Abonneer Log in

Manifest voor een sociale veiligheidszorg in de 21ste eeuw

Samen zorgen voor een veilige en geordende samenleving (deel 2)

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 26 tot 36

Deze bijdrage is het resultaat van verschillende discussieavonden die georganiseerd werden om een nieuwe visie op veiligheid te ontwikkelen. Het is geen wetenschappelijk werkstuk maar een politieke discussietekst, waarmee de auteurs de discussie met alle geïnteresseerden willen aangaan. De uitgangspunten naar die nieuwe visie werden opgenomen in het vorige nummer van Samenleving en politiek. Hierna stellen de auteurs een aantal prioritaire programma’s voor. Hun bedoeling is niet zozeer om globale krachtlijnen uit te tekenen. Maar ze geven wel aan in welke richting ze de oplossingen zoeken.

We herhalen in het kort de waarden en sleutelbegrippen waarop dit manifest voor sociale veiligheidszorg steunt. Veiligheid en rustig en geordend samenleven zijn elementen van de leefkwaliteit. Veiligheidszorg moet sociaal zijn en een bijdrage leveren tot de verzorgingsmaatschappij. Communicatie tussen de mensen onderling en tussen bevolking en overheid is daarbij cruciaal. Veiligheid moet ook steunen op solidariteit. We moeten ijveren voor respect voor de afgesproken regels, maar evenzeer voor verdraagzaamheid tegenover mensen.
We willen de filosofie van deze sociale veiligheidszorg op concrete problemen toepassen. Want we mogen de veiligheidsproblemen en de bezorgdheid over veiligheid niet ontkennen. We moeten antwoorden zoeken die borg staan voor duurzame oplossingen. In de eerste plaats voor de fenomenen die bevolking het meest zorgen baren. En ook voor de problemen die de fundamentele waarden en organisatieprincipes van de maatschappij het meest ondermijnen en ontwrichten. De grote uitdaging is de beschreven waarden te vertalen in concrete programma’s.

Veilig verkeer

Het verkeer is, objectief bekeken, de grootste oorzaak van onveiligheid en geeft, subjectief bekeken, het meest aanleiding tot onveiligheidsgevoelens. Veilig verkeer prijkt dus bovenaan op de prioriteitenlijst.
Het beleid voor verkeersveiligheid is een schoolvoorbeeld van het feit dat je enkel met een integraal beleid tot resultaten kan komen. We hebben een geïntegreerd pakket van maatregelen en initiatieven nodig op verschillende vlakken: ruimtelijke ordening; mobiliteitsplanning; inrichting van wegen; technische en technologische uitrusting van auto en fiets; reglementering; educatie en sensibilisering; toezicht en handhaving door politie; vervolging en bestraffing; medische interventie en fysieke en psychische nazorg.
Essentieel daarbij is dat er een volledige bereidheid is om samen te werken en om alle inspanningen te integreren in eenzelfde beleidsplan. De investeringen voor het inrichten van wegen moeten daartoe worden verhoogd en gericht op verkeersveiligheid. De procedure voor toezicht en handhaving moet worden vereenvoudigd. Er moet bovendien beduidend meer personeel moet zijn voor het ontwikkelen van verkeersveiligheid en voor het toezicht erop. Het geheel moet worden gestuurd door een goed verkeersveiligheidsmanagement.
Eén en ander kan worden uitgewerkt in concrete projecten. We denken aan ont-snelling: de reële gemiddelde snelheid op onze wegen naar beneden brengen. We denken aan schoolverkeersveiligheidsplannen, aan acties tegen sluipverkeer en aan de bescherming van de fietser.

