Log in

Het andere volk van het boek

De joodse minderheid tussen isolatie en assimilatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 9 tot 12

Een bekend verhaal van de chassidische Rabbi Baroech van Mezbij luidt als volgt: ‘Wie in een vreemd land aankomt, kent geen enkele inwoner van dat land en kan ook met niemand praten. Maar van zodra er een tweede vreemdeling opduikt - en het is van weinig belang dat hij uit een heel ander land afkomstig is - dan zouden die twee elkaar kunnen herkennen en bevriend geraken. Indien zij geen vreemdelingen geweest waren, dan hadden ze elkaar nooit leren kennen.’

Men kan het ontroerende idealisme van de goede man enigszins afzwakken door erop te wijzen, dat niet alle inwijkelingen automatisch goede vrienden worden, gewoon omdat ze min of meer hetzelfde lot delen. Een eerder gevestigde migrantengemeenschap of -generatie zou de nieuwkomers wel eens terecht als concurrenten kunnen beschouwen en resoluut tegenwerken. De geschiedenis van de op elkaar volgende migratiegolven in de Verenigde Staten, hét migratieland bij uitstek, levert daar meer dan genoeg afdoende bewijzen van.
We gaan hier dus ook geen pleidooi houden voor een concreet uitgewerkte solidariteitsstrategie tussen joden en moslims, hoe positief een dergelijke samenwerking ook zou kunnen zijn voor het imago van beide gemeenschappen. Betogingen tegen het antisemitisme, waaraan ook Turken en Marokkanen deelnemen of blijken van joodse solidariteit met islamitische slachtoffers van discriminatie zijn bijvoorbeeld bijzonder efficiënt, omdat ze de verwachte stereotype doorbreken dat iedere groep alleen voor de eigen belangen opkomt.
Wat we wél gaan onderzoeken, is het relatief grote succes van de joodse minderheid en de lessen die de moslimgemeenschap(pen) wellicht daaruit kan (kunnen) trekken.

Onze joodse diaspora

Een lang en niet altijd even mooi verhaal

De joodse migratie naar onze streken was eerder het gevolg van de deportatie van de joden uit Palestina en de verspreiding van het Romeinse Rijk over West-Europa (de push factor) dan van enige aantrekkingskracht die deze noordelijke gewesten op hen zouden hebben uitgeoefend (pull factor). Deze eerste golf duurde van de eerste eeuw van onze tijdrekening tot het einde van de Middeleeuwen in de vijftiende eeuw. In het begin werden deze weinig talrijke joodse inwijkelingen over het algemeen gedoogd en in bepaalde gevallen zelfs door de kerkelijke en burgerlijke overheden beschermd, zoals we uit talrijke documenten kunnen leren. Het klimaat veranderde bruusk tijdens de aanloop naar de kruistochten vanaf de elfde eeuw. De joden werden, naast de gevaarlijke islamieten, opnieuw ontdekt als ‘heidenen’, dat wil zeggen loochenaars van de goddelijkheid van Jezus en als ‘tovenaars’, die mensen en vee konden vervloeken en in toenemende mate vervolgd. Met als gevolg dat ze na 1470 nagenoeg geheel uit het publieke leven verdwenen waren.

In 1472, nog geen generatie later, worden de joden én islamieten (‘Moren’) uit Spanje verdreven en in 1497 uit Portugal en komt er een tweede immigratiegolf naar de Nederlanden op gang. Deze sefardische joden werden echter al vanaf het midden van de zestiende eeuw geconfronteerd met de heftige strijd tussen het Rooms-katholicisme en de Hervorming en moesten bijgevolg in 1585, na de verovering van Antwerpen door de Spaanse troepen, naar het protestantse en tolerante Noorden vluchten. Toch is het een interessant (en betekenisvol) fenomeen, dat de weinige hier gebleven ‘verdoken joden’ (Marrano’s) door de lokale overheid tegen de Spaanse kroon beschermd werden, waarschijnlijk meer uit economisch zelfbelang dan uit christelijke liefdadigheid.

De lange derde immigratiegolf volgt op de ‘tolerantie-edicten’ in de Oostenrijkse Nederlanden aan het einde van de verlichte achttiende eeuw. De Franse revolutionairen en Napoleon zetten deze traditie voort, met dit verschil, dat de jakobijns ingestelde Napoleon ervoor zorgde dat de joden, net als de katholieken en protestanten, door een wettelijk erkend centraal gezag vertegenwoordigd werden. Zo ontstond op zijn aandringen het Centraal Consistorie dat nog steeds de belangen van de meeste joodse gemeenschappen in België behartigt.
Deze derde golf was op alle gebied een succesverhaal: demografisch, politiek, economisch, sociaal, cultureel en religieus. Hij eindigde echter tragisch met de inval van de Duitse troepen in mei 1940 en de daaropvolgende uitroeiing van de Europese joden. Maar tussen 1880 en 1940 hadden de joden bewezen, dat ze zich niet alleen zeer goed in de bestaande samenleving konden integreren en aan de ontwikkeling ervan bijdragen, maar dat dit geenszins betekende dat ze daarom hun joodse identiteit moesten opgeven.

