Log in

Het veiligheidsplan van regisseur Verwilghen

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 25 tot 34

De tweede versie van het Federaal Veiligheidsplan is klaar. Lode Van Outrive nam het voor ons een eerste keer door. Opvallend is dat het plan geen prioriteiten vermeldt en regelmatig verwijst naar analyses die nog moeten gebeuren. Dat roept dus veel vraagtekens op.

Voor wie is de tekst van het veiligheidsplan eigenlijk bedoeld? De gewone burger kan dat niet zijn, want zonder verdere uitleg wordt er meer dan eens met moeilijke quasi- en echte wetenschappelijke en technische termen gegoocheld. Weet u bijvoorbeeld wat benchmarking of asset-sharing treaties betekenen? Zou de regisseur ons vooral de echte doelgroepen willen onthullen? Wanneer de huidige regering de Minister van Justitie Marc Verwilghen toelaat een dergelijk plan te regisseren, kan men er wel inkomen dat de aanhef wel een verwijzing maakt naar de zogenaamde actieve welvaartsstaat en ,,naar een groot aantal factoren (die bijdragen) tot het gevoel van onveiligheid bij onze medeburgers’’.

Maar het ambitieuze betoog van maar liefst 126 bladzijden wordt langzaam maar zeker versmald tot een vrij repressief en penaal politioneel en/of strafrechtelijk discours, waarbij de onveiligheid uiteindelijk toch gebonden blijft aan misdadigheid en dan nog hoofdzakelijk aan de veiligheid van goederen en personen. Men krijgt allesbehalve een algemene indruk dat ,,repressie het ultieme middel is’’.

Er zal terecht veel te doen zijn geweest rond de eerste versie, maar of de nu als definitief gepresenteerde tekst daarom beter is, kan worden betwijfeld. Zonder volledig te vervallen in de modische benadering van de ‘risico-samenleving’, komt men toch vervaarlijk dicht bij die van de veiligheidsstaat, waarbij men nogal eens stelt dat die de onmacht en de onsamenhang op andere beleidsdomeinen moet verdoezelen. Maar moet dit plan dan niet door de parlementaire spitsmolen passeren? Of is het niet meer de gewoonte belangrijke beleidsteksten aan een parlementaire bespreking en goedkeuring te onderwerpen? Het excuus zal wel gauw gevonden zijn: het is geen wet en het is maar de uitvoering van het regeerakkoord. Het valt overigens op dat het parlement in het hele plan geen rol wordt toebedeeld, tenzij voor enkele bijkomstigheden, zoals de controle op het Comité P (politie).

Mensenrechten

Nu er toch in onze werelden zoveel te doen is over mensenrechten, wordt het bijzonder pijnlijk dat geen expliciete aandacht wordt besteed aan de wijze waarop mensenrechten zullen worden gewaarborgd. Nochtans wordt de zaak in de aanhef wel aangekondigd: ,,(er moet) een evenwicht (zijn) tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving’’. En verder: ,,De versterking van het repressieapparaat zal wel gepaard gaan met een betere bescherming van de fundamentele rechten van de burgers die ermee worden geconfronteerd.’’ Een allereerste bedenking is of dat geen tegenspraak in de termen betekent?
Nadien wordt alles herleid tot uitspraken over een van bovenuit bepaald normafwijkend gedrag en tot deontologie en deontologische code voor justitie- en politie-ambtenaren. Verder vindt men in de tekst alleen terloops enkele banale formules zoals ,, … en met respect voor de rechten van de verdediging.’’ Men laat niet na de mensen zeer regelmatig op hun plicht en verantwoordelijkheid te wijzen: de inmiddels gekende ‘responsabilisering van het individu’. Maar eens uitleggen hoe men de formele rechten ook kan bekomen, wie precies en hoe op de naleving zal waken, welke klachtenprocedures ter beschikking staan, gebeurt niet.