Veilige wijk

Vandaag zijn veiligheids- of politieprojecten vaak gericht op bepaalde misdrijven (inbraken in woningen; fietsdiefstallen;…). Dat past in een geest van strijd tégen onveiligheid. Maar om veiligheid op te bouwen, zal er veel aandacht moeten gaan naar de wijk, de buurt en de dorpskern in al hun facetten. De mensen worden daarbij niet telkens aangesproken als fietsbezitter, autobezitter of woningbezitter. Ze moeten worden aangesproken als bewoner van een wijk of buurt, met verscheidene noden en behoeften. Door het begrip algemene veiligheidszorg in een buurt te hanteren, vind je ook gemakkelijker aansluiting bij het sociaal beleid en bij de maatschappelijke opbouw van de buurt. We geven hier een aantal losse ideeën voor sociale veiligheidszorg. Ze kunnen worden aangepast al naargelang het gaat over een oude stadsbuurt, een nieuwbouwwijk, een verkaveling, een dorpskern, enz.
De politiechef van Leeuwarden, waar Meindert Tjoelker op straat werd doodgeslagen tijdens een ruzie, zei bij zijn afscheid: ‘Ja, ik ben tegen cameratoezicht. De vraag wordt te weinig gesteld of je een technocratisch afstandelijke politie wilt. Ik vind van niet. Je kunt beter maximaal investeren in verbindingen tussen mensen. Onderlinge contacten leggen. In Leeuwarden hebben we maandelijks overleg met de horecaondernemers en wijkorganisaties. Dat werkt veel beter, ook in de preventieve sfeer’ (NRC-Handelsblad, 31-1-1). Daarmee is de juiste toon gezet. Daarmee is niet gezegd dat cameratoezicht nooit kan gebruikt worden. De camera kan in een specifiek project of situatie een prima middel zijn. Maar een politie met langeafstandsbediening biedt geen oplossing. De politie moet tussen de mensen staan.
Het is belangrijk de samenhorigheid en de onderlinge contacten in de wijk aan te moedigen. Dat kan met straatbarbecues, wijkkermissen, buurtwandelingen of gouden huwelijksjubilea die met de hele buurt worden gevierd. Het tijdelijk inrichten van speelstraten of een autoloze zondag in de wijk kan mensen opnieuw samenbrengen. Je kan denken aan een originele competitie tussen wijken, met als voorbeeld de Palio in Sienna of de Pauwelviering in Galmaarden. Je kan zoiets natuurlijk niet kunstmatig organiseren. Het moet eerder spontaan en natuurlijk groeien en het vergt wat creativiteit, maar je kan zo’n initiatieven wel aanmoedigen en helpen mogelijk maken.
Vandaag kunnen mensen aan de politie vragen hoe ze hun woningen beter kunnen beveiligen. Sommige gemeenten organiseren daarvoor een veiligheidsbeurs of geven er subsidies voor. Daar is op zich niets tegen, maar als het advies beperkt blijft tot hoe ieder best zijn of haar woning afsluit, zal dat op langer termijn nooit afdoende zijn en soms zelfs contraproductief werken. Minstens even belangrijk is dat mensen die bij elkaar in de buurt wonen elkaar kennen, voor elkaar een oogje in het zeil houden en elkaar steunen en bijstaan. Individueel advies over het beveiligen van de woning is dus maar de helft van het verhaal. In de plaats daarvan kan je beter, bv. in afspraak met verenigingen, de hele of een halve straat bij iemand thuis uitnodigen. Daar kan je dan alle tips over hang- en sluitwerk geven, maar even veel tijd besteden aan de vraag hoe je als groep bewoners samen een aantal problemen uit de buurt kan houden. Het is als een soort Tupperware-avond voor de buren dus. Je slaat verschillende vliegen in één klap: met je tips over technische beveiliging bereik je op één avond een reeks gezinnen. Je doet mensen inzien dat zich enkel afsluiten maar een halve oplossing is en dat contacten met de buren en onderling samenwerken even effectief zijn. De buren leren elkaar beter kennen en kunnen de basis leggen voor afspraken.

Wanneer er ruzies en conflicten ontstaan, slepen die vaak aan of escaleren ze, omdat het niet mogelijk is erover te communiceren. Vooraleer naar sancties te grijpen, is er nood aan conflictoplossende communicatie. Je kan daarvoor buurtbemiddeling inschakelen: een laagdrempelige, kosteloze manier van conflictoplossing tussen bewoners door bemiddeling van daarvoor opgeleide mensen. De bedoeling is niet nog eens een nieuwe categorie werkers, in dit geval professionele buurtbemiddelaars, te gaan creëren. Je zou wel mensen die reeds in de buurt actief zijn of vrijwilligers daarvoor kunnen opleiden. De vraag tot bemiddeling kan komen van de sociale huisvestingsmaatschappij, van een school, van een buurtwerk, van de politie. Het kan gaan over geluidsoverlast, over schelden en roddelen, over overlast van huisdieren, over de scheiding tussen tuinen, over parkeren, over rommel. Het opzet is de partijen met elkaar in gesprek te brengen en oplossingen aan te reiken, waardoor in de toekomst onderling overleg weer mogelijk wordt. De bemiddeling zal niet altijd lukken en aan te erge vormen van overlast zal een bemiddelaar misschien zelfs best niet beginnen, maar het principe zou moeten zijn dat een poging tot bemiddeling voorafgaat aan het grijpen naar sancties.
Het is zeer belangrijk om de problemen niet op hun beloop te laten en tijdig op te treden. Wanneer bemiddeling niet kan helpen of zinloos wordt, kan een doordachte en creatieve toepassing van administratieve sancties heel wat mogelijkheden bieden. Hoewel de wettelijke regeling voor administratieve sancties nogal gebrekkig is, moeten we er het best van maken. Het is veel beter om snel tussen te komen en niet te hard te hoeven optreden, dan de problemen te laten verzieken en escaleren.
Als lokaal bestuur praat je best met de buurt zelf om te weten aan welke problemen zij het zwaarst tilt, wat zij er zelf denkt aan te kunnen doen en welke mogelijkheden je als overheid te bieden hebt. Je kan dat doen met een buurtonderzoek, door op gezette tijden een algemene buurtbabbel te houden, door nieuwe ideeën of gegevens te toetsen aan de mening van een kleine, maar representatieve groep bewoners.

