Log in

Werk op de plank

De arbeidsmarkt in de economie van overmorgen

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 10 (december), pagina

De impact van computer en informatietechnologie op de economische en arbeidsorganisatie is enorm. In deze bijdrage waagt de auteur zich aan een prognose voor de komende decennia. Daarbij tast hij de grenzen van de arbeidsmarkt af, beschrijft hij de evolutie van de werkgelegenheid en het uitzicht van de arbeidersklasse.

Als er geen werk was in de fabriek kon ze naar school. Meestal begon de dag echter vóór dag en dauw met een kilometerslange voettocht in de duisternis aan de hand van moeder en zus naar de voddenfabriek in het naburige dorp. Na een lange dag - afgewisseld met sorteerwerk, kruipwerk en opruimwerk enerzijds en spelen met de andere fabriekskinderen anderzijds - werd de lange tocht terug ingezet. Net op tijd voor de warme maaltijd en het warme bed. Meestal 6 dagen per week. De Eerste Wereldoorlog kwam enigszins als een bevrijding: ze kon iets meer naar de oorlogsklasjes. Tot ze ingeschakeld werd in de talloze smokkeloperaties en de overlevingseconomie. Gedurende heel haar leven heeft ze leren lezen en schrijven.
Dit is in een notendop het verhaal dat mijn grootmoeder talloze keren vertelde over haar jeugd aan het begin van de twintigste eeuw. De details van haar arbeid lazen we later in de boeken van Louis Paul Boon of zagen we in de film ‘Daens’. Vandaag surft mijn dochter van acht feilloos over het World Wide Net op zoek naar een interessante ‘game’ om te ‘downloaden’ om daarna het hoogste ‘level’ proberen te bereiken. Op deze manier verwerft ze wellicht een aantal basisvaardigheden die binnen tien jaar noodzakelijk zullen zijn voor een vlotte integratie op de arbeidsmarkt.
Dit alles om er op te wijzen dat de voorbije 100 jaar zowel de arbeidsorganisatie, de arbeidsvoorwaarden als de vereiste vaardigheden op een spectaculaire manier zijn gewijzigd. Een bijdrage over werken in de eenentwintigste eeuw blijft dan ook staren in een glazen bol. Temeer daar één zekerheid als een paal boven water staat. De grondige transformatieprocessen in onze economie komen met een steeds grotere snelheid op ons af. Vooral de technologische innovatiekracht werkt hier als turbomotor. Gemakshalve kunnen we stellen dat het effect dat de stoommachine en de gasverlichting hebben gehad op de economische organisatie en de arbeidsorganisatie gedurende de tweede helft van de 19de eeuw tot ver in de 20ste eeuw, verbleken bij de impact die de computer en de informatietechnologie vandaag hebben.
In deze bijdrage willen we toch een poging doen om de toekomst te voorspellen. We wagen ons daarbij aan een prognose voor de komende decennia: de arbeidsmarkt van overmorgen. We willen dit doen aan de hand van een reeks vragen: over de grenzen van de arbeidsmarkt, de evolutie van de werkgelegenheid en het uitzicht van de arbeidersklasse. Daarbij passeren zowel macro-economische als arbeidsorganisatorische beschouwingen de revue.

Global village

De groep rond Ricardo Petrella heeft een aantal jaren terug de verdienste gehad om een belangrijk deel van de politici en de academici op het verkeerde been te zetten door het proces van mondialisering van de economie (en de samenleving) verantwoordelijk te stellen voor een aantal structurele moeilijkheden waarmee de Europese economie worstelt. De vraag stelt zich immers in welke mate deze wereldeconomie zich daadwerkelijk ontwikkelt.
Tot op vandaag is er nauwelijks aangetoond dat er tijdens de voorbije decennia daadwerkelijk sprake was van een verdergrijpende wereldwijde economische integratie. Reeds zeer snel formuleerden Ive Marx, Frank Vandenbroucke en anderen een gestoffeerde kritiek ten aanzien van de mondialiseringthese van Ricardo Petrella. Deze kritiek blijft overeind. Meer en meer groeit daarentegen het inzicht dat er zich pijlsnel een min of meer homogene Europese arbeidsmarkt ontwikkelt waarbij de grote structurele verschillen als sneeuw voor de zon verdwijnen. Deze Europese harmonisatie is zowel het gevolg van de groeiende economische interdependentie tussen de verschillende lidstaten als van een doelbewust beleid in de diverse lidstaten en op Europees niveau.
In een opgemerkte bijdrage voor de University Pomepeu Fabra te Barcelona analyseert Allan Larsson, vroegere topverantwoordelijke werkgelegenheid van de Europese Commissie, dit Europese economische integratieproces en maakt hij een scherpe vergelijking tussen de Europese en de Amerikaanse arbeidsmarkt. Terecht wijst Larsson er op dat de stelling dat het hoge Europese beschermingsniveau - door een uitgebreide arbeidswetgeving, door het belang van sociaal overleg en minimale arbeidsvoorwaarden, door een breed stelsel van sociale zekerheid - aanleiding geeft tot slechtere werkgelegenheidscijfers, geen steek houdt.
Daarbij verwijst hij uitgebreid naar het vergelijkend onderzoek van Esping-Andersen dat aantoont dat de reële totale uitgaven voor sociale bescherming in de globale geïndustrialiseerde wereld - de OECD-landen - vergelijkbare cijfers opleveren niettegenstaande de resultaten van de sociale beschermingssystemen sterk uiteenlopen. Vooral het feit dat bijvoorbeeld in de Verenigde Staten een belangrijk aandeel van de sociale uitgaven gebeuren op de private markt - “from the wallet” van de particulier - leiden niet enkel tot relatief hogere facturen maar zorgen bovendien voor enorme gaten in het Amerikaanse sociale vangnet.