Dat gemis is bijzonder treffend wanneer gehandeld wordt over de noodzakelijk geachte bijzondere opsporingstechnieken, over het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en telecommunicatie, over buitgerichte recherche of de invoering van spijtoptantenregeling. Daarbij duikt de bescherming van de private levenssfeer toch op als een ernstig probleem. De geplande omkeer van de bewijslast bij inbeslagname van criminele vermogens of voordeelontneming knaagt ook al aan algemene erkende rechtsnormen. De negatieve ervaringen indachtig met de veiligheidsonderzoeken en de toekenning van veiligheidscertificaten in NAVO-verband, zijn ook ,,bij de selectie en opleiding van (overheids)personeelsleden’’ de grootste waarborgen inzake de eerbiediging van de mensenrechten vereist. Blijkbaar wordt al bij al onveiligheid en/of onveiligheidsgevoelen zo eng bepaald, dat gemis aan mogelijkheden om zijn rechten effectief te kunnen uitoefenen, daar zeker wordt bijgerekend.
De plannenmaker heeft nu ook een mensenrecht op veiligheid uitgevonden. Mensenrechten hebben nooit een betekenis gekregen in verband met ordehandhaving of beveiliging tegen criminaliteit. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermt ieder persoon tegen willekeurige aanhouding en vrijheidsberoving en de artikels 22 tot 25 handelen over bestaanszekerheid onder de vorm van sociale rechten. Het gaat dus telkens over beveiliging tegen overheids- of patronaal optreden. Ten slotte is er nergens sprake van enige samenwerking met mensenrechtenorganisaties en missen wij ook een standpunt over het in voorbereiding zijnde Charter voor Mensenrechten van de Europese Unie.

Begrippen

De gebruikte begrippen zeggen veel over de optiek en de inspiratie van het plan. Het begint al met een betwistbare bepaling van de actieve welvaartsstaat: ,,gedragen door economische groei en sociale bescherming’’. Moet het niet zijn: ,,gedragen door een streven naar het verminderen van de sociaaleconomische ongelijkheden en het vermeerderen van de solidariteit en de emancipatie, het behoud en de uitbreiding van de sociale rechten’’? Daarnaast wordt de term veiligheid te pas en te onpas gebruikt en aan andere termen gekoppeld zoals ,,veiligheids- en detentieplan’’, ,,veiligheid en justitie’’, ,,veiligheidsketen’’. Alles zou daarmee te maken hebben. Het wordt een ware obsessie. Veiligheid is verworden tot een zogenaamd ‘containerbegrip’ met eindeloze en soms onzinnige toepassingen.

Rond de begrippen ‘onveiligheid’ en ‘onveiligheidsgevoelen’ heerst overigens de grootste verwarring en vinden we de grootste meerzinnigheid. In de aanhef zou men nog gaan geloven dat de ,,socio-economische dualiteit’’ (sic), de sociaaleconomische situatie in de brede zin, de zogenaamde ‘precariteit’, volledig in de analyse zou worden betrokken. We treffen immers in de eerste bladzijden passussen aan als ,,De economische crisis heeft de burgers in een situatie van maatschappelijke uitsluiting geplaatst die op haar beurt een gevoel van verworpenheid, agressiviteit en gewelddadigheid schept’’.
Zelfs bij de inleiding van het deeltje over alternatieve maatregelen en straffen lezen we: ,,De aanpak van criminaliteit moet veel meer aansluiting vinden met een algemeen sociaal en economisch beleid, dat ook preventief werkt aan het milderen van disfuncties van maatschappelijke voorzieningen en van (inter)menselijke verhoudingen en gedragingen.” Zo krijgt men de indruk dat de criminaliteitsonveiligheid maar als een onderdeel zal worden behandeld. Zelfs het verlies van het vertrouwen in de rechtsstaat wordt erbij gehaald. Zou het bovendien niet gaan om een ‘globaal’ of ‘integraal’ veiligheidsbeleid?

Bedrogen

Men komt vrij vlug bedrogen uit. De binding met socio-economische problemen als bestaans(on)zekerheid, gezondheid, opleiding, het dagelijkse levensmilieu en vrije tijd wordt snel verlaten. Langzaam maar zeker wordt onveiligheid ongeveer de exclusieve aangelegenheid van Justitie en politie, van Justitie en Binnenlandse Zaken, met af en toe wat hand-en-spandiensten van andere departementen of van de Gewesten en de Gemeenschappen. Is het trouwens niet merkwaardig dat de Minister van Tewerkstelling en Arbeid er maar voor twee zaken even wordt bijgeroepen, namelijk voor de tewerkstelling van ex-gedetineerden en in verband met de strijd tegen de schadelijke sektarische organisaties? Naarmate men overstapt van het federale naar het nationale, ook naar het lokale veiligheidsplan, krijgen ‘globaal’ en ‘integraal’ een haast louter politionele betekenis, preventie inbegrepen.

