatschappij uitbreidt.
Maar waarom is er geen sprake van een ‘Europees volk in wording’, afgezien van enkele culturele en intellectuele initiatieven of van het kwetsbare samengaan van associatieve bewegingen? Waarom krijgen we het gevoel dat de vorming van een ‘openbare sfeer’ naar het voorbeeld van de uitdagingen van de gemondialiseerde politiek, er de afgelopen tien jaar niet is op vooruitgegaan, maar veeleer achteruitgegaan? Niet omdat de traditionele ‘nationale identiteit’, waar men op zich niet omheen kan, een absoluut bezwaar zou zijn - deze contradictie bestaat weliswaar en maakt deel uit van de gegevens van het probleem, maar mag niet als onoverkomelijk worden beschouwd -, maar wél om specifiek politieke redenen die verwijzen naar het collectieve onvermogen om uit te maken of de Europese constructie een vooruitgang dan wel een achteruitgang van het burgerschap in Europa betekent.
Men moet pogen dit alternatief of deze latente crisis concreter te benoemen door de belangrijkste punten ervan aan te halen. Ik heb er drie weerhouden die beslissend zijn en die samen een cumulatief effect sorteren: het probleem van het sociaal burgerschap in Europa, dat van de verdeling van het Europese continent in zones met een ongelijke toegang tot zelfbestuur van volkeren en tot slot de sluipende ontwikkeling van een ‘Europese apartheid’ die te maken heeft met de wijze waarop problemen inzake immigratie en asielrecht worden aangepakt.

Het probleem van sociaal burgerschap

Het model van het burgerschap dat zich in de loop van de 20ste eeuw in West-Europa heeft ontwikkeld, blijft niet beperkt tot een louter politiek burgerschap dat steunt op de vertegenwoordiging van opiniestromingen en belangen op plaatselijk en nationaal vlak. In theorie (op het niveau van grondwetteksten over het recht van bestaan en de sociale republiek), maar vooral in praktijk (via structuren voor conflicthantering, participatie, medebeheer van verzekeringsstelsels, enz.) werden er een aantal fundamentele sociale rechten in opgenomen die samen het ‘sociaal burgerschap’ vormen. Dat laatste werd echter vooral ingesteld in het kader van de versterking ‘burgerschap = nationaliteit’ en binnen een uitsluitend nationale optiek van de soevereiniteit (en dan hebben we het nog niet over de feitelijke ‘nationale voorkeur’). Op dit ogenblik is er geen Europees sociaal burgerschap in zicht dat overeenstemt met de uitbreiding van de sociale rechten en de interventiemogelijkheden van de sociale beweging in de regulering van de economie. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat het vraagstuk van het sociaal burgerschap volledig in de greep is van de bescherming van de verworven rechten die door het ultraliberalisme worden bedreigd (een soort ‘bescherming van de bescherming’ of protectionisme) en van de strijd tegen de uitsluiting (door Robert Castel3 beschreven als het massale verschijnsel van uittreding dat te maken heeft met veranderingen in de loonmaatschappij: enerzijds de beperking van de sociale controle die het mogelijk heeft gemaakt het bouwwerk van de sociale bescherming op te trekken, de autonomie van het individu te bevorderen en het van zijn chronische onzekerheid te bevrijden en anderzijds de herproletarisering van grote maatschappelijke groepen in het kader van de economische mondialisering). Dat probleem drijft een wig in de Europese sociaaldemocratie. Het is overigens veelbetekenend dat het debat binnen het kader van de sociaaldemocratie plaatsvindt, veeleer dan in dat van het Europese conservatisme. In ieder geval is er nog geen oplossing in zicht: een stelsel van steun aan de armen dat op Europees niveau is georganiseerd, is noch denkbaar noch wenselijk. Een volledige ontmanteling van de stelsels van de sociale zekerheid zou synoniem zijn voor politieke explosies (niet noodzakelijk aan de linkerzijde, het is ook het strijdpaard van het populisme in diverse Europese landen); over de hervatting van het openbaar initiatief gekoppeld aan de institutionele erkenning van ‘volksbewegingen’ op Europees niveau - of men dat nu neo-keynesianisme noemt of anders - is er nog geen overeenstemming bereikt, zelfs de grote lijnen ervan zijn nog niet uitgetekend.

