Log in

Hoe neutraal is mijn wetenschap als het op samenleven aankomt?

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 52 tot 56

Een tekort aan wetenschappelijke informatie over de situatie van etnisch-culturele minderheden is er niet, integendeel. Bibliotheken puilen uit van onderzoek rond allochtonen en onderwijs, allochtonen en de arbeidsmarkt, allochtonen en vrije tijd,... Een niet te onderschatten deel van dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de overheid, zelf geen passieve toeschouwer in het integratiedebat. Daarom vroeg Samenleving en politiek aan de auteur van deze bijdrage welke rol wetenschappers in heel dit debat spelen. Met het integratieparadigma in het achterhoofd, waren wij wel benieuwd naar de mate waarin de verschillende wetenschappelijke disciplines los staan van externe invloeden. Is wetenschap daadwerkelijk neutraal en objectief?

Een. Laat ik als vertrekpunt de samenleving nemen. Dit op het eerste gezicht onschuldig voorstel verbergt al een hoop veronderstellingen die we al te vaak probleemloos aannemen. Want, als ik de term ‘samenleving’ gebruik, bedoel ik dan een politieke entiteit (en zou dat hier lokaal Vlaanderen of België moeten zijn?), een economische entiteit (in dit geval is de wereld te klein), een sociale entiteit (waar liggen hier de grenzen?) of een psychologische entiteit (ervaar ik mijzelf als een deel van iets groters?). Heb ik een statische beschrijving (instellingen, organisaties, …) voor ogen of bedoel ik de samenleving weerspiegeld in haar activiteiten, zoals ze functioneert? Beschrijf ik de samenleving als niets meer dan de som van de individuen die haar samenstellen (zoals het zou uitgedrukt worden in de woorden van een klassiek reductionistisch wetenschapper) of is de samenleving iets dat zich ‘nestelt’ bovenop de individuen (het welgekende ‘het geheel is meer dan de som van de delen’). En zo kan ik nog een eindje doorgaan.

Dit alles om het volgende punt duidelijk te maken: wanneer we de vraag krijgen hoe we ons een beeld kunnen vormen van de samenleving waarvan we deel uitmaken, is het beter om er van uit te gaan dat dit een ongelofelijk complexe zaak is. Let wel dat dit de leden van een samenleving nooit heeft belet een beeld of beelden te hebben van een samenleving, met alle stereotyperingen, overdrijvingen, misinterpretaties en vooroordelen die daarbij horen.1

Twee. De uitdrukking ‘zich een beeld vormen van een samenleving’ is op zichzelf ook misleidend. Het suggereert dat we één globaal beeld zouden kunnen formuleren waarin alle aspecten van de samenleving aan bod komen. Laat ik mij hierover kort en krachtig uitdrukken: zulke beelden hebben wij niet. En het is maar zeer de vraag of het wel wenselijk zou zijn om zulke tegelijkertijd globaliserende en gedetailleerde beschrijvingen te hebben. Zo’n beschrijving zou micro- en macro-economie, micro- en macro-sociologie, enzovoorts, moeten omvatten, wat een onmogelijke taak is.2
Vindt men dit een te theoretisch argument, dan kan de bestaande praktijk zoals die hier vandaag wordt beoefend ook uitsluitsel geven. Wie zijn de ‘beeldmakers’ in onze samenleving? Die groep mensen die zeer algemeen wordt aangeduid met de naam ‘wetenschappers’. Opnieuw een zeer misleidende benaming: het suggereert een homogeniteit tussen de verschillende types wetenschappers die er helemaal niet is. Want ook hier ligt de zaak veel complexer dan men gewoonlijk denkt.

