Log in

Hoe sympathiek is het Israëlisch misverstand?

Het geplande bezoek van Sharon aan het Belgische parlement

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 8 tot 16

Enkele maanden geleden verscheen in het Nederlandse dagblad de Volkskrant een opusculum van Leon de Winter waarin hij de creatie van de Israëlische staat in 1948 rechtvaardigde als een ‘sympathiek misverstand’.1 Leon de Winter schuwt in zijn rechtvaardiging de platitudes en scheeftrekkingen niet. Voor de goede orde worden hier en daar wel wat nuanceringen aangebracht, ook de Winter moet immers nog rustig kunnen toeven in de trendy etablissementen binnen de Amsterdamse grachtengordel, waar de publieke opinie hoe langer hoe minder pro-Israëlisch is.

Zo gruwt ook de Winter, pro forma zoals nog blijken zal, van de zinloze moorden op Palestijnse kinderen en heeft hij voor individuele Palestijnen wel eens een gevoel van sympathie. Leon de Winter is dus de kwaadste nog niet...
Desniettemin besluit de Winter dat zijn hart toch meer uitgaat naar de Israëlische soldaat, wiens opdracht tegenwoordig luidt shoot to kill, dan naar de veelal jeugdige Palestijnse stenengooiers. Israëlische militairen zouden immers geen genoegen scheppen in het neerschieten van Palestijnse kinderen - gelukkig maar dacht ik even - maar zouden kwansuis hetzelfde normbesef hebben als u en ik. Op deze manier insinueert de Winter dat ook wij de trekker zouden overhalen wanneer kinderen stenen naar onze hoofden mikken. Het hoeft geen betoog dat volgens de auteur het normbesef aan Palestijnse zijde helemaal anders is (versta wellicht: ‘minder ontwikkeld’) want daar gelooft men nog dat men ‘als helden naar Allah gaat en 144 maagden ter beschikking krijgt’ wanneer men in de strijd tegen de ‘zionistische vijand’ wordt gedood. De boodschap is in ieder geval niet mis te verstaan: tussen Israëli’s en Palestijnen is er geen sprake van gedeelde normen. Israëlische militairen vervullen slechts een nare plicht, waartoe zij gedwongen worden door de perfide Arabieren. In het taalgebruik van de Winter zijn het trouwens alleen de Palestijnen die actief als agressor fungeren terwijl bij de Israëli’s het geweld louter defensief zou zijn (en daardoor vermoedelijk meer gelegitimeerd). Tegen zoveel onzin is uiteraard geen kruid gewassen. Louter ter informatie geef ik u daarom even de naakte cijfers mee. In de periode van de eerste intifada (1987-1993) werden niet minder dan 1.087 Palestijnen door Israëlisch veiligheidspersoneel gedood. Niettegenstaande de 144 maagden die volgens de Winter als lokmiddel worden gebruikt om steeds nieuwe contingenten Palestijnen in de strijd tegen de ‘zionistische duivel’ te werpen, stierven in diezelfde periode 100 Israëlische soldaten door Palestijns geweld. Verhoudingsgewijs sterft in een confrontatie dus 1 Israëli op bijna 11 Palestijnen.2 Voor mij zijn dat nog steeds 12 mensen te veel.

In het algemeen zijn er drie bodemargumenten waarop het bestaansrecht van Israël wordt gegrondvest, met name de morele overweging dat Israël als abri dient tegen het antisemitisme, het theologisch argument dat Israël als beloofd land de joden rechtmatig zou toekomen en het politieke bewijs dat Israël als lichtbaken der democratie fungeert in een zee van Arabisch despotisme. Een vierde argument dat vaak als ondersteuning wordt aangebracht is de economische overweging dat Israël de woestijn heeft doen bloeien, een Wirtschaftswunder in het Midden-Oosten als het ware.