Bovendien wordt de articulatie tussen al die veiligheidsplannen erg in het vage gelaten, zodat men in de grootste verwarring terechtkomt. Men kan zich bijvoorbeeld afvragen of de hele reeks projecten omtrent al die vormen van misdadigheid nu ook op ieder lokaal vlak moet opgenomen worden en ook of er dan op lokaal vlak tussen penaal en sociaal beleid geen bindingen moeten bestaan. Bovendien lijdt het begrip ‘preventie’ onder de veelzinnigheid. Vooreerst wordt een zeer mistige en weinig overtuigende omschrijving van het begrip gegeven: ,,het verwijderen van de directe oorzaken van onveiligheid of het beperken van de gevolgen van feitelijke inbreuken (…) we erkennen sociale en situationele preventie (…)’’. Nadien wordt het begrip ter gelegenheid van de toepassingen stelselmatig anders opgevuld.

Nu eens worden repressieve sancties als preventie geduid, wat tot erge begripsverwarring leidt, dan weer worden de vermoedelijke oorzaken van het misdadig gedrag vermeld. De regisseur vermeldt de oppervlakkige aanleidingen, terwijl het een andere keer enkel gaat om degenen die aan preventie moeten doen. Dan vinden we weer een passus over de wijzen waarop de preventiemaatregelen moeten worden toegepast. Er steekt dus helemaal geen lijn in. Komt daar nog bij dat op het einde, bij de behandeling van de zogenaamde veiligheidsinstrumenten, plots een heel andere indeling van preventie te voorschijn komt, namelijk politiële en sociale (primaire, secundaire en tertiaire) preventie.

Normen

In de zogenaamde ‘veiligheidsketen’ gaat het dan over ‘repressie’ en ook nog over ‘nazorg’. Deze laatste rubriek wordt telkens zo bondig behandeld dat die nietszeggend wordt. Op de ‘repressie’ wordt uiteraard uitvoerig ingegaan wanneer het gaat over de strafrechtsbedeling. Wellicht hoeft geen verdere commentaar bij de vernauwing en de verschraling van het opzet wanneer we lezen: ,,(…) het Federaal Veiligheidsplan dat twee doelstellingen beoogt: een daadwerkelijke daling van alle vormen van criminaliteit en een wezenlijke verhoging van de lage ophelderingsgraad van misdrijven.” En zeggen dat er rond de verhoging van de kwaliteit van het bestaan van de mensen zulke interessante en ruime doelstellingen te formuleren zijn.

Er staat ook een zeer eigenaardige passus onder de titel ,,normstellend optreden”. Eerst krijgt men de indruk dat het gaat om normen op te leggen aan vertegenwoordigers van de overheid. Maar bij nader inzien gaat het om normen die niet te maken hebben met misdadig gedrag, maar met gedragingen die gewoon een zekere orde en rust verstoren en die eveneens zouden moeten worden beteugeld. Er wordt evenwel helemaal niet opgemerkt om wiens rust of orde het dan wel gaat en wie dan zal uitmaken over welke normen het gaat. Zonder dat de term wordt gebruikt hebben we hier kennelijk te maken met de zogenaamde incivilities, waarover in de Angelsaksische landen veel te doen is. Het is een gevaarlijke uitdeining en grensoverschrijding van echt strafrechtelijk bepaald gedrag waarop men op de duur dezelfde strafrechterlijke normen wil toepassen.

Op het einde vernemen we dan dat de gekende veiligheids- en samenlevingscontracten voortaan ,,veiligheids- en preventiecontracten’’ zullen heten. Krijgt Justitie de veiligheidscontracten en Binnenlandse Zaken de preventiecontracten? Het ziet er zo naar uit. Maar men zou alvast weten wat de Minister van Binnenlandse Zaken te doen staat. Die van Justitie zal projecten evalueren, die niet eens vermeld worden. Heeft men wel de lessen getrokken uit al het externe en interne evaluatiewerk dat over de bestaande contracten recent werd uitgevoerd? Beseft men waar het ‘lokalisme’ gefaald heeft en dat de partners op de verschillende niveaus in zeer ongelijke machtsposities de contracten aangingen? Weet men dat de lokale instanties op hun beurt ook maar gingen ‘opleggen’, bijvoorbeeld aan allerhande sociale werkers, zodat deze niet onaardig werden beperkt en gestoord in hun handelingsvrijheid, professionaliteit en ethiek?
Is het duidelijk geworden welke aan de oppervlakte gekomen behoeften op dat niveau niet te bevredigen zijn en waarin de andere beleidsniveaus zich niet mogen en kunnen ‘deresponsabiliseren’? Weet men dat de politiediensten zeventig tot vijftig procent van de middelen hebben verworven? Beseft men dat de onzekerheid en het dito gevoelen niet zijn afgenomen en dat kwantitatieve cijfers vaak de magere kwalitatieve resultaten verbergen? Van zulke lessen vinden wij geen spoor.

