Log in

Vlaanderen: wat we zelf doen, doen we beter... niet

Een discussietekst

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 1 (januari), pagina 27 tot 36

Alweer veroorzaakt een verkiezingsoverwinning van het Vlaams Blok ontreddering of moedeloosheid. Velen hadden gehoopt dat het tij ditmaal zou keren. IJdele hoop. Extreemrechts rukt verder op in Antwerpen. Ook in andere gemeenten waar het Blok al sterk stond, vergroot het zijn aanhang. Waar het zwak was, wordt het sterker. En waar die partij voor het eerst opkomt, haalt ze vaak rond de tien percent. Alleen in Vilvoorde, waar de heer Dehaene zijn volle gewicht in de schaal heeft geworpen, verliest het Blok. Met 0,1 percent. O ja, en ook in Liedekerke. Met 0,9 percent zelfs. Vergissen we ons als we stellen dat deze twee uitzonderingen de regel bevestigen? Neen. De theorie van het zogenaamde sociologisch plafond gaat niet op.

De eerste reacties op deze uitslagen stemmen ons niet optimistisch. Er zijn er die de uitslag in Borgerhout, Berchem en de Antwerpse binnenstad ‘hoopvol’ vinden. In weerwil van alles zien ze er tekenen van kentering in. Uit de commentaren stijgt een ‘politiekerig’ toontje op. Gekoppeld aan een vleugje diepzeepsychologie leidt dat tot verzuchtingen in de trant van ‘Er is nood aan sterke vaderfiguren’. En dus moet Patrick Janssens burgemeester van Antwerpen worden. Ook blijkt de tijd van de melige metaforen te zijn aangebroken: de ‘zuurtegraad’ van de samenleving ligt te hoog. Alsof politiek een chemisch proces was. Wil de beste alchimist nu opstaan?

Een aantal discussiethema’s die al eerder oplaaiden, staan opnieuw op de agenda. Zo had men het nog maar eens over de afschaffing van de stemplicht of het nut van het cordon sanitaire. En natuurlijk moeten we ons weer eens dringend verdiepen in een aantal agendapunten van het Blok: veiligheid, meer repressie, de nuloverlast of de fameuze zero-tolerance. Alweer hoor je de politici verkondigen dat ‘er eindelijk meer naar de mensen moet worden geluisterd’. Hebben we dat ook niet al eens gehoord in 1991, in 1994 en in 1995?

Het cordon sanitaire is een goede zaak

Eerst nog maar eens het punt over het cordon sanitaire verduidelijken. Tenslotte lag Charta 91 mee aan de basis van dat principe. Vandaag wordt er alweer massaal getwijfeld aan het nut van dat cordon. Het zou niet werken. Alsof de stemmenwinst van het Blok daar het bewijs van zou zijn en het opgeven van het cordon sanitaire alles zou oplossen. Eigenlijk is de term cordon sanitaire misleidend. Het gaat niet om een schutskring tegen varkenspest. Het is er ook geen medicijn voor. Nog minder is het een toverformule om het Blok te stoppen. Het cordon is niets meer dan een politiek engagement vanwege de democratische politici om geen politieke zaken te doen en om geen coalities aan te gaan met het Vlaams Blok. Dat is wat de democratische partijen hebben ondertekend. Ze deden dat omdat ze ervan overtuigd zijn dat met het Blok samenwerken een stap te ver is. Ze deden dat om de eenvoudige reden dat je met een antidemocratische en racistische partij niet samenwerkt. Welnu, dat engagement houdt nog altijd stand. Precies daardoor is het Blok nergens aan de macht gekomen. Het cordon sanitaire heeft dus wel degelijk gewerkt. Alleen moet je de term in zijn juiste betekenis gebruiken: het Blok van de macht weghouden. Niets meer, maar ook niets minder.

Natuurlijk zijn er die er iets anders mee bedoelen. Bijvoorbeeld het Blok in de media ‘doodzwijgen’ of ‘niet naar zijn kiezers luisteren’ of nog ‘niet deelnemen aan debatten met het Blok’. Wie het zo ziet, doet maar. Maar in geen geval is dat ooit het voorwerp geweest van een gemeenschappelijke ondertekende verklaring. Uiteraard kun je daar van mening over verschillen. Er zijn er die met De Winter in debat gaan terwijl anderen dat pertinent weigeren. Zo heb je er ook die een zero-tolerance-beleid geschikt vinden, daar waar anderen er van gruwen. Hoe dan ook, het zijn zaken die niets te maken hebben met het cordon sanitaire.

Wie het cordon sanitaire dus nutteloos vindt, oordeelt in feite dat er met het Blok wel samen aan politiek kan worden gedaan, dat er wel bestuursakkoorden mee kunnen worden afgesloten, dat je er wel mee in een politieke meerderheid kunt stappen. Over het cordon discussiëren, betekent dat soort van vragen opwerpen.

Sommige politici dachten tijdens de verkiezingscampagne een slimme zet te doen. Ze verklaarden dat een stem voor het Blok nutteloos was, want het cordon sanitaire zorgde ervoor dat de Blokverkozenen niet aan het beleid konden deelnemen. Dat was een dubbele vergissing. Ten eerste bogen ze op die manier een principiële verklaring om tot een tactisch electoraal argument. Ten tweede drongen ze daardoor hun verengde visie op politiek aan de mensen op.