De formele sociale controle

De rol van een goede wijkpolitie, die samen kan werken met o.m. stadswachten, blijft erg belangrijk, maar is niet simpel. De verwachtingen kunnen nogal uit elkaar lopen. Enerzijds verwacht men van de politie dat zij de criminaliteit met resultaat bestrijdt, anderzijds dat zij de lokale orde handhaaft en werkt aan de sluimerende of escalerende samenlevingsproblemen. Gemeenschapsgerichte politie moet een goede combinatie zijn van probleem- en bevolkingsgericht werken. Er is vraag naar een volgehouden en duidelijk beleid van een aanwezige en aanspreekbare politie, die instaat voor een positieve sociale controle, die de vormen en waarden van de wijk bevestigt en respect betoont voor alle bewoners.
Dat zijn maar enkele aanzetten voor een draaiboek voor veilige buurten, wijken of kernen. We moeten ook aanknopen bij reeds langer bestaande acties of acties die de jongste jaren gelanceerd werden zoals stads- of dorpskernvernieuwing, leegstandbestrijding, groen in de buurt, buurtwerk, wijkmanagers, meldingskaarten, bewonersdiensten en buurtinformatienetwerken of de menukaart tegen overlast. Verder moeten we ook verbanden leggen met andere thema’s, zoals verkeer. Je kan niet spreken over een veilige en leefbare buurt of woonwijk, zonder over verkeer te spreken, over zone-30, over parkeerbeleid e.d. De doelstelling is om sociaal veilige buurten en wijken op te bouwen, met bijzondere aandacht voor de zwakkeren. Dat kan met een integraal beleid waar de bewoners zelf bij betrokken worden en controle over hebben.

Jongeren

Wanneer je rechts hoort fulmineren, lijkt het wel of de jongeren - en natuurlijk vooral de jongeren van vreemde afkomst, de grote en bijna de enige schuldigen zijn van de onveiligheid. Veiligheidsschepen Grootjans slaagt er zelfs in te zeggen dat hij zich onveilig voelt wanneer hij op straat drie jongens tezamen tegenkomt! Wij willen geen beleid dat zich richt tégen de jongeren, geen veiligheidsbeleid dat sommige jongeren nog meer marginaliseert en uitsluit.
Jongeren zijn niet alleen en vooral daders, die onveiligheid veroorzaken en misdrijven plegen. Jongeren zijn ook erg vaak slachtoffers en daar moet zeker evenveel aandacht voor zijn. Verder weten we allemaal dat jongeren door een opvoedings- en socialiseringsproces heen moeten, waarbij ze hun plaats in de wereld moeten vinden en zich normen en waarden moeten eigen maken. Daarbij zijn er velen die al eens dingen doen die niet door de beugel kunnen, die in mindere of meerdere mate over de schreef gaan, die baldadig doen. We moeten dat niet goedkeuren, maar ook niet dramatiseren. Soms gaat het te ver en is er sprake van volstrekt onaanvaardbaar gedrag dat we niet kunnen laten betijen. Maar zelfs dan moeten we niet louter en hard repressief optreden en jonge daders uit de samenleving stoten. Want we mogen daarbij twee dingen niet vergeten. De kansen die de ene of andere groep jongeren krijgt of niet krijgt zijn een belangrijke factor in de manier waarop ze zich ontwikkelen. We moeten over deze problemen naar de jongeren luisteren, we moeten met hen praten en hen zelf verantwoordelijkheid en beslissingen laten nemen. De belangrijkste opdracht is jongeren voldoende kansen te geven om zich te ontplooien en hen daarvoor voldoende te omringen. Het gaat om een goed jeugdbeleid, dat we zeker niet mogen onderbrengen in de sfeer van veiligheidszorg. Het gaat over jeugdbewegingen, -huizen en -centra; over sportclubs en -infrastructuur; over speelpleinen en speelstraten; over vakantiegrabbelton en avontuurlijke spelen; over fuiven en mogelijkheden om als muziekgroepje te repeteren en op te treden; over aantrekkelijk onderwijs en aanspreekleraren; over cultuur en graffitimuren.

Wanneer het misloopt, is snel en gepast reageren de boodschap. De denkrichting in de jeugdbescherming en het jongerenstrafrecht om jonge daders voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen, met name voor het herstel van de begane fout, is de goede richting. Het beteugelend optreden moet altijd gericht zijn op het bieden van mogelijkheden om het goede spoor terug te vinden.
We moeten duidelijk maken dat we als samenleving absoluut niet aanvaarden dat ikzucht en lak aan regels - maar vooral aan mensen! - ontsporen in gedrag en misdaden die het normaal samenleven verpesten en onmogelijk maken. We moeten zo’n gedrag een halt toeroepen, zo snel en zo duidelijk mogelijk. Elke jongere moet nochtans steeds opnieuw de kans krijgen om zijn of haar fouten te herstellen, om terug naar af te gaan en een nieuwe start te nemen. We willen als samenleving hoop en toekomst blijven investeren in alle jongeren, in elke jongere.

