Abonneer Log in

Huisvesting van vreemdelingen zonder wettig verblijf

Een onderdeel van het Vlaams opvangbeleid?

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 24 tot 34

‘Mensen zonder papieren’ staat niet synoniem voor ‘mensen zonder rechten’, al lijken velen dat wel zo te (willen) zien. In het Minderhedendecreet geeft de Vlaamse overheid bovendien te kennen een specifiek opvangbeleid te willen voeren voor mensen zonder wettig verblijf in nood. Het is een belangrijke stap in de erkenning dat mensen die illegaal in het land verblijven zich effectief vaak in een noodsituatie bevinden én dat velen niet zomaar zonder meer naar hun land van herkomst kunnen terugkeren.

Van een concrete invulling van dat opvangbeleid is er spijtig genoeg nog niet veel in huis gekomen. In Antwerpen gingen het Antwerps Sociaal Verhuurkantoor en Haven vzw in 1999 van start met een huisvestingsproject voor mensen zonder wettig verblijf in nood. Vanuit deze ervaring stellen beide organisaties voor een Vlaams huisvestingsfonds op te richten voor mensen zonder wettig verblijf in nood. Dit zou moeten kunnen binnen het Vlaams minderhedenbeleid.
Sinds de aanloop naar de regularisatiecampagne van januari 2000 staat het thema ‘illegalen’1 opnieuw hoog op de politieke agenda en is het onderwerp niet uit de media te bannen. Daarbij wordt nogal eens slordig omgesprongen met de terminologie: asielzoekers, vluchtelingen, illegalen… het is voor velen allemaal één pot nat. Bovendien lijkt het of voor vele mensen ‘illegalen’ ontheven zijn van alle rechten. Ze zijn bijna in de letterlijke zin van het woord vogelvrijverklaarden - mensen die geen aanspraak kunnen maken op bescherming door de wet en die door iedereen ‘aangepakt’ kunnen worden. Dat is niet zo: mensen zonder wettig verblijf zijn niet van alle rechten verstoken. Mensenrechten gelden voor iedereen en ook onze grondwet stelt uitdrukkelijk dat iedere vreemdeling die zich op het Belgische grondgebied bevindt, dezelfde rechten heeft als de Belgen (art. 191). Dat geldt dus ook voor mensen zonder wettig verblijf, tenzij de toepassing van de wet het wettelijk verblijf als voorwaarde stelt.

Tot voor de regularisatiecampagne circuleerden in beleidskringen en in kringen van niet-gouvermentele organisaties (ngo’s) de meest uiteenlopende cijfers over het aantal mensen zonder wettig verblijf dat in ons land verblijft. Afhankelijk van wie men erover aansprak, kreeg men cijfers van enkele duizenden tot honderdduizenden voor­geschoteld. Dat is niet verwonderlijk, aangezien een van de belangrijkste kenmerken van deze groep mensen juist is dat ze niet officieel geregistreerd staan. Bovendien gaat het, in een periode waarin extreemrechts steeds vaker de politieke agenda bepaalt, om een gevoelig politiek thema. Afhankelijk van de politieke strekking die men aanhangt, heeft men er baat bij het aantal mensen zonder wettig verblijf hoger of lager in te schatten. Daarnaast krijgen vluchtelingenorganisaties en andere sociale diensten de laatste jaren steeds vaker zulke mensen over de vloer. Die diensten worden geconfronteerd met de vaak schrijnende ellende die voortvloeit uit een onwettig verblijf, en ze ervaren hoe moeilijk het is de meest elementaire (grond)rechten voor mensen zonder wettig verblijf af te dwingen. Zij moeten de moeilijkheden wel scherp genoeg voorstellen, om politici tot daden te bewegen. Met de regularisatiecampagne is er alvast een beetje licht geworpen op deze groep mensen. In heel het land werden meer dan 32.000 aanvragen ingediend, die betrekking hebben op meer dan 50.000 mensen. Van die groep verblijft waarschijnlijk meer dan 80% illegaal op het grondgebied, de anderen bevinden zich in zogenaamde ‘precaire verblijfsstatuten’. Niettemin geeft ook dit cijfer maar een partieel beeld: zeker niet alle mensen zonder wettig verblijf dienden een regularisatieaanvraag in2 en dagelijks komen er nieuwe illegale verblijvers bij.