Dat er zoveel onduidelijkheid heerst over de inhoud van het cordon sanitaire, ook bij de politici zelf, stemt tot nadenken. Om maar te zeggen dat het debat met het uiterst rechtse gedachtegoed onverminderd voort moet worden gezet. In deze bijdrage komt dit verder niet meer aan bod. Dat neemt niet weg dat volgehouden voorlichtingsacties over die kwestie absoluut noodzakelijk blijven.

Eindelijk eens ten gronde discussiëren

Wij maken ons zorgen. Al te dikwijls hebben de coalitiegesprekken als leidraad het koppel veiligheid-mobiliteit. Niet toevallig gebeurt dat precies in die gemeenten waar het Blok sterk heeft gescoord. De keuze voor veiligheid en technocratie biedt geen alternatief voor een dynamisch stedelijk project. Bovendien sluit die keuze eens te meer aan bij de agenda van het Blok en worden de rechtse reflexen in de samenleving daarmee versterkt.

Met merkbare trots verklaarde Freddy Willockx op 29 oktober in De Zevende Dag dat hij en Louis Tobback twee jaar geleden mee aan de basis lagen van het nultolerantiebeleid in Lokeren. Mechelen krijgt een schepen voor veiligheid. Sint-Niklaas ook. Antwerpen wil een ‘kernkabinet voor veiligheid’ installeren. Er zullen ook straatcamera’s komen, ‘maar niet zoals in Big Brother’ grapte mevrouw Detiège voor de Antwerpse lokale televisie. De samenstelling van de coalities heeft blijkbaar geen invloed op die benadering. Heeft men misschien in een opwelling van ‘scherpzinnigheid’ het thema van de mobiliteit verbonden aan dat van de veiligheid? Zo kunnen sommigen het thema misschien voor hun achterban verteerbaar maken. In feite worden we dus vooral mobiel in de richting van de Blok-standpunten.

Toen we in 1991 onze oproep lanceerden, gingen we uit van de stelling dat het succes van uiterst rechts een symptoom was van een diepe maatschappelijke malaise. Elke strategie om uiterst rechts terug te dringen, moet steunen op een grondige analyse van de oorzaken van haar succes. Zulke analyse is niet eenvoudig. Ze bestaat uit verschillende niveaus die op elkaar inwerken. Ook moet men rekening houden met het tijdsverloop: het Blok is intussen toch al jaren bezig. Voorts moeten opiniepeilingen en exit-polls met uiterste zorgvuldigheid en de nodige reserve gehanteerd worden. Natuurlijk kunnen die waardevolle informatie opleveren, maar die wordt vervormd en beperkt door de wijze waarop de vragen worden geformuleerd en omdat mensen ze niet oprecht beantwoorden of weigeren ze te beantwoorden. Vaak gebruiken academici of politici opiniepeilingen om er alleen maar tactische conclusies uit te trekken.

Bovendien is het een illusie dat er een eensluidende ‘democratische’ wetenschappelijke analyse kan worden gemaakt. Er bestaat geen neutrale plek van waaruit de wetenschap haar licht kan doen schijnen. Voldoende gegevens verzamelen verandert daar niets aan. Ook niet het beste hersenwerk. We moeten goed beseffen dat ook onze eigen positie in de politieke arena de inzet vormt van ons onderzoek en denken. In die politieke arena woedt een materiële en symbolische strijd en als de wetenschappers gaan nadenken over hun eigen positie in of rond die arena, leidt dat niet tot objectiviteit. Uitspraken over verkiezingsuitslagen zijn dus altijd interpretaties. Zeker, ze houden rekening met de ‘feiten’, maar tegelijkertijd zijn ze gebaseerd op uitgangspunten en opvattingen met betrekking tot de ‘normale politiek’. Met andere woorden, het zijn stellingnamen.
Daarbij mag niet vergeten worden dat het Vlaams Blok, als voorwerp van onderzoek, inderdaad een partij als een andere is. Het is geen verschijnsel ‘dat zich buiten de samenleving plaatst’ zoals de heer De Gucht zich onlangs in een onbewaakt ogenblik liet ontvallen. Het Vlaams Blok is een extreme politieke uitdrukking van de politieke, economische, sociale en culturele tegenstellingen binnen onze samenleving zoals die gedurende de geschiedenis gegroeid zijn. Zolang het Vlaams Blok dergelijke scores behaalt en op die manier de politieke agenda beïnvloedt, drukt het zijn stempel op de hele Vlaamse samenleving.
De stelselmatige opgang van uiterst-rechts is een Vlaams probleem. Daarover blijken alle waarnemers het eens. De uitslag van de verkiezingen laat geen andere interpretatie toe. In Wallonië en zeker in Brussel is extreemrechts nauwelijks nog aanwezig. Dat zegt misschien wel niets over de toekomst. Toch liggen de kaarten er veel beter. Evenmin zegt dat iets over andere landen in Europa. Sinds meer dan honderd jaar is uiterst-rechts in een of andere vorm op het politieke toneel aanwezig of is het dat geweest, te beginnen in Frankrijk. Ongetwijfeld bestaat er een latente voedingsbodem voor extreemrechtse partijen en er zullen altijd wel mensen zijn die ermee sympathiseren. Wat echter moet worden verklaard, is waarom uiterst-rechts in een aantal landen niet tot een massapartij is uitgegroeid. Waarom slaat het Blok in Vlaanderen wél aan? En waarom is uiterst-rechts nagenoeg onbestaande in Wallonië en Brussel?