Daarom leg ik er zo sterk de nadruk op dat het initiatief van de basis moet uitgaan. Vandaar de cruciale functie van de eenheid van het Europese syndicalisme, het belang van communicatie tussen de bewegingen die het sociaal burgerschap verdedigen en willen hernieuwen (dat is duidelijk naar voren gekomen in december 1995 en in andere omstandigheden), het belang van convergentie tussen de eisen inzake culturele rechten en de bescherming van de levenskwaliteit.... Zelfs in de praktijk, en binnen bepaalde machtsverhoudingen, werd het ‘sociaal burgerschap’ nooit volledig geïntegreerd in de ‘grondwet’ van zelfs de economisch meest ontwikkelde en democratische geavanceerde natiestaten. Het begrip werd niet overal op dezelfde manier geïnterpreteerd (aandeel van het overleg, respectievelijk de bijstand, aandeel van de administratie en respectievelijk de burgermaatschappij). Beweren dat de Europese constructie afhangt van de mogelijkheid om in een Europese grondwet de vooruitgang van het burgerschap in te bouwen, is dit radicale alternatief ondersteunen. Ofwel grondt Europa het sociaal burgerschap op een stevigere en ruimere basis, ofwel wordt het op termijn onmogelijk. Het is precies in dat perspectief (en niet om te genieten van de meest geavanceerde vormen van het liberalisme) dat de bevolking van de gewezen Oostbloklanden hun ‘revolutie van 1789’ hebben doorgevoerd. En dat brengt me onmiddellijk bij mijn volgende punt.

Eenheid en verdeeldheid van Europa

Dit probleem vertoont meerdere aspecten en kent een lange geschiedenis van verschillen die steeds tot antagonismen kunnen uitgroeien. Je zou haast kunnen zeggen dat het eigen is aan Europa dat er in iedere historische streek evenveel oorzaken van verdeeldheid bestaan als op het hele continent. In de huidige conjunctuur zal het belangrijkste probleem dat zijn - en ongetwijfeld nog lang blijven - van de gevolgen van de historische verdeling die, na 1945 en gedurende een halve eeuw, het Europese continent in tweeën heeft verdeeld, evenals dat van de wijze waarop daaraan een einde is gekomen; als er al sprake is van een echt einde). Het is met andere woorden het probleem van het ‘Europa na het communisme’.

Ik kom hier in enkele woorden terug op de stelling die ik vroeger heb ontwikkeld.4 Niet alleen is de ‘Europese constructie’ in haar huidige institutionele vorm de ‘dochter van de Koude Oorlog’,5 door de opdeling in twee kampen vond er ook een politieke, sociale, economische en spirituele confrontatie plaats tussen twee visies op het Europese project. Er was niet alleen een ‘Europa in het Westen’, maar ook een ‘Europa in het Oosten’. Vandaag begint men te ontdekken - meer bepaald in het kader van het voortbestaan van de hindernissen voor de daadwerkelijke éénmaking van Duitsland - dat Oost-Europa, hoe dictatoriaal en regressief zijn politieke bestuursvormen ook waren, ook zijn eigen cultuur en burgermaatschappij had.
Uit dat oogpunt is de paradox van de situatie na 1990 - waarvan men zich begint bewust te worden door de Russische crisis, de evolutie van de burgeroorlog in ex-Joegoslavië naar een eindeloos bloederig conflict, de ‘malaise’ van Oost-Duitsland, enz. - dat men tot dusver met de gevolgen van de ineenstorting van het totalitarisme omging alsof er in Europa slechts één enkele maatschappij zou zijn geweest, alsof het ‘reële socialisme’ een imaginair (en niet alleen anti-democratisch, contradictorisch of mislukt) systeem zou zijn geweest. Daardoor heeft de ineenstorting van het socialistische systeem van het Sovjettype in Oost-Europa niet geleid tot een éénmakingsproject van de historische partijen op het continent, noch tot een onderlinge samenwerking met het oog op een gemeenschappelijke ontwikkeling. Ze heeft veeleer geleid tot een voortzetting van de structuren van de Koude Oorlog, alsof het ene systeem een ‘overwinning’ had geboekt op het andere, met als gevolg een opgelegde hiërarchie. Extremen van deze ‘postsocialistische’ dominantie zijn de verschijnselen van semi-kolonisatie en ‘containment’.