Leon de Winter bouwt zijn pleidooi ook aan de hand van dit argumentarium op. Met name de laatste twee overwegingen moeten zijn stelling bewijzen dat Israël als misverstand minimum minimorum sympathiek is. Ook de Winter houdt dus de mythe in stand dat de joden sedert hun aankomst in de Levant de woestijn hebben doen bloeien. Toch kan het niet ontkend worden dat ook vóór de eerste aliyah (1882-1903) naar het beloofde land de Palestijnse economie aardig presteerde en sterk gericht was op de export naar omliggende landen en naar Europa.3 De argumentatie dat Israël het dorre land heeft ‘omgetoverd in een groenten- en fruitexporterende natie’ negeert duidelijk de negentiende-eeuwse bronnen waaruit het tegenovergestelde blijkt. Zonder twijfel hebben de joodse kolonisten sedertdien de bodemontginning geperfectioneerd. Waar de bodem vroeger dor en doods was, vindt men ook vandaag nog geen sappige en vruchtbare poldergrond.

Hét argument dat ook voor de Winter het bestaansrecht van Israël legitimeert is het democratisch deficit dat de politieke regimes van de omliggende Arabische landen kenmerkt. Het spreekt voor zich dat Israël door de protagonist wél als een democratie wordt beschouwd die, net als de Europese democratieën, geënt is op ‘een sociaal-liberaal gedachtegoed dat sinds de Tweede Wereldoorlog de Europese welvaart en vrijheid zo sterk heeft bepaald’. Het restant van het betoog is nog meer aanstootgevend en getuigt van een paternalistische en zelfs racistische visie op de Arabische gemeenschap in het algemeen en op de pogingen van de Palestijnen tot natievorming in het bijzonder. Leon de Winter verwacht van deze natievorming niet veel goeds, gelet de wijze waarop het Arabische ommeland haar staatshuishouding organiseert, ‘met name autoritair en corrupt, geleid door een militair-economische elite […], beheerst door feodaal en etnisch machtsdenken, zwanger van extreme islamitische groeperingen die in staat van oorlog met het Westen verkeren.’ De Palestijnen doen uiteraard wat ze willen besluit een genereuze de Winter: zij zijn ‘vrij (sic!) om hun eigen vorm van samenleven te kiezen, ook al is die corrupt en ondemocratisch’ hoewel deze natievorming volgens de auteur ontegenzeglijk zal betekenen dat er een ‘nieuwe zorg wordt toegevoegd aan de lange lijst Arabische zorgenstaten.’ Economische wonderen zijn van een afzonderlijke Palestijnse staat immers niet te verwachten ‘als men oog heeft voor de werkelijkheid van de Arabische wereld.’

Helemaal ontstellend wordt het betoog wanneer de Winter zijn antipathie voor de Palestijnen baseert op een gebrek aan democratische en emancipatorische inspanningen die hun strijd tot op heden kenmerkt. Het democratisch gehalte van de Palestijnse samenleving is inderdaad laag, vooral omdat de Palestijnse veiligheidsdiensten elke vorm van dissidentie tegen het heersende regime vervolgen.4 De vraag blijft uiteraard in welke mate dit beleid gesteund wordt door de Palestijnse bevolking van wie de eerste zorg nog steeds overleven is. De pogingen van het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) om de levensstandaard van haar onderdanen en het democratisch karakter van haar samenleving te verhogen zijn inderdaad lamentabel te noemen. Het lijdt evenmin twijfel dat de Palestijnse autoriteiten meer oog hebben gehad voor het opzetten van een (monopolie)stelsel dat de politieke en economische elite en niet zozeer de bevolking is ten goede gekomen. De deductie hieruit dat de Palestijnse zaak geen sympathie verdient, is echter naast de kwestie. Essentieel is dat de Palestijnen een verdrukt volk zijn dat het recht op zelfbeschikking én op een eigen grondgebied ontbeert. Op welke wijze zij dit grondgebied juridisch organiseren is in eerste instantie een interne aangelegenheid, dat Israël (of derde landen) wel kan aangrijpen om al dan niet handelsrelaties aan te knopen of geldelijke steun te verlenen, maar niet om de status-quo te bepleiten teneinde de ondergeschiktheid van de Palestijnen in de onderlinge verhouding te bestendigen.

