Log in

'Résister au bougisme. Démocratie forte contre mondialisation techno-marchande'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 10 (december), pagina 55 tot 56

Résister au bougisme. Démocratie forte contre mondialisation techno-marchande

P.-A. Taguieff
Mille et une nuits, Paris, 2001

Pierre-André Taguieff, Frans filosoof en politicoloog, heeft faam verworven met zijn studies over Nieuw Rechts (Sur la Nouvelle Droite, 1994) en over het racisme (Le racisme, 1997). Het racisme heeft zich volgens Taguieff getransformeerd van een biologisch tot een cultureel racisme, dat pretendeert de differentie in zijn vaandel te voeren. Maar, hoe zouden wij, als onze culturen zo grondig verschillen, op eenzelfde territorium kunnen samenleven? De politieke consequenties van zijn werk publiceerde hij, samen met Michèle Tribalat, in Face au Front National. Arguments pour une contre-offensive (1998). Recent gaat Taguieff de beschouwende toer op in L’effacement de l’avenir (2000) en Du progrès. Biographie d’une utopie moderne (2001). Zijn recente boek Résister au bougisme ligt in dezelfde lijn.
Nu hebben dit soort ‘essays’, zoals op de kaft staat, meestal iets ontgoochelends. Je leest de achterflap, raakt geïntrigeerd; je koopt en begint te lezen. Maar in eindeloze herhalingen en variaties cirkelt het boek rond één intuïtie. In het geval van Taguieff is het dan wel een interessante gedachte. Liever één idee, die zichzelf herhaalt, dan geen ideeën, zo troost ik mezelf.
Taguieff typeert de huidige mondialisatie als een cultuur van ‘bewegerigheid’. Zo vertaal ik het neologisme ‘bougisme’ of ‘mouvementisme’. Het moderne denken definieerde zichzelf als een breuk met het verleden, de traditie, de autoriteit: breken, in functie van vooruitgang, vrijheid en gelijkheid. De verandering werd genormeerd door een idee van waar het met die beweging naar toe moet. Maar de postmoderniteit, of beter onze hypermoderniteit, is een breuk om de breuk, verandering om de verandering, vernieuwing omwille van het nieuwe. Het actuele denken is een eindeloze, en steeds opnieuw mislukkende, poging van het Nu om zichzelf in te halen. De moderniteit is mode geworden, en wie de mode wil volgen, holt steeds het laatste snufje achterna. ‘In’ willen zijn is een vermoeiende en frustrerende bezigheid; we kennen de frustraties van degene die het meest recente model PC dacht te kopen, of wil gekleed zijn volgens de laatste mode. “Men kan het bougisme karakteriseren als de laatste metamorfose van de vooruitgangsidee, die tot stand komt door een maximale verarming ervan: als men de vooruitgang proclameert zonder het begrip van vooruitgang te definiëren, zonder te verwijzen naar de doelen van de mens die men in de toekomst wil realiseren (vrijheid, rechtvaardigheid, enz.), zonder uit te gaan van een visie op de universele geschiedenis, dan maakt men van ‘beweging’ of ‘verandering’ een afgod, iets als een nieuw absolute, een substituut van het hoogste zijnde” (pp.15-16).
Méér nog dan in het klassieke kapitalisme, waarvan Marx de drang en dwang tot permanente revolutie geanalyseerd heeft, wordt de huidige economie getypeerd door bewegerigheid. Innovatie en flexibiliteit zijn de sleutelwoorden van de mondialisering in haar technologische en vermarkte vorm. De bewegerigheid houdt echter de hele cultuur in haar ban: op de eerste plaats de media, maar ook de kunst en het onderwijs, ze lijken allemaal hyperkinetisch geworden. Het is een soort categorische imperatief om permanent te rennen en zichzelf voorbij te streven: ‘een verplichting tot ontworteling en nomadisme, transfiguratie van een paradoxale installatie in het vergankelijke en vluchtige’ (p.41). De kritische potenties van een kunst die zichzelf definieerde als transgressie lijken uitgeput, want op voorhand ingekapseld. In werkelijkheid is het flexibele subject een eufemisme voor het eenzame en ontwortelde individu. Het klinkt pregnanter in het Frans: ‘mobile et sans mémoire, réduit à lui-même, littéralement dé-lié’ (p.14).