Geweld en bedreigingen in familiale en privé-kring

‘Kindermishandeling is het smerigste, het gemeenste misdrijf van de mensheid tegen de mensheid, omdat het karakter van de volgende generaties erdoor wordt beschadigd, omdat ze onopgemerkt blijft en geloochend wordt zodra iemand er over spreekt’ (Alice Miller in ‘De muur van stilte doorbroken’).
De prijs van geweld in de relationele sfeer (familie, samenwonenden, vrienden,…) is, zowel voor de slachtoffers als voor de samenleving bijzonder groot. Enkele cijfers illustreren één en ander: onderzoek wijst uit dat meer dan 87% van het geweld zich afspeelt binnen de familiekring. Eén op tien kinderen is het slachtoffer van mishandeling. Ongeveer 5 tot 10% moet dit geweld bekopen met zijn leven of wordt voor het leven getekend. In één op vijf gezinnen zijn vrouw of kinderen slachtoffer van geweld. In 1999 kregen de Vlaamse Vertrouwenscentra 5.509 meldingen van kindermishandeling. Mishandeling is de tweede doodsoorzaak van kleutersterfte. De laatste 10 jaar werd een stijging van 30% genoteerd voor het aantal gevallen van geweld binnen het gezin.1 De Nederlandse onderzoekster Nel Drayer kwam tot de bevinding dat 19% van haar onderzoekspopulatie incest door de vader heeft meegemaakt en 25% door de broer.

Toch wordt er weinig aan gedaan. Artsen, leerkrachten, therapeuten en andere hulpverleners laten 50% van de slachtoffers van fysieke kindermishandeling en 75% van emotioneel-affectieve verwaarlozing ongemoeid en ongemeld. Willen we het niet geweten hebben of schrikken we terug om in te grijpen in de gezins- of privésfeer? Of is er een gevoel van onmacht door falende wetten en procedures of door een falende cultuur van een onaangepaste hulpverlening? De oplossingen liggen niet voor de hand. Er is wel wat gedaan: denk aan de installatie van een kinderrechtencommissaris, aan de erkenning van de kinderrechten, aan de jongerentelefoon, aan wetsvoorstellen om video-opnames van het verhoor van slachtoffers van seksueel geweld mogelijk te maken. Maar toch is het te incidenteel, te fragmentarisch om te kunnen spreken van een ‘beleid’. De problematiek van geweld in gezinnen is bovendien niet uitsluitend in arme milieus te vinden, als is dat de visie die bij velen leeft. Het is een zaak van gezinnen uit alle klassen.

Hoe kunnen we zorgen voor een veilige sfeer in de gezinnen?

Door de ogen van de samenleving te openen. Dagelijks zien verschillende diensten die professioneel met de problematiek geconfronteerd worden dat, zelfs wanneer zij met zekerheid weten dat kinderen binnen de gezinssituatie ernstig mishandeld worden, zij er niet in slagen de meest elementaire veiligheid te garanderen. Inzicht is dus de noodzakelijke voorwaarde en opstap tot actie.
We moeten zorgen voor een voldoende aanbod aan hulp en bijstand voor gezinnen. Vandaag zijn er, in gelijk welke opvangvorm voor jongeren die slachtoffer zijn van relationeel geweld, te weinig plaatsten. Andere cijfers zijn al even onthutsend: bij thuisbegeleiding kan slechts 1 op 10 aanvragen positief worden beantwoord; bij de dagcentra kunnen 4 van de 10 aanvragen positief beantwoord worden. Het aantal vragen naar begeleid zelfstandig wonen steeg voor het Comité Bijzondere Jeugdzorg alleen met 23%, waarvan slechts 1 op 5 aanvragen kan gerealiseerd worden, met gemiddelde wachtlijsten tussen de 3 en 5 maanden.
We moeten mensen die in contact staan met slachtoffers en gezinnen aanleren hoe ze problemen kunnen onderscheiden en wat er aan te doen valt. We denken aan vormingspakketten (video, brochure, werkmap, …), aan seminaries met de betrokken beroepsgroepen (advocaten, magistraten, dokters, leerkrachten, bedrijfsleiders, jeugdbewegingen, buren, enz …), sensibiliseringscampagnes (radio- en tv-spots, krantenadvertenties, …). Daarbij moet vanuit de concrete ervaring worden gewerkt. Richtlijnen vanwege de overheid resulteren vaak in weerstanden (‘ze weten niet waarover ze spreken’, …). Ook moet het hiërarchische debat tussen hulpverlening en gerecht plaats maken voor een andere hiërarchie: eerst het slachtoffer en dan, in functie van zijn noden, de structuren. Ook een aantal andere ‘heilige huisjes’ zoals het beroepsgeheim moeten we durven in vraag stellen. Slachtoffers zijn vaak niet zo zeer uit op een arrestatie van de dader of strafrechtelijke vervolging van de feiten, maar wel op een gepaste tussenkomst zodat de feiten ophouden en een veilige sfeer wordt hersteld. Hoe valt dit te rijmen met het vrijwaren van de privésfeer, met de vrijwilligheid als essentieel kenmerk van aangeboden hulp, met het klassiek dadergericht optreden van justitie,…?