Leemten

Wanneer de regisseur dan toch zo ontzettend uitvoerig wil zijn, is het geoorloofd er op te wijzen dat hij af en toe wel té uitvoerig wordt, bijvoorbeeld over het reeds gedane wetenschappelijk onderzoek, maar ook over de jeugdcriminaliteit. Het moet niet plezierig zijn onder het huidig bewind jongere te zijn. Bij de behandeling van verschillende soorten misdrijven wordt voortdurend repressief teruggekomen op de criminaliteit van jongeren en de zogenaamde harde-kernjongeren. Bij de lokale politie moeten er speciale jeugdeenheden komen, binnen Justitie zelfs gesloten instellingen. De stigmatisering zou moeten ophouden. Als we nu eens even veel over de belastingontduikers of over de daders van milieuvervuiling gingen spreken?
Een heel eind ver in de tekst lezen we dan plots dat het eigenlijk toch maar over een kleine marginale groep van probleemjongeren gaat en dat de regering een positieve boodschap wil brengen over de jongeren. Maar dan is de kwalijke indruk allang gewekt. Kon zulke stellingname niet ergens in het begin worden neergeschreven en moet er dan zoveel aandacht aan jeugdcriminaliteit worden besteed? Er zijn zeer opvallende lacunes. Zo wordt spijts alles de gewone straatcriminaliteit overvloedig behandeld en gaat er duidelijk minder aandacht naar de grote financiële, economische en vooral fiscale criminaliteit. Dat is gewoon verdacht. Of denkt men dat dit soort verwaarlozing vanwege de overheid geen onzekerheid en wantrouwen teweegbrengt bij veel gewone mensen?

Ook de steeds meer gedifferentieerde informatica-criminaliteit was een uitgebreidere rubriek waard. De zo angstwekkende internationale organenhandel krijgt zelfs niet de minste vermelding, evenmin als de malafide praktijken van een aantal medische en para-medische beroepsuitoefenaars. Brengt de rassendiscriminatie voor veel allochtonen en voor degenen die het voor hen opnemen ook geen onveiligheid teweeg, ditmaal veroorzaakt door ambtenaren en gewone medeburgers? Het valt ook op dat de categorieën ambtenaren en professionelen, corrumperend en gecorrumpeerd terzelfdertijd, die aan corruptie en machtsmisbruik doen, niet met name worden genoemd. Of geldt zulke benadering alleen voor straatcriminelen? Durft men niet vermelden dat de voortdurende straatcontroles, en altijd maar bij dezelfden, eigenlijk incivilities zijn, begaan door politiemensen en andere controleurs? We vinden in de teksten ook weer hoegenaamd niets over het optreden van ,,de ambtenaren met politionele bevoegdheden’’, leden van de zogenaamde inspectiediensten wiens penale repressiviteit op het sociale werkveld veelal onderbelicht blijft. Als men dan toch zo uitvoerig wil zijn.

Het plan gaat vrij uitgebreid in op een aantal misdrijven, met vooreerst een soort omschrijving van het verschijnsel en nadien een voorstel van een ,,veiligheidsketen’’: preventie, repressie en nazorg. Het gaat overwegend over de straatcriminaliteit, maar toch komen ook andere soorten aan de orde zoals witteboordencriminaliteit en georganiseerde misdaad. Terecht wordt in de tekst gesteld: ,,de georganiseerde misdaad is een vlag die vele ladingen dekt’’. Op het gebruik van die categorieën zit inderdaad sleet en na al het reeds gepresteerde onderzoek in de ons bekende werelden moet het reeds mogelijk zijn meer en specifiek op zeer concrete vormen in te gaan en prioriteiten te bepalen. Het valt overigens op dat de auteur met betrekking tot deze probleemgebieden, maar ook tot de milieucriminaliteit, maar matige preventieve en repressieve inspiratie en verbeelding heeft. Kennelijk durft men niet uitdrukkelijk te stellen dat men dan op meer dan één gebied de vrije markt, ook die van het geld- en kredietwezen, aan banden moet leggen en de overheid (terug) een actieve economische en financiële politiek dient te voeren.

