Log in

De gezamenlijke toekomst van Afrika en Europa

Pleidooi voor een gemeenschappelijk Europees Afrikabeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 17 tot 23

Honger, aids, oorlog en miljoenen vluchtelingen voeden de mythe dat Sub-Sahara Afrika een geval apart is dat zijn eigen ondoorgrondelijke wegen volgt en zich van de rest van de wereld losmaakt. Voor steeds meer mensen in het Westen is dat idee ook aantrekkelijk. Uit het oog is uit het hart en ze denken dat moeilijke en moedige beslissingen kunnen uitgesteld worden.

Maar dat is een gevaarlijke illusie. Want Afrika is dichtbij en onlosmakelijk met Europa verbonden. We zijn aan elkaar gebonden. Niet alleen door onze geschiedenis, maar ook door de torenhoge buitenlandse schulden van de Afrikaanse landen. De Afrikanen hebben bovendien een te grote behoefte aan importgoederen en miljoenen vluchtelingen staan met ons in contact via de talrijke internationale hulporganisaties. We zijn ook gebonden door de oorlog en de criminaliteit in Afrika, die gevoed wordt door de wapen- en diamanthandel die op Europese bodem vertrekt. En er zijn nog redenen waarom Europa zich met Afrika moet bezighouden. Recente cijfers van de Wereldbank bevestigen dat Afrika er economisch slecht, zéér slecht aan toe is. De recente statistieken over de verspreiding van aids zijn ronduit dramatisch te noemen.

Daarom pleit de SP voor een nieuw en krachtig offensief van de Europese Unie om Sub-Sahara Afrika in de komende 15 jaar te helpen. Want we willen en mogen ons niet neerleggen bij dit rampscenario. Als we dat doen, dan zou dat betekenen dat wij ons terugtrekken in ‘Fort Europa’. En dat is noch in het belang van Europa, noch van Afrika.
Een Afrikaans continent dat zich tot een zone van fundamentele instabiliteit aan onze zuidelijke grenzen ontwikkelt, verplicht Europa tot een permanent crisisbeheer met operaties voor vredeshandhaving en evacuaties van westerlingen. En er is ook de toenemende migratiedruk die Europa nauwelijks kan absorberen en Afrika van zijn belangrijkste kapitaal berooft. Er mag geen twijfel over bestaan dat dit continent onze prioriteit moet zijn en evenveel aandacht moet krijgen als Oost-Europa en de Balkan. Maar het is ook onze ethische plicht. De essentie van een sociaaldemocratische buitenlandse politiek is strijden tegen onrecht, streven naar een rechtvaardige internationale rechtsorde en opkomen voor mensenrechten. Dat is haar fundamentele opdracht.

Deze bijdrage geeft het kader aan waarmee de SP, als coalitiepartner en via bevoorrechte contacten en acties bij haar Europese zusterpartijen, dat offensief voor Afrika op constructieve wijze wil bepleiten en helpen realiseren. De SP staat uiteraard niet alleen met die zienswijze. Zowel in Europa als in Afrika groeit het besef dat er dringend op efficiënte wijze moet worden opgetreden en tussengekomen. De PvdA in Nederland voert momenteel een gelijkaardige discussie, terwijl de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki de idee promoot van een grootschalig en allesomvattend herstelplan voor het Afrikaanse continent.

Op welke wijze doen we dat het best?

De SP is ervan overtuigd dat de Europese Unie met de ontwikkeling van een echt gemeenschappelijk beleid de nodige hefbomen kan inzetten om die krachtige impuls aan Afrika te geven. Maar om tot een goed onderbouwde aanpak te komen moet men durven vertrekken van een juiste en dus genuanceerde analyse van wat er zich momenteel in Afrika afspeelt. Wij moeten bovendien een kritische evaluatie durven maken van wat we zelf totnogtoe hebben gedaan. Europa is nu de grootste donor van hulp ter wereld, maar die hulp wordt daarom nog niet op de meest efficiënte manier verstrekt.
Sinds het einde van de Koude Oorlog deden zich enkele positieve en duurzame ontwikkelingen voor in Afrika. In het noorden van Burkina Faso bijvoorbeeld is een groene Sahel ontstaan met systemen van wateropvang en voedselcoöperaties. Mozambique, dat weliswaar door natuurrampen wordt geteisterd, kent nu wel eindelijk duurzame vrede. In Zimbabwe heeft een netwerk van burgerorganisaties zich met succes verzet tegen de geweldescalatie van president Robert Mugabe. In Somalië hebben honderden vrouwen en mannen hun staat heropgericht en een president verkozen.