Om te beginnen moeten we vaststellen dat er nauwelijks empirisch onderzoek is gedaan naar de economische, sociale, politieke en culturele achtergronden van de groei van het Blok. Wel bestaan er gegevens over de stemverschuivingen. Voorts bestaat er onderzoek over de ‘waarden’ die mensen erop nahouden. Je kunt dus een verband zoeken tussen bijvoorbeeld ‘etnocentrisme’ en stemmen voor het Blok. Nogal wat overlopers zijn gekend, om niet te zeggen bekend. Je kunt dus proberen te begrijpen waarom bepaalde lieden zoals Anke Vandermeersch of professor Lamine, Blokkers worden. Daarmee weet je nog altijd niet waarvan het precies afhangt dat mensen voor het Blok of voor een andere partij stemmen.
Aan de kwaliteit van het politieke personeel van het Blok ligt het volgens ons niet. Die staat zeker niet in verhouding tot de uitstraling en de inplanting van die partij. Vanzelfsprekend kennen Filip De Winter, Gerolf Annemans, Alexandra Coolen en nog een paar anderen het klappen van de zweep. Maar doorgaans is middelmatigheid en tot treurigheid stemmende zwakte troef. Het Vlaams Blok heeft geen ‘betere militanten’ dan andere partijen. Misschien echter doet het Blok aan ‘goede communicatie’? Ook dat moeten we relativeren.

Zoveel succes kan niet worden verklaard door enkele randverschijnselen. Niet dus door de bijzondere eigenschappen van die partij en ook niet door wat irritaties die nu eenmaal in elke complexe samenleving voorkomen ten gevolge van zaken zoals hondenpoep, fietsdiefstallen of autofiles. We moeten op zoek naar de ondergrond. Onder welke brede maatschappelijke voorwaarden gedijt het Vlaams Blok? Die vraag beantwoorden verschaft ons niet alleen de sleutel van het succes van het Blok, maar verklaart tevens waarom het weerwerk heeft gefaald. Beiden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is dat verband dat we in de discussie centraal moeten stellen.

De vraag wordt dan: ‘hoe moet de democratische politiek zelf veranderen om succesvol weerwerk te beiden aan extreemrechts?’ We willen hierna een aantal elementen van de analyse aanreiken. Ze wijzen op een context waarin het Blok zich als een vis in het water beweegt. Inderdaad, misschien is het Blok in Vlaanderen helemaal geen vreemd lichaam. Misschien is het gewoon het onvermijdelijke product van de samenleving die men hier aan het opbouwen is.

De Vlaamse ‘eigenheid’

Wat vandaag Vlaanderen heet, kende een opeenvolging van vreemde overheersingen en een langdurige ‘interne culturele kolonisatie’ door zijn eigen burgerij en hoge kleinburgerij, die allebei Franstalig waren. Dat heeft in feite geduurd tot een eind na de Tweede Wereldoorlog. Op enkele industrieel-mercantiele eilanden na, bleef Vlaanderen tot het begin van de jaren zestig hoofdzakelijk een agrarische samenleving. Die landbouwgemeenschap steunde op een dominante paternalistische katholieke cultuur die haar elite zelf vormde in een stevig uitgebouwd onderwijsnet, van de lagere (dorps)school, via de colleges, het Klein Seminarie tot de Katholieke Universiteit van Leuven. Die elite werd succesvol ingezet opdat die paternalistische katholieke cultuur haar overheersende positie, onder meer in de politiek en het culturele leven, kon behouden.
Dat alles heeft tientallen jaren lang het economisch particularisme, typisch voor een agrarische samenleving, in de hand gewerkt. Al in de jaren dertig vonden autoritaire ideologieën - VNV en Verdinaso bijvoorbeeld - hier een vruchtbare voedingsbodem.

De industrialisering van na de Tweede Wereldoorlog heeft in Vlaanderen een heel eigen karakter aangenomen. Ze vertoonde een combinatie van drie elementen: buitenlandse investeringen, ‘Belgische’ kapitaalsinvesteringen - lange tijd uitgebeeld door de Société Générale waarin geen Vlaamse bestuurders zaten - en de primitieve accumulatie van kapitaal door een Vlaamse burgerij met de West-Vlaamse tapijtfabrikanten als bekendste voorbeeld. Die burgerij kreeg aldus voor het eerst vertegenwoordigers met een Vlaamse culturele achtergrond. Ze richtten vooral kleine en middelgrote bedrijven op, die van in het begin sterk onder druk stonden van een economie die zich aan een hoog tempo aan het internationaliseren was, wat gepaard ging met buitenlandse concurrentie en een sterke overnamedrift.