Relationeel geweld is een zaak van ons allen en niet enkel van degenen die er beroepshalve mee bezig zijn. De tendens - die overigens opgaat voor tal van maatschappelijke problemen - om het probleem op de maatschappij af te wentelen, dreigt ervoor te zorgen dat de burgers geen beroep meer doen op hun eigen therapeutische mogelijkheden. Eigenlijk betreft het dan een vorm van afschuiven van verantwoordelijkheid en, uiteindelijk, een vorm van schuldig verzuim, waaraan we ons allen schuldig maken.

Veilig op stap met het openbaar vervoer, naar het stadion of in de uitgaansbuurt

Een openbare ruimte kan slechts een ontmoetingsplaats zijn, als voldoende veilig is. Het herwaarderen van de openbare ruimte vereist dus ook dat we investeren in veilige ruimte. Wie de bus of trein wil nemen, wie naar het voetbalstadion of naar de uitgaansbuurt wil, wie ’s avonds nog een rondje wil wandelen in de wijk, moet dat met een gerust gemoed kunnen doen, zonder de bibber op het lijf.
De openbare ruimte moet vrij toegankelijk zijn of het opnieuw worden voor iedereen. Ze mag niet volledig worden opgeofferd aan de belangen van enkelen of aan de commercie. Ze mag niet volledig worden ingenomen door razend gemotoriseerd verkeer. Ze mag evenmin worden verpest door agressie, bedreiging of vrees voor beroving. De schrik om het huis uit te komen en de straat op te gaan, omwille van reëel gevaar en dreiging of omwille van het gedacht dat die er zijn, leidt tot vermijdingsgedrag, leidt tot minder ontmoeten en meer isolatie, leidt tot vervreemding en tast in ernstige mate de kwaliteit van het leven aan. Ook hier geldt dat, wie financieel sterker staat, zich makkelijker een leven kan uitbouwen waarin hij geen gebruik hoeft te maken van het openbaar vervoer, van het openbaar park of van de speeltuin.

Hoe zorgen we er voor dat de openbare ruimte veilig en voldoende rustig en geordend is? Opnieuw zijn we er van overtuigd dat daarvoor meer en andere maatregelen nodig zijn dan alleen maar bewaking, uitsluiting en bestraffing. We moeten wel degelijk duidelijk maken dat we het verpesten van de boel door egoïstisch en onverantwoordelijk gedrag niet pikken. Maar voorafgaand aan het optreden tegen ongewenst gedrag, willen we de openbare ruimte leuk maken en uitnodigen om dat met zijn allen samen te doen. We laten onze gedachten even gaan.
Wanneer er in een station veiligheidsproblemen zijn, denken we dan enkel aan het posteren van bewakers of van camera’s. Of denken we ook aan het uitnodigen van muzikanten of groepjes en aan het openen van handelszaken? Jagen we jonge gasten weg of zorgen we dat ze kunnen skaten of taggen op het stationsplein? Proberen we het station te sluiten voor daklozen en gestranden of zorgen we voor opvang en bijstand? Kortom, denken we in de eerste plaats aan het verlevendigen van de ruimte of enkel aan het bewaken van de doodse ruimte? Wanneer er in en rond de dancing of uitgaansbuurt sprake is van nogal wat overlast en strafbare feiten, denken we dan onmiddellijk en alleen aan strenge controles en zelfs sluiting? Wanneer we tweemaal nadenken, beseffen we ook dat de kans erg groot is dat dezelfde problemen zeer snel elders zullen opduiken, misschien wel op een nog veel moeilijker te beheersen manier. Gaan we niet best eerst met uitbaters of organisatoren praten om te zien wat zij er zelf kunnen en willen aan doen? Kunnen we niet aan een draaiboek werken waarin wordt afgesproken wat kan en niet kan en hoe één en ander in goede banen wordt geleid? Kunnen we niet op een creatieve manier wijzen op de gevaren van dronken rijden of van sommige cocktails?