De golf van democratisering, die op het einde van de jaren tachtig begon, heeft in 42 van de 48 landen dat Sub-Sahara Afrika telt, tot verkiezingen geleid. Het succes van die verkiezingen was wisselend. Maar de democratisering van het politieke leven en de eerbied voor de mensenrechten zijn er nu niet meer weg te denken.
Positief is ook dat sinds enkele jaren alle Afrikaanse conflicten door de Afrikaanse regeringen zelf werden geregeld, al werden ze daarbij in grote mate ondersteund door de internationale gemeenschap. Er is bovendien opnieuw grote belangstelling voor regionale integratie en samenwerking als middel tegen economische marginalisering en bevordering van integratie in de wereldeconomie. In een beperkt aantal landen, zoals Mauritius, Tanzania, Ghana en Oeganda, hebben politieke en economische hervormingen tot een grotere economische groei geleid.
Al deze ‘best practices’ of de aanzetten daartoe moeten de leidraad vormen voor het krachtige beleid dat we willen voeren. We moeten ook het Europese (en Belgische) beleid dat tot nu gevoerd werd, grondig durven evalueren. Oude beleidsopties zoals bv. schuldverlichting, die hun deugdelijkheid bewezen hebben maar niet gerealiseerd werden, moeten herhaald worden. En we moeten ook een nieuw beleid durven formuleren en drastische hervormingen van het bestaande beleid voorstellen.

De Belgische ontwikkelingssamenwerking heeft net een ernstige crisis achter de rug. De Europese internationale samenwerking wordt op haar beurt grondig doorgelicht door de Europese Commissie. Op de methode van de Conventie van Lomé zit sleet. Het beleid van de Europese natiestaten ten aanzien van Afrika is ook niet meer zo doeltreffend. Frankrijk heeft al geruime tijd zijn bevoorrechte relaties met de Franssprekende Afrikaanse landen zowel financieel als politiek naar beneden moeten bijstellen. Parijs komt zelf nog nauwelijks toe aan crisisbeheer. Tot voor enkele jaren deinsde Frankrijk er zelfs niet voor terug rechtstreekse militaire interventies te doen of militaire steun te geven aan wankele regimes (cfr. Rwanda onder president Habyarimana). Nu heeft het nog nauwelijks vat op de gebeurtenissen in bijvoorbeeld Ivoorkust. Voor Groot-Brittannië, dat in het kader van het Gemenebest werkt en zich altijd discreter en afstandelijker heeft opgesteld, geldt ongeveer hetzelfde. We kunnen daarvoor verwijzen naar de grote moeilijkheden die Groot-Brittannië ondervindt bij zijn eenzijdige militaire interventie in Sierra Leone.

De pogingen van de Belgische regering en van de minister van buitenlandse zaken Louis Michel om aan ons land opnieuw een centrale rol toe te bedelen in Centraal Afrika, zijn onder meer gestoten op de grenzen van onze rechtstreekse invloed als klein land. Dat heeft zijn rondreis in de regio naar aanleiding van de dood van president Laurent Désiré Kabila aangetoond.
De versnippering van het buitenlands beleid van de Europese Unie werd herhaaldelijk aangeklaagd. En ten opzichte van Afrika is dat gebrek aan gemeenschappelijk buitenlands beleid stilaan zelfs contraproductief geworden. Alleen een echt gemeenschappelijk Europees beleid en een gecoördineerde inzet van Europese middelen kunnen de nodige hefbomen en de noodzakelijke draagkracht bieden om de ontwrichting van het Afrikaanse continent drastisch en duurzaam te helpen tegengaan.

Wat kan Europa concreet bieden?

