Log in

Bedrijven en ontwikkelingshulp: terug naar de 19e eeuw

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 1 (januari), pagina 42 tot 45

Er waait de laatste tijd flink wat stof door het milieu van de niet-gouvernementele (ontwikkelings)organisaties (ngo’s). De oorzaak van deze commotie is de stichting van de Bedrijfsgiftenbank. In de geest van de globaliserende wereldeconomie werd deze al snel het Corporate Funding Program (CFP) genaamd.

Even voorstellen. Het CFP, voluit ‘Vzw Corporate Funding Program - bedrijven steunen duurzame ontwikkeling’, is een samenwerkingsverband in vzw-vorm, tussen de bedrijfswereld en de ontwikkelings-ngo’s. Het is opgericht door 7 Belgische bedrijven1 en 6 derdewereldorganisaties2. De beide kanten van het samenwerkingsverband hebben een gelijkwaardige inbreng, met het oog op het realiseren van het statutair doel: ‘het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven en ngo’s, om optimaal de middelen aan te wenden voor het implementeren van socio-economische ontwikkelingsprojecten’. Zoals uit de naam van de nieuwe vereniging en het vervolg van de statuten blijkt, is haar doel het werven van fondsen of ‘bedrijfsgiften’ voor socio-economische projecten, voorgedragen door de deelnemende ngo’s.

Scepsis

Dit initiatief kan op nogal wat scepsis rekenen in de wereld van de ngo’s. Het wordt aanzien als een uitverkoop van de ngo’s aan de bedrijven. De mogelijkheid kritisch te staan tegenover de activiteiten van multinationals hier en in de derde wereld zou opgegeven worden. Dit zou de eerste stap zijn naar privatisering van de ontwikkelingshulp. Het zou een manier zijn om het omzetcijfer van de betrokken ondernemingen op te trekken. De ngo’s zouden gedegradeerd worden tot onderaannemers, enzovoort en zoverder.
Het is een feit dat de bedrijven de wereld van de ngo’s met argwaan bekijken. De kritiek die veel multinationals uit de hoek van derdewereldorganisaties krijgen zal hier niet vreemd aan zijn. Toch zijn een reeks belangrijke bedrijven bereid mee te werken aan ontwikkelingssamenwerking, hetzij rechtstreeks, hetzij door financieel bij te dragen. Dat bewijzen initiatieven zoals Kauri.3 De stap naar de ngo’s bleek echter vaak nog te groot. Dat blijkt ook uit het feit dat een aantal ondernemingen zelf (al of niet in samenwerking) stichtingen opgezet hebben om aan ontwikkelingssamenwerking te doen. Daarbij wordt zeker niet altijd gebruik gemaakt van de expertise die ngo’s opgebouwd hebben. Er gaat dan ook heel wat energie verloren op deze manier.
Daar tegenover staat dat een aantal ngo’s ook vroeger al de weg naar de bedrijven wisten te vinden. Zeker de beter georganiseerde fundraisers - denk bijvoorbeeld aan Artsen zonder grenzen - kregen al heel wat geld toegeschoven vanuit de bedrijfswereld. Bij enkele ondernemingen creëerde dit echter ook ergernis: ze werden, in gespreide slagorde, aangesproken en om geld gevraagd door organisaties die ze niet goed kennen.

Forum

Er was daarom nood aan een trefpunt tussen de beide werelden: die van de ondernemingen en die van de derdewereldorganisaties. Zulk een openheid vanwege de bedrijven hangt natuurlijk ook samen met het huidige klimaat van aandacht voor ‘verantwoord ondernemen’, ‘ethisch ondernemen’ en ‘stakeholdersmanagement’.4 Rode draad doorheen al deze concepten is het inzicht dat een onderneming een bredere taak heeft dan het maximaal nastreven van de belangen van de eigenaars, de aandeelhouders (en van het management).5 Ook de belangen van de stakeholders (belanghebbenden bij de bedrijfsactiviteit, als tegengewicht van de ‘shareholders’ of aandeelhouders) moeten mee de activiteit van de onderneming bepalen. Dit is door John Elkington de triple bottomline genoemd: ondernemingen moeten de verantwoordelijkheid voor 3 P’s (People, Planet en Profit) aanvaarden. Zeker voor multinationals is met deze benadering de stap naar de derdewereldproblematiek onvermijdelijk: onderaanneming of filialen in ontwikkelingslanden, dumping van overstocks, milieuvervuiling als gevolg van transport (schipbreuken), wapenhandel. Het zijn precies deze thema’s die de kern uitmaken van veel acties die de ngo’s de laatste jaren gevoerd hebben en waarin vaak een aantal ondernemingen geviseerd werden.