Na 1946 begon dan de vierde en laten we hopen definitief geslaagde immigratiepoging. Er waren in verhouding veel meer orthodoxe en vrome (chassidische) joden bij dan voor de Tweede Wereldoorlog het geval was. Daardoor werden integratie en zeker assimilatie minder vanzelfsprekende keuzes dan tijdens de derde golf, toen bijvoorbeeld meer dan 80 % van de joodse kinderen naar rijks- of stadsscholen ging en dus het contact met de niet-joodse meerderheid veel spontaner en vanzelfsprekender kon zijn. Vandaag gaat meer dan 90 % van de joodse leerlingen naar exclusief joodse scholen.

Culturele en religieuze diversiteit, een evenwichtsoefening

Laten we voor alle duidelijkheid vooraf zeggen dat er in een seculiere democratische maatschappij die onder meer berust op de scheiding tussen kerk (synagoge, moskee) en staat, geen enkel obstakel in de weg kan worden gelegd van leden van minderheidsgroepen die kiezen voor gedeeltelijke of totale assimilatie. Dit mensenrecht heeft uiteraard niets te maken met de verplichting tot ‘aanpassing’ die de dwang tot assimilatie wil gebruiken om alle verschillen weg te werken en de mensen voor de verscheurende keuze plaatst, ofwel hun religieuze en culturele eigenheid op te geven of het land te verlaten. De mislukking van het ‘smeltkroesmodel’ dat jarenlang in de VS gehanteerd werd, zou ons tegen een dergelijke onhaalbare en in feite onmenselijke politiek moeten waarschuwen. Het recht op assimilatie dat ik hier verdedig is zuiver vrijwillig en individueel en geldt evengoed in omgekeerde richting voor bijvoorbeeld christenen of vrijzinnigen die zich tot het jodendom of de islam willen bekeren.

In de praktijk is het onderscheid tussen de twee andere keuzes, die van isolatie of integratie, niet altijd even duidelijk, omdat ook de ‘geïsoleerde’ joodse gemeenschap vanzelfsprekend op allerlei terreinen aan het leven van de hele samenleving deelneemt. Ze betalen belastingen, vervulden (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Getuigen van Jehova) hun militaire dienstplicht, nemen deel aan de verkiezingen en doen wanneer nodig een beroep op de wet om hun individuele en groepsbelangen te verdedigen. Sommigen van hun kinderen studeren aan niet-joodse universiteiten en hogescholen en oefenen daarna vrije beroepen uit die voor alle burgers toegankelijk zijn. Omgekeerd zullen de ‘geïntegreerde’ joden bepaalde exclusief joodse religieuze en onderwijsinstellingen steunen en de officiële erkenning van de religieuze feestdagen verdedigen. De joodse ‘zuil’ is dus niet monolithisch. Toch kunnen we de isolatie omschrijven als de mogelijkheid om de eigen religieuze en culturele ontwikkeling in eigen kring te laten plaatsgrijpen, met eigen onderwijs, een gemeenschappelijke taal (het Jiddisch), een eigen sociaal netwerk (al zijn de meeste vrome joden aangesloten bij de Socialistische Mutualiteit), een eigen vriendenkring en een gemeenschapsleven dat bijna uitsluitend bepaald wordt door het ritme van de joodse feesten, van de wekelijkse sabbatviering tot de grote hoogdagen rond Rosj Hasjanna (nieuwjaar), Jom Kippoer (de grote verzoendag), Chanoekka (het lichtfeest eind december) en Pesach (het joodse Paasfeest). Deze isolatie wordt nog versterkt door de opvallende bijzondere kledij en de streng koosjere eetcultuur met eigen rituele slachting, voedingswinkels en restaurants. In het extreme geval komen deze vrome joden, behalve in het zakenleven en de noodzakelijke omgang met de overheid, vrijwel nooit in contact met de niet-joodse omgeving. Men kan dit vanuit de niet-joodse meerderheid betreuren, omdat men daardoor de kans mist de innerlijke rijkdom van deze cultuur te leren kennen, maar men kan moeilijk beweren dat de meerderheid door deze vrijwillige isolatie bedreigd of benadeeld wordt. Het argument dat ‘onbekend ook onbemind is’ klinkt overtuigend, omdat bepaalde oude vooroordelen op die manier makkelijker blijven bestaan, maar vrome kennissen wijzen me dan op de bedroevende waarheid, dat de grote openheid van bijvoorbeeld de geassimileerde en geïntegreerde joodse gemeenschap in het vooroorlogse Duitsland hen in tijden van hoogste nood weinig geholpen heeft.