Het Afrikabeleid dat de SP bepleit, bevat zoals aangegeven oude realistische voorstellen die nog niet uitgevoerd werden en nieuwe en radicale maar uitvoerbare ideeën. Het gaat om een reeks concrete maatregelen om het Afrikaanse continent in staat te stellen zich economisch duurzaam te ontwikkelen. Maar dat is niet voldoende. Ook inzake conflictpreventie- en beheersing, duurzame veiligheid en democratisering worden een reeks voorstellen gedaan die een kader moeten bieden waarin Europa en Afrika blijvend kunnen samenwerken.
Dat geheel van voorstellen en concrete maatregelen moet leiden tot een langdurige partnership van de EU met Sub-Sahara Afrika.
Ons voorstel zou tenslotte onvolledig zijn als we ook geen concrete ideeën zouden lanceren om het beleid zelf en vooral de werkwijze van de Europese Unie en haar lidstaten drastisch om te gooien.

Duurzame ontwikkeling

Afrika moet in de eerste plaats op weg worden geholpen om op relatief korte termijn in zijn eigen voedsel te voorzien. Wij kunnen de kansen daartoe sterk verhogen met een structurele verandering van ons Europees landbouwbeleid. Er moet een einde komen aan de dumping van Europese landbouwproducten op de Afrikaanse markten. En de afscherming van de Europese markten voor landbouwproducten uit Afrika moet ophouden. Voor onze handelsbalans zou dat nauwelijks een verschil maken. Maar voor Afrika is dat daarentegen van groot belang. Het Europees hulpbeleid moet er voor zorgen dat de Afrikaanse landen erin slagen voedselzekerheid te bereiken.
Voor alle landen ten zuiden van de Sahara is Europa de belangrijkste handelspartner buiten de eigen regio. Toch toont het zich nog steeds te weinig bereid om zijn landbouwbeleid te liberaliseren en dat is zeer nadelig voor de ontwikkelingslanden. In 1997 beloofde de EU de vrije toegang tot haar markten voor producten uit de Minst Ontwikkelde Landen. Die belofte is nog steeds niet ingelost, omdat een aantal Europese landbouwlobby’s zich sterk verzet.
De Europese Unie moet, meer algemeen, de Afrikaanse landen eerlijke kansen geven op het vlak van de wereldhandel. Dat betekent het onverkort openzetten van haar markten voor alle lucratieve Afrikaanse exportproducten en zich inzetten voor een hervorming van de Wereldhandelsorganisatie ten voordele van de Afrikaanse landen, gericht op openheid en democratische besluitvorming. De EU moet voorts de regionale economische integratie in Afrika daadwerkelijk steunen en daarvoor samenwerken met de regionale Afrikaanse organisaties. Europa moet de Afrikaanse landen bovendien logistiek en financieel steunen om de kwaliteitsnormen op het vlak van milieu en duurzame ontwikkeling te kunnen halen.

Het Verdrag van Lomé, dat de hulp- en handelsrelaties regelt tussen de EU en de vroegere kolonies in vooral Afrika, is sinds 1975 een vijftal keren bijgesteld. In juni 2000 is in Cotonou (Benin) een nieuwe herziening overeengekomen voor de komende 20 jaar. De EU zegde een bedrag toe van 14,3 miljard euro voor de komende 5 jaar. Die Cotonou-overeenkomst moet een ernstige kans krijgen. Dat kan als onder coördinatie van de Europese Commissie de toegezegde hulp effectief wordt besteed. De stuwmeren van onopgebruikte middelen moeten worden weggewerkt door onder meer een einde te stellen aan de vertragende bemoeienis van de lidstaten. Er is nu een gemiddelde vertraging van 3,5 tot 4 jaar. Dat is onaanvaardbaar.