Wanneer in sommige buurten en pleinen een aantal jongeren de mensen lastig vallen of nogal wat lawaai maken, denken we dan onmiddellijk aan een uitgaansverbod voor jongere kinderen? Of proberen we er snel genoeg bij te zijn en te werken met buurtvaders? Of kunnen we speelstraten inrichten en activiteiten organiseren? En durven we aan sommige buurtbewoners uitleggen dat basket spelen of voetballen op een buurtpleintje geen misdrijf is en dat afspraken daarover mogelijk moeten zijn?
We weten maar al te goed dat het opnieuw recht trekken van wat misloopt niet zo eenvoudig is. Van voetbal opnieuw een feest te maken: het is sneller gezegd dan gedaan en het vergt meer dan een goede slogan en publiciteitscampagne. Het zal niet zozeer gaan om een keuze tussen ofwél het bewaken en bestraffen van ongewenst gedrag, ofwél het uitnodigen tot en stimuleren van gewenst gedrag. Het zal veeleer én én zijn. We zullen uit elke koker maatregelen moeten toveren en die goed mengen.
Eén zaak staat wel vast. Naar boven komende klachten en opduikende problemen mogen we niet wegwuiven of negeren. De openbare ruimte is te belangrijk om niet snel en ernstig te zoeken naar goede en creatieve oplossingen.

Georganiseerde criminaliteit, fraudes en witteboordencriminaliteit

Er bestaan vormen van criminaliteit die op het eerste gezicht weinig mensen onmiddellijk schaden. Wie zal bvb. ooit melden ter gelegenheid van een enquête dat hij slachtoffer werd van fiscale fraude? Wie heeft de daver op het lijf van BTW-carrouselfraude? Wellicht heel weinigen. En toch gaat het hier om criminaliteitsvormen waarvan de maatschappelijke schade enorm is. De staatsinkomsten worden er ingrijpend kleiner door, waardoor de herverdelende mechanismen van ons belastings- en socialezekerheidsstelsel minder doeltreffend kunnen werken. De overheid zal overigens ook over minder middelen beschikken om te investeren in sociaal nuttige projecten.
Uiteindelijk zal het economisch leven eronder lijden, aangezien de concurrentieverhoudingen erdoor worden scheefgetrokken. Diegenen die zich aan de regels houden komen zo in een minder gunstige concurrentiepositie te staan dan de fiscale ‘ritselaars’. Het zijn bvb. de koppelbazen, die noch patronale lasten noch socialezekerheidsbijdragen betalen, en dus goedkope werkkrachten kunnen aanbieden, die het zullen winnen van die ondernemers die zich wél aan de regels van het spel houden.
Dit geldt overigens ook voor de meest bekende vorm van witteboordencriminaliteit, met name het witwassen van zwart geld. Het gaat hier om het inbrengen van crimineel geld in de formele, legale economie. Het gaat om ‘vuil geld’, afkomstig uit grootschalige drugstrafieken, uit mensenhandel, uit allerlei gesjoemel, dat via de meest gesofistikeerde kunstgrepen in het financieel circuit wordt gebracht, en van daaruit in het ondernemingsleven wordt gepompt. Bonafide ondernemers kunnen hier uiteraard niet tegen op en moeten de duimen leggen in deze illegale concurrentiestrijd.

Soms wordt dit soort van criminaliteit wel eens ‘slachtofferloos’ genoemd. Niets is dus minder waar! Het gaat hier om criminaliteitsvormen die essentieel ingrijpen op de sociale organisatie van onze samenleving. De effecten ervan zijn niet terug te brengen tot individuele schade, maar zijn daarom niet minder concreet. Ook wordt nogal eens gezegd dat het gaat om uitzonderlijke gevallen. Ook dat is volkomen uit de lucht gegrepen. Het gaat hier om ‘veelvoorkomende vormen’ van criminaliteit, net zoals handtasdiefstal, terwijl de sociale schade ervan honderdvoudig groter is.
Bovendien is er vaak een nauwe band tussen georganiseerde criminaliteit en fiscale en financiële criminaliteit. Criminele organisaties zijn er op gericht om op een methodische en systematische manier hun criminele activiteiten te ontwikkelen en zo enorme winsten binnen te halen. Criminele organisaties proberen meestal één of andere sector, die op zich legaal, semi-legaal of illegaal kan zijn, te gaan beheersen en er hun wet te gaan stellen. Dat kan gebeuren in zeer verschillende sectoren, zoals handel in verboden hormonen, drugshandel, zwendel met gestolen auto’s, wapenhandel, mensenhandel en prostitutie. Het kan ook gaan om grootscheepse fraude in bv. de diamant- of de oliehandel. Criminele organisaties zijn vaak in verscheidene sectoren tegelijk actief.