Vanaf dan spant die culturele elite zich in om haar stijgende maar uiterst ongelijk verdeelde welvaart cultureel, politiek en ideologisch te verzilveren. Dat uit zich in een heel specifiek mercantiel en cultureel nationalisme en het wordt verwoord in een nogal verkrampte en vage ideologie met revanchistische ondertoon. Typisch hiervoor is de slogan ‘Wat we zelf doen, doen we beter’ en het gezeur over de ‘Vlaamse geldstromen’ naar Wallonië. Het is niet verwonderlijk dat Vlaanderen zich in vergelijkend waardeonderzoek opwerpt als een meer racistische, angstige, van het vreemde afgesloten, arbeidzame samenleving. Ondanks alle mooie woorden over waarden en normen staan in een dergelijk beeld de arbeidsmoraal en het geldgewin vooraan en voeren anti-intellectualisme en populisme er de boventoon.

Die mentaliteit leverde de basis voor het officiële nationalisme dat de staatshervorming moest dragen. Ze vormde de achtergrond voor een snel veranderende samenleving, waarin de landbouw zich moest industrialiseren wou hij niet volledig verdwijnen, waarin het platteland en de dorpen ongemerkt één grote voorstad werden en overgingen in kleine slaperige steden die niet beseften dat ze een grondige transformatie ondergingen. Zo construeerde men een ‘Vlaamse eigenheid’ die onbeschaamd haar kleinsteedse afkeer van de grote stad als sterk punt uitriep. Men verwierp ‘Brussel’ als machtscentrum wat gepaard ging met de afwijzing van het kosmopolitisme, de meertaligheid, de ‘buitenlandse’ invloeden, de stadscultuur, enzovoort. Jarenlang kenmerkte de Vlaamse regering zich door een houterige stadhuistaal en door een gebrek aan enthousiasmerende visie.
Daarbovenop entte zich vanaf het eind van de jaren zeventig een sterk individualistisch, steeds dominanter wordend, neoliberaal discours. Concreet uitte zich dat in een frontale aanval op de verzorgingsstaat en de overheidsinterventie. De huidige premier was gedurende meer dan vijftien jaar het boegbeeld van die stroming. ‘Niet u maar de Staat leeft boven zijn stand’ was de sloganeske vertaling van een programma dat verregaande privatisering op allerlei maatschappelijke terreinen voorstond. Hierbij moesten brede lagen van de bevolking ‘de markt’ als een nieuw Gouden Kalf binnenhalen. Zo heeft Verhofstadt het egoïsme van de nieuwe middenklasse, die zich de nieuwe expressieve consumptiecultuur en de nieuwe competitieve arbeidsmoraal had eigen gemaakt, tot morele standaard verheven. Zo werd de sociale uitsluiting herleid tot een probleem van gebrekkige aangepastheid.

De andere liberale kreet, ‘De kloof tussen burger en politiek’, verwoordde niet alleen enkele formalistische politieke voorstellen zoals het afschaffen van de stemplicht en van de Senaat of het invoeren van een bindend referendum. In essentie roept hij eveneens op voor een verregaande privatisering van het maatschappelijk leven.
De neoliberale doorbraak viel samen met de langdurige vertraging van de economische groei. Onder de aanhoudende ideologische druk en de gigantische Belgische schuldenlast koos de overheid gedurende bijna twintig jaar voor een geleidelijk opgevoerd bezuinigingsbeleid. Andere oplossingen voor het terugdringen van de overheidsschuld en het halen van de (merkwaardige) Maastrichtnormen werden, gezien de gegeven krachtsverhoudingen, als onhaalbaar van de hand gewezen. Zo werden bijvoorbeeld de voorstellen tot een substantiële belasting op de hoogste vermogens geridiculiseerd en gemarginaliseerd, met actieve medewerking van de meeste journalisten. Loonmatiging en bezuinigingen werden ideologisch goedgepraat door te wijzen op ‘de noodzaak de concurrentiecapaciteit te vrijwaren’ en door de ‘druk van Europa’ voor te stellen als onontkoombaar. Dergelijk beleid veroorzaakte (over de gemeenschappen heen) de erosie van de verzorgingsstaat. Op die manier heeft de overheid zelf haar eigen positie helpen ondermijnen. De politici zelf hebben benadrukt dat ze maar weinig op het beleid konden wegen.
Steeds meer mensen hebben die boodschap in zich opgenomen. Mede door de talrijke politieke blunders, beïnvloed door de media die een onverbiddelijke concurrentiestrijd met elkaar voerden, aangespoord door een veiligheidsbeleid en een gerecht die nauwelijks aan de eisen van een modern grootstedelijk gewest voldoen, geraken veel mensen er stilaan van overtuigd dat ze terecht zijn gekomen in een wereld van vrijbuiters. Zoiets leidt tot de paradox dat zowel het onveiligheidsgevoel toeneemt als de indruk dat men straffeloos de wet mag overtreden.

