Log in

Wij en zij

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 3 tot 5

Wie is ons?

In De gevestigden en de buitenstaanders analyseerden de socioloog Norbert Elias en zijn medewerkers de processen die werkzaam worden waar ‘oude’ bewoners van een wijk zich een wij-identiteit toedichten, die hen de kennelijke legitimiteit verschaft om zich tegenover ‘nieuwe’ bewoners af te zetten. Dat dit ‘wij’ grotendeels een constructie is, doet niets af aan de hardnekkigheid waarmee de oude bewoners zich het recht toe-eigenen om de nieuwe bewoners zekere voorwaarden op te leggen. Terwijl dat ‘wij’ eigenlijk pas inhoud kreeg toen er plots nieuwkomers arriveerden. De gevestigden gedragen zich, in de terminologie die Michaël Walzer in Spheres of Justice hanteert, als ware hun ‘wijk’ - waar men zich in beginsel vestigt door er een woning te betrekken - in werkelijkheid als een ‘club’ die zekere toetredingsvoorwaarden mag vergen van nieuwe leden. En terwijl zij duchtig bezig zijn een identiteit aan hun ‘wij’ en hun ‘zij’ toe te dichten, gebeurt natuurlijk hetzelfde ook bij de zij’s, die al evenzeer allerhande problemen vanuit de bril van het onze en het hunne zullen benaderen. Op die manier staan er vier constructies tegenover elkaar en wordt vanuit die constructies betekenis verleend aan het maatschappelijk gebeuren.

Het integratie’debat’

Iets vergelijkbaars kan men vaststellen in het zogeheten ‘integratiedebat’. Terwijl wie afstamt van ‘Belgen’ nooit ofte nimmer gevraagd werd één of andere acte van geloof af te leggen, wordt het - afstammelingen van - niet-Belgen behoorlijk moeilijker gemaakt. Ze moeten blijk geven van een ‘integratiewil’, wat dat ook moge betekenen. En het betekent behoorlijk wat en altijd weer iets anders. Het lijkt wel of in dat debat de anders zo gekoesterde scheiding tussen het private en het publieke, tussen recht en moraal of tussen levensbeschouwing en politiek niet meer blijkt te bestaan. Individuen worden er schaamteloos als onlosmakelijke delen van een collectiviteit bejegend, waartegenover de grootste vooroordelen probleemloos als meningen mogen worden geventileerd. Zo werd ik recent nog door een dame in een parkje aangeklampt die haar beklag deed omdat het parkje er zo vuil bij lag met al die hondenpoep die er door Turken wordt achtergelaten. Toen ik haar vroeg of ze al ooit eens een Turk met een hond had zien uit wandelen gaan, liep ze boos weg: ‘en toch is het zo…’

Het amalgaam-denken

Op zich is er natuurlijk niets verkeerds aan het construeren van een wij-identiteit. Maar vooreerst zijn de uitgangsposities niet gelijk: de gevestigden claimen niet alleen macht, ze hebben die ook, waardoor ze hun opvattingen van integratie kunnen opdringen. Dat gaat meestal gepaard met gevoelens van superioriteit, met een racistische ondertoon. Alle samenlevingsproblemen worden op de nieuwkomers afgewenteld. Anderzijds kunnen ook die nieuwkomers tot een amalgaam-denken worden verleid. Zij kunnen bijvoorbeeld de maatregelen tegen de mond- en klauwziekte die werden genomen in de periode van het offerfeest, gaan interpreteren als een complot tegen de moslimgemeenschap.
Belangrijk is tenslotte dat wij-identiteiten meestal erg pluraal zijn, maar dat de gevestigden die pluraliteit bij de buitenstaanders niet opmerken. Er zijn wijk- en beroepsidentiteiten, culturele en sociale identiteiten, geslachtsidentiteiten en leeftijdsidentiteiten die allen tot een zeker groepsgevoel - kunnen - inspireren. Dat is ook het geval in de migrantengemeenschap, maar hoe meer zij als een amalgaam wordt benaderd, hoe meer zij zich, uit defensieve noodzaak, ook als een amalgaam zal gedragen.