Duurzaam ondernemen

De oprichters van CFP onderschrijven de visie van het stakeholdermanagement, want dat maakt deel uit van de principeverklaring. Zelfs al kunnen vragen gesteld worden bij heel wat interpretaties en invullingen van de stakeholdersbenadering, dan nog valt iets te zeggen voor wat Toon Vandevelde6 de ‘disciplinerende werking van hypocrisie’ noemt. Een bedrijf dat zich engageert tot het eerbiedigen van een maatschappelijk verantwoorde bedrijfsactiviteit en dit engagement vervolgens met voeten treedt, zal hierop gewezen worden en na verloop van tijd zijn handelen bijsturen in de gewenste zin. Wie vraagt dat bedrijven oog zouden hebben voor de twee P’s uit de triple bottomline (People en Planet), die de ngo’s nauw aan het hart liggen, mag echter niet vergeten en moet zelfs aanvaarden dat de 3de P(rofit) de ondernemingen nauw aan het hart (blijft) liggen.
In dat licht is CFP een verankering te noemen van de trend naar verantwoord ondernemen. Een structurele samenwerking met ngo’s biedt immers betere garanties voor systematisch toezicht op de bedrijfspraktijken van de deelnemende onderneming en dus voor disciplinering van hypocriete ondernemingen. Het feit dat verschillende van de betrokken ngo’s nauwe banden hebben met de vakbewegingen, biedt hiervoor nog extra garanties. Het is ook een argument tegen het verwijt dat de ngo’s zich noodgedwongen zullen afzijdig houden van eventuele sociale conflicten in de betrokken bedrijven.

Dialoog

Twee werelden die elkaar te weinig kennen en dus niet altijd begrijpen. Dialoog tussen beiden kan bijdragen tot betere werking. Het niet ingaan van de ngo’s op de uitnodiging zou voor jaren de situatie van vertroebelde relaties tussen bedrijven en ngo’s in stand houden (het initiatief om CFP op te richten is uitgegaan van Frans Bourgois, Professor-fiscalist op rust, en met Vredeseilanden-Coopibo, ACT en Broederlijk Delen al vergaand uitgewerkt).
De oprichting van het CFP vergde lange discussies. Er werden harde garanties geëist alvorens de deelnemende ngo’s wilden mee marcheren. Ook aan de kant van de bedrijven waren er heel wat vragen en werden ettelijke voorwaarden gesteld. Het nog langer uitstellen had het initiatief allicht doen stranden. Maar de lange discussies tussen de oprichters lieten ook toe de besluitvorming correct te organiseren. De raden van bestuur van de ngo’s kregen verschillende keren de kans het initiatief te beoordelen en konden de vooruitgang van de discussies opvolgen, alvorens te beslissen al of niet mee te stappen. De deelname aan het initiatief is ook niet onvoorwaardelijk. Zowel aan de kant van de ontwikkelingsorganisaties als aan die van de bedrijven zal de werking van CFP geëvalueerd worden. De beslissing tot deelname kan dus ook weer herroepen worden. Zo heeft FOS bijvoorbeeld expliciet gesteld dat het zich bij een negatieve evaluatie van de deelname aan CFP, na één of twee jaar terugtrekt uit het platform. Eenzelfde redenering deed het NCOS afzien van deelname: we kijken eerst de kat uit de boom en stappen dan na 1 of 2 jaar in, als we zien dat dit meer kansen dan bedreigingen biedt. Alleen moet dan wel iemand anders de stap wagen. Het NCOS laat hier met andere woorden de anderen de kastanjes uit het vuur halen.
Ook het argument dat de middelen van CFP te belangrijk zullen worden in het geheel van de ngo-middelen, wordt ondervangen doordat enkele van de deelnemende ngo’s (FOS en Oxfam-solidariteit) zichzelf de limiet oplegden dat ten hoogste zo’n 10% van alle werkingsmiddelen uit het CFP kunnen komen, zoniet wordt de afhankelijkheid te hoog. Maar de wijze waarop CFP de verzamelde middelen verdeelt, is hier van nog groter belang. De middelen verzameld binnen CFP worden gepoold zodat er nooit een directe band is tussen een gift van een onderneming en een bepaald ontwikkelingsproject ingediend door een ngo. De giftenpool (vanuit de bedrijven) en de projectenpool (vanuit de ngo’s) worden dus door CFP met elkaar ‘gekruist’ of ‘bevruchten’ elkaar, zo u wil.

Ondernemerschap?

CFP zal bij voorkeur projecten steunen, die gericht zijn op duurzame ontwikkeling en sociaaleconomische ontwikkeling. Het stimuleren van lokaal ondernemerschap lijkt eerder in de lijn te liggen van het VBO dan van de ngo’s. Dat idee gaat echter voorbij aan het feit dat het om duurzame sociaaleconomische projecten moet gaan (en de ngo’s zullen de projecten selecteren) en dat een oud adagio van het ontwikkelingswerk ‘trade, not aid’ luidt. Om hulp door handel te kunnen vervangen, heb je inderdaad ondernemers nodig in de derde wereld, mensen die koopkracht genereren en activiteiten ontplooien. ngo’s met een lange termijnvisie zijn al lang bezig met zulke sociaaleconomische projecten. Ze krijgen nu niet alleen de kans op bijkomende financiering hiervoor, maar ook op een uithangbord. Zowel voor de resultaten van hun werk en, wie weet, voor een input aan expertise vanuit Belgische bedrijven.