Ondermaatse behandeling

Wat er over de nieuwe politie in het plan staat, is gewoon beschamend banaal. Daaruit blijkt nog maar eens dat de politiehervorming wordt doorgevoerd zonder visie, noch over de basispolitiezorg, noch over het lokaal en federaal gerechtelijk werk. Over deze laatste, naar verluidt doorgaans slecht uitgevoerde taak, wordt zo mogelijk nog minder geschreven, de organisatie ervan, het pro-actieve en andere onderzoek of de interactie met de magistraat inbegrepen. De basisvoorwaarden van de doorvoering van de zogenaamde community policing zijn als het ware in het internationaal publiek domein gevallen, en nog vindt men ze niet vermeld in de tekst. Dat de politie vooral niet strafrechtelijk optreedt en in hoofdzaak aan rust-handhaving doet, is kennelijk nog niet doorgedrongen. Zeer opvallend is de niet vermelding van het partnership met de bevolking en de verantwoordelijkheid ten aanzien van die bevolking. We moeten het stellen met ,,een actieve oriëntatie op de lokale samenleving’’ of ,,een stevige verankering in de samenleving’’. Als alternatieve afhandeling weet men alleen de ,,politionele afhandeling’’ en de bewakingscamera’s te vermelden.
Verder moeten we het stellen met de afgezaagde slogan ,,meer blauw op straat’’, waarbij men niet eens schijnt te weten dat het intensief, selectief en doordacht ingaan op de oproepen van de mensen veel meer oplevert. Over de politie spreekt men overigens ook niet meer in termen van hulpverlening. Dat de selectie en vorming zeer veel aandacht verdient, blijkt helemaal niet uit de tekst. Ook de in het voorstel van deontologische code vermelde opvatting over het discretionair optreden van politie is hopeloos achterhaald. De idee van zero-tolerantie lijkt gelukkig voorgoed geschrapt.
Bij een aantal geïnteresseerden bestaat allang de mening dat de hervorming van Justitie een technische verbeteringsoperatie is, waarbij wel nuttige maatregelen worden genomen, maar uiteindelijk aan uitgebreide symptoombestrijding wordt gedaan. Het is blijkbaar nog niet tot de hervormers doorgedrongen dat bij een afnemende mogelijkheid om beroep te doen op andere maatschappelijke informele, maar feitelijke oplossingsmechanismen, de rechtbedeling voor steeds meer geëmancipeerde mensen hét medium is geworden om een oplossing te vinden voor conflicten met anderen en/of met de overheid, waarin ze op een of andere manier betrokken zijn geraakt. Rechtsbedeling is aan massa-aanwending toe en het apparaat is daar niet langer op ingericht. Een aan de toegang voorzien selectiesysteem ontbreekt, zeer gedifferentieerde behandelingsprocedures naargelang de eenvoud of de ingewikkeldheid van de zaak zijn er niet. Evenmin is er een andere opdeling van de specialisaties.

Herstel

Het volstaat dus niet zomaar te verwijzen naar verzoeningscommissies, ad hoc arbitrage en strafbemiddeling, zo die binnen de huidige rechtsbedelingscontext moeten worden toegepast. Het strafrecht is inderdaad aan hervorming en deflatie toe. Het is goed dat daarop wordt gewezen, dat men althans ‘denkt’ aan decriminalisering en dat er naar alternatieven voor ‘vergelding’ wordt gezocht. Maar geldt dat ook voor de nieuwsoortige, andere dan straatdelicten, waarbij men vanuit specifieke corporatistische belangen maar wat graag depenaliseert of decriminaliseert, zonder meer? In deze versie van het Veiligheidsplan wordt de bedoeling, ook van strafrechtsbedeling, ,,het herstel’’ genoemd dat mensen daar hopen te vinden of te verkrijgen. Van een vroeger al te ongelijke of onrechtvaardige toestand of van een onvoldoende bescherming? Op het einde, bij de aanvang van de behandeling van het detentieplan, wordt terecht gesteld: ,,Het begrip herstel is ondertussen echter een vlag geworden die vele ladingen blijkt te dekken’’.