Er zijn meerdere oorzaken waardoor mensen zonder wettig verblijf komen te staan. Je kunt grosso modo drie groepen onderscheiden: vreemdelingen die met de correcte documenten in België zijn binnengekomen, maar het land niet verlaten hebben nadat hun verblijf ‘ophield wettig te zijn’. Anderen die zonder de nodige verblijfsdocumenten zijn aangekomen, hier een verblijfsstatuut hebben aangevraagd (bv. als vluchteling, omdat ze vervolgd werden in hun land van herkomst) en die ondanks de afwijzing van hun aanvraag toch hier zijn gebleven. En weer anderen die zich zonder verblijfsvergunning in het land hebben gevestigd en nooit een legaal statuut hebben aangevraagd.
Achter het illegaal verblijf gaan verschillende verhalen schuil. Heel wat asielzoekers kregen pas na jarenlang wachten een negatieve beslissing over hun asielaanvraag, en bouwden hier in afwachting een leven op. Uitgeprocedeerde asielzoekers, gezinsherenigers of anderen kunnen dikwijls de afwijzing van de verblijfsaanvraag niet aanvaarden en proberen hun verblijf alsnog te regulariseren. Een beroep bij de Raad van State of een aanvraag tot regularisatie om ‘humanitaire redenen’ schort de uitwijzingsbeslissing echter niet op. In afwachting van een uitspraak verblijft de betrokkene illegaal in België en kan hij reeds gedwongen gerepatrieerd worden.
Sommige afgewezen asielzoekers krijgen in hun negatieve beslissing een zogenaamde niet-terugleidingsclausule ingelast. Dat is een advies van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) aan de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) om betrokkene niet terug te leiden naar het land van herkomst, gezien de slechte algemene situatie in dat land. Zo’n advies leidt echter niet automatisch tot een (tijdelijke) verblijfsvergunning. Bovendien krijgt niet iedereen die uit een oorlogsgebied komt zo’n ‘niet-terugleidingsclausule’. Sommige afgewezen asielzoekers vrezen bovendien wel degelijk gevaar te lopen bij terugkeer, wat hen kan doen besluiten toch in België te blijven.
Het komt ook vaak voor dat sans-papiers niet kúnnen terugkeren omdat ze niet over de nodige reisdocumenten (paspoort, laissez-passer) beschikken en de overheid van het land van herkomst die ook niet wil afleveren. Meer dan de helft van de mensen zonder wettig verblijf die worden opgesloten met het oog op repatriëring, moet zo weer worden vrijgelaten omdat ze niet gerepatrieerd kunnen worden. Zij worden vrijgelaten met een bevel om België (op eigen houtje) te verlaten…

Het Vlaams minderhedenbeleid

Sinds het minderhedendecreet van 28 april 1998 heeft de Vlaamse regering duidelijk haar eigen positie bepaald ten aanzien van asielzoekers, vluchtelingen, gezinsherenigers en gezinsvormers, en ook ten aanzien van vreemdelingen zonder wettig verblijf. Immers, naast een emancipatiebeleid en een onthaalbeleid (gericht op ‘nieuwkomers’), voorziet het decreet als derde spoor een opvangbeleid voor vreemdelingen zonder wettig verblijfsstatuut ‘die wegens hun noodsituatie opvang of bijstand vragen’ (art. 2.4°). Hiermee geeft de Vlaamse overheid te kennen dat ze het belangrijk vindt ook voor deze doelgroep een positief beleid uit te werken. Tot voor kort had enkel de Federale overheid duidelijke beleidsintenties t.a.v. mensen zonder wettig verblijf. Die zijn, naast de eenmalige regularisatiecampagne, vooral gericht op het inperken van hun rechten en op (gedwongen) repatriëring.

Als prioritaire beleidsdomeinen voor het opvangbeleid schuift het decreet naast de domeinen gezondheidszorg en onderwijs ook welzijn naar voor, waaronder eveneens het recht op onderdak valt (art. 4§1, 3°). Een concrete invulling van het begrip opvangbeleid, wordt evenwel nergens geformuleerd. Onder meer daarom werd binnen de Interdepartementele Commissie Etnisch Culturele Minderheden (ICEM) een werkgroep ‘opvangbeleid’ opgericht. Die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Vlaamse administratie, de Vlaamse kabinetten en het middenveld. Ze formuleert adviezen en werkt aan concrete voorstellen binnen de verschillende beleidsdomeinen. Ondanks het feit dat deze werkgroep al enige tijd loopt, is er ook op Vlaams niveau nog geen sprake van een echt opvangbeleid. De Vlaamse overheid financiert wel enkele projecten, maar heeft nog geen regulier beleid vastgelegd. Enkel op het niveau van onderwijs werd een omzendbrief verzonden die stelt dat ‘kinderen zonder papieren’ toegang moeten krijgen tot het onderwijs en een diploma afgeleverd moeten krijgen.

