Log in

Gedeelde normen?

Enkele opmerkingen bij het Brusselse minderhedenvraagstuk

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 24 tot 30

Tijdens de discussie over de jongste staatshervorming bevestigde Brussel haar positie van twistappel in het communautaire vraagstuk. De meerderheidsvorming langs Vlaamse zijde wordt immers afhankelijk gesteld van ‘garanties voor de Brusselse Vlamingen’.

Enkele maanden geleden lanceerde Vlaams minister voor Brusselse Aangelegenheden Bert Anciaux een campagne om het negatieve imago van de Vlamingen in Brussel te bestrijden. Veel aandacht - in de hele Vlaamse media - ging daarbij naar de affiche. Daarop stond een jonge Marokkaanse vrouw afgebeeld met de slagzin: ‘In Brussel delen Vlamingen en anderstaligen dezelfde waarden. En ik, ik deel die ook.’ De campagne riep een aantal vragen op omtrent het belang van culturele eigenheid en waarden als vrijheid en verdraagzaamheid.

Wederzijds onbegrip

De grote belangstelling voor het Brusselse vraagstuk is eigenlijk niet echt verwonderlijk. Op microschaal confronteert de stad ons immers met een fundamenteel vraagstuk dat in gans België (en trouwens in vele westerse landen) bijzonder actueel is, namelijk de omgang van de staat met minderheidsgroeperingen. Die relatie kan verschillende gedaanten aannemen - van erg positieve tot uitermate problematische - en een minderhedendebat vereist dus meteen ook de nodige nuance. Daarbij kan het zinvol zijn van meet af aan het onderscheid te maken tussen zgn. nationale minderheidsgroepen (bijvoorbeeld de Vlamingen in Brussel) en etnische minderheden (zoals de Marokkaanse gemeenschap in Brussel en België).1 Overigens kunnen we in de discussie beide groepen niet steeds los van elkaar bestuderen. Zo duikt in het van tijd tot tijd herhaalde debat over vreemdelingenstemrecht doorgaans meteen de eis op voor Vlaamse minimumvertegenwoordigingen in de Brusselse instellingen.
Daarmee mag alleszins de complexiteit van het vraagstuk duidelijk zijn. De discussie wint bovendien niet aan helderheid door de vaak verregaande polarisatie omtrent dit gevoelige thema. Vaak herleiden de verschillende strekkingen elkaar daarbij tot regelrechte karikaturen. Zo beroepen vele pleitbezorgers van de multiculturele samenleving zich op een individualistisch kosmopolitisme. Individuen worden in dit discours immers beschouwd als de dragers van fundamentele vrijheidsrechten (zoals godsdienst- en verenigingsvrijheid) en de uitoefening van die rechten biedt iedereen voldoende ruimte om zijn waardepatroon te beleven. In dat liberale model zou het harmonieuze samenleven spontaan tot stand komen.2 Juist die laatste gevolgtrekking getuigt voor velen van naïviteit omdat dit individualistische model totaal zou voorbijgaan aan het belang van groepsidentiteit.3 Het individualisme zou er o.m. blind voor blijven dat minderheidsculturen maar al te vaak gemarginaliseerd worden.
Die - vaak nationalistisch geïnspireerde - bekommernis wordt door de eerste groep daarentegen vaak gelijkgesteld met groepsegoïsme en onverdraagzaamheid. Zo zouden de Brusselse Vlamingen met hun eis voor een gegarandeerde minimumvertegenwoordiging immers afbreuk doen aan het democratische gelijkheidsbeginsel ‘one person, one vote’.4 Het pleidooi voor cultuurbehoud zou bovendien ingegeven zijn door een xenofobe ingesteldheid tegenover andere culturen en leiden tot een uniform waardenpatroon voor de leden van de eigen groep.