Het is bedenkelijk dat de Winter de Palestijnen beschuldigt maar zich op geen enkel ogenblik afvraagt welk aandeel de Israëlische bezetter heeft in de gang van zaken. In globo is de Palestijnse economie immers volledig afhankelijk van Israël dat nooit enige goodwill heeft getoond om de Palestijnen in hun economische opbouw te helpen. Vóór de semi-onafhankelijkheid die de Gaza-strook en de westelijke Jordaanoever in 1993, ten gevolge van de Oslo-akkoorden, te beurt vielen, heeft Israël er de economische infrastructuur volledig laten teloorgaan.5 Nà 1993 heeft Israël eveneens een economisch reveil verhinderd onder andere door haar arbitraire politiek om de Palestijnse gebieden van de buitenwereld af te sluiten waardoor zij de arbeids- en goederenstromen blijvend kan manipuleren. De herhaalde toepassing van deze isolatietechniek heeft de laatste jaren tot een nog verdere economische achteruitgang geleid.6 Naast een politiek van afsluiting voert Israël vandaag ook een politiek van obstructie: het Palestijns territorium is immers erg versnipperd en wordt gescheiden door Israëlische zones en wegen. Deze versnippering heeft tot gevolg dat Palestijnse dorpen worden gescheiden van hun akkers en van hun afzetmarkten in de steden. Bovendien kunnen de Palestijnen zich enkel verplaatsen wanneer de Israëli’s hiertoe een vergunning afleveren en zij zich naderhand onderwerpen aan kafkaiaanse militaire controles waar ladingen keer op keer worden gecontroleerd. De gevolgen van deze obstructiepolitiek zijn desastreus: een traject dat voor 1993 een uur in beslag nam, duurt vandaag soms meer dan acht uur!7

Wat men de Winter niet kan verwijten is dat hij in zijn schotschrift een blad voor de mond neemt. De waarheid gebiedt dat zijn kritiek ook vaak terecht is. Het democratisch gehalte van de Arabische wereld is inderdaad opvallend laag. De PLO hééft gedurende jaren een luilekkerleventje geleden in Tunis terwijl het volk wiens bevrijding het beoogde in kommer en kwel leefde (en nog leeft). De Arabische broedervolkeren zijn, alle retoriek ten spijt, tot op vandaag weinig gastvrij voor de Palestijnse vluchtelingen die zij onderdak bieden. Toch is het geheel niet overtuigend omdat de setting van Leon de Winter door een anachronistisch kolonialisme wordt gekenmerkt, waarbij de blanke (in casu joodse) man wordt voorgesteld als diegene die welvaart en democratie brengt in elke negorij ter wereld. De stap naar een discours dat gekenmerkt wordt door lugubere begrippen als übermenschen en Untermenschen is me dunkt dan niet meer veraf.