De discussie kan hier niet ten volle worden gevoerd, maar louter herstel is zeer dikwijls niet substantieel genoeg en de meningen over de problematische situatie en over de te nemen maatregelen kunnen zeer verschillen. De victimologie heeft het slachtoffer ontdekt dat nu met bijzonder zorg wordt omringd. Het moet dezelfde rechten krijgen als de dader. Maar hoe staat het met diens rechten? Het lijkt mij bijzonder betekenisvol voor de aard van de hele slachtofferaandacht dat bij de opsomming van al wat het moet verwerven aan inlichtingen en mogelijkheden, het recht om te spreken, zich behoorlijk uit te drukken en te verklaren, niet eens wordt benadrukt. En daar gaat het nu precies om: de sprekelijkheid en de tegensprekelijkheid zowel omtrent de analyse van de situatie als omtrent de mogelijke faire oplossingen, vanuit een zo gelijk mogelijke machtspositie en waarbij een magistraat het geding niet bij voorbaat maar desgevallend enkel achteraf tot zich trekt.
De wijze van rechtsbedeling, de cognitieve en normatieve procedurale democratie is dus wellicht zeer belangrijk. Men moet volkomen weg van het inquisitionele en van het accusatoire rechtsgeding. Daarom is het ook niet voldoende te stellen: ,,Zelden heeft het slachtoffer de mogelijkheid om duidelijk te maken wat zijn/haar noden en behoeften zijn.’’ De hele slachtofferbekommernis komt te zeer over als een afleidingsmanoeuvre om de rechtsbedeling niet grondig te moeten hervormen.

De Minister van Justitie heeft trouwens niets geleerd uit de kritiek op zijn justitiehuizen, die eigenlijk alleen maar een groepering van diensten betekenen maar geen justice de proximité, zoals die oorspronkelijk bedoeld werd. De rechtsbedeling dient ,,snel’’ en ,,humaan te zijn’’, zo heet het. Over dat ,,snel’’ is al genoeg te doen geweest zodat we er niet verder hoeven op in te gaan. Het plan spreekt dan ook enkel maar over evaluatie van de bestaande nieuwe snelheidsregelingen. Of het plan tot een humane rechtsbedeling leidt, valt erg te betwijfelen gezien de blijvende repressiviteit en het gebrek aan echt diepgaande democratische hervorming. Niet de structurering maar het functioneren van Justitie moet mordicus aan de uitvoerende macht worden onttrokken.

Moed

Het is zeker goed dat men het eerst en vooral heeft over de toegang tot het gerecht en over de rechtsbijstand. Maar het is opvallend dat de goede SP-opvatting over de publieke rechtshulp niet weer te vinden is. Handelend over de gerechtelijke expertise had de regisseur het wel uitdrukkelijk mogen hebben over het prangend tolkenprobleem. Wanneer men het dan toch over alternatieven heeft, moet men ten slotte ook de politieke moed kunnen opbrengen om te stellen dat niet ieder misdrijf moet of kan opgespoord en vervolgd worden. Dat zou dan wel een zeer belangrijke wetswijziging betekenen. Al even ondermaats blijven de volkomen kritiekloze passussen over internationale politionele en justitiële samenwerking.

Het is wel duidelijk dat de in de oorspronkelijke tekst aan de private bewaking en beveiliging toegekende voorkeurplaats op zoveel kritiek werd onthaald dat de zaak nu ver naar achter werd verschoven. Toch komt het mij voor dat aan dat belangrijk, want voortdurend aanzwellend verschijnsel, uiteindelijk te weinig aandacht wordt besteed. De hele aangelegenheid is immers aan ernstige opvolging toe. Er komen steeds maar nieuwe dienstverleningen bij en de opleiding van het personeel staat niet op punt. De bevoegdheden zijn opnieuw te bekijken in het licht van gegroeide en misgroeide praktijken. De interactie met de publieke politie- en andere diensten, die dikwijls in het voordeel van de privésector parasitair wordt, is niet goed geregeld, terwijl het overleg en de controle niet op punt staan. Het idee van een controlecomité PRIV naar analogie met de comités P en I lijkt helaas begraven.

Participatie-democratie

Een tweetal keer valt de term ,,participatie-democratie’’. De SP is er zeker in geslaagd op een paar plaatsen de term ,,solidariteit’’ te doen inlassen. De interessante vraag is of de term er in de eerste versie wel instond? De verbazing over de mislukking van bevolkingsparticipatie, bijvoorbeeld in de preventieraden, komt wel wat als schijnheilig over. Hoe kan het anders? Er bestaat geen structurele en culturele basisdemocratie. De mensen, hun organisaties en bewegingen zijn het niet gewoon te mogen meepraten en mee beslissen. Regeringen geven ook geen goed voorbeeld door het parlement te miskennen en te manipuleren. En waarom functioneren de grote politieke partijen zo ondemocratisch? Bovendien wordt in dit Veiligheidsplan zelf met de actieve inspraak van de bevolking en van de georganiseerde groepen en bewegingen weer heel dubbelzinnig omgegaan.