Deze troebele debatstijl gaat hand in hand met de overbeklemtoning van het belangenconflict. Als redelijke argumenten ontbreken, belet immers niets dat de politieke strijd beslecht wordt door louter en alleen een machtsevenwicht na te streven. De verschillende groepen leggen hun belangen op tafel en op basis van de heersende machtsverhoudingen wordt naar een compromis gezocht.
Nu zijn volledige transparantie en belangeloosheid in de politieke besluitvorming wellicht niet meer dan vrome wensen, het neemt niet weg dat een argumentatieve onderbouw een meerwaarde zou kunnen bieden aan het minderhedendebat; bovendien is het met een aangepast denkkader misschien mogelijk legitieme en minder legitieme aspiraties van minderheden te onderscheiden.
Zulk kader is dus meer dan een theoretische denkoefening; wellicht sluit het ook aan bij een reële behoefte: allicht voelen velen aan dat de hogervermelde standpunten getuigen van weinig nuance, maar tot op zekere hoogte toch juist zijn. Dat individuen (en niet groepen) de drager zijn van fundamentele rechten is een belangrijke verworvenheid van onze westerse democratieën; evenzeer beseffen we dat onze groepsidentiteit tot op zekere hoogte van belang is: denken we maar aan het belang van onderwijs en culturele voorzieningen in de eigen taal. Vaak ontbreekt het ons nu juist aan een aangepast denkkader om deze overtuigingen een juiste plaats te geven.

Etnische en nationale minderheden

Het is precies de verdienste van de Canadese filosoof Will Kymlicka dat hij het minderhedenvraagstuk niet uit de weg is gegaan.5 Als overtuigd liberaal heeft hij de uitdagingen die minderheidsgroeperingen aan de liberale democratie stellen, ernstig genomen. Uitgangspunt van zijn denken is het belang en de waarde van groepsidentiteit binnen een zuiver liberale benadering. Extreme of eenzijdige standpunten zijn in zijn visie dus van meet af aan uitgesloten.
Een belangrijk onderdeel van zijn opvattingen is het hoger vermelde onderscheid tussen nationale en etnische minderheden. In de Brusselse context kan je de Vlamingen als een voorbeeld van de eerste groep beschouwen, terwijl de tweede categorie wordt gevormd door minderheidsgroepen van allochtone origine zoals Marokkanen of Turken. Beide groepen vragen respect voor hun identiteit en een volwaardige deelname aan het maatschappelijke leven, maar hun aspiraties vragen een verschillende politieke en juridische vertaling. Nationale minderheden vragen garanties voor het gebruik van de eigen taal, eigen onderwijs- en culturele instellingen en een gegarandeerde politieke vertegenwoordiging, kortom een zekere afscherming ten opzichte van de dominante cultuur.

Etnische minderheden daarentegen worden vaak geconfronteerd met een omgekeerd probleem: feitelijk en juridisch voelen zij zich immers vaak uit het politieke en maatschappelijke leven buitengesloten en verlangen ze daarom juist een gelijke behandeling met de autochtone bevolking, o.m. op het vlak van de politieke participatie. Bovendien kan hun integratie maar slagen wanneer hun specifieke eigenheid (ten dele) erkend wordt. Wat dit tweede aspect betreft ziet Kymlicka dus geen tegenstelling tussen de erkenning van culturele verschillen en maatschappelijke integratie, integendeel zelfs: minderheden zullen zich maar opgenomen voelen in een nieuwe maatschappij als diezelfde maatschappij hun eigenheid erkent en respecteert.6
De verschillende uitgangspositie van beide groepen is dus van fundamenteel belang om hun specifieke eisenpakket te begrijpen. Een nationale minderheid kan zich immers moeilijk tevreden stellen met een abstracte gelijke behandeling. Dergelijke formele neutraliteit leidt namelijk tot feitelijke dominantie van de heersende cultuur. In die opvatting herkennen we zonder veel moeite de eerder aangestipte kritiek op het individualistische kosmopolitisme; door zijn strikte uitgangspunt van individuele vrijheid blijft deze opvatting immers blind voor maatschappelijke ongelijkheden.
Omgekeerd zal een etnische minderheid een afzonderlijke behandeling juist aanvoelen als discriminatie waarbij haar leden het statuut van tweederangsburgers opgelegd krijgen.7 Voor hen impliceert gelijke behandeling dus geen afscherming, maar integendeel het wegwerken van de barrières met de autochtone bevolking.8
Uit het voorgaande blijkt reeds duidelijk de waarde van Kymlicka’s begrippenonderscheid. Een erkenning van de (objectief) verschillende maatschappelijke posities van de diverse minderheden kan een stuk wederzijds onbegrip wegnemen en respect bevorderen.
Ook het zuiver conflictmatige karakter van het vraagstuk wordt hierdoor gemilderd. Zo zijn zowel volwaardige garanties voor nationale minderheden als vreemdelingenstemrecht argumentatief met elkaar verzoenbaar. Dat betekent dat in de politieke discussie de invulling van de ene eis niet louter als pasmunt voor de realisatie van de andere dient te worden beschouwd. Uiteraard is het nastreven van een machts- en belangenevenwicht onvermijdelijk, maar het debat hoeft alleszins daartoe niet beperkt te blijven. Kymlicka toont immers overtuigend aan dat de aspiraties van beide groepen op zich normatief verdedigbaar zijn.