De georganiseerde criminaliteit is bijzonder schadelijk en meedogenloos. Maar er is meer. Criminele organisaties proberen actief beroepsgroepen waarmee zij in contact komen of die zij nodig hebben, bij hun activiteit te betrekken en te corrumperen. Criminele organisaties treden ongenadig op tegen wie hen, al dan niet toevallig, voor de voeten loopt. Criminele organisaties zijn er noch min noch meer op uit om het maatschappelijk functioneren te ontwrichten, zodat ze vrij hun gang kunnen gaan. Daarbij komt dat zij in ons land vooral actief zijn in de vijf grote steden, waar het sociaal weefsel al om andere redenen is aangetast. Het is van het grootste belang dat we de mechanismen van fraudes en financiële criminaliteit, en de werkwijze van georganiseerde criminaliteit alsook de verwevenheid tussen beide bloot kunnen leggen. Informatie verzamelen en inzicht verwerven in de verborgen criminele wegen is de eerste voorwaarde om efficiënt te kunnen optreden, zowel preventief als repressief.
Er zijn wel degelijk mogelijkheden om ook i.v.m. financiële fraudes en i.v.m. georganiseerde criminaliteit preventief op te treden. Je kan preventief controles uitvoeren tegen spookvennootschappen of -verenigingen die als dekmantel dienen voor criminele activiteiten. Je kan veel meer doorzichtigheid en openheid opleggen in het financieel verkeer: het gaat dan niet alleen over het opheffen van het bankgeheim, maar ook over het invoeren van een vermogenskadaster, over het bekend maken van ‘back-to-back’-leningen (geld gaat naar een anonieme offshore vennoot, maar die geeft het terug in lening), over het signaleren van verdachte financiële transacties, enz. Je kan een bestuur machtigen of zelfs verplichten om bij het verlenen van allerhande vergunningen, telkens wanneer er een vermoeden van fraude is, niet zomaar voort te gaan op de verklaringen van de aanvrager, maar de achtergrond van het dossier te onderzoeken. Gewapend bestuursrecht wordt dat wel eens genoemd. Maar preventie kan meer zijn dan controles vooraf, het kan ook gaan over het belonen van voorbeeldgedrag. De instellingen die hun financieel beheer volledig transparant maken en hun vermogens en winsten bekend maken, of die een ethische gedragscode invoeren en naleven, kunnen daarin worden aangemoedigd met een geldelijk of ander voordeel.
Repressief optreden zal toch ook onvermijdelijk zijn. Daarbij moeten we meer doen dan reageren op een aangifte of een toevallige ontdekking. We moeten gericht op zoek gaan om georganiseerde systemen en netwerken bloot te leggen en te ontmantelen. We moeten ons daarbij sterk richten op de financiële en fiscale voordelen die criminele organisaties proberen binnen te halen: dat is hun achillespees. We moeten hen raken op de plaatsen waar ze het gevoeligst zijn: inbeslagneming van verworven tegoeden en van panden; uitsluiten van een bepaalde bedrijvigheid of van deelname aan overheidsopdrachten; een tijdelijk of langdurig beroepsverbod; systematische en diepgaande fiscale en boekhoudkundige controle; bekend maken van de opgelegde sancties,… .
Ook al merken we in het dagelijks leven niet onmiddellijk welke schade we ondervinden van fraudes of van georganiseerde criminaliteit, toch ondergraven zij de fundamenten waarop onze samenleving is gebouwd. Om instortingsgevaar te vermijden, moeten bestuur, politie en justitie even inventief, gericht en systematisch te werk gaan als de criminele organisaties zelf.

Slot

Men kan er veel over zeggen en schrijven, maar er kan niet worden ontkend dat in het veiligheids- en politiebeleid dat in de jaren 90 door socialistische ministers werd gevoerd, er heel wat elementen en kenmerken terug te vinden zijn van wat ‘sociale veiligheidszorg’ wordt genoemd. Dat was meer bepaald het geval in de veiligheid- en preventiecontracten, later uitgebreid tot samenlevingscontracten. Dat was ook het geval in het preventiebeleid dat gaandeweg werd ontwikkeld en in de veiligheidscharters in de interpolitiezones. Maar er moet ook worden toegegeven dat er in de jaren 90 geen duidelijke en resolute keuze was voor sociale veiligheidszorg. Er moet eerder worden gesproken over een weifelend en wisselvallig beleid, op sommige punten vernieuwend en met sterke aanzetten tot sociale veiligheidszorg, op andere eerder traditioneel en soms louter repressief. Dat is wellicht deels te wijten aan een onvoldoende klare kijk op de mogelijkheden en de te maken keuzes. Het is ongetwijfeld ook te wijten aan de bestuursverantwoordelijkheid, waardoor men snel moet reageren op feiten of fenomenen die zich voordoen en waarbij men vaak geconfronteerd wordt met hitsige media en aan het gegeven dat de bestuursverantwoordelijkheid in coalitieverband moest worden uitgeoefend.