In zijn Veiligheids- en Detentieplan heeft minister Verwilghen een poging ondernomen om enige ‘materialistische’ duiding van de criminaliteit te verschaffen. Alleen heeft hij het slechts in verband met welbepaalde vormen van criminaliteit over de maatschappelijke achtergronden ervan. Die vormen van criminaliteit worden geduid tegen een bijna Dickensiaanse achtergrond: ‘De werkloosheid heeft laaggeschoolde jongeren zwaar getroffen. Ze zijn in een spiraal van uitsluiting terecht gekomen die hun elke hoop op een betere wereld ontneemt. De economische crisis heeft de burgers in een situatie van maatschappelijke uitsluiting geplaatst die op haar beurt een gevoel van verworpenheid, agressiviteit en gewelddadigheid schept. Geconfronteerd met de sociale breuk, met het permanente risico van een sociale explosie, met mechanismen die elke dag een beetje meer uitsluiting veroorzaken, hebben de verschillende Regeringen van dit land besloten ambitieuze programma’s tegen de onzekerheid en armoede op touw te zetten.’

Wanneer het echter fenomenen betreft zoals corruptie, fiscale misdrijven, witwaspraktijken, enzovoort, dan stapt Verwilghen plots niet in die redenering, voor zover die al zou opgaan in haar mechanische rechtlijnigheid. In haar recent verschenen boek verwoordt de Franse onderzoeksrechter Eva Joly het als volgt: ‘De mannen en vrouwen die corruptie of financiële manipulaties bedrijven, zijn geen sociale slachtoffers; zelden zijn het mishandelde kinderen of komen ze uit gezinnen van alcoholici. Integendeel, hun traject weerspiegelt een overaangepastheid en een opmerkelijke sociale vaardigheid. Onze strafrechtelijke redenering wordt belachelijk wanneer ze wordt toegepast op bankdirecteurs of bedrijfsleiders die een omzetcijfer van vele miljarden realiseren.’ Over de maatschappelijke fundering van die vormen van ‘witteboordencriminaliteit’ rept het Veiligheidsplan met geen woord. Een interessante blinde vlek.

Die blinde vlek valt ook op als we kijken naar de bedroevende omstandigheden waarin de betrokken gerechtsdiensten dienen te werken. Kamiel Liessens, raadsheer bij de kamer van inbeschuldigingstelling, verklaarde enkele maanden geleden: ‘De financiële sectie loopt leeg. De dossiers stapelen zich op. En dat zijn er veel zwaardere dan in mijn tijd. Op vijf miljard na kan je onmogelijk zeggen wat daar op verwerking wacht. Zoals de zaak er nu uitziet, zijn er heel wat dossiers op weg naar verjaring. De geschiedenis herhaalt zich: eerst werd de BBI gekortwiekt, nu maken we de ontvolking van de financiële sectie op de parketten mee. Witteboordencriminaliteit is duidelijk geen prioriteit van het beleid.’

De afgelopen weken kwam niet alleen de KB-Lux en haar moederhuis de KBC opnieuw in het nieuws, maar ook Argenta en Dexia worden nu door de gerechtelijke diensten op de rooster gelegd. Naar aanleiding van die uitdijende olievlek schreef een commentator in de Financieel Economische Tijd van 11 oktober: ‘Het feit dat financiële dienstverleners hun cliënten helpen bij fiscale fraude, al dan niet op initiatief van die instellingen zelf, is bekend bij de wetgever, de toezichthouders en de burgers van dit land. Ook de gebruikte technieken zijn een publiek geheim. De onwetendheid die over dit gegeven wordt voorgewend, is hypocriet. Ook al krijgt fiscale fraude nu en dan een gerechtelijk staartje, publiek en autoriteiten beschouwen de fraude bijna als een sport, waarbij nu de ene, dan weer de andere partij wint. Deze permissieve houding is evenwel niet alleen ethisch verkeerd, zij is ook gevaarlijk. Instellingen die betrapt en veroordeeld worden op bijzondere mechanismen van belastingontduiking, kunnen hun banklicentie verliezen en de positie van hun toplui wordt minstens erg problematisch. Alleen al vanuit oogpunt van stabiliteit van het financiële systeem moet fiscale fraude eindelijk ernstig worden genomen.’
Laten we eindelijk eens ophouden met dat gesjoemel een ‘sport’ te noemen, er zijn in de sport al misbruiken genoeg om er nog een aan toe te voegen. Als men in de huidige tijdsgeest ertoe besluit om belastingontduiking en witwasserij aan te pakken ‘vanuit het oogpunt van de stabiliteit van het financiële systeem’, voor ons niet gelaten, maar dat men het dan ook doet.

De specifieke geschiedenis van het Blok

De combinatie van materiële, ideologische en culturele factoren vormt de context waarin extreemrechts zich heeft ontwikkeld. De doorbraak van het Vlaams Blok als electorale massapartij is niet gebeurd in Liedekerke en ook niet in Mechelen en Gent. De legitimering van die politieke partij is gegroeid in Antwerpen. Men kan de uitzaaiing ervan heel concreet volgen aan de hand van de verschillende verkiezingsuitslagen sinds het midden van de jaren tachtig. Het is als een steen in de kikkerpoel die een concentrische rimpeling verwekt.

Ja, maar waarom juist in Antwerpen? Het thema waarmee de doorbraak gebeurde is dat van de ‘vreemdelingen’. Eerst ging het over Marokkanen en Turken, later kwamen er de ‘zwarten’ en de Oost-Europeanen bij. En bij uitbreiding wordt ‘de vreemdeling’ ook de Waal die het Vlaamse geld opsoupeert, de holebi’s met hun tegennatuurlijk gedrag, de ‘linksen’, waarbij voor de gelegenheid Agalev nog even vlug tot linkse partij wordt gebombardeerd.