Een huisvestingsproject voor mensen zonder wettig verblijf

Het vluchtelingenwerk is zich al lang bewust van de problematiek die rond mensen zonder wettig verblijf bestaat. Haven vzw, het Antwerps samenwerkingsverband van organisaties die voor vluchtelingen en mensen zonder wettig verblijf werken, nam in 1998 het initiatief om in samenwerking met het Antwerps Sociaal Verhuurkantoor (ASVK) een projectvoorstel uit te werken. Het doel was een oplossing te vinden voor de precaire huisvestingssituatie waarin nogal wat mensen zonder wettig verblijf zich bevinden. Uitgangspunt is één van de basisrechten van de menselijke waardigheid, met name het ‘recht op een behoorlijke huisvesting’ zoals geschreven staat in artikel 23 van de Grondwet. Ook mensen zonder wettig verblijf hebben recht op een degelijke woning. In maart 1999 bleek de Stad Antwerpen bereid om met middelen van het Sociaal Impulsfonds het project uit te voeren. Dankzij een verlenging van de subsidiering tot december 2000, kon het project ook vorig jaar voortgezet worden.
Het huisvestingsproject bestond uit twee luiken. Enerzijds een onderzoeksgedeelte , waarbij de woonsituatie van mensen zonder wettig verblijf in kaart gebracht werd. In 1997 was er reeds een onderzoek gevoerd naar de positie van migranten op de woningmarkt. Hierin werd vermeld dat vluchtelingen (voornamelijk asielzoekers) en mensen zonder wettig verblijf, het nagenoeg nog moeilijker hebben op de private huurmarkt dan migranten. Nader onderzoek werd meer dan wenselijk geacht.3
Tegelijk werd van start gegaan met een effectief aanbod van woningen voor mensen zonder wettig verblijf in een noodsituatie. Een aantal gezinnen werd gehuisvest in woningen van het ASVK. De socio-juridische opvolging van hun dossier werd verzekerd door het vluchtelingenwerk, terwijl het sociaal verhuurkantoor (SVK) zorgde voor de woonbegeleiding. De voornaamste doelstelling was de rol te bestuderen die een sociaal verhuurkantoor kan spelen in de huisvesting van mensen zonder wettig verblijf.

Een erg beperkt huisvestingsaanbod

In het onderzoek werd allereerst nagegaan in welke mate organisaties die voor de meest kwetsbare mensen in de maatschappij instaan, een (huisvestings)aanbod hebben voor de groep mensen zonder wettig verblijf. Het gaat dan om een aantal ngo’s, crisiscentra en de sociale huisvestingsmaatschappijen.
Wat de ngo’s betreft die instaan voor hulpverlening aan vluchtelingen, asielzoekers en mensen zonder wettig verblijf, is het zo dat de meeste niet over woningen of appartementen beschikken om mensen te huisvesten. Sommige organisaties geven financiële steun bij het huren op de private huurmarkt, door de huurwaarborg te betalen (zeer uitzonderlijk) of door tussen te komen in de maandelijkse huurprijs en/of de kosten voor elektriciteit en gas. Dat dit sterk afhankelijk is van de financiële draagkracht van de organisatie, hoeft geen betoog. In de praktijk is de nood aan (financiële) ondersteuning veel groter dan de beschikbare middelen.
In Antwerpen zijn ook twee vrijwilligerswerkingen actief op het vlak van huisvesting. In één ervan zijn zes huizen beschikbaar voor mensen zonder wettig verblijf. Hierin worden in totaal negen gezinnen (29 personen) gehuisvest. De woningen zijn evenwel niet in bijzonder goede staat, maar tijd en middelen ontbreken om ze in orde te maken. De tweede vrijwilligerswerking beschikt over twee woningen met in totaal vijf appartementen die ter beschikking worden gesteld aan mensen zonder wettig verblijf.
Daarnaast zijn er ook een aantal individuen die een gebouw of huurgeld ter beschikking stellen aan mensen zonder wettig verblijf. Gezien het persoonlijke karakter van de hulpverlening, is de betrokkenheid bij de doelgroep vaak zeer intensief maar de vraag blijft hoe structureel deze opvang is. Doordat geen echte selectiecriteria worden gehanteerd voor het toekennen van de hulp, is de druk op deze mensen zeer groot.

Er zijn in Antwerpen ook een aantal crisisopvangcentra en onthaaltehuizen voor daklozen die hetzij occasioneel, hetzij op regelmatige basis mensen zonder wettig verblijf tijdelijk onderdak bieden. Zo is er het nachtopvangcentrum ‘De Biekorf’ (capaciteit: 22 bedden) waar in beginsel chronisch daklozen opgevangen worden tegen de prijs van 100 fr. per nacht. Ook in het Centrum Opvang Korte duur (COK) kunnen sans-papiers tegen betaling terecht voor crisisopvang. Maar ook hier geldt dat de nood het aanbod sterk overstijgt.
Binnen de thuislozenzorg worden geen aparte registratiegegevens met betrekking tot mensen zonder wettig verblijf bijgehouden. Het is dus erg moeilijk in te schatten hoeveel sans-papiers terechtkomen in de opvangcentra en hoe lang ze er (kunnen) verblijven. Uit de ervaringen van een Brussels project kunnen we echter wel een aantal lessen trekken.4 Het voornaamste knelpunt in de onthaalsector blijkt het betalen van de dagprijs te zijn. De thuislozenzorg kan geen specifiek beleid voeren ten aanzien van sans-papiers zonder (of met een zeer klein) inkomen.5 Er bestaan in de residentiële centra geen algemene richtlijnen voor de opvang van mensen zonder wettig verblijf. In de praktijk hangt deze opvang af van individuele beslissingen in het centrum, waarbij eventueel een aantal plaatsen, beperkt in tijd, vrijgehouden worden voor mensen zonder of met een uiterst beperkt inkomen en waarbij de verblijfskosten ten laste vallen van de eigen werking.
Hoewel nergens in de sociale huurreglementering melding gemaakt wordt van een nationaliteitsvereiste of een machtiging tot verblijf, blijkt de toegang tot de sociale huisvesting voor mensen zonder wettig verblijf vooralsnog zo goed als onmogelijk. Door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (VHM) werd een telex verspreid naar alle sociale huisvestingsmaatschappijen waarin de toegang tot de sociale huurwoningen aan mensen zonder wettig verblijf wordt ontzegd.