Drie. Een beeld dat door wetenschappers bijzonder sterk wordt gekoesterd is dat zij hun wetenschappelijk onderzoek verrichten onafhankelijk van de samenleving waarin ze werkzaam zijn. Dat kan zonder meer tegengesproken worden: een steeds groter deel van het wetenschappelijk onderzoek evolueert (of men dat nu leuk vindt of niet) in de richting van opdracht-onderzoek.3 Met andere woorden, een buitenwetenschappelijke instantie (doorgaans één of andere overheid) ‘bestelt’ een onderzoek. Dit fenomeen is al een eerste plaats waar de neutraliteit of objectiviteit in het gedrang komt. Het volstaat om zich de vraag te stellen waarom een bepaald onderzoek wordt gevraagd door een bepaalde instantie. Het antwoord moet zijn dat die instantie één of ander probleem waarneemt, registreert, percipieert, dat vraagt om uitgezocht te worden. Dit betekent, ten eerste, dat die instantie blijkbaar zelf geen antwoord ziet op het probleem, en, ten tweede, dat zij een belanghebbende partij is. Hieruit volgt dat zij het probleem wenst opgelost te zien en dat zij slechts bepaalde oplossingen zal aanvaarden. Het betekent ook dat een aantal problemen die bijvoorbeeld door individuen of door niet gerepresenteerde groepen van de samenleving wél gepercipieerd worden, niet gezien worden door die instanties die uiteindelijk het onderzoek mogelijk maken. Het probleem is er wel, maar het wordt niet gezien, dus niet onderzocht, dus bestaat het niet.

Vier. In de voetsporen van Paul Feyerabend - één van de belangrijkste wetenschapsfilosofen die deze eeuw heeft gekend, berucht, beroemd, miskend en bewonderd, misbegrepen en gelauwerd - zou ik ook willen oproepen om deze aspecten expliciet op te nemen in alle discussies omtrent wetenschappelijk onderzoek.4 Ga er vanuit dat er inmenging is, dat niet- of extern-wetenschappelijke belangen meespelen en ga er op in, discussieer met de overheden, weiger bepaalde onderzoeken (weersta aan de verleiding van het geld en de roem in functie van de eigen wetenschappelijke carrière, om het met grootse, maar reële woorden te zeggen), pas ze aan, presenteer zelf een agenda aan de overheid (‘dat is wat jullie zouden moeten onderzoeken’), …
Indien met belangeloos en geheel vrij onderzoek geen realiteit overeenstemt, is het beter om er expliciet rekening mee te houden. Het betekent evenzeer dat er een zware verantwoordelijkheid rust op de schouders van de wetenschappers. Het argument ‘wij doen alleen maar het onderzoek, het zijn de andere (instanties, overheden, instellingen, …) die de resultaten verkeerd aanwenden’ is eigenlijk pervers.

Een paar voorbeelden: zou je een onderzoek aanvaarden om IQ-testen af te nemen van autochtonen en allochtonen op een moment dat de algemene consensus in de richting gaat van een erfelijke bepaaldheid van intelligentie? Is het niet meer gepast om geld te vragen voor een onderzoek naar de oorzaken van die curieuze obsessie van de mens om de zaken zo graag gedetermineerd te zien door factoren waar men geen greep op heeft?5 Zou je een onderzoek aanvaarden om een techniek te ontwikkelen voor het opsporen van genetische defecten die aanleiding geven tot een ernstige levensverkorting indien de vraag uitgaat van een consortium van levensverzekeringsmaatschappijen? Is het niet meer gepast om geld te vragen voor een onderzoek naar de historische, economische en juridische basis van het systeem van (levens)verzekeringen? Zou je een onderzoek aanvaarden om methodes te zoeken die het onveiligheidsgevoel kunnen reduceren? Is het niet meer gepast om geld te vragen voor een onderzoek naar de oorzaken, redenen en motieven die tot het onveiligheidsgevoel zelf hebben geleid?
Om kort en krachtig te wezen: niet alles kan onderzocht worden, daar is noch tijd, noch geld voor, maar niet alles hoeft onderzocht te worden. Ik weet dat deze laatste uitspraak sterk klinkt, maar uiteindelijk wil ik alleen maar zeggen dat een vraag naar onderzoek met een goede verantwoording moet gepaard gaan. En dat lijkt mij een redelijke eis.

Vijf. Laten we één stap verdergaan: veronderstel dat het onderzoeksproject goedgekeurd is en dat het onderzoek van start kan gaan. Hoe neutraal en objectief kan het onderzoek zelf zijn? Om die vraag te beantwoorden, moet ik iets zeggen over de zogenaamde ‘wetenschappelijke methode’. Ik beperk mij tot twee essentiële punten.