Wezenlijk verschilt het Vlaams Blokprogramma niet echt van dat van alle andere extreemrechtse formaties in Europa. Het vermeldt net zo goed een algemeen famille-patrie-travail-discours. In een stedelijke context wordt dat programma samengebald tot wat we de vier V’s kunnen noemen: vreemdelingen, veiligheid, vuiligheid en verloedering. VLD-overloopster Anke Vandermeersch verwoordt het in een verkiezingsbrochure van het Blok als volgt: ‘Corruptie en gesjoemel hebben de Antwerpenaren het vertrouwen in het stadsbestuur doen verliezen. Steeds meer vuiligheid, steeds meer vreemdelingen en steeds meer criminaliteit bevorderen de stadsvlucht en maken de Antwerpse wijken onleefbaar.’ Daar komt voor algemeen gebruik nog een vijfde onontbeerlijke V bij: Vlaanderen of ‘Eigen Volk Eerst’.
De grote sterkte van dit vertoog schuilt in de pervertering van het ritueel van het Oude Testament. We hebben hier te maken met de roep om een Zondebok.

Het is een beproefde techniek voor het ontwikkelen van het wij-gevoel, een techniek die ook voortdurend wordt gebruikt door de staatshervormende Vlaamse leiders, die in de oren blijft hangen en gretig wordt overgenomen door de Vlaming, ingelukkig dat hém niets te verwijten valt.

‘Antwerpen is de vuilbak geworden waar men illegalen, migranten en asielzoekers dumpt.’ Zo formuleerde Hugo Schiltz het op de avond van de verkiezingen. Opnieuw dat amalgaam. Opnieuw die verbinding tussen vuiligheid en afval en de ‘ander’. Schiltz is niet de enige beleidsverantwoordelijke die dergelijke taal hanteert. Die toon dateert trouwens ook niet van gisteren. Nog niet zo lang geleden protesteerden alle (ja, alle!) Antwerpse partijen tegen de vestiging van een nieuw asielcentrum in Ekeren. Daarvoor had de heer Tobback het al eens over ‘vreemdelingen die hier als meeuwen op een mesthoop neerstrijken’. In de jaren zestig - jawel toen al! - hadden heel wat cafés en dancings een bordje voor hun raam hangen met ‘Interdit aux étrangers’. Dat het in het Frans was, zal u wel doen begrijpen dat het niet gericht was tegen Nederlanders of Engelsen.
Even samenvatten. De late industrialisering van Vlaanderen onder internationale druk, het neoliberale offensief, de besparingen en niet te vergeten, de hele ‘Vlaamse’ geschiedenis, leveren een cultuur op die zich volkomen onderwerpt aan de dwang van de snelle verrijking. Die cultuur laadt de schuld voor alles wat misgaat op de ander, op de vreemdeling. Intussen is men niet in staat tot zelfkritiek, blijft men drijven op de zelfgenoegzaamheid en het snelle (commerciële) succes. Die mentaliteit kan verklaren waarom het Blok het kan stellen met kaders die nauwelijks een fatsoenlijke zin kunnen uitspreken. Tenslotte zijn vele zogenaamde BV’s, van wie het gekwaak ‘dicht bij het volk’ heet te staan en zelfs de hoogste politieke leiders, niet echt anders.

En hier spelen de mediamakers een belangrijke rol. Zij zijn het immers die een bepaald soort verhaal, een bepaalde stijl, een bepaalde soort ‘duidelijkheid’ of ‘verstaanbaarheid’ tot norm verheffen. Zij zorgen ervoor dat een wat moeilijker debat, uit de media wordt gehouden, omdat ze zogezegd oubollig of oninteressant zouden zijn. Yves Desmet schrijft in een standpunt (De Morgen, 16 september): ‘Big Brother is revolutionaire televisie, in de meest letterlijke betekenis: de massa die het overneemt van de oude tv-elitegroep. Dat maakt het voor mij lelijke, vaak oersaaie, maar o zo fascinerende televisie.’ Revolutionaire televisie? Bedoelt Desmet daarmee de uitgemolken formule waarbij een groep wat opgefokte scoutsopdrachten moet uitvoeren en waarbij de kijker gevraagd wordt om de onsympathiekste leden uit de groep er een voor een uit te gooien? Voorwaar een toonbeeld van revolutionaire interactieve televisie! Of heeft hij het over het zoveelste benefietje voor het goede doel of over het elfendertigste openluchtconcert door het koppel van het moment? Ten behoeve van Desmet willen we even aanstippen dat revolutionair ‘in de meest letterlijke betekenis’ omwentelend wil zeggen. Wat wordt hier omgewenteld? Welke massa neemt hier wat over?

Het zou goed zijn om eens een grondige vergelijking te maken met de Franstalige zenders. Die mogen dan al een iets meer oubollige stijl vertonen, in Vlaanderen is de verkleutering een heel eind verder gevorderd. Die wordt nog in de hand gewerkt door de ‘generatie’ die voortkomt uit de voortdurende inteelt. Steeds dezelfde mensen moeten opdraven in almaar meer domeinen. En nu en dan wordt de tv-nomenklatura gauw wat aangevuld via een SMS-debatje.