Gelijk respect

Het denken in termen van generaliserende ‘wij’s’ en ‘zij’s’ zit grondig fout. Er is geen enkele reden waarom twee mensen die hier geboren zijn, verschillend zouden worden behandeld omdat de ene van Belgische ouders en de andere van vreemde ouders afstamt. Beiden kunnen met evenveel recht claimen tot een ‘wij’ te behoren, maar dan wel tot hetzelfde ‘wij’: het pluralistische wij van een democratische rechtsstaat. De verschillen tussen hen beiden zijn hooguit een private, maar zeker geen publieke kwestie.
Wat betekent ‘integratie’ eigenlijk? Dat men de wetten van het land - meestal - respecteert. Meer kan en mag dat niet zijn. En eigenlijk is dat nog veel te veel gevraagd, want doen Belgen dat dan wel? Nee, de vereiste kan alleen maar zijn dat men de wetten van het land niet systematisch of op zeer fundamenteel vlak met voeten treedt. Voor het overige blijkt het ‘geïntegreerd zijn’ uit het simpele feit dat men hier vertoeft en kennelijk wenst hier te blijven vertoeven.
Veeg ik hiermee niet alle kleine en grote irritaties, spanningen en problemen onder het vloerkleed? Geenszins. Maar die betreffen net zo min het peilen naar een ‘integratiewil’ als, zeg maar, de kleine en grote irritaties tegenover fuivende jongeren, verkeersagressoren, voetbalhooligans, Hare Krishna-adepten, franskiljons of Jehova’s getuigen. Met mijn verontschuldigingen tegenover allochtonen voor deze vergelijking, maar ze maakt ze des te sterker.
Problemen los je op door discussies en onderhandelingen. En niet met de stok van het uitsmijtervertoog achter de hand. En discussies en onderhandelingen voer je vanuit een ethiek van de gelijkheid en van het wederzijds respect, hoe fundamenteel oneens men het ook moge zijn. Zolang die voorwaarde niet is vervuld - en ze is vaak en bij velen niet vervuld - is het ganse integratiedebat arrogant, paternalistisch en hautain.

Participatierechten

De beste manier om het recht op gelijkheid en op behandeling als een gelijke te realiseren is het verlenen van politieke participatierechten, want anders is er geen gelijke onderhandelingsbasis. Dat betekent vooreerst gemeentelijke stemplicht voor eenieder boven de 18 jaar die in een gemeente gedurende vijf jaar regelmatig verblijft. En vervolgens zou 5 jaar regelmatig verblijf ook de aanleiding moeten vormen om migranten automatisch de Belgische nationaliteit toe te kennen, zodat ze ook op federaal en gemeenschapsvlak stemplichtig worden, tenzij ze uitdrukkelijk te kennen geven hiervan te willen afzien en hierdoor tevens te kennen geven af te zien van hun stemplicht.
Maar politieke participatierechten houden meer in dan toegang krijgen tot kiesverrichtingen. Het betekent ook dat het organisatieleven van migranten op een gelijkaardige en een gelijkwaardige manier wordt behandeld en gesubsidieerd als eender welk ander organisatieleven. Men kan het misschien betreuren dat migranten er meestal de voorkeur aan geven een eigen verenigingsleven uit de grond te stampen, maar zolang in dit land de verzuiling wordt gepredikt en in praktijk gebracht, is het behoorlijk flauw om precies van migranten ‘doorbraakinitiatieven’ te verlangen. Via het verenigingsleven kunnen zeer diverse vormen van ‘wij’s’ gestalte krijgen, die tot zeer diverse vormen van onderhandelingen kunnen leiden. Maar het gaat hier dan niet meer om de publieke ‘wij’s’ die in het integratiedebat de boventoon krijgen, wel om zeer diverse private wij’s van religieuze, sportieve, culturele, recreatieve of zelfs pedagogische aard, die zeker niet als een amalgaam - ‘hun’ verenigingsleven’ - mogen worden behandeld.