De private huurmarkt

Aangezien het georganiseerde aanbod voor mensen zonder wettig verblijf zeer beperkt is, is het overgrote deel van deze mensen aangewezen op de private huurmarkt. In het onderzoek werd getracht een beeld te krijgen van hun huisvestingssituatie. Dit gebeurde onder meer via gesprekken met bevoorrechte getuigen, mensen die via hun professionele bezigheden regelmatig met onmenselijke woonomstandigheden worden geconfronteerd. Daarnaast werden verschillende woningen bezocht en werden een aantal interviews afgenomen bij mensen die illegaal in het land zijn.
Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten is enige voorzichtigheid geboden. Het gaat namelijk om een steekproef die uitgevoerd werd in een relatief kleine groep mensen. De mensen die bereikt werden voor het onderzoek zijn gekend bij de vluchtelingenorganisaties en vroegen dus reeds om hulp. Daarnaast bestaan er natuurlijk ook nog mensen zonder wettig verblijf die zichzelf behelpen en niet gekend zijn bij de organisaties. Hoewel vóór het afnemen van het interview de redenen van het onderzoek duidelijk uiteengezet werden, is het steeds mogelijk dat de mensen om verscheidene redenen hun verhaal niet volledig eerlijk hebben durven of willen brengen.
Uiteindelijk werden 23 interviews afgenomen bij zeven huurders in het project, tien kandidaat-huurders voor het project en zes andere mensen zonder wettig verblijf die niet ingeschreven waren maar wel bereid gevonden werden over hun huisvesting te getuigen.

Profiel. Opvallend is dat in dit project vooral Afrikaanse sans-papiers, en in het bijzonder Kongolese, bereikt werden. In de statistieken van de regularisatieaanvragers in Antwerpen (de enige statistische indicator die we hebben inzake mensen zonder wettig verblijf) komt deze groep immers maar op de zesde plaats, ver na de Marokkanen en de Turken. Wat de verblijfsduur betreft, blijken de mensen die in dit onderzoek aan bod kwamen reeds lang in België te zijn (gemiddeld meer dan 8 jaar). Eén van de geïnterviewden verblijft reeds 17 jaar in het land. De gemiddelde leeftijd bedroeg 37,5 jaar; de leeftijd schommelde voornamelijk tussen de 24 en de 52 jaar. Als we daarnaast de gemiddelde verblijfsduur in België bekijken, acht jaar en drie maanden, dan lijkt het erop dat velen eind in de twintig waren toen ze in België toekwamen.

Huisvestingsverleden. Mensen zonder wettig verblijf worden vaak gedwongen te verhuizen. De ondervraagden waren, op een gemiddeld verblijf van acht jaar, gemiddeld bijna vijf keer van adres veranderd! Een jongeman die tien jaar in België is, veranderde reeds twaalf keer van adres, periodes van dakloosheid inclusief. In het interview werd getracht de verschillende vormen van huisvesting tijdens het verblijf in België in kaart te brengen. Hoewel 20 van de 23 mensen op een bepaald moment een eigen huurwoning hadden, en in totaal de helft van de verblijfsperiode in een eigen woning werd doorgebracht, zien we dat er bij bijna iedereen in de loop van deze periode verschillende andere vormen van huisvesting zijn geweest. Zo zijn er slechts drie ondervraagden die gedurende de hele periode van verblijf een eigen (huur)woning hebben gehad. Alle overigen hebben andere oplossingen moeten vinden. Het vaakst voorkomende patroon dat kon worden opgemaakt uit de volgorde van huisvesting, is het volgende:
- Bij aankomst in België: verblijf in een asielcentrum.
- Betrekken van een eigen woning.
- Zodra de asielprocedure is uitgeput en de uitkering wegvalt: andere vormen van onderdak. Een gedeelde woning met meerdere huishoudens of intrekken bij vrienden zijn de meest voorkomende oplossingen.
- Hierop wordt meestal opnieuw een eigen woning betrokken. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de emotionele spanningen en de uitputting van solidariteit (vaak door de uitzichtloosheid van de situatie) van diegenen waarmee een woning gedeeld wordt, mensen ertoe dwingen een eigen woning te zoeken en een (min of meer succesvolle) overlevingstrategie uit te werken.