Vlaanderen heeft een groot probleem

De zelfgenoegzaamheid die de politieke wereld sinds zwarte zondag tentoon spreidt, werkt op dezelfde manier als in de culturele wereld. Door het Blok af te schilderen als een volksvreemde ziekte, maakt men er een zondebok van en vrijwaart men tevens zichzelf voor kritisch onderzoek. De ziekte zou te behandelen zijn met maatregelen, met ‘goed bestuur’. Men vraagt zich daarbij niet af of de zieke, de samenleving dus, zelf niet eens ‘anders moet gaan leven’. Tien jaar lang heeft men niets anders gedaan dan zich aangepast aan het symptoom. Politici hebben de agenda, de accenten van het Blok overgenomen. Voortdurend zijn ze naar rechts opgeschoven. De media hebben het symptoom met grote gretigheid onder de aandacht gebracht en aldus genormaliseerd. Zo bood de grote nieuwsentertainer Siegfried Bracke de heer Annemans zijn traditionele gelukwensen aan, ter gelegenheid van diens verkiezingsoverwinning. Bij dergelijke gelegenheden krijgt het Blok een gedroomde kans om te bewijzen dat het helemaal niet zo gevaarlijk is, dat het normaal kan functioneren in onze instellingen en deel uitmaakt van onze cultuur. Op datzelfde ogenblik wordt ook de zin van het cordon sanitaire ondergraven. Hebben die blokkers niet meer met ‘ons’ gemeen dan die marginale criticasters?

Aangezien de schaamte ‘ons’ verbiedt toe te geven dat zij inderdaad zeggen wat ‘wij’ in onze ‘volkseigenheid’ denken, dat ‘wij’ er inderdaad vrij conservatieve en danig egoïstische waarden op nahouden, geven we hun dan maar de schuld. Ondertussen kan het Blok groeien en zich in de breedte inplanten, want steeds meer kiezers die oorspronkelijk voor de VLD, de CVP, de VU of de SP kozen, beseffen dat de rechtervleugels van die partijen inderdaad gelijkaardige zaken verkondigen. Op de keper beschouwd denken ze op dezelfde manier over identiteit. ‘Eigenheid’ is in die visie niet iets dat iedereen voor zichzelf opbouwt. De complexiteit van de samenleving wordt herleid tot een banale soap waarin alles even simpel is. ‘Aanpassen of oprotten!’ Het Vlaamse gezonde boerenverstand versus de kwaliteit van anders te zijn, versus de nieuwsgierigheid naar pluralisme, versus de solidariteit met de ander. Is dat niet de basis van het fameuze inburgeringsbeleid? Ligt daar niet de oorzaak van de herhaalde ontsporingen van Johan Leman? Telkens gaat men ervan uit dat de ‘Vlaamse normaliteit’ door God geschapen is.

In diezelfde gedachtegang vindt men het vanzelfsprekend dat de autoritaire stromingen en de collaboratie nu eenmaal deel uitmaken van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Wij onderschrijven volledig wat Mia Doornaert in De Standaard van 2/3 september stelt: ‘Als iedereen een taalgebruik overneemt dat de indruk wekt dat de collaboratie een accident de parcours was, dat de medewerking met het naziregime en de fouten van het gerechtelijk apparaat van België op één morele lijn zet, dan hoeft uiterst-rechts geen verkiezingen meer te winnen. Dan heeft het de harten en geesten al ingepalmd.’ Ook dat lijkt een regel te zijn: alle landen die hun oorlogsverleden manipuleren of slecht hebben verwerkt - zie Frankrijk en Oostenrijk - blijken nu met uiterst-rechts problemen te hebben.

Voorlopige conclusie

Wij hebben in deze tekst enkele stellingen naar voren geschoven.
Na tien jaar vergeefs weerwerk volstaat het vandaag niet meer om enkele democratische maatregelen uit te werken. Het Vlaams Blok is helemaal geen ‘gat in de Vlaamse haag’. Het is te laat om uiterst-rechts ‘in de kiem te smoren’. Het wordt tijd - zoals vele Franstalige politici terecht hebben opgemerkt - dat de ideologie van het Vlaams Blok frontaal wordt bestreden. Zoiets kan geen strijd van gewoon maar de ‘democratische’ partijen tegen één ‘ondemocratische’ zijn. Het zal vooral een strijd zijn tegen een hele reeks waarden, die door een groot deel van Vlaanderen gedeeld worden. Tegen opvattingen dus die ook buiten het Blok breed verspreid zijn en die het Blok alleen maar heeft uitvergroot. Dit wordt een strijd tussen verschillende visies op de samenleving. Politici moeten niet alleen luisteren naar de mensen om ze gelijk te geven en ze met makkelijke maatregelen tegemoet te komen. De politici moeten ook luisteren om te weten met welk discours en met welke maatregelen ze moeten ingaan tegen de perverse tendensen bij de mensen. Zo is toch ook de doodstraf afgeschaft.