Bovendien neemt de Winter de gelegenheid niet te baat even in te gaan op het democratisch karakter van Israël waarop het zich zo graag beroemt en beroept. Nog niet zo lang geleden (1987) werd door een commissie onder leiding van Moshe Landau, rechter bij het hooggerechtshof, een aantal richtlijnen uitgewerkt waaraan de Israëlische politionele diensten zich moesten houden wanneer zij op gevangenen ‘een beperkte mate van lichamelijke druk uitoefenen’. Zo werden sedert de aanvang van de eerste intifada tienduizenden Palestijnen het slachtoffer van willekeurige aanhoudingen of administratieve opsluiting zonder aanklacht of proces en uiteraard ook van folterpraktijken. Wie hoopte op beterschap na de ratificatie van Israël op 3 oktober 1991 van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de conventie tegen folteringen en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, kwam bedrogen uit. De richtlijnen van de commissie-Landau werden weliswaar lichtjes aangepast, de plichtsbewuste politiebediende beschikte nog steeds over een waaier van mogelijkheden om de vraagstelling met de nodige kracht te formuleren. Ook vandaag nog blijven de Israëlische veiligheidsdiensten tijdens ondervragingen systematisch folteren; een praktijk die nog in 1999 door het Israëlisch hooggerechtshof de facto werd gelegitimeerd op voorwaarde dat zij bij wet zal worden geregeld en in overeenstemming zal zijn met de Israëlische basiswetgeving inzake mensenrechten.8 Het argument dat ook de Palestijnen folteren is niet ter zake omdat Israël pretendeert een democratische rechtsstaat te zijn en elke vorm van folteren, hoe eufemistisch deze activiteit ook wordt verwoord, haaks staat op de gepretendeerde staatsordening.

Echt interessant wordt het betoog van de Winter wanneer hij de toewijzing van het joodse tehuis in ‘een uithoek’ (de terminologie is niet zonder belang) van het Ottomaanse rijk analyseert en besluit dat ‘de Palestijnen en de Arabieren’ gelijk hebben wanneer zij concluderen dat ‘de Europese joden cultureel geen wortels hebben in Palestina’.9 Toch leidt ook deze nuance nooit naar een geïnspireerd pleidooi om de joodse familie met haar Palestijnse neefjes (Abraham is immers hun aller vader) te laten verbroederen. Zij inspireert de Winter enkel tot de vaststelling dat Israël een ‘historisch misverstand’ zou zijn, wat voor de auteur een reden te meer is om er sympathie voor te hebben. Het is een wat zwakke afsluiter in een opmerkelijk betoog dat enkel aantoont dat de Winter de oprichting en het optreden van Israël niet op rationele argumenten kan motiveren.

Het is duidelijk dat pleidooien in deze stijl nooit tot een oplossing van het conflict zullen bijdragen. Zij getuigen van een blindheid voor het eigen optreden, waarbij de schuldigen altijd de anderen zijn. Op geen enkel ogenblik besteedt de Winter aandacht aan de georganiseerde achterstelling die de Palestijnen treft, zelfs wanneer zij de Israëlische nationaliteit bezitten. Tot nader order kunnen zij niet studeren wat ze willen, worden zij slechts zelden in overheidsdienst aangenomen, en hebben zij geen recht op kinderbijslag. Evenmin bekritiseert de auteur het Israëlische beleid dat sedert zijn ontstaan in 1948 gebaseerd is op een politiek waarbij de Palestijnse bevolking het slachtoffer wordt van etnische zuiveringen, van uitdrijvingen, van structurele achterstelling, van willekeurige aanhoudingen en van standrechtelijke executies. Bovendien heeft de Winter geen oog voor de banaliteit van het kwade dat het Israëlische optreden vaak kenmerkt.10

Daarom is het betoog van Leon de Winter zo belangrijk. Het geeft het bewijs dat zelden aan introspectie wordt gedaan en men telkenmale de schuld legt bij ‘de andere’. Tot voor kort was het meest gebezigde argument om het bestaan van Israël te rechtvaardigen de schandelijke wandaden die de joden gedurende vele eeuwen hebben moeten ondergaan, een proces dat culmineerde in de genocide tijdens de tweede wereldoorlog. Recent wordt steeds meer aandacht besteed aan het argument dat Israël temidden van vijandige moslimdictaturen de democratie in het Midden-Oosten zou vertegenwoordigen. Het is een argument dat voortbouwt op het groeiende wantrouwen jegens de moslimgemeenschap dat de West-Europese en Amerikaanse publieke opinie kenmerkt maar verder volkomen irrelevant is. Enkele uitzonderingen daargelaten heeft het democratisch deficit nooit een goede verstandhouding tussen de westerse wereld en de Arabische staten verhinderd; zo vitaal kan het democratie-argument dus niet zijn.