In hun huisvestingsgeschiedenis heeft bijna de helft van de ondervraagden ooit huurachterstallen gehad. Vaak met als gevolg dat zij gedwongen werden te verhuizen. Woningen van betere kwaliteit hebben vaak een hogere huurprijs, waardoor de kans op achterstallen vergroot. Mensen zonder huurachterstallen, vonden onderdak in woningen van slechte tot zeer slechte kwaliteit. De indicatoren voor kwaliteit zijn de rationele bezetting (de verhouding tussen de oppervlakte van de woning, het aantal vertrekken en het aantal bewoners) en de staat van de woning (onderhoud, uitrusting, voorzieningen). Uit het onderzoek blijkt dat de huidige of vorige woning van 17 van de 23 ondervraagden niet aan de geldende norm voor rationele bezetting voldoet. Zeven mensen wonen zelfs in een woning die meer dan de helft te klein is voor het aantal bewoners. Elf van de te kleine woningen vertonen bovendien enkele zware tot zeer zware gebreken.6
De gemiddelde huurprijs die voor de omschreven woningen wordt betaald ligt tussen de 5.000 en 10.000 BEF. Het gemiddelde inkomen van de geïnterviewden in aanmerking genomen (ook daarnaar werd geïnformeerd) is het zo goed als onmogelijk voor deze mensen om regelmatig huur te betalen. Opvallend is dat, ondanks de problemen die hierboven werden aangehaald, de tevredenheid over de woningen niet slecht was. Gemiddeld stond men neutraal tot licht ontevreden tegenover de woning, hoewel een aantal ook expliciet hun tevredenheid over bepaalde aspecten uitdrukte. Men zou kunnen veronderstellen dat deze mensen geen hoge eisen stellen voor een woning omdat ze zich bewust zijn van het feit dat een betere woning voor hen onbetaalbaar is. Het is eveneens mogelijk dat ze in het verleden in nog slechtere omstandigheden gehuisvest waren en zich daardoor gemakkelijker kunnen neerleggen bij hun huidige situatie.

Enkele concrete voorbeelden

Afhankelijkheid van vrienden. Een alleenstaande man uit Kongo, woont bij een vriend en diens neef in. Hij heeft een dochtertje, maar die is op het moment bij de moeder; vader en dochter zien elkaar in het weekend. Zodra de vader eigen bestaansmiddelen heeft, hoopt hij zijn dochter terug te kunnen opvoeden. Deze man heeft geen enkel inkomen. Hij is reeds sinds 1991 in België, sinds 1995 zonder papieren. Hij wacht op een uitspraak voor zijn regularisatie. Om geen risico te lopen om gepakt te worden, heeft hij sinds zijn aanvraag geen zwartwerk meer durven uitvoeren. Daardoor zijn z’n inkomsten op het moment van het gesprek reeds 10 maanden nihil. Hij woont bij een vriend en kan daar ook eten krijgen. Overdag blijft hij zoveel mogelijk buiten om zijn weldoener geen last te bezorgen. Hij is bang dat zijn vriend hem elk moment kan buiten zetten als de beslissing in zijn regularisatieaanvraag nog lang op zich laat wachten.

Dakloosheid. Een jonge Burundees (24 jaar) leeft zonder vast adres. Buiten Antwerpen kent hij een Burundese vrouw, die met een Belg getrouwd is. Zij was zo vriendelijk hem te helpen. Maar aangezien hij een taalcursus in de stad volgde en geen geld had voor het vervoer, verbleef hij in Antwerpen gedurende de week. In het weekend kan hij terecht bij dit gezin. In Antwerpen kan hij soms bij een vriend terecht, die in een kelder woont, maar als diens vriendin er is staat de jongen op straat en is hij dakloos. Hij vertelt dat zijn situatie nu zo uitzichtloos is, dat hij zich regelmatig zwaar bedrinkt om zijn problemen te vergeten. De persoonlijke begeleider van de jongen vertelde ook dat hij op dit moment zwaar mentaal lijdt onder zijn situatie. Hij vroeg regularisatie aan - op het adres van de vluchtelingenorganisatie -, maar komt waarschijnlijk niet in aanmerking aangezien hij nog maar drie jaar in België verblijft.