Iedereen is het erover eens dat onderwijs het beste middel vormt voor de bestrijding van armoede. Maar toch gaan 45 miljoen kinderen in Afrika nog altijd niet naar school. Onder hen zijn de meisjes in de meerderheid. Ieder kind lagere school laten lopen in Afrika kost ongeveer 8 miljard dollar meer per jaar. Dat is minder dan één vijfde van de Europese landbouwuitgaven. Op de VN-topconferentie voor sociale ontwikkeling in Kopenhagen in 1995 hebben de regeringsleiders beloofd om in 2015 basisonderwijs voor iedereen te realiseren. Het Europees Ontwikkelingsfonds, waaruit de ontwikkelingssamenwerking met Afrika wordt gefinancierd, trekt momenteel slechts 3 procent uit voor basisonderwijs tegenover 35 procent voor openbare werken. Dat budget voor onderwijs moet op korte termijn minstens verdubbeld worden. En met een spoedoffensief kunnen we bovendien de digitale kloof tussen Afrika en Europa dichten. Want die kloof dreigt te groot te worden. Bij ons heeft straks 1 op 4 mensen toegang tot het Internet. In Afrika is dat slechts 1 op 5000 mensen en het kost er tien keer meer. ICT is een uitstekend middel tegen de braindrain van Afrikaanse hooggeschoolden. Zowel bij de Europese als bij de Belgische ontwikkelingssamenwerking ontbreekt momenteel een e-initiative voor Afrika.
Als Europa zijn budget voor gezondheidszorg in Afrika verdubbelt, is het mogelijk om aan iedereen (en dus vooral aan vrouwen en kinderen) de toegang tot de basisgezondheidszorgen te garanderen. Totnogtoe gaat slechts 4 procent van het Europees ontwikkelingsbudget naar gezondheid. Met meer hulp kunnen de Afrikaanse vrouwen veilige voorbehoedsmiddelen krijgen. Dat is van groot belang in het kader van de bestrijding van de aidsepidemie. De EU is ook in staat om massaal goedkope medicijnen beschikbaar te stellen voor de aidspatiënten in Afrika.

Europa moet zich bovendien engageren voor een verregaande schuldverlichting van de armste landen. Dat betekent dat de toezeggingen voor een snelle en omvangrijke vermindering van de schulden van de ontwikkelingslanden moeten worden nagekomen. De weigerachtige houding van de Verenigde Staten mag geen excuus zijn voor Europa om het initiatief voor de armste landen die de zwaarste schuldenlast torsen (HIPC-initiatief), niet volledig uit te voeren. Ons land zou het voorbeeld kunnen geven: de schulden kwijtschelden van alle Afrikaanse landen waarmee het bilateraal intensief samenwerkt, indien uiteraard een aantal basisvoorwaarden vervuld is. De Afrikaanse landen moeten ook meer worden betrokken bij het internationaal overleg over schulden en kapitaalsstromen en een grotere stem krijgen bij het IMF en de Wereldbank. Die instellingen moeten samen met de Wereldhandelsorganisatie en onder impuls van Europa gedemocratiseerd worden, zodat de belangen van de ontwikkelingslanden en vooral Afrika beter gewogen kunnen worden.

Conflictpreventie, duurzame vrede en veiligheid, democratisering

De helft van het Afrikaanse continent gaat gebukt onder conflicten die elkaar onderling versterken en beïnvloeden, met grove schendingen van de mensenrechten als gevolg. Waar extreme armoede heerst, nemen interne conflicten toe. De politieke manipulatie van etniciteit wordt als laatste verdedigingsmiddel gebruikt in de strijd om de schaarse middelen. In landen zoals Mozambique, waar internationale factoren een rol hebben gespeeld en waar ontwikkelingssamenwerking en uitgekiende vredesoperaties zijn samengegaan, is wel goede vooruitgang geboekt.
Op het vlak van conflictbeheersing en diplomatieke interventies speelt Europa nu nauwelijks een rol. Frankrijk en Groot-Brittannië trachten sinds enkele jaren hun beleid en hun intenties wat beter op elkaar af te stemmen, maar dat blijft bij schuchtere pogingen. Er zijn nog teveel belangentegenstellingen. Toen de VS onder president Clinton zich opnieuw sterker gingen manifesteren in Afrika, lieten Parijs en Londen de eigen nationale agenda en belangen algauw opnieuw primeren op hun prille samenwerking. Het opbouwen van geloofwaardigheid als politieke gesprekspartner ten aanzien van de Afrikaanse landen is dan ook een prioriteit.
Er moet dringend gewerkt worden aan de concrete invulling van de politieke agenda voor conflictpreventie en vredesopbouw in de Afrikaanse realiteit. Want de klassieke (nationale) diplomatieke instrumenten falen steeds meer wegens gebrek aan duidelijke partijen, vertegenwoordigers van de regering en minimaal werkende staatsstructuren in Afrika.