Troef

Larsson gaat echter een stap verder wanneer hij stelt dat het Europese sociale systeem veeleer als een troef voor betere economische prestaties moet worden beschouwd dan wel als een hindernis naar betere groei en werkgelegenheidsresultaten. De feiten lijken hem gelijk te geven. Zo vertoont de Europese handelsbalans steevast een overschot, de Amerikaanse een tekort. Intussen wordt meer en meer duidelijk dat de Amerikaanse economische groei structureel bedreigd wordt door het massaal tekort aan goed opgeleide mensen. Het Amerikaans model - waar degelijk onderwijs meer en meer is weggelegd voor wie het zelf kan betalen - dreigt hierdoor de concurrentieslag van andere industriële regio’s te verliezen over dé grondstof bij uitstek: de brains.
Bij de vergelijking van de Europese met de Amerikaanse werkgelegenheidscijfers valt verder op dat beide economieën ongeveer identieke tewerkstellingscijfers presenteren voor de industrie - de sector waar de internationale concurrentie het hevigst woedt - terwijl het structurele verschil zich blijft situeren op het vlak van de dienstenwerkgelegenheid, waarbij de diensten aan personen manifest beter ontwikkeld zijn in de V.S. en bijna volledig het structurele verschil in werkgelegenheidsprestaties verklaart tussen beide continenten.

Eerste conclusies

Dit brengt ons tot een eerste reeks conclusies voor wie met een macro-economische toekomstbril kijkt naar de arbeidsmarkt van de 21ste eeuw. Ten eerste wordt de Belgische arbeidsmarkt (en het Belgisch arbeidsmarktbeleid) meer en meer een fictie, laat staan de Vlaamse. De steeds ingrijpender Europese economische integratie zorgt niet enkel voor een snellere uitwisseling van mensen, diensten en kapitaal maar leidt onvermijdelijk naar meer eenvormigheid op het vlak van sociale bescherming (en fiscaliteit), arbeidsverhoudingen en -voorwaarden.
Ten tweede worden de globale Europese werkgelegenheidsresultaten - met zijn hoog niveau van ondertewerkstelling - nauwelijks geconditioneerd door processen van globalisering noch door het niveau van sociale bescherming. Niet de omvang of de kostprijs van het sociaal systeem blijkt cruciaal; de aard en de werking van sociale beschermingsregels kunnen wel het verschil maken (zie in dit verband het actuele pleidooi in diverse Europese lidstaten voor activerende sociale beschermingssystemen).
Ten derde is het absoluut noodzakelijk dat om onze belangrijke economische troef te vrijwaren - ons Europees sociaal model - er ten aanzien van de snelle Europese economische integratie een versnelling komt in de uitbouw van een uniform Europees sociaal kader waarbij de spelregels op het vlak van de arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en het niveau van sociale bescherming gelijk worden geschakeld. De huidige Europese Commissaris Arbeid en Sociale Zaken Anna Diamantopoulou spreekt in dit verband over de noodzaak om een “gelijkzijdige driehoek” te maken tussen het macro-economische beleid, het werkgelegenheidsbeleid en het sociale beleid. De huidige Europese strategie - het werken via richtsnoeren waarop de diverse lidstaten hun beleid moeten oriënteren - zal daarbij hopeloos te traag werken.1
Ten vierde zullen de slagkracht en de prestaties van de Europese economie bepaald worden door de mate en de snelheid waarmee de ondernemingen en de werknemers zich integreren in de Informatie Samenleving. De technologische innovaties, die vandaag vooral gebaseerd zijn op de integratie van nieuwe informatica- en communicatiesystemen, zullen elkaar veel sneller opvolgen en veel ingrijpender effecten hebben op de wereldsamenleving.
Tot slot is de omvang van de ondertewerkstelling in grote mate het resultaat van het starre karakter (lees: gebrek aan fysieke en professionele mobiliteit) van de arbeidsmarkt, het democratisch deficit op de opleidingsmarkt, het voortbestaan van een passieve welvaartsstaat en het gebrek aan herverdelingsmechanismen waardoor nieuwe dienstenwerkgelegenheid onbetaalbaar blijft. Structureel vertaalt zich dit in een sterk onderontwikkelde dienstensector waarbij vooral de diensten aan personen en gezinnen achterop blijven hinken. De uitbouw van actieve welvaartsstaten, waarbij bijzondere aandacht gaat naar een grotere arbeidsmobiliteit en de diensten aan personen ‘vermarkt’ worden, kan Europa op relatief korte termijn - 10 à 20 jaar - tot identieke werkgelegenheidsresultaten brengen als de huidige Amerikaanse economie.