Ten eerste, bestaat er niet zoiets als de wetenschappelijke methode (net zomin als de wetenschapper). Niet alleen hanteren verschillende disciplines verschillende methodes - wat zou er nu echt gemeenschappelijk kunnen zijn aan de methodiek van een psycholoog en van een econoom, behalve het zeer algemene en daardoor weinig zeggende ‘de wetenschappelijke methode houdt in dat we feiten verzamelen en ordenen of onderbrengen in een theorie’? -, maar bovendien zijn er binnen eenzelfde discipline verschillende methodes werkzaam. Binnen de psychologie en sociologie bijvoorbeeld kan een specialist gebruik maken van statistische methodes en andere mathematische modelleringstechnieken, maar evenzeer van diepte-interviews of participerende observatie. En erbovenop kan nog het onderscheid gemaakt worden tussen meer theoretische en meer experimentele methodes binnen eenzelfde specialiteit in een bepaalde discipline.

Ten tweede, is in een aantal gevallen deze pluraliteit gewenst. Wie zou er willen dat bijvoorbeeld de geschiedenis alleen zou mogen gebruik maken van een causaliteitsdenken en niet van een begrijpende, intentionele benadering? Wie zou er willen dat alleen micro- en geen macrogeschiedenis mag geschreven worden? Wie zou er willen dat we alleen geschreven bronnen mogen gebruiken en de orale traditie buiten beschouwing moeten laten?

Met andere woorden, de wetenschappen zelf vormen een bijzonder complex geheel waarin verschillende methodes naast elkaar bestaan, waarin dus voortdurend keuzes moeten gemaakt worden. De criteria waarop men steunt om een keuze te maken hebben heel vaak te maken met ‘diepe’ overtuigingen die verdergaan dan het louter wetenschappelijke. Indien iemand bijvoorbeeld zweert bij statistische methodes en op basis daarvan bepaalde onderzoeken afwijst omdat ze niet geschikt zijn voor een dergelijke analyse, dan is dit een keuze die fundamentele implicaties heeft bijvoorbeeld voor een overheidsbeleid.6 De bekende leuzen ‘wetenschappelijk is wat meetbaar is’ en ‘wetenschappelijk = kwantitatief’ zijn niet enkel en alleen wetenschappelijke richtlijnen, maar houden ook een visie in over hoe de wereld in elkaar zit en hoe wij die wereld kunnen kennen.

Zes. Eén punt wil ik even apart behandelen. De mens- en maatschappijwetenschappen hebben - ik praat nu uiteraard in grote lijnen - het idee van de natuurwetenschappen overgenomen dat het onderwerp van studie door de onderzoeker zo weinig mogelijk moet verstoord worden, want uiteindelijk willen we het ‘object’ leren kennen op een zo objectief mogelijke manier. Dit idee kan misschien wel verdedigd worden voor de natuurwetenschappen, maar voor de sociale wetenschappen vind ik het eigenlijk een raar idee. Het is juist dat natuurwetenschappers over de ‘luxe’ beschikken om een aantal situaties te (re)creëren in het laboratorium, maar als het handelt over een economie van een samenleving dan is het veel minder duidelijk wat hier een laboratoriumexperiment zou moeten voorstellen. Men kan (sterker: moet) zich de vraag stellen of een direct ingrijpen in de samenleving zelf niet veel interessanter is.