Om die geloofwaardigheid als Europese gesprekspartner op te krikken beschikken we nu al over een aantal middelen. We hebben een hoge vertegenwoordiger voor buitenlands beleid, er zijn speciale Europese gezanten, er is het instrument van de gemeenschappelijke tussenkomsten, acties en standpunten. Maar die moeten veel beter worden benut. En we hebben ook gesprekspartners zoals de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) of regionale Afrikaanse organisaties zoals SADC (zuidelijk Afrika), ECOWAS (West Afrika) en IGAD (Hoorn van Afrika). Trouwens, met uitzondering van de Britse ingreep in Sierra Leone, zijn alle interventies in Afrika sinds het begin van de jaren 90 in multilateraal verband gebeurd. Er is het belang van regionale leiders of van landen zoals bv. Nigeria en Zuid-Afrika die de ambitie hebben als stabiliserende factor op te treden in hun regio of in het hele continent.
Maar een internationaal beleid moet altijd een ondersteuning van de lokale mogelijkheden voorzien. Militaire oplossingen bieden vaak slechts een kortstondige en dus valse bescherming aan de plaatselijke bevolking. Een conflict is steeds een politieke en economische strategie van lange duur. En de EU zal veel meer constante en rechtstreekse aandacht moeten hebben voor de ontwikkelingen op het vlak van de veiligheid in Afrika. Vanuit zijn ervaringen op het eigen continent tijdens de Koude Oorlog, had Europa dat sneller moeten beseffen. Investeren in contacten met leiders en politieke groeperingen in Afrika is daarom van bijzonder groot belang. Via de oprichting van een Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Afrika (CVSA) kan de EU overleg hebben over de wederzijdse problemen zoals illegale wapen- en diamanthandel. Ze kan bovendien werk maken van conflictpreventie en Euro-Afrikaanse netwerken structureel uitbouwen. Via dat kader kan ook de civiele maatschappij gesteund worden. Die is nog steeds de hefboom voor verandering in Afrika. Daartoe kan Europa een strategie ontwikkelen die analoog is met de programma’s die voor Midden- en Oost-Europa uitgewerkt werden na de val van de Muur.

De capaciteit van de regionale vredesmachten zoals Ecomog moet verhoogd worden. Maar ook de rol van de Verenigde Naties in Afrika moet opnieuw aanzienlijk versterkt worden. Samenwerking is hier de boodschap: voor de versterking van de commandostructuren en de financiering en het leiderschap van de vredeseenheden. En na het luwen van de conflicten moeten de VN en de regionale organisaties bijdragen tot verzoening en helpen in de vredesopbouw en de democratiseringsprocessen.

Wat kan België doen?

In het verleden is ons buitenlands beleid vrij succesrijk geweest. Nu moeten we ons sterk en consequent engageren en een breed draagvlak zoeken voor onze acties: niet alleen in het parlement, maar ook bij het maatschappelijk middenveld en de publieke opinie. We moeten onze (schaarse) diplomatieke middelen en ons relatief klein gewicht op wereldschaal geconcentreerd en actief inzetten om multilaterale hefbomen in werking te laten treden en te versterken.
Er is ten eerste een sterk en consequent engagement nodig. Dat kan vooral financieel zijn, zoals we dat sedert jaren doen voor het vredesproces in Burundi, waar de bemiddeling van achtereenvolgens Nyerere en Mandela vruchten heeft afgeworpen. Dat kan ook door wat we op internationaal vlak bepleiten, ook consequent toe te passen in ons land. België kon een voortrekkersrol spelen inzake anti-persoonsmijnen omdat het zelf pionierswerk heeft gedaan op het eigen nationale vlak. Hetzelfde geldt voor de Europese gedragscode inzake wapenhandel.