Er worden meer afzwakkende en reducerende termen gebruikt zoals ,,luisterbereidheid’’ of ,,het zich actief inzetten’’ dan dat men voluit en systematisch pleit voor een activering van het overleg tot een echt partnerschap met de civiele samenleving, waarbij een inhoudelijke, actieve, sociale solidariteit wordt nagestreefd samen met tolerante eerbied voor de verscheidenheid van opvattingen bij de actoren. Op enkele plaatsen valt het ook op dat er blijkbaar alleen maar burgers en grote en kleine patroons bestaan. Vakbonden en werkersbewegingen vinden we in opsommingen nergens vermeld.

Grootstedelijk beleid

Het gedeelte over het grootstedelijk beleid is vermoedelijk door iemand anders geschreven, want het steekt zo af tegen al de rest en is eigenlijk nogal resoluut ,,ingepast in een geïntegreerde aanpak die de verbetering van de levenskwaliteit voor ogen heeft’’. Deze benadering had gerust algemeen, dus voor het hele Veiligheidsplan kunnen dienen. De benadering is veel opener. Er wordt ronduit gepleit voor de grootst mogelijke betrokkenheid van de bevolking met al haar geledingen. Men stelt de problematiek zeer ruim, dat wil zeggen dat ook de sociaaleconomische onveiligheid en onzekerheid onderkend wordt.

Dat belet niet dat ook hier leemten zijn. Waar is het grootstedelijk beleid ten aanzien van de multi-culturaliteit en -etniciteit, van de immigranten en allochtonen? De leemten hebben ons inziens ook betrekking op de problemen van huisvesting en woonruimte, omdat men onder anderen ook de private eigenaars niet zou mogen ontzien. Vervolgens missen we iets over de functies en het gebruik van de publieke ruimten. Toch is ook hier het zwaartepunt te veel gelegd op de kleine straatcriminaliteit en worden weer termen als ,,rebellie’’ gebruikt met betrekking tot jongeren. Zijn er dan ook in de grote steden geen economische, financiële en fiscale probleemsituaties die de gewone mens de ogen uitsteken en waardoor hij of zij zich nogal onveilig voelt ten aanzien van de erg selectief en discriminerend optredende overheid?

Wanneer het gaat over de ,,aanpassing van de interventietechnieken’’ vinden we geen woord over het vaak erg tergend controlerend en repressief optreden van politie- en andere ambtenaren, hoewel dat in grootstedelijke wijken vaak als een factor van onveiligheid en onzekerheid wordt ervaren. De duiding van een burger als ,,klant’’ vind ik steeds storend. Maar als men dan toch zo de nadruk legt op de zeer actieve inspraak van de bevolking bij de formulering en oplossing van de problemen, dan blijkt toch uit dit stuk beleidsplan dat de overheid alvast en bij voorbaat reeds zeer goed weet wat voor die bevolking goed is.

Detentieplan

We hebben er terloops al op gewezen dat in dat laatste gedeelte van het Veiligheidsplan een meer alternatieve benadering van rechtsbedeling te voorschijn komt. Toch is ook hier het Veiligheidsplan te exclusief gericht op de problematiek van de vrijheidsberoving van de kleine misdadiger en op de oplossing van communicatiestoornissen. We weten reeds dat de penitentiaire beginselenwet een goede zaak is, maar we moeten hem nog zien aanvaard worden. De strafuitvoeringsrechtbank werd ook al decennialang door veel bekommerde personen gevraagd. Dat er toch nog enige penitentiaire internering behouden zou blijven, is niet goed, maar de civilisering van de behandeling van niet toerekenbaren maakt niettemin vorderingen.

Er wordt alvast en gelukkig geen privatisering van het gevangeniswezen voorgesteld. Maar het elektronisch toezicht wordt al te klakkeloos aanvaard zonder dat men melding maakt van het mogelijke netwidening-effect. Het is ook hier al ,,herstel’’ wat de klok slaat. Het doet weer erg modisch aan en de vraag rijst of dat nu plots moet leiden tot ,,herstelconsulenten’’, ,,herstelprojecten’’ of ,,herstelgericht werken’’. Dat men dan maar niet vergeet de term ‘veiligheid’ er aan toe te voegen. Overigens lijkt er in de gevangenissen geen personeel meer te werken en zijn er ook geen vakbonden meer aanwezig.