Ik beroep mij nogmaals op Paul Feyerabend. Ik weet wel dat dit met zich meebrengt dat er zal moeten gediscussieerd worden of dit of dat ‘real-life’ experiment toelaatbaar is, maar is het niet grappig dat we een dergelijke regeling reeds hebben voor experimenten met dieren, terwijl dat speciale dier, de homo sapiens sapiens, blijkbaar (voorlopig?) buiten schot blijft (geen ethische commissie heeft iets te zeggen gehad over het onverantwoorde Big Brother-‘experiment’). Maar wat is het verschil tussen, aan de ene kant, sociologen die een onderzoek doen in een sociale woonwijk, op kwantitatieve wijze de levenskwaliteit beoordelen via interviews waarbij de geïnterviewden niet mogen weten dat het dat is wat ze onderzoeken, tot het besluit komen dat de levenskwaliteit zeer laag is en dat doorspelen aan de overheid die beslist een nieuwe sociale woonwijk te bouwen en, aan de andere kant, de sociologen die zelf rechtstreeks dit project realiseren. Zullen zij geen beter oog hebben voor eventuele fouten en/of verkeerde inschattingen en dus in staat zijn om veel sneller in te grijpen dan via de omweg van de overheden. Men versta mij niet verkeerd: ik pleit hier in geen geval voor een technocratische samenleving waar het laatste woord bij de wetenschappers zou liggen (men bespare ons daarvan), maar dat de huidige scheidingslijnen onderwerp van discussie kunnen en moeten zijn, daar ga ik voor.

Zeven. Uiteindelijk komen de resultaten van het onderzoek terug in de samenleving terecht. Zelfs indien de wetenschapper de positie inneemt dat zijn of haar taak volbracht (de loodgieter die het bad installeert hoeft zich ook niet bezig te houden met het mogelijke suïcidale gebruik ervan door de eigenaar), dan nog is het zo dat niet kan verhinderd worden dat de beelden die in een samenleving leven hoe dan ook hierdoor gewijzigd worden. De wetenschappers dragen dus onvermijdelijk bij tot mogelijke mentaliteitswijzigingen. En los van het maatschappelijk belang speelt ook hier een eigenbelang mee: de mogelijke financiering van het volgende onderzoek kan ervan afhangen. Kortom, ook hier kan het dragen van een verantwoordelijkheid niet ontkend worden. Het argument dat de wetenschappers onvoldoende macht hebben om deze verantwoordelijkheid te dragen, beschouw ik niet als een tegenargument, maar eerder als een bevestiging dat er met de huidige situatie iets mis is.

Acht. Een afrondende gedachte. Al het voorgaande kan in een slogan samengevat worden: ‘Vrij en geëngageerd onderzoek verdient onderscheiden te worden van vrijblijvend en zogenaamd neutraal onderzoek’.

NOTEN

  1. Er is een groeiend aantal publicaties over dit interessante onderwerp waarbij men probeert na te gaan wat de oorzaken kunnen zijn van deze vormen van denken. Eén van de hypotheses is dat het te maken heeft met onze evolutionaire voorgeschiedenis die ons heeft ‘getraind’ om snel (en daardoor vaak fout) te beslissen. Indien dit correct zou zijn, dan moeten we ervan uitgaan dat het bij de mens ‘ingebakken’ zit. Voor referenties, zie mijn tekst, ‘Portret van de kunstenaar-wetenschapper-filosoof als mens: reflectie over een mensbeeld’ (Mores, 45ste jaargang, nr. 4, nr. 224, 2000, pp. 317-325).
  2. Deze overweging moet niet worden geïnterpreteerd als een kritiek op bijvoorbeeld het wereldbeeldenproject zoals Leo Apostel en Jan Van der Veken dit vorm hebben gegeven in de Worldview- groep. Hier gaat het om een beeld dat zowel alle grote lijnen als het kleinste detail zou omvatten.
  3. Men kan een zeer goed idee krijgen van deze situatie in het boek van Marc De Mey, Johan Braeckman en Tom Claes, Wetenschap als cultuur (VRWB, Brussel, 1994). Het boek is zelf het resultaat van een besteld onderzoek.
  4. Zie Science in a Free Society (NLB, Londen, 1978).
  5. Dit sluit aan bij de commentaar in voetnoot 1. Zie ook mijn artikel ‘Wie heeft de sleutel van het universum verstopt? En waar?’, in: Hugo Sol en Dany Vanbeveren (red.), De piramides in de kosmos, VUBPress, Brussel, 2000, pp. 243-262.
  6. Een eenvoudig voorbeeld: statistische methodes vragen om een populatie waarop steekproeven kunnen uitgevoerd worden. Individuele, niet herhaalbare en unieke gebeurtenissen passen hier niet in en vallen dus uit de boot.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 52 tot 56