Recht op arbeid

Volledige tewerkstelling is een relatief recente maatschappelijke doelstelling en heeft tijdens de voorbije 50 jaar een totaal andere invulling gekregen. Bij het begin van de 20ste eeuw was er geen kat die streefde naar volledige werkgelegenheid. In de zich ontwikkelende socialistische beweging was vooral de strijd tegen armoede en uitbuiting het Leitmotiv. De vooral rurale en ambachtelijke samenleving was op een paar decennia tijd omgevormd tot een industriële samenleving waar de bestaansonzekerheid die veroorzaakt werd door natuurlijke tegenslagen - mislukte oogsten, ziektes, overdreven kinderlast - in belangrijke mate vervangen werd door financiële problemen en gevarenrisico’s veroorzaakt door werkloosheid of (arbeids)ongevallen. Zelfs het volledig ingeschakeld zijn - zowel man, vrouw als kinderen - op de arbeidsmarkt hield geen enkele garantie in op een (langdurige) bestaanszekerheid. De onzekerheid over de toekomst werd bovendien versterkt door de twee Wereldoorlogen. De inzet van het maatschappelijk debat tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw was dan ook veeleer het streven naar zekerheid en verzekerde welvaart voor iedereen.2
Het kan dan (achteraf) ook geen verbazing wekken dat op het einde van de Tweede Wereldoorlog zowel de werkgevers als de werknemersorganisaties het belang inzagen van een groot compromis tegen armoede en bestaansonzekerheid. De permanente onzekerheid bij de bevolking zorgde immers voor een belangrijke bedreiging voor het zich ontwikkelend kapitalisme (lees: voor de gigantische winsten van de toenmalige captains of industry) terwijl de kracht en het zelfbewustzijn van de werknemersbeweging pijlsnel was toegenomen. Een ideaal maatschappelijk klimaat om met de besluitwetten van 1944 een belangrijke stap te zetten voor een breed georganiseerde sociale zekerheid.

Het is pas in de tweede helft van de 20ste eeuw dat er zich stilaan een maatschappelijk consensus ontwikkeld heeft over de maatschappelijke doelstelling van het recht op arbeid voor iedereen. Zowel vanuit de economische wetenschap - die de enorme economische en maatschappelijke kost van werkloosheid in kaart bracht - als vanuit het groeiend besef dat uitsluiting uit de economie het spoor was naar maatschappelijke marginalisering werd volledige werkgelegenheid een expliciete doelstelling van het werkgelegenheidsbeleid. Op het moment dat iets minder dan de helft van de beroepsbevolking in de jaren ‘60 aan de slag was, oordeelde men dat volledige werkgelegenheid gerealiseerd werd. Van vrouwen werd immers niet verwacht dat ze buitenshuis gingen werken; zij stonden in voor de huiselijke arbeid.
Het is pas tijdens de recentste decennia dat volledige werkgelegenheid vertaald wordt als de situatie waarin alle mannen én vrouwen de kans hebben om buitenshuis een inkomen te verdienen. Vandaag spreekt men met andere woorden van een probleem van structurele werkloosheid en ondertewerkstelling op het moment dat een veel groter aandeel van de bevolking aan de slag is dan in de periode (van pakweg dertig jaar terug) toen er sprake was van een verzadigde arbeidsmarkt en volledige tewerkstelling.

Relatief

Dit alles toont de relativiteit aan van wat dient begrepen te worden onder volledige werkgelegenheid en het recht op arbeid voor iedereen. De tijd wijzigt de definities. Er zijn nogal wat indicaties dat er zich opnieuw belangrijke verschuivingen voordoen over de inhoud van dit begrip. De discussies over het recht op een basisinkomen en pleidooien voor een echte vrijetijdssamenleving zijn daar evenvele indicaties van. De essentie van deze cognitieve wijziging draait (opnieuw) rond de vraag of het ingeschakeld zijn in de formele economie een basisvoorwaarde is voor bestaanszekerheid of aansluiting bij de modale levenstandaard en of maatschappelijke integratie ook kan worden gegarandeerd buiten de formele economische activiteit.
Het hoge welvaartsniveau en de specificiteit van de huidige arbeidsorganisatie zijn van die aard dat het traditionele arbeidsethos - dat zo functioneel was in de industriële samenleving - onvermijdelijk aan waarde zal verliezen.3 In dat licht kan het 21ste eeuwse objectief, namelijk volwaardige maatschappelijke participatie en waardering binnen én buiten de formele economie, als synthese tevoorschijn komen van het recht op bestaanszekerheid uit het begin van de 20ste eeuw en het recht op arbeid van vandaag.
Maar hoe zit het nu met dat recht op arbeid voor iedereen tijdens de komende decennia? Opnieuw moeten we de fout vermijden om toekomstvoorspellingen te doen over de verhouding tussen vraag en aanbod vertrekkende vanuit een Belgische realiteit. Vooral wanneer de Euro een dagelijkse realiteit wordt zullen de (reglementaire) barrières op de arbeidsmarkt snel verdwijnen. De arbeidsmarkt stopt niet langer bij de gewest- of landsgrenzen. De economie van morgen wordt gekenmerkt door een grote mobiliteit binnen een Europese markt: een permanente interne migratie van werknemers, een delocalisatie van ondernemingen of het zich verplaatsen of verschuiven van investeringsregio’s.