Overbevolking. Een Kongolees, die reeds acht jaar in België verblijft, is gehuwd en heeft twee kinderen. In de loop van de acht jaar in België is hij wel zeven keer van woonplaats veranderd. Deze veranderingen hadden vooral te maken met zijn verblijfsstatuut. Als zijn aanvraag in behandeling was, en hij een uitkering van het OCMW kreeg, had hij de kans om met zijn gezin een treffelijke woning te huren. Zodra deze steun verviel moest hij verhuizen, aangezien hij geen huur meer kon betalen. Toen hij in een woning van een van de vrijwilligersinitiatieven terechtkon, is hij daar na een jaar vertrokken omdat hij opnieuw OCMW-steun verkregen had, wat evenwel niet lang geduurd heeft. In die periode is het gezin ook vaak uiteen gegaan, omdat verschillende gezinsleden bij verschillende kennissen onderdak konden vinden, maar niemand genoeg plaats had om het hele gezin op te vangen. Op het moment van het interview woonde het gezin in een kamertje van 3 op 5 meter. Dit betekent dat de gezinsleden overdag voornamelijk buiten leven. ’s Avonds, als de bedden gespreid zijn, is de ruimte volledig ingenomen en de deur door matrassen geblokkeerd.

Huisvesting als voorwaarde om te kunnen werken aan oriëntering

Zoals reeds aangehaald, werden in het kader van het project ook (zeven) woningen ingehuurd om huisvesting te bieden aan mensen zonder wettig verblijf. De doelstelling hier was enerzijds na te gaan welke rol een sociaal verhuurkantoor kan spelen in de huisvesting van mensen zonder wettig verblijf en anderzijds na te gaan hoe het aanbieden van stabiele huisvesting kan bijdragen tot (het werken aan) een verbetering van de (verblijfs)situatie van de betrokkenen.
Door het dagelijks bestuur van het huisvestingsproject werden toelatingsvoorwaarden uitgewerkt die daarna door de stuurgroep werden goedgekeurd. Sociale diensten konden mensen zonder wettig verblijf die aan deze voorwaarden voldeden inschrijven als kandidaat-huurders. De voorwaarden zijn: 1) de kandidaat-huurder moet zich in een noodsituatie bevinden; 2) de kandidaat-huurder moet minimaal drie maanden in begeleiding zijn bij de sociale dienst die de aanvraag tot inschrijving doet en 3) Hij of zij moet een perspectief hebben. Dat kan zijn: regularisatie van verblijf in België, betwisting van een negatieve asielbeslissing bij de Raad van State, heropening van het dossier of een nieuwe asielprocedure indien er bijkomende elementen kunnen aangebracht worden, terugkeer naar het land van herkomst en emigratie naar een derde land.
Daarnaast wordt ook gekeken naar de actuele huisvestingssituatie, de gezinssituatie en de rationele bezetting van de beschikbare woning. Volgens bovenstaande criteria werden in totaal 23 mensen (volwassenen en kinderen) gehuisvest.

Zelfredzaamheid en een perspectief voor de toekomst

Twee doelstellingen waren erg belangrijk: het vergroten van de zelfredzaamheid van de sans-papiers en het werken aan een concreet toekomstperspectief.

Zelfredzaamheid. Bij de verschillende bewoners zien we soms tegengestelde evoluties. Hoewel de huurders allen in de regularisatieprocedure zitten, en dus in principe kunnen werken, is geen van hen erin geslaagd een vast inkomen te verwerven. Een aantal van de bewoners zijn wegens hun gezondheid weliswaar niet in staat zwaar fysiek werk uit te voeren. Toch zien we ook dat sommige mensen door een gewenning aan de jarenlange afhankelijkheid verleerd hebben zelf initiatief te nemen. Aangezien hun meest precaire probleem, m.n. huisvesting, voorlopig geregeld is, blijkt de nood om verder aan de toekomst te werken niet zo groot. Het aanslepen van de regularisatieprocedures en de slopende onzekerheid daaromtrent lijkt voor sommigen een extra reden te zijn om een afwachtende houding aan te nemen.
Positief dan weer is het voorbeeld van een alleenstaande vrouw met een zwakke gezondheid die jarenlang bij kennissen heeft moeten wonen en, aangezien ze financieel van hen afhankelijk was, daarover met grote schuldgevoelens zat. Sinds ze via het project gehuisvest is, is ze een naaicursus begonnen en volgt zij opnieuw Nederlandse lessen. Ze is zich ervan bewust dat ze zonder taalkennis geen werk zal vinden, aangezien haar fysieke toestand geen zwaar werk toelaat.

Toekomstperspectief. Alle mensen in het project hebben een regularisatieaanvraag ingediend en maken een grote kans een positieve beslissing te krijgen. Hierdoor werd een van de voornaamste doelstellingen van het project - m.n. nagaan of via het aanbieden van huisvesting makkelijker aan een toekomstperspectief kan worden gewerkt -, feitelijk doorkruist. Werken aan een perspectief was op het ogenblik van de huisvesting minder prangend omdat toen al duidelijk was dat alle bewoners in aanmerking kwamen voor regularisatie. Wel moest er in januari 2000 een kwalitatief sterk regularisatiedossier worden ingediend en moesten de mensen voorbereid worden op een legaal verblijf in België. Dat gebeurde door de vluchtelingenorganisaties. Anderzijds zorgt dit project ervoor dat mensen met een goede kans op regularisatie in afwachting van een beslissing minstens over een stabiele huisvesting kunnen beschikken. Voor vele andere regularisatieaanvragers is dit geen evidentie: ze kunnen geen beroep doen op financiële steun van het OCMW en werk vinden ligt niet voor iedereen voor de hand.