De geïntegreerde joden delen de verdediging van de joodse religieuze en culturele eigenheid met hun orthodoxe en chassidische geloofsgenoten, maar weten die te verbinden met een principiële deelname aan het maatschappelijke leven. Zij zijn actief in de meeste democratische politieke partijen, hebben mandatarissen op het lokale en nationale niveau, spelen hun rol in het academische en culturele leven, zetten zich met hun niet-joodse collega’s in voor het behoud van de democratische waarden en zijn gewaardeerde en soms geduchte gesprekspartners in alle discussies rond bijvoorbeeld de rechten van minderheden en de problematiek van het Midden-Oosten. In die zin vormen zij de brug tussen de hele joodse gemeenschap, inclusief de vromen, en de buitenwereld. Door hun intense persoonlijke en institutionele contacten met joodse gemeenschappen overal ter wereld zorgen zij voor een stuk internationalisme dat de Vlamingen alleen maar ten goede kan komen. Tussen 1900 en 1940 hebben geïntegreerde joden hun bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het feminisme (Louis Franck, Brussel), het toneel (Lon Landau), de muziek (Daniël Sternefeld) en de Vlaamse emancipatie (Maarten Rudelsheim, Nico Gunzburg en Louis Franck, Antwerpen), om slechts een paar terreinen op te sommen. Maar ook vandaag zou onze samenleving armer zijn zonder mensen als de Nobelprijswinnaar Ilya Prigogin, de vredesactivist David Susskind en de veel te vroeg gestorven Marcel Liebman. Deze geïntegreerde joden waren en zijn orthodox, religieus liberaal of vrijzinnig, maar ze hebben elk op hun manier bewezen, dat men zeer goed tegelijk jood kon zijn en volwaardig lid van de grotere gemeenschap.

Naar een islamitische zuil?

Historisch was de ‘verzuiling’ een strategie om de levensbeschouwelijke minderheden - de vrijzinnigen in Vlaanderen, de katholieken in Wallonië - te beschermen. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de nog veel kleinere joodse minderheid in een overwegend niet-joodse samenleving, al kan men hier niet in dezelfde zin van een ‘zuil’ spreken met eigen politieke partijen en een eigen civiele maatschappij. Intussen zijn de grote levensbeschouwingen zodanig veranderd of uitgehold, dat men terecht het nut van deze verzuiling in vraag is gaan stellen. Is het dan verstandig om uitgerekend vandaag opnieuw aan het oprichten van een ‘islamitische zuil’ te gaan denken? Zijn er met andere woorden geen betere oplossingen, om de diversiteit van onze samenleving te behouden en te bevorderen? Toch kunnen we voorlopig niet ernstig beweren, dat er naast de katholieke, protestantse en joodse scholen geen rechtmatige plaats zou zijn voor islamitische scholen. Of dat de islam wel officieel erkend moet worden, maar dat we geen toelagen hoeven te geven voor de uitoefening van de eredienst. Dat zou van weinig consequentie of verdelende rechtvaardigheid getuigen. Maar hoe kunnen we tegelijk de afschaffing van de verzuiling als een voorbijgestreefd model bepleiten, waardoor nieuwkomers, in casu de islam, uit de boot vallen, én hun recht op volledige ontwikkeling van hun godsdienst en cultuur garanderen? Als overtuigd tegenstander van het verzuilingssysteem heb ik geen andere logische keuze, dan het recht van de islam op een gelijkwaardige behandeling alsnog te verdedigen. Hoe we uit een dergelijke tegenstrijdige situatie geraken, zal afhangen van open onderhandelingen met de vertegenwoordigers van de islam, waarvan de uitkomst vandaag onmogelijk te voorspellen valt. Tenzij de vertegenwoordigers van de andere, reeds gevestigde zuilen, bereid zijn mee te werken aan een nieuw samenlevingsmodel, waarin ze weliswaar een deel van hun privileges moeten opgeven, maar in de plaats daarvan een bevredigender en minder gesloten bescherming van de reëel bestaande diversiteit krijgen. Zoals gewoonlijk het geval is bij onderhandelingen tussen sterken en zwakken, ligt de bal mijns inziens ook hier duidelijk in het niet-islamitische kamp.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 9 tot 12