De oprichting van Israël is inderdaad een historisch misverstand. Vandaag is zijn bestaan echter een fait accompli. Ook de Arabische erfvijanden beseffen dat, alle retoriek ten spijt, verder palaveren de ‘zionistische vijand’ niet in zee zal drijven. Daarvoor is Israël militair veel te machtig en weet het zich gesterkt door de westerse, maar bovenal Amerikaanse, politieke en militaire steun. De realistische houding van de Arabieren blijkt ook nog uit de vaststelling dat verschillende buurlanden met Israël vredesverdragen hebben gesloten. Het wordt echter wel zoetjesaan tijd dat het evenwicht in de regio wordt hersteld. Dit kan enkel wanneer de Palestijnen voldoende middelen ter beschikking krijgen om zich autonoom te organiseren. Zij moeten derhalve de ruimte krijgen om een economische structuur op te zetten, met een vrij toegankelijke (lucht)haven en een onbelemmerde passage tussen de verschillende zones. Om deze reden is het noodzakelijk dat Israël daadwerkelijk een einde maakt aan de kolonisatie van de Palestijnse gebieden en zich definitief terugtrekt binnen de oorspronkelijke landsgrenzen, minimum minimorum tot de grenzen die voortvloeien uit de befaamde resolutie 242 van de Veiligheidsraad (1967) die Israël oproept zich uit de bezette gebieden, waaronder de Syrische Golan-hoogvlakte, de Palestijnse strook van Gaza en de Westelijke Jordaanoever met inbegrip van Oost-Jeruzalem, terug te trekken.11 Tot op vandaag echter blijft Israël deze gebieden verder koloniseren.

Het spreekt voor zich dat Israël nooit voetstoots zal aanvaarden zijn Groot-Israëlische politiek stop te zetten. Het dient zich wel te vergewissen van het feit dat de compensatiegoodwill die het in de westerse wereld sedert de Tweede Wereldoorlog geniet, voor toekomstige generaties wellicht hoe langer hoe minder de internationaal-politieke houding zal dicteren. Het is echter verre van zeker of deze overweging de Israëli’s er toe zal bewegen om in de toekomst in harmonie met hun Arabische buren te leven. Het kan immers ook als argument aangegrepen worden om zich net verder in te graven.

De veranderende internationale houding blijkt duidelijk uit het standpunt dat de Vlaamse socialisten (SP) en groenen (Agalev) hebben ingenomen naar aanleiding van het verwachte bezoek in juni 2001 van de Israëlische regeringsleider Ariel Sharon. Bij monde van Dirk Van der Maelen heeft de SP laten weten dat zij een bezoek van deze regeringsleider aan het Belgische parlement als niet erg opportuun beschouwt. Als de andere politieke fracties zich toch met het bezoek kunnen verzoenen zullen de socialistische representanten afwezig blijven tijdens de plechtige zitting. Het is onduidelijk in welke mate Sharon door het vingertje van Dirk Van der Maelen de nachtrust heeft gelaten, op het eerste gezicht wijst het op een omslag in het denken van de Belgische (Vlaamse) socialisten die zich sedert 1919 altijd een trouwe bondgenoot hebben getoond van de joodse kolonisten, en later van de Israëlische staat.12