Integratie als reciproque doelstelling

Integratie mag niet als een voorwaarde gesteld worden, maar als een doelstelling die ertoe strekt verschillende individuen en bevolkingsgroepen optimaal samen te laten leven. Integratie is in die optiek evenmin iets unilateraals, een vereiste die aan één bevolkingsgroep - zij - wordt gesteld. Nee, integratie is een kwestie van wederkerigheid en van wederzijds respect. Zo is het aanleren van de plaatselijke taal onbetwistbaar een belangrijke integratiedoelstelling, die van de overheid een aangepast aanbod vereist aan taalbadlessen, moedertaalonderwijs en diverse vormingsinitiatieven. Maar even belangrijk is het aanvaarden en erkennen van de zeden en gebruiken van allochtonen en het op gelijke voet behandelen van hun verenigingsleven en religieuze overtuigingen.
Natuurlijk kunnen autochtonen zich soms behoorlijk storen aan de traditionalistische rolpatronen en opvoedingsidealen van een deel van de allochtone bevolkingsgroep. Die werden bij ons immers in de zestiger jaren radicaal afgebroken ten voordele van seksuele vrijheid en gelijkwaardigheid van de vrouw. Ik heb er geen enkele moeite mee de westerse opvattingen dienaangaande moreel superieur te vinden en, net als het respect voor de mensenrechten in het algemeen, als een integratiedoelstelling te zien. Dat doe ik overigens niet alleen, want een groot deel van de allochtone jeugd voert al een even doortastend gevecht tegen, bijvoorbeeld, de praktijk van de uithuwelijking of de strakke seksuele ethiek dan hun autochtone generatiegenoten veertig jaar terug. Andermaal: wie oog heeft en oog wil hebben voor de veelzijdigheid van het allochtone ‘zij’, verlaat veralgemenende stereotyperingen die alleen maar karikaturen opleveren. Jongeren die ecstasy slikken, ganse weekends in megadancings doorfuiven en dan nog in behoorlijk wat weekendongevallen betrokken zijn, staan zeker niet model voor ‘de hedendaagse jeugd’. De Turkse vader die zijn zonen alles toestaat, maar zijn vrouw en dochters nauwelijks toestaat om het huis te verlaten, staat net zo min model voor ‘de Turkse gemeenschap’.

Alledaags racisme

Integratie als doelstelling wordt grondig ondermijnd door plat racisme en vreemdelingenhaat, die de fundamenten van onze democratische rechtsstaat op de helling plaatsen. Daartegen moet overtuigend en krachtdadig worden opgetreden. En dan heb ik het niet in de eerste plaats over racistische meningsuitingen die al te veel in de kijker worden gebracht. Nee, veel belangrijker is de strijd tegen het dagelijkse racisme dat allochtonen ervaren bij het zoeken van een woonst of van een job, in het uitgaansleven en op de openbare weg. Daar lijken zij wel outlaws te zijn, per definitie verdacht. Dat alledaags racisme is een tijdbom onder onze samenleving, omdat het tot gegronde frustraties leidt die onvermijdelijk tot uitbarstingen van geweld zullen komen. De media tonen hierbij vooral de gevolgen, maar zelden de oorzaken. En dat maakt hen mede verantwoordelijk voor een beeldvorming waarin migranten vooral met problemen ‘voor ons’ - straatgeweld, protestacties - associeert, maar waarbij er zelden aandacht is voor de problemen waar zij op hun weg naar integratie tegen opbotsen.
Onverdraagzaamheid is onaanvaardbaar. Maar ik heb altijd al wat meer begrip gehad voor de onverdraagzaamheid van de zwakkeren, dan voor de onverdraagzaamheid van de sterkeren. Bij de eersten is ze een verdedigingsreflex uit louter zelfbehoud, terwijl ze bij de sterkeren een verdedigingsreflex is voor het behoud van privileges.
Onze samenleving wordt zonder twijfel een multiculturele samenleving en eigenlijk is ze dat reeds. En dat zal ongetwijfeld zowel tot spanningen als tot verrijking leiden. Maar de vraag luidt niet ‘multiculturalisme of niet’, de vraag luidt: ‘welke multiculturele samenleving verdient de voorkeur’. Een samenleving waarin diverse culturen sociaal gesegregeerd zijn en in posities van boven- en ondergeschiktheid tegenover elkaar staan - een samenleving, met andere woorden met culturele en sociale apartheid - of een samenleving waarin alle culturen en alle sociale groepen op voet van gelijkheid worden bejegend en elkaar wederzijds kunnen bevruchten? Daarover gaat het debat en gelukkig wordt in dat debat de stem van diverse allochtone woordvoerders en verenigingen steeds luider gehoord.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 3 (maart), pagina 3 tot 5