Het liberalisme voorbij?

Men kan zich echter de vraag stellen of de prijs voor deze realistische opvatting niet te hoog is. Of anders geformuleerd: geeft Kymlicka de liberale principes van individuele vrijheid en gelijkheid niet op door een overdreven aandacht voor groepsbelangen? Naar de Brusselse situatie vertaald kan men zich afvragen of een volwaardig statuut voor de Vlaamse minderheid geen afbreuk doet aan het principe van gelijke politieke vertegenwoordiging (door een gegarandeerde minimumvertegenwoordiging) en onverdraagzaamheid (door een overbeklemtoning van de groepsidentiteit) niet in de hand werkt? Bij een evaluatie van Kymlicka’s opvattingen kan men niet om deze vragen heen en ze verdienen dan ook de nodige aandacht.
Een eerste vaststelling is dat Kymlicka een materieel gelijkheidsbeginsel hanteert. Dat betekent dat hij dit principe invult met oog voor de maatschappelijke realiteit van bestaande ongelijkheden. Een formele opvatting daarentegen impliceert enkel een ‘blinde’, neutrale toepassing van de wet. Zoals we eerder aanstipten kan deze materiële benadering betekenen dat feitelijke ongelijkheden leiden tot juridisch gedifferentieerde behandelingen om die ongelijkheden enigszins te temperen. Nemen we de eis om een politieke minimumvertegenwoordiging als illustratie. Een neutrale toepassing van de kieswetgeving zou ertoe kunnen leiden dat een minderheid door haar numerieke zwakte haar belangen niet of onvoldoende zou kunnen verdedigen op het politieke forum. Een gegarandeerde aanwezigheid kan dat risico vermijden, maar impliceert uiteraard dat de minderheid getalmatig oververtegenwoordigd zal zijn. Die ongelijkheid is echter verantwoord omdat haar feitelijke achterstelling tot politieke onmondigheid zou leiden. In een liberaal bestel zal dergelijke ‘voorkeursbehandeling’ wel een bovengrens kennen: tussen de verschillende groepen mag geen nieuwe feitelijke ongelijkheid ontstaan.9
Kymlicka’s aandacht voor groepsidentiteit betekent bovendien niet dat hij het primaat van de groep boven het individu erkent; in die zin is hij geen voorstander van groepsrechten, maar handhaaft hij zijn liberale uitgangspunt van individuele vrijheid. Zijn benadering verschilt echter van die van vele hedendaagse liberalen doordat hij wel bepaalde individuele rechten erkent die hun bestaan aan het lidmaatschap van een bepaalde groep ontlenen.10 Zo zou taalvrijheid - één van de klassieke grondrechten - uitgehold worden als nationale minderheden niet tenminste in hun contact met de overheid de eigen taal zouden mogen gebruiken. De taalvrijheid blijft echter onverkort een individueel recht.11 Het voorbeeld illustreert duidelijk Kymlicka’s ‘realistische’ en meer ‘concrete’ liberalisme.

Dat dit onderscheid tussen groepsrechten en individuele rechten voor hem meer is dan een kwestie van semantiek blijkt ook uit het volgende. De waarde van groepsculturen wordt in zijn theorie erkend, maar vindt haar begrenzing in de mate waarin de groep de individuele rechten van de eigen leden respecteert. Zo bepalen de leden van een groep zelf of en in hoeverre ze de culturele eigenheid van hun groep delen. Minderheden kunnen in deze visie dus geen fundamentele inbreuken maken op de individuele vrijheid van hun leden. Wanneer we die beperking bekijken vanuit de Brusselse context wordt meteen het belang ervan duidelijk. Wellicht is het voor vele inwoners van Brussel niet volledig duidelijk tot welke groep ze nu precies behoren. Ook hun loyauteit tegenover de groep kan sterke verschillen vertonen en het is bovendien niet helemaal uitgesloten dat sommigen zich lid voelen van meerdere groepen.12 Dergelijke gevallen van ‘fragmentaire’ of ‘meervoudige identiteit’ hoef je niet noodzakelijk te beschouwen als een uiting van modieus postmodernisme, maar zijn een logisch uitvloeisel van een feitelijk multiculturele samenleving.
Uit het voorgaande zou je kunnen besluiten dat Kymlicka een liberale denker is, maar dat hij de grenzen van het liberale denken van tijd tot tijd ‘verkent’; denken we maar aan zijn idee van ‘individuele rechten die hun oorspong vinden in een groepsidentiteit’: die notie bevindt zich duidelijk op het scherp van de snee. Hoewel het verschil met groepsrechten er nog wel is, kan de scheidingslijn in de praktijk wel eens niet zo duidelijk blijken. Je kan je afvragen of politici met minder zuivere bedoelingen dit individuele karakter niet ongemerkt zouden kunnen uithollen ten gunste van collectieve rechten. Het is trouwens erg verleidelijk om erkenning te vragen voor de eigenheid van een groep en deze vervolgens een sacrale status te geven: na het (vaak moeizame) gevecht voor erkenning mag niets of niemand nog raken aan de identiteit.
Die kwetsbaarheid van Kymlicka’s theorie is volgens ons onlosmakelijk verbonden met zijn aandacht voor minderheidsgroepen. Juist de eisen van nationale en etnische minderheden vormen de aanzet voor zijn denken en die integrale benadering kan alleen maar leiden tot een complexe (en dus kwetsbare) theorie.