Vergrijzing

Afhankelijk van de grootte van deze economische ruimte - de uitbreiding van de Europese Unie naar het Oosten kan hierin cruciaal zijn - zal er ongetwijfeld rekening moeten worden gehouden met een enorme externe migratiedruk vanuit de arme regio’s. Aan het begin van het nieuwe millennium weten we immers dat er zich een grondige kentering voltrekt in het arbeidsaanbod. Daar waar we de voorbije 25 jaar een sterke toename zagen van de (theoretisch) actieve bevolkingsgroep - de baby-boomers op de arbeidsmarkt waarvan een belangrijk deel in de structurele werkloosheid of op passief geplaatst - zien we de groei van de beroepsbevolking vandaag fors afnemen waarna onvermijdelijk - vanaf 2010 - het aantal Europeanen uit de leeftijdscategorie 18-65 jaar spectaculair zal dalen.
Het vergrijzingsvraagstuk waarover in België reeds zoveel te doen was, is een Europees vraagstuk van de eerste orde. Ook op dat niveau stelt zich het vraagstuk van de betaalbaarheid van de pensioenen en de gezondheidszorgen; ook op Europees niveau zal het gevecht woeden voor het behoud van het Europees Sociaal model. Maar er is meer. Ook binnen de actieve bevolkingsgroep stelt zich het vraagstuk van de vergrijzing aangezien Europa over 10 jaar 12 miljoen minder 20- tot 40-jarigen zal tellen tegenover 13 miljoen meer 40- tot 60-plussers. De Europese economie van 2010 zal het dus minder van nieuwkomers dan van ervaring moeten hebben.
In het licht van onze voornaamste economische troef - een hoog productieve economie gebaseerd op kennisintensiteit en (technology-based) modernisering - is dit alles behalve een geruststellende gedachte. Zo rekende de Europese Commissie ons voor dat tegen 2010 liefst 80% van de bestaande technologie zal vervangen worden door andere en betere technologie terwijl meer dan 80% van de actieve beroepsbevolking van 2010 vandaag reeds de schoolbanken heeft verlaten. Larsson stelt het als volgt: “So, in ten years’ time, 80 percent of the workforce will have “old” education and training and will have to match 80 percent new technology”.

Kwaal

Deze vaste gegevens maken het echter moeilijk om objectieve uitspraken te doen over de mate waarin de arbeidsmarkt van de toekomst al of niet in evenwicht zal zijn. Het demografisch probleem - Europa wordt meer en meer het oude continent - zal ongetwijfeld het hoge niveau van werkloosheid en ondertewerkstelling van de Europese economie doen afkalven. Maar tegen deze macro-economische en demografische bedreiging voor de Europese economie stelt zich het hardnekkige vraagstuk van de afstemming van de vraag en het aanbod; van de “employability” en de “adaptability” van de actieve bevolking aan de vereisten van de economie van morgen en overmorgen.
Rekenen op demografische trendbreuken of op (al of niet georganiseerde) externe migratie - waar dezer dagen in diverse landen waaronder België hevige pleidooien voor zijn te horen - zijn niet alleen maatschappelijk riskant (want onzeker) maar lijken me ook weinig duurzaam. Vooreerst dreigt men hiermee voorbij te gaan aan de enorme ondertewerkstelling waarmee Europa (en ons land) vandaag nog altijd kampt. De kwaal van vandaag - ongeveer 9% van de Europese beroepsbevolking staat op passief - moet de troef van morgen worden, terwijl dé uitdaging voor onze economie bestaat in het permanent opleiden, trainen, vormen en aanpassen van mens en onderneming aan de technologische versnellingen.
De geschiedenis heeft ons geleerd dat belangrijke economische migratie nauwelijks een effect heeft op de demografische kenmerken van een bevolking en gelijktijdig de maatschappelijke druk wegneemt om effectief werk te maken van een recht op arbeid voor iedereen waardoor onvermijdelijk processen van structurele uitsluiting worden bestendigd. Voor wie zich ook morgen tot doel stelt om volledige werkgelegenheid te realiseren - of het recht op arbeid voor eenieder waar te maken - dringen zich bijgevolg volgende opdrachten op.