Enkele conclusies

Intensieve opvolging. Huisvesting van mensen zonder wettig verblijf vereist een intensievere opvolging dan men in een sociaal verhuurkantoor voor de reguliere werking nodig acht. De doelgroep blijkt door de lange onzekere woonsituatie uit het verleden op vele vlakken hulpelozer te zijn. Dit geldt voornamelijk voor alleenstaande vrouwen voor wie de kleinste technische taakjes al leiden tot een hulpvraag aan de woonbegeleider.
Enerzijds kan dit verklaard worden doordat deze mensen in onze maatschappij nog amper zelfstandig gewoond hebben en zich dus zeer onzeker voelen rond technische aangelegenheden. Anderzijds is er het gebrek aan een sociaal netwerk waar men gewoonlijk voor zulke dingen op kan terugvallen. Mogelijk is er ook een pervers gevolg van het hulpverleningsaanbod. Wanneer hulpverleners steeds ingaan op de specifieke noden van hulpvragers, is het gevaar reëel dat er op den duur een soort gewenning ontstaat, waardoor men steeds afhankelijker wordt.
Er is in ieder geval nood aan het bevorderen van de zelfredzaamheid en het betrekken van de mensen zonder wettig verblijf in het oplossen van problemen vanuit een emancipatorisch perspectief. Het is precies hier dat overeenkomstig zijn doelstellingen en werkwijze een sociaal verhuurkantoor een belangrijke rol kan spelen, door bv. mensen te betrekken bij kleine en grote herstellingen, of door gemeenschappelijke vormingsmomenten en vergaderingen rond specifieke huisvestingsthema’s te organiseren.

Financiële onzekerheid. Een ander knelpunt blijft het bepalen en betalen van de huurprijs en de kosten voor energie. Het is heel moeilijk een zicht te krijgen op de inkomenssituatie van de huurders. Enerzijds bestaat het gevaar dat door het volledig betalen van energiefacturen verkeerdelijk het signaal wordt gegeven dat gas en elektriciteit gratis zijn, waardoor men zich niet meer als verantwoordelijke voor de kosten van energieverbruik gaat zien. Anderzijds verkeren sans-papiers vaak niet in de mogelijkheid om deze kosten te betalen. In de huisvesting van mensen zonder wettig verblijf moet dus steeds de vermogendheid en de verantwoordelijkheid van betrokkene tegen elkaar afgewogen worden.

Onduidelijkheid over de procedures en perspectieven. De regularisatiecampagne is een goed voorbeeld van een reëel perspectief dat langer op zich laat wachten dan op voorhand ingeschat kon worden. Dat maakt dat een perspectief op legaal verblijf, mogelijk ook in de toekomst, een (jaren)lang proces van wachten inhoudt. Voor een huisvestingsproject is dat een moeilijke zaak: het aanbieden van jarenlange huisvesting aan één gezin betekent - indien de beschikbare middelen beperkt zijn - dat er maar weinig doorstroming mogelijk is.

Rol van de Vlaamse en de Antwerpse overheid

Onze ervaringen met de ICEM-werkgroep voor opvangbeleid leren dat de Vlaamse overheid zich enerzijds wel bewust is van het feit dat het belangrijk is voor deze doelgroep een beleid uit te werken. Maar langs de andere kant ervaren we toch ook een gebrek aan belangstelling en/of politieke wil. Dit drukt zich onder meer uit in het groot aantal verontschuldigingen op de vergaderingen van de werkgroep. Het feit dat er binnen de verschillende departementen, met uitzondering van het departement ‘Welzijn’, nog niemand als verantwoordelijke is aangesteld voor de opvolging van het minderheden- en dus ook het opvangbeleid, is hier waarschijnlijk niet vreemd aan.