Het maatschappelijke tekort

Daarmee zijn we echter aanbeland bij een volgende vraag: in hoeverre biedt Kymlicka een voldoende adequaat antwoord op het minderhedenvraagstuk? Als liberale denker reikt Kymlicka een bij uitstek juridisch kader aan waarin vooral aandacht bestaat voor zaken als politieke vertegenwoordiging en administratieve voorzieningen. Op zich is dit niet echt verwonderlijk: met hun aandacht voor individuele vrijheid en gelijkheid staan liberalen huiverachtig tegenover inhoudelijk bepaalde staatsopvattingen en zijn ze voorstander van een neutrale overheid. Over het maatschappelijke leven - waar dergelijke inhoudelijke opvattingen (bijvoorbeeld in religie en cultuur) wel een rol spelen - spreken ze zich dus in principe niet uit.
Een onmiskenbaar pluspunt van dit liberalisme is zijn grote aandacht voor institutionele vraagstukken. Bijkomend sterk punt van Kymlicka’s theorie is zijn openheid voor groepsculturen. Zijn liberaal model verdisconteert immers deze realiteit en vermijdt hierdoor het risico van wereldvreemde theorievorming: Kymlicka maakt immers uitdrukkelijk ruimte voor de groepsdimensie van het maatschappelijke leven.
Naar onze mening echter kan zijn visie slechts een gedeeltelijk antwoord geven op het minderhedenvraagstuk en is een dergelijke beperking bovendien wenselijk. We stipten immers aan dat het liberalisme erg geschikt is om (vaak erg verfijnde) juridische blauwdrukken te ontwerpen. Bovendien zijn het vrijheids- en gelijkheidsbeginsel van onschatbare waarde in onze westerse democratieën. Volgens ons biedt het liberale gedachtegoed echter niet het aangepaste begrippenapparaat om het maatschappelijke leven te benaderen.
Zo lijkt een radicaal individualisme ons in sommige opzichten maatschappelijk hoogst onwenselijk.13 Theoretisch heeft het beeld van het volledig autonome en rationele individu uiteraard iets aantrekkelijks, zeker in de context van een multiculturele grootstad als Brussel. De stedelijke omgeving wordt daarbij voorgesteld als een ruimte met de meest uiteenlopende keuzemogelijkheden. De pleitbezorgers van een dergelijk individualistisch multiculturalisme maken zich echter vaak schuldig aan eenzijdigheid en een sterke overschatting van de menselijke vermogens. Het is voor velen onder ons immers van erg groot belang om deel uit te maken van een sociale structuur. Tegenwoordig is de ‘versterking van het sociale weefsel’ een modieuze slagzin geworden en maakt ze onmiskenbaar deel uit van het politieke jargon. Naar onze mening blijft de invulling van die oproep echter nog te vaak eenzijdig: een gezonde ‘sociale structuur’ komt niet alleen tot stand door een aangepast subsidiebeleid voor verenigingen. Even belangrijk lijkt in dat opzicht het bestaan van een zekere gemeenschapszin. In dat verband is het soms storend dat aanhangers van een individualistisch kosmopolitisme alleen de positieve aspecten van de grootstedelijke context aanhalen. Je hoeft immers geen verstokte cultuurpessimist te zijn om eveneens een aantal negatieve trekken te bespeuren. Daarbij kan je dan denken aan problemen als verkrotting, vereenzaming straatcriminaliteit en vervuiling. Dergelijke problemen vallen niet te beheersen (laat staan op te lossen) vanuit een radicaal individualisme - eventueel onder de verzachte vorm van een verlicht eigenbelang -, maar veronderstellen een verantwoordelijkheidsbesef tegenover het collectieve gebeuren dat een stad vormt. Op het woord burgerzin hoeft dan ook geen taboe te rusten.