Opdrachten

Een grote uitdaging stelt zich bij de uitbouw van de dienstenwerkgelegenheid, meer bepaald de diensten aan gezinnen. De onderontwikkeling van deze sector verklaart bijna volledig de betere werkgelegenheidsresultaten van de Amerikaanse economie. De uitbouw van deze sector - waar vooral lagergeschoolden hun weg naar vinden - is echter allesbehalve een evidente zaak op de Europese arbeidsmarkt. Om het fenomeen van de “working poor” te ontwijken - en bijgevolg ons Europees sociaal model te vrijwaren - zal dit gepaard moeten gaan met enorme herverdelingsmechanismen waardoor deze sector via subsidiëring economisch leefbaar blijft en de werknemers aansluiting blijven behouden met de modale levensstandaard. Het is niet voor niets dat alle Europese werkgelegenheidsspecialisten de evoluties van ons PWA-stelsel en het Belgische activeringsbeleid van nabij volgen. Er stelt zich echter ook een fundamentele ethische vraag. Is het ‘vermarkten’ van deze dienstenactiviteiten (zoals babysitting, afwassen en strijken, boodschappen) wenselijk in een samenleving die kreunt onder een gebrek aan solidariteit en afkalvende sociale relaties?
Om de paradox van de voorthollende technologische innovatie en de verouderende beroepsbevolking op te lossen is het absoluut noodzakelijk meer te investeren in stelsels van levenslang leren. Het Europese onderwijssysteem dient af te stappen van zijn doel van loutere kennisoverdracht om te evolueren naar een pedagogisch systeem waar leergierigheid wordt aangekweekt en creativiteit wordt bijgebracht. Gelijktijdig dient het gigantische Matthëuseffect op de opleidingsmarkt - gaande van perfide uitsluitingssystemen uit het onderwijs naar een ongelijke toegang tot aanvullende opleidingen - te worden weggewerkt. Meer dan vroeger zullen de economische prestaties van de Europese economie afhankelijk zijn van de brains en de “adaptability” van de Europese bevolking.
Een belangrijke arbeidsreserve blijft vandaag onaangeroerd en dit niettegenstaande toenemende kraptes in een aantal sectoren en regio’s van de Europese Unie. Een aantal feitelijke én juridische discriminaties staat een optimale allocatie van vraag en aanbod in de weg. Het is economisch onzinnig en maatschappelijk onwenselijk dat Europa zijn heil zoekt in het organiseren van nieuwe migratiestromen vooraleer deze feitelijke discriminaties van vrouwen, ouderen, tweede- en derde-generatiemigranten, (fysiek en sociaal) gehandicapten daadwerkelijk zijn weggewerkt.
Teneinde de beroepsbevolking (voor lange periodes) gemotiveerd te houden voor deelname aan de arbeidsmarkt is het absoluut noodzakelijk dat er een beter evenwicht tot stand komt tussen werktijd en persoonlijke tijd. Dit is des te meer het geval in een economie waar het tweeverdienerschap de regel wordt, werken veel meer mentale eisen stelt en werken op latere leeftijd onontkoombaar is. Het Europese arbeidsmarktbeleid dient daarom verder werk te maken van allerlei maatregelen waardoor gezin en arbeid beter kunnen worden gecombineerd en waarbij ruimte wordt gecreëerd om zich tijdens de loopbaan te herbronnen, te ontspannen of lekker niets te doen.

Scharniermoment

Doorheen de geschiedenis zijn het vooral de technologische ontwikkelingen die een determinerende invloed hebben gehad op zowel de arbeidsorganisatie als de taakinhoud van de werknemers. Rekening houdend met het feit dat tijdens de komende decennia een versnelling zal optreden van technologische innovaties - in hoofdzaak gebaseerd op steeds nieuwere toepassingen van de informatie- en communicatietechnologie - is het duidelijk dat we ons vandaag op een scharniermoment bevinden van structurele arbeidssociologische veranderingen. Het is vooral de snelheid waarmee deze processen verlopen die aanleiding zullen geven tot enerzijds een permanente mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en anderzijds het risico op een keiharde dualisering bij de bevolking doet toenemen.
In zijn meesterwerk The Making of the English Working Class beschreef E.P. Thompson op een indrukwekkende manier de disciplineringsprocessen en maatschappelijke mechanismen die tot stand kwamen om de Engelse rurale samenleving om te vormen tot een industrieel proletariaat. Zo hadden de nieuwe fabrieken nood aan een beroepsbevolking die een opgelegde tijdsordening respecteerde, werd de opdracht van het onderwijs preciezer omschreven en in functie gesteld van de industriële arbeid en was het aangewezen dat de arbeiders ondergebracht werden in woonkazernes of arbeidershuizen in de directe nabijheid van het werk.
Stap voor stap zagen we in de loop van de 20ste eeuw een diversificatie ontstaan tussen de arbeidsomstandigheden, voorwaarden en taakinhoud van diverse groepen werknemers. Het harde onderscheid tussen blue collar en white collar workers verdween stelselmatig en werd vervangen door een variëteit aan functies, statussen en beroepen. Vooral tijdens de voorbije 20 jaar voltrokken zich grondige veranderingen in de arbeidsorganisatie waarbij een grotere heterogeniteit tussen werknemersgroepen het voornaamste kenmerk is. Zowel structurele economische verschuivingen (zoals de tertiarisering van de arbeidsmarkt, de galopperende productiviteitsstijgingen ten gevolge van de introductie van nieuwe technologie in klassiek Tayloriaanse productie-organisaties) als de snel wijzigende kennisvoorwaarden die worden gesteld aan werknemers zijn hiervoor verantwoordelijk. De overall - ongeacht de kleur - is een kledingstuk voor een permanent krimpende groep werknemers.
Ook vandaag ontstaan er nieuwe disciplineringmechanismen teneinde de beroepsbevolking aan te passen aan de economie van morgen. Zo worden er gigantische investeringen gedaan om zoveel mogelijk mensen vertrouwd te maken met de nieuwe informatie- en communicatietechnologie (“elke kleuterklas een computer”), ontstaat er een industrie aan bedrijfsopleidingen en cursussen (gaande van netwerkbeheer, allerhande managementopleidingen tot beleggersclubs) die als functie hebben om zoveel mogelijk mensen vertrouwd te maken met de economie van morgen en wordt het “levenslang leren en de permanente leergierigheid” gepromoot als het hoogste economisch goed. Het onderwijs krijgt een nieuwe fundamentele opdracht: creativiteit en kennishonger bijbrengen. Met een duizelingwekkende snelheid wordt overal ter wereld een nieuwe economische taal aangeleerd: de computertaal. Computerspelletjes en Internet vervangen de ABC-boekjes van weleer.