Er is een systeem in de plaats getreden dat uit verschillende kringen bestaat: de eerste is die van het ‘echte’ Europa in tegenstelling tot het ‘externe Europa’ dat nog moet worden ‘geëuropeaniseerd’.6 Dat is op zijn beurt ingedeeld in een semi-politieke economische integratiezone (landen die kandidaat zijn voor de toetreding tot Europa, en waarvoor de doelstelling erin bestaat om de loonverschillen zo lang mogelijk te behouden terwijl men de integratie van de politieke structuren beheert), een interne kolonisatiezone (de Balkan: niet alleen Kosovo, maar een ruime zone met inbegrip van Albanië en het grootste deel van ex-Joegoslavië) en tot slot een zone met een roofzuchtig kapitalisme (Wie heeft baat bij de Russische crisis? Waar gaan de verduisterde fondsen van het IMF naartoe?). Deze onderverdeling steunt op de wisselvalligheden van de recente geschiedenis, maar ook op de veel geniepiger idee dat bepaalde volkeren van nature uit of wegens hun historische bagage niet ‘rijp’ zijn voor de democratie. Hoe kan men daarover echter oordelen wanneer de belangrijkste voorwaarden voor democratisering hen worden geweigerd?
Over de verhouding tussen beide Duitslanden, die formeel werden herenigd, kwam de Britse historicus Timothy Garton Ash tot de volgende ontnuchterende conclusie: “Ik sta stomverbaasd over de neokolonialistische houding van de Westduitsers tegenover hun landgenoten. Het is een soort van intern kolonialisme”.7 Het resultaat van een dergelijke logica is precies het zoeken naar een onmogelijke ‘Europese identiteit’ als normatieve, exclusieve en gesloten identiteit, evenals de te voorziene toename van de veiligheidsproblemen (politie, leger, grenzen: kortom de militarisering van Europa om zowel intern als aan de grenzen orde op zaken te houden). Ook daar is de enige oplossing op termijn een duidelijk integratieproject voor alle Europese landen en volkeren op het Europese grondgebied, binnen eenzelfde territorium en met een ‘kosmopolitisch geïnspireerd’ burgerschap, maar met gedecentraliseerde middelen van een moderne administratie. Dat recht, dat blijk zou geven van de wil om een einde te stellen aan de gevolgen van tachtig jaar ‘continentale burgeroorlog’, doorspekt met ‘wereldoorlogen’ en ‘blokpolitiek’, moet ondubbelzinnig worden afgekondigd, al komen de toepassingsmodaliteiten eerst later en geleidelijk tot stand. We moeten af van de paradox die bestaat in de creatie, in Europa, van een ‘ondergeschikt imperalisme’ (dat zelf niet over de noodzakelijke middelen voor zijn beleid beschikt).

Burgerschap of apartheid

Een laatste maar niet gering obstakel - in het bijzonder in Frankrijk ligt het probleem zeer gevoelig, maar het gaat eigenlijk om een algemeen verschijnsel -, dat de totstandkoming van een ‘Europees volk’ in de weg staat, is het feit dat het Europees burgerschap, binnen de grenzen van de huidige Europese Unie, niet wordt opgevat als de erkenning van de rechten en bijdragen van alle gemeenschappen die historisch op het Europees grondgebied aanwezig zijn, maar veeleer als een postkoloniaal isolement van de ‘autochtone’ versus de ‘allogene’ bevolkingen. Dat leidt tot allerlei irritaties over identiteit, overeenkomstig het model van de wederzijdse versterking van nationalismen en communautaurismen (met inbegrip van de communautarismen van ‘vrijzinnigen’ en ‘republikeinen’, enz.) die door de mondialisering wordt gestimuleerd.