Om de EU te bewegen tot een meer gemeenschappelijk en geïntegreerd beleid ten opzichte van Sub-Sahara Afrika, is een breed draagvlak aanwezig in ons land. Dat idee sluit feilloos aan bij onze Europese roeping en ons fundamenteel geloof in de Europese integratie.
Maar om de Europese machine in gang te zetten volstaat het niet de agenda te bepalen als Europese voorzitter of topconferenties bijeen te roepen of bij te wonen om wat druk uit te oefenen. Om Europa in beweging te krijgen is er concentratie van diplomatieke middelen, politiek doorzettingsvermogen en geduld nodig. Het is telkens weer wachten op kleine mogelijkheden en kansen om vooruitgang te boeken, om ideeën te lanceren en de aandacht van de internationale gemeenschap te vragen. De resultaten zijn pas op lange termijn voelbaar en men wordt er ook niet meteen voor erkend.
Voor elk van de voorstellen van deze bijdrage kan ons land zich sterk engageren en gerichte bilaterale initiatieven nemen binnen het Europese kader. Het kan met gezag een wapenembargo voor Centraal Afrika bepleiten indien het zelf de eigen wetgeving zéér consequent toepast en wetgevende initiatieven neemt om de illegale wapenhandel beter te bestrijden (cfr. wetsvoorstel Van der Maelen inzake extra-territorialiteit). In de strijd tegen de illegale diamanthandel kan ons land de voortrekker van een Europese gedragscode worden. Een consequent wapenembargo en de drooglegging van de bloeddiamant zijn immers absolute voorwaarden voor elk vredesinitiatief, niet alleen in de regio van de Grote Meren maar ook in de andere conflicthaarden van het Afrikaanse continent.

Sommigen zullen zich afvragen of het in dat verband niet beter is dat België en het Belgisch buitenlands beleid zich bijna uitsluitend concentreren op de oude kolonies in Centraal-Afrika. Maar eigenlijk vindt de SP die discussie te eng en aan het essentiële voorbijgaand. Het conflict dat sinds enkele jaren in de regio van de Grote Meren woedt, wordt niet ten onrechte de eerste Afrikaanse wereldoorlog genoemd. Al zijn er sinds de dood van president Laurent Kabila toch enige kansen op vrede ontstaan. Naast Congo, Rwanda en Burundi zijn ook Oeganda, Angola, Namibië en Zimbabwe rechtstreeks betrokken partij. Zuid-Afrika, Mozambique en Zambia bemiddelen, terwijl Tanzania al jaren het slachtoffer is van een massale stroom van vluchtelingen uit het gebied en het Internationaal Gerechtshof voor de Rwandese genocide herbergt. De uitkomst van het conflict hangt meer af van de posities van de bondgenoten en hun strategische belangen dan van de militaire operaties op het terrein. De klassieke politieke en diplomatieke interventies falen in een opgedeeld Congo. De staat en de regering functioneren nauwelijks of niet en er zijn uiteenlopende plaatselijke belangen. Duurzame vrede in die regio van de Grote Meren zal er dus slechts komen als de juiste en dus vooral multilaterale hefbomen worden ingezet. Het is evident dat het beter is om voor het conflict in de Grote Meren de diplomatieke knowhow, de politieke ervaring en de financiële middelen van Frankrijk, Groot-Brittannië, Portugal, Italië, Duitsland én België via de Europese Unie samen te leggen, te mobiliseren en daadkrachtig te gebruiken om een oplossing te bewerkstelligen. De Scandinavische landen en Nederland kunnen inzake conflictpreventie een bijdrage leveren met ervaring en financiële middelen.

Op korte termijn zou ons land dringend werk moeten maken van een Europees-Afrikaanse contactgroep, waar topdiplomaten regelmatig met elkaar overleg kunnen plegen. Daarin moeten niet alleen de Afrikaanse landen die belangstelling hebben voor een dergelijk diplomatiek forum - wij denken concreet aan Zuid-Afrika en Nigeria - een prominente plaats krijgen, maar ook Europese landen zoals Portugal als oud-moederland van Angola, dat een sterke sleutelpositie bekleedt in de regio. Ons land zou zich ook kunnen inzetten voor een drastische verhoging en een betere coördinatie van de humanitaire hulp van de EU in het gebied. Tenslotte kan de EU het draagvlak bieden voor een grootschalig herstelplan in het gebied indien er een duurzaam bestand komt.

De voorstellen van deze bijdrage zullen in het kader van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, dat op 1 juli van dit jaar begint, ook worden besproken met onze Europese zusterpartijen. In de meeste lidstaten van de Europese Unie zijn sociaaldemocratische partijen aan de macht en in vier van de vijf grote lidstaten wordt de regering geleid door een socialistische eerste minister. Deze kans moeten wij als SP benutten om onze visies aanhang te doen winnen en in beleid om te zetten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 17 tot 23