Met deze bijdrage willen wij aan de linkerzijde in Vlaanderen en Brussel een duidelijke optie voor sociale veiligheidszorg aanbieden. Wij geloven er heel sterk in dat een beleid van sociale veiligheidszorg onze samenleving veel verder op weg zal brengen naar veiligheid, rustig en geordend samenleven, welzijn en welvaart, dan een keuze voor harde aanpak en blinde repressie.
De uitdaging die voor ons ligt is dubbel. We moeten de filosofie van sociale veiligheidszorg aan een brede discussie onderwerpen en doen doordringen in de samenleving. De filosofie en kernideeën van sociale veiligheidszorg moeten we omzetten in concrete beleidsplannen, scenario’s en modellen, die in de praktijk kunnen worden toegepast.
Er zal vooral politieke bereidheid moeten zijn om daar voluit in te investeren, meer dan in symbolische projecten. En vandaag lijkt het veel gemakkelijker om 10 miljard per jaar te investeren in de hervorming van de politiestructuur, dan geld te vinden voor een heroriëntatie van het veiligheidsbeleid.
De uitdaging waarvoor we staan is er een van lange adem. Het zal veel energie vragen om deze sociale veiligheidszorg voortdurend in de aandacht te plaatsen en te vertalen in concreet volgehouden acties en initiatieven. Maar het is de enige weg die zal leiden tot een duurzame zorg voor het veilig, rustig en geordend samenleven.

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1. Wetenschappelijk onderzoek in opdracht van de Minister voor Gelijke Kansenbeleid eind februari 1999.

Deze tekst is mede schatplichtig aan een hele reeks artikelen die de vorige jaren verschenen. We noemen er enkele:
- De Haan W., ‘Veiligheidszorg als verdelingsvraagstuk in de verzorgingsstraat’, Tijdschrift voor criminologie, 1994, 36, p.25-28
- Raes Koen, ‘Onveiligheid in een normenloze wereld, Bedenkingen bij de Nederlandse Integrale Veiligheidsrapportage’, Samenleving en politiek, jg. 1, 1994, nr.3 (maart), p. 4-13
- Walgrave Lode, ‘Criminologische stellingen ten behoeve van beleidsmakers, Alles wat criminologen weten over criminaliteit en criminaliteitsbestrijding, maar wat de beleidsmakers nooit durfden vragen’, Tijdschrift voor criminologie, 1994, 36, p. 8-83
- Meyvis Wilfried en Fret Ludo, ‘Een sociaal geïnspireerd veiligheidsbeleid, het kan!’ Alert voor welzijnswerken en sociale politiek, 1994, 28, p.3-4
- Blankenberge, ‘Over criminaliteit gesproken’, Justitiële Verkenningen, Tien jaar Samenleving en criminaliteit, 1995, 3, p. 52-62
- Cartuyvels Y. en Van Campenhout L., ‘La douce violence des contrats de sécurité’, La Revue Nouvelle, Victimes et violences, Mars 1995, nr 3, p 49-56
- Van Outrive Lode en Walgrave Lode, ‘Veiligheid in onze dagen’, in: Wegen van Hoop, Universitaire perspectieven, Universitaire Pers Leuven, 1995, p.186-202
- De Beuckelaere Willem, Haché Daniel en De Hert Paul, ‘Heeft de minister van Binnenlandse Zaken een geheime agenda?’, Samenleving en politiek, jg.4, 1997, nr.9 (november), p.30-37
- Roche Sébastien, Sociologie politique de l’insécurité, PUF, 1998, 283 p.
- Van Outrive Lode, Misdaad in toekomstperspectief, Rapport op vraag van de Koning Boudewijnstichting in het kader van ‘Burger, recht en samenleving’, september 1998
- Van Den Broeck Tom en Raes An, ‘Het leven zoals het is, Veiligheid en leefbaarheid vanuit de buurt bekeken’, in: Custodes: stadscriminaliteit (uitg. Politea) 2000, p.33-57
- De Baets Philippe, ‘Veiligheidsstaat of verzorgingsstaat: de retoriek voorbij?’, Panopticon, jg. 21, jan/febr 2000, p.41-62
- Hebberecht Patrick, ‘Het federaal veiligheidsplan versterkt de ongelijkheid inzake onveiligheid’, Panopticon, jg. 21, maart/april 2000, p. 101-111
- Peeters Carolien, Verbeeck Bruno, Vervaecke Geert, Goethals Johan, Pleysier Stefaan, ‘De constructie van een veiligheidsmodel in het kader van de veiligheids- en samenlevingscontracten’, Panopticon, jg 21, 2000, nr. 4, p.347-355
- Pleysier Stefaan, Vervaecke Geert, Goethals Johan, Peeters Carolien, Verbeeck Bruno, ‘Over onveiligheid en onzekerheid’, Samenleving en politiek, jg. 8, 2001, nr 2 (februari), p.26-34
- Ponsaers Paul, ‘Nieuwe vormen van sociaal conflict: de nieuwe technologische revolutie en de transformatie van de openbare orde’, Panopticon, jg 21, 2000, nr 2, p. 147-160.
- In het bijzonder willen we Els Enhus en Lode Van Outrive danken voor de tekst die zij opstelden voor de voorbereidende discussie, onder de titel: ‘Veiligheid: een poging tot orde op zaken.’

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 9 (november), pagina 26 tot 36