Toch blijft de vraag of deze demarche de beste methode is om de Israëlische politiek in vraag te stellen, zeker nu blijkt dat de socialisten - tot ieders verbazing - evenmin aanwezig waren bij de parlementaire ontvangst van de Palestijnse leider Yasser Arafat. Op deze wijze wil de SP vermijden dat zij in het ene of het andere kamp terechtkomt omdat het enige kamp waartoe de SP wil behoren dat ‘van de vrede’ is, een wat vis-noch-vleesstandpunt waardoor de SP niet echt positie hoeft te kiezen.13 Door afwezig te blijven bij de ontvangst van Arafat én bij het gepland bezoek van Sharon is het signaal ‘voor vrede’ dat de socialisten willen geven wel erg diffuus geworden en blijft van de aanvankelijke onversaagdheid die de socialistische houding ten aanzien van de Israëli’s kenmerkte niet veel meer over. Uiteraard valt ook op het politieke optreden van Arafat heel wat af te dingen. Tot nader order wordt echter het Palestijnse (en niet het Israëlische) volk zijn autonomie ontzegd en vallen de meeste doden aan Palestijnse zijde. Tot nader order is het Palestijnse geweld een daad van burgerverzet of betreft het terroristische aanslagen door (islamitische) organisaties die door het Palestijnse gezag tenminste pro forma worden vervolgd en berecht. In alle omstandigheden betreurt de Palestijnse overheid de doden en gewonden die aan Israëlische zijde vallen en meermaals roept zij haar burgers op de geweldplegingen stop te zetten. Aan Israëlische zijde daarentegen is het geweld in hoofdzaak een militaire aangelegenheid, en dus door de overheid gelegitimeerd, dat in vergelijking met de aanvalsdaad veelal door zijn disproportioneel karakter opvalt.

Is de socialistische afwezigheid bij de visite van beide regeringsleiders politiek een tactische zet? Het valt te betwijfelen. Op deze manier heeft de SP het zichzelf onmogelijk gemaakt met de Palestijnse en de Israëlische regeringsleider te dialogeren en zodoende haar ongenoegen te uiten, desnoods symbolisch (door hen de rug toe te keren) dan wel door haar grieven aan hen bekend te maken. Het Belgisch compromis waarbij Ariel Sharon niet door het parlement zal worden ontvangen maar in de ambtswoning van de kamervoorzitter in aanwezigheid van de diverse fractievoorzitters, minus de fractievoorzitters van SP en Agalev stemt mij om bovenvermelde redenen ongelukkig maar ook omdat ‘Politics must not only be done, it must also be seen to be done’.

Indien Dirk Van der Maelen en socialistische consorten werkelijk het geweld in het Midden-Oosten willen beëindigd zien dan zal daarvoor meer nodig zijn dan het vrijblijvende karakter dat het socialistische, maar ook het groene optreden, nu kenmerkt. Een suggestie zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat zij, samen met de vrienden van de socialistische internationale, het vliegtuig richting Levant nemen om er een - symbolisch - menselijk schild te vormen dat de strijdende partijen scheidt.

Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat de Belgische houding gekenmerkt wordt door een zekere ambiguïteit. Enerzijds wil België ‘nieuwe stijl’ een prominente rol spelen in de strijd voor de eerbiediging van de mensenrechten. Getuige hiervan is de Belgische houding bij de vervolging van Augusto Pinochet en de verantwoordelijken van de genocide in Ruanda. Anderzijds blijft men opvallend mild voor regeringsleiders, die ontegenzeggelijk bloed aan de handen hebben, maar die nog steeds in functie zijn. Ariel Sharon behoort zonder twijfel tot deze laatste categorie. Als voormalig minister van defensie en als architect van de invasie in 1982 van Libanon heeft Sharon een belangrijke rol gespeeld in de dood van honderden - zoniet duizenden - Libanezen en Palestijnen. Het meest gekende voorbeeld is het droeve lot dat de inwoners van de kampen in Sabra en Chatilla hebben ondergaan. Hoewel de moordpartij zelf geschiedde door de falangisten, bleek later dat het bevel ertoe gegeven was door de Israëli’s, volgens toenmalig defensieminister Sharon omdat deze kampen schuiloorden waren van guerrillastrijders. Sharons medeverantwoordelijkheid voor dit drama wordt trouwens algemeen aanvaard, zoals blijkt uit het verslag van de Israëlische onderzoekscommissie die in februari 1983, onder leiding van de voorzitter van het hooggerechtshof Yitzhak Kahan, tot de vaststelling kwam dat ‘‘[i]t is our view that responsibility is to be imputed to the Minister of Defence for having disregarded the danger of acts of vengeance and bloodshed by the Phalangists against the population of the refugee camps, and having failed to take this danger into account when he decided to have the Phalangists enter the camps. In addition, responsibility is to be imputed to the Minister of Defence for not ordering appropriate measures for preventing or reducing the danger of massacre as a condition for the Phalangists’ entry into the camps. These blunders constitute the non-fulfillment of a duty with which the Defence Minister was charged.’14 Ook tijdens de jaren vijftig zou Sharon, die toen aan het hoofd stond van de speciale gevechtseenheid ‘Strijdmacht 101’, een belangrijke rol hebben gespeeld in geweldplegingen tegen de Palestijnse burgerbevolking, bijvoorbeeld tijdens de raid die onder zijn leiding zou hebben plaatsgevonden op het dorpje Qibya op de Westelijke Jordaanoever. Sharon zou toen de opdracht hebben gegeven de woningen op te blazen inclusief de Palestijnse bewoners die zich erin hadden verscholen en die werden verplicht in hun woningen te blijven: ‘Bullet-riddled bodies near the doorways […] and multiple bullets hits on the doors of the demolished houses indicated that the inhabitants had been forced to remain inside until their homes were blown up over them.’15
Sharon heeft kortom bloed aan de handen.

Als ik me niet vergis heeft België voor dergelijke kwesties wetgeving ter beschikking...16