Beeld

Vandaag kunnen we ons stilaan een beeld gaan vormen van hoe een werknemer en een onderneming de komende eeuw zal functioneren. De werknemer en de onderne­ming van morgen zal meer en meer gaan werken zoals de filmindustrie vandaag. Als een onderneming een nieuw product of dienst wil brengen, wordt een beroep gedaan op consultancy-bureaus, design-bureaus, juridische-experten, reclame-bureaus en marketing-specialisten. Van zodra het product of dienst op de markt is, neemt de onderneming het in zijn pakket op en wordt het hele team ontbonden.
Een zeer beperkt team van mensen die zicht hebben op de hele organisatie (het draaiboek opstellen, mensen aantrekken en weten op welke sets en locaties er wordt gedraaid) en een beperkt aantal mensen zorgt er voor dat alles ook technologisch kan functioneren (de communicatie tussen alle actoren vlot verloopt en de montage verzorgt). Net zoals in de filmindustrie gaan bedrijven meer en meer op zoek naar sets en locaties waar een welbepaalde dienst of product het goedkoopst (lageloonlanden) of het best (niche-markten) kan worden geleverd. Nadien wordt alles gebundeld. Technologische kennis en kennis over de organisatie zijn met andere woorden de essentiële kenmerken van de kernwerknemers.

Dualisering

Hierdoor dreigt een nieuwe dualisering binnen de werknemersgroep. Het oude en voorbijgestreefde onderscheid tussen arbeiders en bedienden geraakt definitief vervangen door een nieuwe dualisering tussen enerzijds een groep van technologisch geschoolden die kennis en invloed (en dus macht) hebben op organisatieprocessen en anderzijds werknemers die deze kennis ontbreken en de invloed grotendeels ondergaan. De huidige stand van de technologie zorgt er trouwens voor dat het merendeel van de werknemers niet meer de machines controleert, maar dat de machines de werknemers controleren. Zeker in de toekomst zal deze evolutie nog versterkt worden. “Kennis hebben van” of “geen kennis hebben van” wordt zeker een doorslaggevend criterium om een onderscheid te maken tussen werknemers.
Daarnaast wordt de werknemer ook minder en minder iemand die perfect vervangbaar is door iemand met dezelfde diploma’s. Het gegeven dat mensen zich steeds sneller moeten kunnen aanpassen aan nieuwe technologieën en allerlei verschillende taken vlot moeten kunnen combineren, maakt dat de werknemer als individu met zijn sociale vaardigheden, houding, attitudes en motivatie steeds belangrijker wordt. Deze individuali­sering van de werknemer sluit trouwens aan bij de emancipatorische evolutie die eveneens na de Tweede Wereldoorlog op gang kwam. De werknemer komt ook meer en meer alleen te staan tussen de technologie. Zijn collega’s worden meer en meer virtueel en bevinden zich in alle hoeken van de wereld. Het individu krijgt tegelijkertijd ook meer en meer verantwoordelijkheid in zijn schoenen geschoven voor wat zij of hij wel of niet doet.
Dit alles doet vele vragen rijzen naar hoe de vakbond van de toekomst er uit moet zien. Tot op vandaag functioneert de vakbond nog vanuit een Tayloristische visie op arbeid en economie. Hoe gaat een vakbond inspelen op een werknemer die individualistischer is ingesteld en waarbij er meer en meer een onder­scheid komt tussen goedbetaalde werknemers met goede carrièreperspectieven omwille van hun technologische en organisatorische kennis en de andere werknemers die veel minder zekerheid over hun loon en carrière hebben?