Sirenenzang

In het Veiligheidsplan wordt voortdurend de aandacht gevestigd op de noodzaak om vooreerst een analyse te maken van problematische verschijnselen. Op zichzelf is dat een goede idee, omdat het beleid dan een zogenaamde ‘wetenschappelijke basis’ krijgt. Maar een gedachte die daarbij zou moeten aansluiten ontbreekt, namelijk dat men op die wijze de bevolking meer objectieve en genuanceerde informatie kan verschaffen in plaats van zomaar niet-gefundeerde uitspraken te doen - zoals dat bijvoorbeeld in het Veiligheidsplan gebeurt over geweld - en onrust te zaaien of te versterken omtrent onveiligheid, voortgaande op enkele losse feiten. Het laat ook toe van de gegevens een ander gebruik te maken dan om controles uit te oefenen.

Meteen worden diverse categorieën van wetenschapsmensen zonder blikken of blozen opgevrijd en krijgt de benadering pooierallures. Niet enkel worden recente wetenschappelijke prestaties te pas en te onpas geëtaleerd - wat op bepaalde plaatsen de tekst onleesbaar maakt. Bovendien worden aan criminologen, sociologen, psychologen, psychiaters, pedagogen en anderen voortdurend allerlei opdrachten in het vooruitzicht gesteld met het oog op zogenaamd beleidsgericht onderzoek. Maar hier en daar wordt toch vergeten dat er al veel onderzoekswerk is gebeurd, bijvoorbeeld naar de hervorming van het strafrecht of naar georganiseerde en witteboord-misdadigheid. De onderzoeksresultaten moet men wel willen gebruiken.
Het gevaar van die sirenenzang is vooreerst dat het een poging is om alle kritiek op het beleid vanuit die hoek al bij voorbaat de mond te snoeren, met de stille verwittiging aan geïnteresseerden om zich alvast gedeisd te houden wil men het onderzoeksgeld niet aan zijn neus zien voorbijgaan. Meteen rijzen al bij voorbaat vragen over de onafhankelijkheid van die onderzoekers. Even groot is het gevaar dat er op de duur nog weinig of geen geld meer zal zijn voor fundamenteel en/of onafhankelijk onderzoek, zoals dat nu nog even mogelijk is via het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek of via de vierjarenprogramma’s van de Dienst Wetenschapsbeleid.

Slot

De ambitie bestaat er blijkbaar ook in dat ogenschijnlijk alles terzelfdertijd moet verwezenlijkt worden, want vermelding van prioriteiten treffen we eigenlijk niet aan, buiten de al te gekende vaststelling dat de hervorming van politie en justitie voorwaarden zijn zonder dewelke bijna niets anders te verwezenlijken is. Hooguit wordt er hier en daar op gewezen dat nog eerst op het verschijnsel gestudeerd moet worden. Voor veel aangelegenheden moet kennelijk een beroep worden gedaan op andere ministeries en staatssecretariaten. Ook op horizontale medewerking en inbreng van de Gewesten en Gemeenschappen wordt kennelijk en noodzakelijkerwijze gerekend. Ze worden ongelooflijk opvallend pro forma vermeld. Nergens wordt bepaald waarin de wijzen van deelname precies zullen bestaan. En zullen die beleidsinstanties de reeds bij voorbaat verticaal-federaal vastgelegde opties zomaar aanvaarden?

Meteen is toch aangetoond dat ik de tekst belangrijk vind en dat hij zo vlug mogelijk een nog meer diepgaande analyse moet krijgen. Over thema’s als het herstelrecht kan het debat moeilijk beëindigd zijn. De internationale en vooral de Europese samenwerking op het vlak van politie en justitie verdient veel meer kritische aandacht. Ook een systematische vergelijking met de eerste versie van het Veiligheidsplan is een must. Er moet nagegaan worden op welke punten die is veranderd, of er inhoudelijke wijzigingen zijn en of de basisbegrippen anders zijn bepaald. De nieuwe tekst is in ieder geval opgesmukt met wat andersklinkende paragrafen, wat meer dan eens zelfs tot tegenspraken leidt. Of zijn het alleen maar wat vreemde lichamen die de blauwe draad weliswaar wat verstoren, maar de grondlijn in de tekst niet wezenlijk veranderen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 5 (juli), pagina 25 tot 34