Ook het politieke bedrijf wordt door deze onophoudende wervel aangetast. De neoliberalen zingen - uiteraard - de lofzang van de permanente vernieuwing. Klassiek rechts heeft zijn identiteit opgegeven, want durft het niet meer aan de traditionele waarden en normen te verdedigen. Maar Taguieff richt zijn pijlen vooral tegen nieuw links (‘cette gauche bougiste’). ‘Zogenaamd intellectueel en politiek links heeft zich massief bekeerd tot de waarden en normen die door het zegevierende kapitalisme verspreid worden, die het alleen wat wil opfrissen, ze een menselijk gezicht geven, ze bekleden met moralisme en juridisme. Dit gezellige links is totaal aangepast aan zijn functie als legitimatie van het nieuwe kapitalisme’ (p.169). In de Franse situatie moet vooral Michel Rocard het ontgelden: ‘een beweeglijk links dat als enige programmapunt heeft zijn hoed naar de wind te zetten’! (p.170). Op die manier wordt de politieke praxis uitgehold. Taguieff laat b.v. zien hoe het dominante politieke discours (de flexitaal: ‘la movlangue’) het begrip ‘citoyen’ gebruikt als een adjectief, dat te pas en te onpas aan nieuwe substantieven vastgehaakt wordt: débat citoyen, science citoyenne, forum citoyen, déplacement citoyen! We zullen het burgerschap als substantief (la citoyenneté) opnieuw moeten uitvinden.
Tegen dit bougisme moeten we ons verzetten, zo kondigt de titel aan. Wat flou blijft echter het antwoord op de vraag hoe we dit zouden kunnen doen. Taguieff pleit voor een intelligent conservatisme, dat tradities weet te waarderen, dat de wereld en de natuur wil bewaren, zijn verantwoordelijkheid opneemt, en door het verleden te evalueren pas een echte toekomst voor de komende generaties kan openhouden. Hij wil de politiek laten normeren door een ethiek en een antroplogie. ‘Er is immers geen weerstand of verzet mogelijk zonder een regulatieve idee van de menselijkheid of van de wenselijke samenleving’ (p.11). Tegen een abstract internationalisme dat gepaard gaat met een al even abstract individualisme en zo een perfecte spiegel voorhoudt van de individuele producent en consument in een geglobaliseerde markt, pleit hij voor een sterke democratie. Een actieve participatie van de burgers onderstelt op de eerste plaats een nationale politiek. Hij bepleit ook een nationale cultuur (tegen het oprukkende americanisme, b.v. in de film) en het behoud van de nationale talen (b.v. het Frans tegen het web-Engels).
Taguieffs boek deed mij naar Paul Virilio grijpen. Onder meer in L’insécurité du territoire (1993) en La Vitesse de délibération (1995) analyseert hij de snelheidsdrang van onze cultuur, in samenhang met de technologie, de informatica en stedenbouw. Virilio ziet in de oorlog (de Blitzkrieg, de Golfoorlog) het paradigma bij uitstek van de snelheid, en wil tegen die achtergrond de betekenis van accidenten en aanslagen begrijpen. Zijn analyses zijn spitanter dan die van Taguieff, en (want?) minder belerend. Of Taguieffs sterk moraliserend vertoog ons echt een grote stap vooruit brengt, is me niet duidelijk. Maar nu ben ik alweer ‘bougististische’ taal aan het spreken, en daar wilde hij net voor waarschuwen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 8, 2001, nr. 10 (december), pagina 55 tot 56