Noten
De redactie van deze tekst werd afgesloten op 1 juni 2001.
1. Leon de Winter, ‘Israël is een sympathiek misverstand’, de Volkskrant 13 november 2000.
2. Bovenstaande cijfers betreffen enkel het geweld gepleegd in de periode tussen 1987 en 1993 door militairen. Daarnaast stierven ook 75 Palestijnen en 100 Israëli’s door burgergeweld. Bronnen: www.btselem.org en www.phrm.org. Voor cijfermateriaal over de intifada die eind september 2000 is uitgebroken zie www.palestinercs.org. Aan Palestijnse zijde werden in de periode tussen 29 september 2000 en 28 mei 2001 501 doden geteld en niet minder dan 14.219 gewonden.
3. Lucas Catherine, ‘De Palestijnse kwestie: een koloniaal probleem?’, 8-10 in Lucas Catherine, Wim De Neuter en Noam Chomsky, De Palestijnen een volk teveel?, Berchem, Epo, 1988, 189p.
4. Graham Usher, ‘Arafats optreden tegen de critici: de noodzaak van oppositie’, Soemoed 2000, afl. 1, 4-5.
5. Udi Tagari, ‘Israëls economisch beleid in de Gaza-strip en op de West Bank, 1967-1997’, Soemoed 1998, afl. 4, 7-16.
6. Sara Roy, ‘De Palestijnse economie sinds Oslo’ 139-149 in Robert Soeterik (red.), 50 jaar Israël. Vergeten aspecten - pijnlijke feiten, Amsterdam, Stichting Palestina Publikaties, s.d., 170p.
7. Julie Roblet, ‘de Palestijnse economie na ruim 30 jaar Israëlische bezetting: het relaas van een langzame wurgdood’, Soemoed 2000, afl. 2, 18-23.
8. De wetgeving zal voornamelijk tot doel hebben ‘lichte vormen van druk’ toe te staan wanneer de Israëlische veiligheidsdiensten ervan overtuigd zijn dat hierdoor mensenlevens kunnen gered worden. In de Knesset (het Israëlisch parlement) toonde voormalig premier Barak zich een voorstander van wetgeving die in ‘ticking bomb’-cases folteren zou mogelijk maken. Dat wil zeggen ‘when it is necessary to immediately save life from a concrete danger of a serious attack, and no other reasonable course exists to achieve this result.’ In Israël wordt echter quasi elke situatie als een mogelijk gevaar beschouwd! Voor een bespreking van het arrest van het Hooggerechtshof, zijn voorgeschiedenis en politieke implicaties zie de website van B’Tselem, een Israëlische organisatie die de bescherming van de mensenrechten in de bezette gebieden behartigt: www.btselem.org. Zie ook nog Jochem van Oosten, ‘Martelpraktijken in Israël: van hogerhand juridisch gedekt’, Soemoed 1998, afl. 2-3, 17-18. Voor een laatste stand van zaken leze men bijvoorbeeld het rapport van de bijzondere gezant van de Verenigde Naties van 15 maart 2000: Report on the situation of human rights in the Palestinian territories occupied since 1967, submitted by Mr. Giorgio Giacomelli, Special Rapporteur, pursuant to Commission on Human Rights resolution 1993/2A gepubliceerd als document E/CN.4/2000/25 van de Economische en Sociale Raad.
9. Eigen cursivering.
10. Ik geef enkele voorbeelden: Israëlische soldaten die zich bezighouden met vliegers van Palestijnse kinderen af te nemen en te vernietigen wanneer daarop de Palestijnse vlag staat afgebeeld of die repressief optreden tegen jongeren die een T-shirt dragen waarvan de opdruk luidt dat zij van Palestina houden. Zie Thomas Friedman, Het conflict in het Midden-Oosten in historisch perspectief: Beirut/Jeruzalem, Haarlem, Becht, 1989, 298.
11. Resolutie 242 van de Veiligheidsraad van 22 november 1967.
12. Uiteraard is het socialistische standpunt al vroeger genuanceerd. Tot in 1973 steunden de socialisten de Israëlische politiek echter onverkort. Nadien kreeg men meer oog voor de belangen van de Palestijnse bevolking. De boudheid waarmee Van der Maelen een Israëlische regeringsleider de toegang tot het Belgische parlement wil ontzeggen is evenwel nog nooit getoond. Voor een analyse van de houding van de Belgische politieke en economische elite ten aanzien van Israël leze men Lucas Catherine, De zonen van Godfried van Bouillon. De zionistische lobby in België, Berchem, Epo, 1980, 216p. dat helaas enkel de verknochtheid behandelt tot 1980.
13. Aldus Dirk Van der Maelen geciteerd in De Morgen 1 juni 2001.
14. De informatie is gedeeltelijk afkomstig uit de e-mailpetitie om Sharon te doen berechten. Deze informatie is na te lezen op de website van de Palestinian Society for the Protection of Human Rights & the Environment: www.lawsociety.org.
15. Het Qibya-incident leidde trouwens tot de resolutie 101 van de Veiligheidsraad van 24 november 1953. Voor een gedetailleerde bespreking van de gebeurtenissen op de nacht van 14 naar 15 oktober 1953 te Qibya verwijs ik naar het verslag van de Veiligheidsraad van 20 november 1953, gepubliceerd onder referte S/PV.640. Dit verslag meldt echter nergens dat de Israëlische eenheid die de raid uitvoerde onder leiding van Sharon opereerde. Israël ontkende trouwens verantwoordelijk te zijn voor de geweldplegingen in Qibya.
16. Het zou immers voldoende zijn dat een Palestijns of Libanees slachtoffer zich, naar analogie van de zaak-Pinochet, bij een Belgisch onderzoeksrechter burgerlijke partij stelt tegen Ariel Sharon. Rechtsgrondslag is dan de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van de ernstige inbreuken op de Internationale Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en op de Aanvullende Protocollen I en II bij die Verdragen van 8 juni 1977, B.S. 5 augustus 1993 gewijzigd door de wet van 10 februari 1999, B.S. 23 maart 1999. Na deze wetswijziging luidt het opschrift van deze wet ‘betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht’. Zie ook Chris Van den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 1999, 137-138.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 6 (juni), pagina 8 tot 16