Agenda

Als sociaaldemocraten hebben we een aantal duidelijke doelstellingen . Wij willen een samenle­ving waar iedereen echt bij hoort. Dit betekent een samenleving die extra kansen en mogelijkheden creëert voor mensen die - wegens gebrek aan talenten, middelen of tegenslagen - uit de boot dreigen te vallen. We zijn er daarbij van overtuigd dat in de huidige samenleving volwaardige maatschappelijke integratie verloopt via het recht op arbeid voor iedereen.
Een tweede duidelijke doelstelling is deze van de principiële gelijkwaardigheid tussen mensen. Hieruit vloeit voort dat structurele ongelijkheid en ongelijkwaardige behandeling de grootste vijanden van de socialistische beweging blijven. Wanneer ik deze keuzes bekijk in het licht van het toekomstig arbeidsmarktbeleid zie ik drie grote uitdagingen.

Uitdagingen

Een eerste uitdaging is de afwerking van het Europees Sociaal Model. Het baanbrekende empirische werk van Esping-Andersen heeft de sociaaldemocratische stelling onderbouwd dat het hoge sociale beschermingsniveau van de Europese Unie (niettegenstaande de grote interne verschillen en niveaus) veeleer als een fundamentele troef moet worden beschouwd voor onze toekomstige economische prestaties. Nochtans blijft het sociaal model onderhevig aan grote interne als externe druk. Door de vergrijzing van de Europese bevolking en de hevige interne (arbeidskosten-) concurrentie tussen lidstaten - onder meer ten gevolge van uiteenlopende sociale beschermingsniveaus (zie bijvoorbeeld de Europese grensarbeidersproblematiek) - is het gevaar niet denkbeeldig dat het Europees sociaal model stelselmatig erodeert en evolueert naar een Amerikaanse samenleving.
Dit gevaar zal zeker nog worden versterkt wanneer de monetaire integratie echt een dagelijkse realiteit wordt en de derde fase van het Unie Verdrag gerealiseerd wordt. Net zoals het Belgisch sociaal model de voorbije 60 jaar een permanente strijd behoefde, wordt het meer en meer duidelijk dat de constructie en het vrijwaren van een echt Europees sociaal model de permanente inzet zal nodig hebben van de diverse lidstaten, de Europese sociale partners en de Europese politiek. Terecht wijst Frank Vandenbroucke erop dat de uitbouw van actieve welvaartsstaten de beste methode is om werk te maken van een sociaal Europa. “Het sociale Europa zal moeten ontwikkeld worden via een proces waarin eerst duidelijke doelstellingen inzake sociale bescherming worden geformuleerd, om dan via peer review (onderlinge toetsing onder gelijken (de Europese lidstaten dus, noot H.B.) de beste praktijken van elkaar over te nemen”.4
Toch deel ik het optimisme van Vandenbroucke niet dat we sinds de Europese top van Luxemburg van 1997 - vanaf wanneer de Europese lidstaten verplicht werden een gelijkaardig werkgelegenheidsbeleid te voeren aan de hand van Europese richtsnoeren - de juiste methode toepassen. In het licht van de snelle economische én maatschappelijke transitie is het ook op het sociaaleconomisch domein absoluut noodzakelijk dat er vanuit het Europese niveau dwingender werk wordt gemaakt van één Europees sociaal model. Waar dit gebeurt voor het macro-economisch beleid van de Unie (via het verbod op concurrentiebelemmerende maatregelen, het vrij verkeer van kapitaal, goederen en diensten, de dwingende normen inzake de overheidsboekhouding van de lidstaten, de introductie van de Euro) is dit eveneens aan de orde voor het werkgelegenheidsbeleid en het sociale beleid.
De ongelijke snelheid tussen deze drie fundamentele beleidsniveaus dreigt immers vooral de sociale bescherming terug te brengen tot het laagste Europese niveau. Een actievere en dwingender opstelling vanuit het Europese niveau - geen harmonisatie om de harmonisatie maar een stelselmatige verhoging van de minimale beschermingsniveaus - is echter onhaalbaar zolang de Europese Unie beslist bij unanimiteit en er van een structurele integratie van het sociaal overleg op Europees niveau geen sprake is. Europese sociaaldemocraten weten wat te doen.

Participatie

Een tweede uitdaging geldt het recht op maatschappelijke participatie voor iedereen. Ten onrechte wordt de uitbouw van een actieve welvaartsstaat dikwijls herleid tot het streven naar volledige werkgelegenheid in de formele economie. Het is een wet van Meden en Perzen dat gelijkwaardigheid tussen individuen het best kan worden nagestreefd door eenieder de kans te geven op een volwaardige maatschappelijke participatie. De mens is en blijft immers een sociaal wezen dat enkel zijn geluk vindt in relatie tot andere mensen (zijn gezin, familie, buren, collega’s).
Tot op vandaag geldt voor het gros van de mensen dat het al of niet hebben van werk de fundamentele opstap is voor volwaardige maatschappelijke participatie. Of omgekeerd, wie structureel uitgesloten wordt van de arbeidsmarkt loopt een verhoogde kans om ook op andere maatschappelijke domeinen uitgesloten te worden. Dit plaatst de bouwers van een (sociaaldemocratische) actieve welvaartsstaat voor een dubbele opdracht. De eerste bestaat erin om eenieder maximale kansen te geven op deelname aan het economische proces.
In de economie van morgen betekent dit in essentie werken op de democratisering van de toegang tot kennis en vaardigheden (en dit zowel tijdens de schoolperiode, de actieve periode als in de herfst van het leven). Maar daarnaast dient er werk gemaakt te worden van betere participatiemogelijkheden buiten de formele arbeidsmarkt. In onze rijke samenleving is het absoluut noodzakelijk om de nodige herverdelingsmechanismen uit te bouwen waardoor ook zorg voor gezin, inzet voor de buurt of de vereniging of de maatschappelijke participatie van de oudere bevolking (financieel) mogelijk te maken. Een mooie opdracht voor Belgische en Vlaamse sociaaldemocraten.