Daarom hecht ik bijzonder veel belang aan het collectief aan de kaak stellen en bevechten van de ontwikkeling van een echte Europese apartheid. Die evolueert in dezelfde richting als de formele instellingen van het Europees burgerschap en zal op termijn de Europese constructie als democratische constructie doen vastlopen. Waarom kunnen we geen genoegen nemen met het onderzoek naar de discriminerende structuren die - met name wat de toegang tot het burgerschap betreft - in ieder land blijven voortbestaan, zij het met specifieke historische en juridische modaliteiten?
Ik antwoord daarop nog steeds - net als destijds toen mij in andere omstandigheden dezelfde vraag werd gesteld8 - dat de Europese constructie een kwalitatieve verandering invoert, zowel uit een symbolisch oogpunt als uit dat van de institutionele werkelijkheid. De status van ‘Europees burger’, die tot dusver niet meer was dan een onnauwkeurige referentie, begint immers een echte inhoud te krijgen (stemrecht, mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de gemeenschappelijke hoven van beroep die in bepaalde omstandigheden primeren op de nationale rechtbanken, het internationaal statuut van de civis europeanus dat materieel door een paspoort wordt aangetoond, de toegang tot gemeenschappelijk sociale en culturele diensten zoals inzake studiebeurzen, enz.). Doordat dit ‘burgerschap’ - volgens de bewoordingen van het Verdrag van Maastricht - louter en alleen wordt bepaald als de eenvoudige optelsom van de nationale burgerschappen van de verschillende lidstaten van de Unie, wordt het statuut van vreemdeling gewijzigd. In ieder land in het bijzonder is hij (theoretisch) niemand anders dan een inwoner van een andere soevereine Staat, die bijgevolg wederzijds wordt erkend als iemand met een gelijkwaardige ‘aanhorigheid’. Maar op het niveau van de nieuw opgerichte Unie wordt hij als migrant van ‘buiten de gemeenschap’ van binnen uit uitgesloten. Op Europees niveau krijgen de ‘nationale’ uitsluitingen een andere objectieve betekenis: het ‘Europees burgerschap’ is voortaan een mechanisme dat bepaalde bevolkingen omvat die historisch gezien aanwezig zijn op het Europese grondgebied en andere uitsluit die, meestal sinds geruime tijd, hun bijdrage leveren tot de ontwikkeling van de ‘burgermaatschappij’ binnen de nieuwe politieke ruimte. De vreemdelingen (en in het bijzonder de migranten die hier werken en de asielvragers) zijn second class citizens geworden, die over het algemeen worden gestigmatiseerd omwille van hun etnische afkomst en de vermeende trekken van hun cultuur. Wanneer ze het land verlaten of binnenkomen, evenals tijdens hun verblijf, worden ze aan een speciale controle onderworpen.

Met deze uitsluiting worden evengoed de volkeren van het Zuiden getroffen, die met Europa verbonden zijn door oude of minder oude en min of meer legale circuits (voor recrutering van arbeidskrachten, als de volkeren van Oost- en Zuid-Oost-Europa die selectief worden toegelaten tot de gemeenschap. Zoals ik hierboven reeds vermeld heb, is het duidelijk dat de verschillende mechanismen van uitsluiting van het burgerschap, maar wel integratie in de economie - in het bijzonder om de verschillen in levensstandaard en verloning te exploiteren -, structurele kenmerken zijn die worden ‘beheerd’ in functie van de interne en externe conjunctuur. Een impliciete vergelijking met de Zuid-Afrikaanse apartheid dringt zich hier op en is meer dan een provocatie. Moeten we zover gaan te beweren dat de apartheid, die jarenlang het regime in Zuid-Afrkia heeft gekenmerkt, nu in Europa wortel schiet? Vergelijkingen gaan natuurlijk nooit helemaal op en we zouden tal van andere situaties van institutionele ongelijkheid kunnen aanhalen (in het bijzonder de situatie in de Verenigde Staten lange tijd na de officiële afschaffing van de slavernij). Wat het gebruik van de term apartheid suggereert, is het proces van samenstelling van een geïnferioriseerde bevolking (wat rechten en bijgevolg ook waardigheid betreft), die onderworpen wordt aan gewelddadige vormen van ‘veiligheidscontroles’, die permanent moet leven ‘in een grensgebied’, en die zich niet volledig binnen maar ook niet helemaal buiten de gemeenschap situeert. De ‘migranten’ uit het Oosten en het Zuiden hebben het equivalent van de vroegere Zuid-Afrikaanse homelands verlaten (ze keren er wel regelmatig naar terug of sturen geld dat noodzakelijk is voor een ‘gescheiden ontwikkeling’ of om hun families te laten leven). Vandaar het grote belang van het delicate probleem van de gezinshereniging en de sociale rechten voor gezinnen van immigranten, één van de favoriete thema’s van de xenofobe propaganda. Of om het nog anders te zeggen: wat Catherine de Wenden zeer terecht de “zestiende Europese natie” heeft genoemd, wordt hopeloos uitgesloten uit de constructie van het Europese burgerschap.9