Wie een dergelijk pleidooi voor een gedeeld normenbesef leest, vraagt zich wellicht af of hiermee het liberale model niet op de helling wordt gezet. Dat hoeft alleszins niet het geval te zijn. Op politiek vlak zijn de individuele vrijheid en gelijkheid immers absolute basisprincipes, op maatschappelijk vlak echter lijken ze minder aantrekkelijk: vandaar ons pleidooi om een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen het politieke en het sociale leven. Op het politiek-institutionele vlak is een liberaal model hoogst wenselijk, op maatschappelijk vlak heeft een gematigd gemeenschapsmodel meer aantrekkingskracht.
Bovendien kan een vorm van communitarisme o.i. juist een ondersteuning vormen voor het liberale bestel. Vaak hebben oproepen tot meer burgerzin en verantwoordelijkheidsbesef iets moraliserends, maar ze zijn wellicht te verkiezen boven de gevolgen van verregaande individualisering. Misschien is het niet zo vergezocht om een verband te zien tussen de vaak schrijnende sociale vereenzaming en extreem gedrag op politiek en sociaal vlak.14
Bovendien spreken we bewust over ‘een vorm van gemeenschapsdenken’. Daarmee bedoelen we alleszins al niet dat de gedeelde waarden afkomstig moeten zijn van de dominante groep. Een dergelijk (al dan niet subtiel) opgelegd waardenpatroon zou moraliserend zijn en op termijn het liberale model uithollen. Daartegenover willen we een meer bescheiden vorm van communitarisme plaatsen.
Zo zal een globaal en alomvattend waardenpatroon weinig haalbaar, laat staan wenselijk zijn: de culturele en ideologische verscheidenheid van de verschillende Brusselse bevolkingsgroepen is daarvoor veel te groot. In een meer bescheiden vorm achten we een gedeeld normbesef wel mogelijk. Uitgangspunt zou daarbij kunnen zijn dat alle Brusselaars nu eenmaal deel uitmaken van dezelfde collectiviteit en dat dit feit een bepaalde verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Daarbij blijft er voldoende ruimte over voor de eigenheid van elke groep.15
In onze optiek vertonen normen ook een dynamisch karakter. Samenlevingen evolueren en die (triviale) vaststelling gaat bij uitstek op voor (groot)steden. In- en uitwijking, stadsvernieuwing en -uitbreiding kunnen ertoe leiden dat er wijzigingen optreden in culturele en waardenpatronen. Ook om een andere reden wordt dit dynamische karakter best beklemtoond. Behoud van de eigen identiteit hoeft immers geen totale afscherming van culturen te betekenen. Het lijkt ons veeleer wenselijk dat er juist een sterke interactie bestaat tussen de verschillende minderheidsgroepen en dat die bovendien wordt bevorderd. Een sterke eigenheid en openheid voor het andere zijn in die visie dus onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Dit communitaristische ‘alternatief’ heeft ongetwijfeld iets vaags. Dat hangt echter samen met de complexiteit van de problematiek. We menen immers dat noch een radicaal individualistisch kosmopolitisme, noch een doorgedreven groepsdenken het minderheidsvraagstuk voldoende ernstig nemen.

We pleitten er eerder herhaaldelijk voor een duidelijk onderscheid te maken tussen het politieke en het sociale veld. Uiteraard betekent dit niet dat er geen wisselwerking bestaat tussen beide. Zo stipten we reeds aan dat een gematigd communitarisme een ondersteuning kan vormen voor het liberale bestel. Ook het omgekeerde lijkt ons waar. Kymlicka’s model kan het gemeenschapsgevoel versterken. Al is het geen voldoende voorwaarde, een hecht sociaal leven hangt toch minstens ten dele af van overheidssteun (bijvoorbeeld in de vorm van subsidies en infrastructuur) aan de verschillende minderheidsgroepen. De openheid tussen de groepen zal ook bevorderd worden door deze politieke erkenning van minderheden. Voor een minderheidsgroep is het immers veel makkelijker zich open te stellen voor andere groepen en deze in hun eigenheid te respecteren als ze zelf zeker is van een minimale politieke vertegenwoordiging of haar culturele leven voldoende ondersteund wordt.