Strijd

Een laatste uitdaging is de permanente strijd tegen onrechtvaardigheden op de arbeidsmarkt. Ook op de arbeidsmarkt van morgen is de strijd tegen ongerechtvaardigde ongelijkheid een permanente zorg. Positiever uitgedrukt gaat het om het streven naar gelijke kansen op respect en waardering; het recht op geluk. Tot op vandaag bestaat er hardnekkige ongelijkheid die samenhangt met onze economische wetmatigheden. Zo is het onaanvaardbaar dat tweede- en derde-generatiemigranten het meer dan 5 keer moeilijker hebben om aan de slag te gaan, dat kinderen uit lagere sociaaleconomische middens manifest minder scholingskansen krijgen of dat één derde van de werknemersgroep de stempel arbeider krijgt (en daardoor slechtere bescherming, minder bijscholingskansen en minder maatschappelijk aanzien geniet).
Bovenop deze (en andere) bestaande discriminaties kunnen we ons echter verwachten aan supplementaire structurele ongelijkheden. Vooral de (onvermijdelijke) opsplitsing tussen kernwerknemers en andere dreigt tot fundamentele en onaanvaardbare verschillen te leiden. Zo zien we vandaag reeds een Mattëuseffect op de opleidings- en vormingsmarkt waardoor wie reeds een opleiding en een vorming genoot veel gemakkelijker toegang krijgt tot supplementaire kennis. Deze splitsing tussen wie kennis (en dus macht) heeft en wie niet dreigt eveneens op andere maatschappelijke domeinen (mobiliteit, cultuur, ontspanning, politiek) tot ongerechtvaardigde verschillen te leiden. Een kloof die ook de kansen op maatschappelijke participatie buiten de arbeidsmarkt zal bepalen. Het wegwerken van deze onrechtvaardigheden is de fundamentele opdracht van elke sociaaldemocraat.

Noten
1. Voor de argumentatie van deze stelling verwijzen we graag naar “De Sociale Knelpunten van de Economische en Monetaire Unie”, meer bepaald naar de bijdragen van Johannes Pakaslahti, Philippe Pochet en Patrick Venturini.
2. Zelfs Hendrik De Mans Plan van de Arbeid uit 1933 beklemtoonde veeleer de strijd tegen armoede en verpaupering van een belangrijk deel van de nieuwe arbeidersgeneraties dan volledige werkgelegenheid als doel op zich naar voor te schuiven.
3. Deze analyse correspondeert wonderwel met de recente sociologische bevindingen van Hans De Witte waarbij hij vaststelt dat ook de Vlaming minder en minder de intrinsieke waarde van betaalde arbeid internaliseert.
4. Frank Vandenbroucke, ‘De actieve welvaartstaat: Een Europees perspectief’, Stichting dr. J.M. den Uyl - lezing, 1999.

Bibliografie
-
Ricardo Petrella en de Groep van Lissabon, “Grenzen aan de concurrentie”, V.U.B.-press, Brussel, 1994.
- Frank Vandenbroucke “Op zoek naar een redelijke utopie. Kanttekeningen bij het Rapport van de Groep van Lissabon”, in Samenleving en Politiek, jg.3, nr. 4 (april : 3 - 27.
- Allan Larsson : “Decent Work in the Information Society ?, Challences to work and labour relations in Europe”, Speech for the Conference on “The World of Labour in the 21ste Century”, the University Pomepeu Fabra, Barcelona, 19-20 october 2000.
- G. Esping - Andersen, “De verzorgingsstaat tussen gezin en markt”, in E.S.B., 1982, 4099.
- Pochet Philippe en Vanhercke Bart (red.), “De Sociale Knelpunten van de Economische en Monetaire Unie”, Observatoire Social Européen, Presses Interuniversitaires Européennes, 1998.
- E.P. Thompson, “The Making of the English Working Class”, Pinguin Books, Harmondworth, 1980.
- Hans De Witte, ‘Houdingen tegenover arbeid in België. Op de drempel van de 21ste eeuw’, in : Dobbelaere, K., Elchardus, M. e.a., Verloren zekerheid. De Belgen en hun waarden, overtuigingen en hun houdingen, Lannoo, Tielt, 77-116, 2000.
- Vandenbroucke Frank, “De actieve Welvaartstaat : Een Europees perspectief”, Stichting Dr. J.M. den Uyl-lezing”, 13 december 1999.

Samenleving & Politiek, Jaargang 7, 2000, nr. 10 (december), pagina