Het zou naïef zijn te denken dat de ontwikkeling van een dergelijk institutioneel racisme in Europa10 geen verband houdt met het voortschrijdende mondialiseringsproces dat het Europese grondgebied almaar vaster in zijn greep krijgt. Ik denk dat het correcter is er een dubbel gevolg in te zien van de projectie van de algemene kenmerken van de nieuwe wereldhiërarchie der machten, van kansen op persoonlijke ontwikkeling en rechten, en van de reactieop de mondialisering waarvan wordt verondersteld dat ze een dodelijk gevaar inhoudt voor de historische culturen van Europa. Deze differentiële integratie van Europa (en van de Europese apartheid) in het mondialiseringsproces, verklaart waarom het traditionele beeld van de externe vijand overal ter wereld almaar vaker wordt vervangen door dat van de interne vijand (of beter nog van de ‘alien’, de kwaadaardige vijand die zich bij ‘ons’ heeft geïnfiltreerd). Ze verwijst naar een wereldgeweld-economie die sinds één of twee decennia diepgaande wijzigingen heeft ondergaan (en blijkbaar niet in de goede zin, aangezien er nog weinig streken of politieke regimes als toevluchtsoorden kunnen fungeren, hoewel het verkeerd zou zijn alle situaties door elkaar te halen).

Tot besluit

De conclusies die ik uit dit alles trek zijn beknopt. De combinatie van de verschillende factoren is een verklaring voor mijn relatieve pessimisme. Ik wil echter over één ding zeer duidelijk zijn: wat ik hier ‘pessimisme’ noem, verwijst naar de beroemde uitspraak van Romain Rolland, die door Gramsci werd overgenomen en algemeen bekend raakte als ‘pessimisme van de intelligentie, optimisme van de wil’.
De situatie waarin we ons bevinden en die ik zonder al te grote inschikkelijkheid probeer te beschrijven, betekent dat het democratische proces op Europese schaal niet zal worden gerelanceerd door brave betogen over burgerzin.

We moeten niet denken dat de constructie van Europa van bovenaf zal gebeuren, maar we mogen evenmin het initiatief overlaten aan de woordvoerders van onderuit, aan anti-Europese of behoudsgezinde krachten. Dat betekent in het bijzonder dat we bepaalde ‘populistische’ bewegingen, (zoals die welke zich ontwikkelen in Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Zwitserland, en Vlaanderen) evenals de ‘roodbruine’ combinaties waartoe de ineenstorting van het historische communisme heeft geleid au sérieux moeten nemen. Een dergelijke situatie vereist - van de universiteit tot het syndicalisme, van de vraag naar de opening van de grenzen tot die naar de burgerrechten voor immigranten, - op think thanks van burgerschap,die eveneens gebieden zijn van collectieve reflectie en strijd. De zin van het internationalisme bestaat er vandaag de dag in, deze een maximum aan helderheid en intensiteit te verlenen, om de aldus historische en politieke bronnen opnieuw aan te boren.

Noten
1. Etienne Balibar hield zijn toespraak ‘L’Europe: une impossible citoyenneté?’ in het programma ‘Stemmen’ aan de Vrije Universiteit Brussel. De vertaling is van Annie Gay.
2. Tijdens de discussie die na de uiteenzetting plaatsvond, werd mij gezegd dat er tal van edities van Le Monde Diplomatique bestaan in vreemde talen. Ik corrigeer dus graag wat ik heb gezegd, maar ik wil er toch aan toevoegen dat vertalingen of aangepaste teksten niet helemaal hetzelfde zijn als multinationale redacties.
3. Cf. Robert Castel, Les métamorphoses de la question sociale. Une chronique du salariat. Fayard, 1995 (heruitgave Follio Gallimard, 1999).
4. E. Balibar, L’Europe après le communisme. In: Les Frontières de la démocratie, Editions La Découverte, 1992.
5. Cf. bijvoorbeeld Bino Olivi, L’Europe difficile. Histoire politique de la communauté européenne. Folio Gallimard, 1998.
6. Zie de tekst ‘De Balkan moet worden geëuropeaniseerd’ van Ismaël Kadaré in Le Monde van 17 april 1999.
7. West-Europa heeft een uitzonderlijke kans gemist’, onderhoud met Timothy Garton Ash, Libération van 9 november 1999.
8. Cf. Etienne Balibar, Une citoyenneté européenne est-elle possible? In: Droit de cité. Culture et politique en démocratie. Editions de l’Aube, 1998; Le droit de cité ou l’apartheid. In: Sans-Papiers: l’archaïsme fatal.
9. Cf. Catherine Wihtol de Wenden, La citoyenneté européenne. Presses de la Fondation Nationale des Sciences Politiques, Parijs, 1997, blz. 99.
10/ Cf. Andrea Rea (dir.): Immigration et racisme en Europe. Complexe, Brussel 1998.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 2 (februari), pagina 25 tot 33