  • Wij menen dus dat het Vlaams Blok moet worden geanalyseerd als een andere partij. Zoals elke partij bevat het electoraat ervan overtuigden, proteststemmers, toevallige kiezers, persoonlijke fans, enzovoort. Maar zoals elke partij staat het Vlaams Blok voor een aantal samenhangende - vaak onuitgesproken en met heel wat interne contradicties - opvattingen in de bevolking. Men moet die opvattingen ernstig nemen. Maar niet op een paternalistische wijze als een verkeerd geplaatst signaal van een stelletje simpele mensen.

  • Wij denken dat het succes van het Vlaams Blok kan worden verklaard omdat zijn ideologie naadloos aansluit op een aantal kernpunten van de Vlaamse politiek betreffende de staatshervorming. Het Vlaamse ‘zelfbestuur’ is inderdaad nooit een project geweest van meer democratie en meer solidariteit. Het ging in tegendeel om de belangenverdediging van een opkomende burgerij die via haar eigen staatsinstellingen en een zeker protectionisme, haar particuliere belangen wilde veilig stellen. Die leiders waren nauwelijks voorbereid op het feit dat Vlaanderen door de industrialisering ook sociologisch een stedelijke multiculrurele samenleving zou worden met een aantal migranten en vooral met vele internationale culturele invloeden. Het Vlaams nationalisme staat haaks op het kosmopolitisme dat nodig is in deze nieuwe wereld. Dat nationalisme wortelt immers in een romantisch verleden. Het heeft tijdens de collaboratie onmenselijke daden gesteld en het bevat nog te veel defensief revanchisme. Daarvoor staat het onvoldoende open voor vreemde invloeden. Is het normaal dat het officiële monument van Vlaanderen bekroond wordt met de leuze ‘Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Christus’?
    De Vlaamse ontvoogdingsstrijd heeft zich gericht tegen een heersende francofone cultuur, die niet strookte met de dagelijkse ervaringswereld van de mensen. Vele Vlamingen hebben geweigerd zich ‘in te passen’ in het model dat ze van hogerhand opgedrongen kregen. Met de staatshervorming kwam een nieuwe elite aan de macht. Drijvend op het al bij al zeer relatief economisch succes (gesteund op buitenlands kapitaal), wilde die elite politiek en cultureel uitdrukking geven aan haar autonomie. Vanaf dat moment werden veel institutionele en financiële middelen ingezet om de ‘Vlaamse Eigenheid’ vorm te geven. Zoals steeds leidde het identiteitsdenken tot een constructie buiten de mensen zelf. Historisch was die identiteit namelijk niet onder de mensen gegroeid. Ze was hen door de machthebbers kant en klaar opgedrongen. Die identiteit heeft nauwelijks raakvlakken met de dagelijkse realiteit van de mensen. Met een dergelijke identiteit kan het dan ook niet anders dan dat de mensen van hun dagelijkse realiteit vervreemden. Een dergelijke identiteit is echter wel een uitgelezen instrument om lichaam en gedrag te disciplineren.
    De moeilijkheid om met het verschil in culturen en met pluralisme om te gaan, verklaart de crisis van de CVP-staat. Ze verklaart de zoektocht van vele zogenaamde linksen naar een manier om met het oorlogsverleden om te gaan, zonder al te veel kritiek op de eigen clan. Ze verklaart de vrees voor meertaligheid en multiculturalisme.
    Misschien moeten we maar eens durven te stellen dat de versterking van de natiestaat, dat zoeken naar een cultureel of religieus fundamentalisme, ons geen afdoend middel verstrekt om de negatieve gevolgen van de mondialisering te bestrijden. Laten we ook maar inzien dat die mondialisering ons alvast leert dat we met de wereld zullen moeten samenleven en dat vermenging en wisselwerking tussen culturen gelukkig onvermijdelijk worden.

  • Wij menen dat we het ook wel eens zouden moeten hebben over het politieke, mediatieke en economische apparaat dat bijdraagt om uiterst-rechts - zij het ook als zondebok, wat mooi meegenomen is - in stand te houden. Dat is meteen een hint ter attentie van de progressieve partijen, die al dan niet aan vernieuwing toe zijn. Het is een hint om ze ertoe te bewegen in te zien dat ook het linkse populisme mee doet aan de instandhouding van dat apparaat. Niet dat we tegen sympathieke maatregelen zijn. Zeker niet als men meer doet dan ze alleen maar aan te kondigen. Wel is het voor ons duidelijk dat de mensen daardoor geen andere kijk op hun samenleving krijgen. Ze blijven nadien even bang en egoïstisch achter. Een fundamentele vernieuwing moet steunen op een grondige analyse van de nieuwe wereld en een even grondige uittekening van de structurele maatregelen die daaruit voortkomen.
    Na tien jaar mislukte ‘strijd’, die vele progressieve mensen moedeloos heeft achtergelaten omdat het ‘goede beleid’ niet de voorspelde resultaten heeft opgeleverd, nodigen wij ieder weldenkend mens opnieuw uit tot een grondige discussie.

Paula Burggraeve, Eric Corijn, Paul Verbraeken
Initiatiefnemers Charta 91
Gent-Brussel-Antwerpen, november 2000

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 1 (januari), pagina 27 tot 36