Het wachten op stappen van het bedrijfsleven in de richting van een duurzamere en rechtvaardigere economische orde was de andere optie, maar wel één die een stuk minder actief en voluntaristisch is. Aan de vrijwilligers en de personeelsleden van de ngo’s, alsook aan de vakbonden in de betrokken ondernemingen, komt de taak toe te controleren of de bedrijven inderdaad de principes uit de CFP-beginselverklaring in de praktijk brengen.

Tenslotte zou een initiatief als CFP leiden tot een sluipende privatisering van de ontwikkelingssamenwerking. Het klopt dat initiatieven om fondsen uit het bedrijfsleven aan te boren, niet ten koste mogen gaan van de andere inkomstenbronnen voor ontwikkelingsngo’s, zoals de overheidsmiddelen en private fundraising. Natuurlijk moeten we blijven ijveren voor het snel optrekken van het overheidsaandeel in de ontwikkelingssamenwerking tot 0,7% van het BBP. Zoals reeds aangehaald, wil het merendeel van de deelnemende ngo’s het belang van de CFP-middelen voor zijn werking beperken. Anderzijds houdt de deelname van ondernemingen aan CFP een erkenning in van het feit dat het werken aan een rechtvaardigere wereld niet alleen zaak is van de overheid en de associatieve sector, maar dat ook ondernemingen hieraan een bijdrage (financieel en praktisch) moeten leveren.

Eerlijke kans

In tijden van economische globalisering (een realiteit voor de bedrijven) en protest tegen de effecten hiervan (op aansturen van o.a. de ngo’s) is een forum waar beide partijen elkaar ontmoeten op zich al een waardevolle zaak. Extra geldmiddelen voor ontwikkelingssamenwerking en een groeiend bewustzijn van sociale en maatschappelijke verantwoordelijkheid bij de ondernemingen zijn bijkomende argumenten pro. Voorlopig lijken de gevaren voor doemscenario’s voldoende ondervangen door de voorwaarden die de ngo’s bedongen. Laten we de bedrijfsgiftenbank daarom een eerlijke kans geven.

Noten
1. Bekaert, Corona-Lotus, Interbrew, Koramic, Sidmar, Siemens en Union Minière.
2. ACT, Broederlijk delen, Fos/Socialistische solidariteit, Oxfam-solidariteit, Vredeseilanden-Coopibo en Wereldsolidariteit
3. geplukt van de website www.kauri.be: Kauri is een groep mensen uit de bedrijfswereld en uit niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die willen nadenken over en ijveren voor betere relaties tussen Noord en Zuid. De globalisering of mondialisering van het bedrijfsleven brengt ook een verantwoordelijkheid met zich mee om begaan te zijn met de internationale economische verhoudingen. Bedrijven en bedrijfsleiders, kaderleden, bedienden of arbeiders kunnen ook binnen het bedrijfsleven en de bedrijfsorganisatie een verschil maken en ijveren voor eerlijker handelsrelaties en evenwichtiger economische verhoudingen. Daar wil Kauri werk van maken. Kauri is daarom ook een vzw, die haar activiteiten heeft gestoeld op een duidelijk omschreven charter dat onze beginselen opsomt. De leden van Kauri zijn bedrijven, maar ook personen die in hun bedrijf willen streven naar betere verhoudingen met het Zuiden. Essentieel aan onze werking is echter ook de actieve participatie van ngo’s. Kauri wil activiteiten en diensten ontplooien om haar doelstellingen te verwezenlijken en kenbaar te maken. Kauri is een denktank, een organisatie waarop u beroep kan doen voor praktische informatie en een netwerk van professionelen die hun ervaring met u willen delen.
4. zie voor een diepgaandere analyse Samenleving en politiek, jg. 5, 1998, nr. 4 (april), ‘Cas. econ. zkt verantw. ondern. vr duurz. rel.’ (Dirk Van Evercooren)
5. een hiaat in de huidige analyses is vaak nog de veronderstelling dat het management geen eigen belang heeft te verdedigen en dat dit niet altijd strookt met de belangen van de aandeelhouders. De spanning tussen beide partijen is aanleiding geweest tot het ontstaan van ‘corporate governance’-regels.
6. Toon Vandevelde is filosoof en econoom en is verbonden aan het Centrum voor Economie en Ethiek van de K.U. Leuven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 1 (januari), pagina 42 tot 45