Eén van de voorstellen die in de ICEM-werkgroep naar voor werd gebracht, is dat van een huisvestingsfonds voor mensen zonder wettig verblijf. Op basis van de ervaringen in het project én inspelend op het voornemen van de Vlaamse overheid om een opvangbeleid voor mensen zonder wettig verblijf te voeren, werd door de Koepel Sociale Verhuurkantoren (ASVK en Huurdersunie) in samenwerking met het Vlaams Overleg Bewonersbelangen (VOB) een voorstel uitgewerkt waarbij de mensen in de reguliere werking van SVK’s opgenomen worden, maar waar de kosten van de huur (tijdelijk) vergoed worden door een fonds.
Mensen zonder wettig verblijf komen binnen de huidige criteria voor de toewijzing van een woning bij een sociaal verhuurkantoor - theoretisch althans - vaak in aanmerking. Noch in het oude, noch in het toekomstige SVK-besluit wordt het bezitten van een verblijfsvergunning als voorwaarde gesteld. In de praktijk vallen zij nu echter uit de boot, aangezien er geen enkele zekerheid is dat de huur betaald zal worden en de SVK’s dit risico niet kunnen nemen, omdat zij geen middelen hebben om zulke inkomensderving te compenseren.
Om in aanmerking te komen voor een vergoeding door het fonds, moeten de mensen zonder wettig verblijf zich engageren voor een intensieve begeleiding. Zo’n fonds zou voor maximum één jaar de volledige huurgelden kunnen vergoeden. Indien mogelijk worden met de huurder afspraken gemaakt waarbij zijn of haar bijdrage in de huurprijs in de loop van het traject oploopt. Zo kunnen de middelen van het fonds gespreid ingezet worden, en kan voor meer dan één jaar ondersteuning geboden worden. Het huisvestingsfonds kan in de administratie Huisvesting beheerd worden, naar analogie van de huursubsidie. Indien 5% van het totaal aantal woningen in beheer van alle erkende en gesubsidieerde sociale verhuurkantoren in Vlaanderen in gebruik wordt genomen door sans-papiers (dit betekent 38 woningen), dan komen we, de huidige verdeling van huurprijzen in acht genomen, tot een totale (jaarlijkse) kost voor het fonds van 4.229.400 fr.
Het minderhedendecreet stipuleert dat de Vlaamse overheid een opvangbeleid wil voeren voor mensen zonder wettig verblijf die wegens hun noodsituatie opvang of bijstand vragen en dit met het oog op opvang én oriëntering van deze groep mensen. Het voorstel voor de oprichting van een huisvestingsfonds geeft hieraan een eerste concrete invulling. Zo’n fonds moet het mogelijk maken om voor (een deel) van deze groep mensen waarvoor op korte termijn geen oplossing kan gevonden worden voor hun verblijfssituatie, op te vangen en de nodige stabiliteit te bieden om zich te oriënteren.
Onze ervaring met de zoektocht naar stedelijke middelen voor de voortzetting van het huisvestingsproject leert dan weer dat werken voor de doelgroep ‘mensen zonder wettig verblijf’ erg gevoelig ligt bij de Antwerpse overheid. Nochtans zijn wij van oordeel dat het voorzien in opvang en oriëntering van mensen zonder wettig verblijf kan bijdragen tot het vinden van een antwoord op de illegale verblijfssituatie en tot een vermindering van de druk op een aantal wijken in Antwerpen, waar heel wat mensen zonder wettig verblijf in schrijnende omstandigheden verblijven. Het huisvestingsproject is daar gedeeltelijk een illustratie van. Het vormt ook een voorbeeld van hoe belangrijk partnerschap en het uitbouwen van een netwerk zijn om te kunnen werken aan de oriëntering van mensen zonder wettig verblijf. De ondersteuning van zo’n netwerk, lijkt ons net de taak van de betrokken overheden.

Foto: Huurdersblad

Noten
1. ngo’s - en de betrokkenen zelf - nemen niet graag de door de overheid vaak gebruikte term ‘illegalen’ in de mond, zij gaan ervan uit dat mensen niet ‘illegaal’ [‘onwettig’] kunnen zijn; enkel hun verblijf is onwettig. Daarom spreekt men van ‘mensen zonder wettig verblijf’. Het is ook de term die verder in het artikel overwegend gehanteerd zal worden.
2. Een enquête van Kerkwerk Multicultureel Samenleven bij 340 mensen zonder papieren leert dat maar 57% van hen een regularisatieaanvraag had ingediend.
3. “Migranten op de woningmarkt”, L. Goossens, A. Vanhove, VOB, Antwerpen , oktober 1997, p. 224.
4. “Recht op onderdak voor mensen zonder wettig verblijf”, Steunpunt Mensen Zonder Papieren vzw.
5. In de thuislozenzorg is in principe de hulpverlening gratis, maar zijn de verblijfskosten ten laste van de cliënt. Voor onvermogende cliënten sloot Thuislozenzorg Vlaanderen in 1993 met de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten een protocol af. Dat bepaald dat voor deze groep mensen aan het bevoegde OCMW gevraagd wordt voor een tussenkomst in de dagprijsvergoeding. Mensen zonder wettig verblijf hebben echter (bijna) nooit recht op maatschappelijke dienstverlening van het OCMW.
6. De kwalificatie van de staat van de woning gebeurt op basis van inschatting van de interviewer, ofwel zelf ter plaatse, ofwel aan de hand van de beschrijving van de respondent.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 5 (mei), pagina 24 tot 34