Slot

Het is zeker de verdienste van Kymlicka’s benadering die wisselwerking te stimuleren. In tegenstelling tot het huidige gangbare politiek liberalisme veronachtzaamt hij het maatschappelijke leven niet, maar verfijnt hij het liberale denken om een rijk cultureel leven mogelijk te maken. Het minderhedenvraagstuk stelt het liberale democratische bestel immers voor grote uitdagingen. Kymlicka neemt die uitdaging ernstig en vervalt niet in simplifiërende oplossingen. Zijn ‘verrijkt’ liberaal model biedt echter geen antwoord op alle vragen. Met name op het sociale vlak lijkt een gematigd gemeenschapsdenken een wenselijker benadering van het multiculturele vraagstuk dan een liberale optiek. Ook op dat vlak is Kymlicka’s benadering echter erg waardevol: ze erkent immers uitdrukkelijk de waarde van groepsidentiteiten en creëert daarmee de mogelijkheidsvoorwaarde voor een rijk gemeenschapsleven.

Noten
1. Met dit onderscheid lopen we al enigszins vooruit op de theorie van Will Kymlicka die verder in de tekst aan bod komt.
2. Met een liberaal samenlevingsmodel bedoelen we een bestel dat berust op de waarden van individuele vrijheid en gelijkheid.
3. Die dimensie dekt zelf verschillende ladingen. Zo zijn groepen van belang voor de identiteitsvorming van personen, maar evenzeer voor een adequate uitoefening van individuele rechten.
4. Een minimumvertegenwoordiging impliceert immers dat het vereiste stemmenaantal voor een ‘minderheidszetel’ vaak aanzienlijk lager ligt dan het geval is voor een ‘gewone’ zetel.
5. Kymlicka heeft zijn opvattingen in een omvangrijk ouevre uitgewerkt. Voor deze tekst kunnen we vooral verwijzen naar zijn boek Multicultural Citizenship. A liberal theory of minority rights, 1995.
6. Hoe ver deze erkenning kan gaan komt verder in de tekst aan bod.
7. Eén van de meest sprekende voorbeelden hiervan was het vroegere apartheidsregime in Zuid-Afrika.
8. Inzoverre deze groepen specifieke voorzieningen vragen, zijn deze juist gericht op een betere integratie (cf. supra).
9. Die grens is ook logisch vermits anders de ene ongelijkheid door een andere vervangen zou worden.
10. Kymlicka toont immers overtuigend aan dat vroegere liberalen de minderheidsproblematiek een prominente plaats in hun theorievorming toekenden. In het naoorlogse liberalisme verzwakte die aandacht echter ten gunste van een meer abstract-universele invalshoek. Dit lijkt ons ook het geval in de politieke vertaling van het liberalisme waar individuele vrijheid en gelijkheid te vaak abstract worden gehanteerd. Daardoor blijft een genuanceerde aanpak van het minderhedenvraagstuk een merkwaardige blinde vlek in vele partijprogramma’s.
11. Dit blijkt duidelijk uit de strikt persoonlijke uitoefening van dit recht.
12. Zo wordt er vandaag bijvoorbeeld steeds meer gesproken van ‘Vlaamse Brusselaars’ dan van ‘Brusselse Vlamingen’. Waar de laatste notie duidelijk het ‘Vlaming zijn’ laat primeren, is dit in de eerste uitdrukking veel minder het geval; daaruit spreekt alleszins geen dominante identiteit.
13. Hiermee bedoelen we niet dat sociale verbanden gebaseerd zouden moeten zijn op ongelijkheid en dwang, maar wel dat sociale verbanden - en niet alleen het individu - een noodzakelijke component zijn van het maatschappelijke leven.
14. Hier kunnen we verwijzen naar het onderzoek van o.m. Elchardus waaruit blijkt dat een sterk verenigingsleven het respect voor de democratische waarden bevordert.
15. Omwille van dat algemene uitgangspunt is het onderscheid tussen de verschillende soorten minderheden hier niet van fundamenteel belang. Op dit vlak is immers vooral het gemeenschappelijke van tel. Zoals we verder zullen zien neemt dit uiteraard niet weg dat de erkenning van minderheden het gemeenschapsleven juist kan versterken.
16. Met dank aan Johan Basiliades voor de inspiratie voor deze tekst.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 24 tot 30