Log in

'De' antiglobaliseringsbeweging?

Een ideologische en historische exploratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 31 tot 39

De ene antiglobalist is de andere niet

Bangkok, Washington, Praag, Davos, Porto Alegre, Göteborg, Genua, Gent en Brussel… De protesten van niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) sinds de conferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in Seattle eind 1999, luidden een lange rij van agitaties door zogenaamde antiglobalisten in. Parallel hiermee groeide het vermoeden bij politici, pers en academici dat deze organisaties meer dan ooit een invloedrijke factor op het internationale politieke en economische toneel (kunnen) vormen. Ter nuancering wordt hierbij echter vaak de grote diversiteit tussen de ngo’s benadrukt. Milieuactivisten, mensenrechtengroeperingen, vakbonden, landbouwers, consumentengroepen, religieuzen, communisten, anarchisten, feministen,... ; zowel gewelddadige als vreedzame groepen.

Tussen de talrijke organisaties die de globalisering contesteren bestaan inderdaad enorme verschillen. Maar in plaats van deze respectievelijk thematische en ‘methodologische’ categorieën te onderscheiden, proberen we hier enkele algemene ideologische breuklijnen in het kluwen van ngo’s in het bijzonder, en in de reacties op de globalisering in het algemeen, te ontwaren. Hoewel dit aspect van ‘de’ antiglobaliseringsbeweging(en) nauwelijks al wetenschappelijk onderzocht is, kan het gebruik van historische analogieën ons inziens een relevante ideologische indeling mogelijk maken. Het fenomeen van ‘antiglobalisme’ is immers niet (helemaal) nieuw. Vaak vergelijkt men de protesten met die van eind jaren 60. Hoewel deze hypothese ongetwijfeld interessante informatie oplevert, graven we hier nog wat dieper in de geschiedenis. Kun je de organisaties die vandaag de globalisering contesteren vergelijken met de ideologische groepen uit het interbellum? Of stellen we eerder parallellen vast met de eerste decennia na WO II, toen regeringen hun politieke macht over de economische en financiële sfeer lieten gelden? Zo onderscheiden we grosso modo drie groepen actoren die, niet altijd terecht, onder de populaire term ‘antiglobaliseringsbeweging’ vallen. Vooraf benadrukken we dat, hoewel deze ideologische en historische indeling conceptuele duidelijkheid verschaft, het in de realiteit uiteraard een continuüm betreft.
Enerzijds inspireren vele ngo’s zich op de naoorlogse periode, toen politici op internationaal vlak het Bretton Woods-systeem en op nationaal vlak de welvaartsstaat opbouwden. Met behulp van sociale, ecologische en democratische correcties willen zij de uitwassen van de globalisering aanpakken. De term ‘andere mondialisering’ vormt dan ook een meer adequate ideologische stempel. Anderzijds streven sommige ‘parochialisten’ er niet zozeer naar om de globalisering in goede banen te leiden, maar wel om haar terug te dringen tot een lager echelon. Opmerkelijk is dat er zich binnen deze stroming twee groepen bevinden, die volgens traditionele ideologische breuklijnen diametraal tegenover mekaar staan. Hierbij roept het eerder linkse pleidooi voor lokale zelfvoorzienende gemeenschappen herinneringen op aan het toenemende protectionisme uit het interbellum, terwijl ook de extreemrechtse drang naar cultureel-homogene entiteiten gelijkenissen vertoont met het discours uit de jaren 30. Sommige commentatoren halen dan ook het doemscenario van het economische en politieke nationalisme uit het interbellum boven om op de gevaren van ‘de’ huidige antiglobaliseringsbeweging te wijzen.
Klopt deze bewering? Hoeven we inderdaad te vrezen voor een ‘monsterverbond’ waarbij links en rechts gezamenlijk de wereldwijde wereldorde willen afbreken? Diverse factoren doen alleszins vermoeden dat de huidige periode opvallende analogieën met het interbellum vertoont. Maar welke rol speelt ‘de’ antiglobaliseringsbeweging in deze evoluties? Vormt de beweging niet eerder een symptoom van enkele langetermijntrends die vandaag samenvallen? Enkele kritische kanttekeningen zijn hier alleszins op hun plaats, temeer daar de kritiek van degenen die alle protesterende organisaties over dezelfde kam scheren in hun vergelijking met de jaren 30, op haar beurt niet altijd ideologisch neutraal is. Zij vertolkt immers ook de vrees van een vierde ideologische stroming, die vanuit haar klassiek liberale inspiratie voor een geglobaliseerde annex geliberaliseerde wereldorde pleit: ‘There is no alternative’. Haar gedachtegoed (de steeds vaker gecontesteerde Washington Consensus) beïnvloedde tal van beleidsmakers vanaf de jaren 80, maar bleek historisch gezien ook dominant gedurende de decennia vóór WO I. Ook toen greep trouwens een periode van toenemende globalisering plaats.

De ‘andere-mondialiseringsbeweging’: reguleren van de globalisering

Heel wat ngo’s en steeds meer centrumlinkse en -rechtse politici stellen de huidige vorm van globalisering ernstig in vraag. Ze willen de globalisering reguleren, door correcties aan te brengen op voornamelijk drie domeinen: sociaal (zoals normen inzake kinderarbeid), ecologisch (internationale CO2-afspraken) en democratisch (meer vertegenwoordiging civiele samenleving en derde wereld). Op economisch vlak is deze groep voorstander van een verdere liberalisering van de internationale handel in goederen en diensten: dit garandeert een optimale welvaart voor alle landen. Belangrijk is evenwel dat zij heel wat sceptischer staan tegenover de handel in kapitaal. Wereldwijde, speculatieve en volatiele kapitaaltransacties bemoeilijken immers de stabiele handel en door ‘kuddegedrag’ ontstaan soms crisissen. Bovendien verhindert de vrije kapitaalmobiliteit (cf. de logica van Mundells conflictdriehoek1) dat regeringen over een zekere mate van nationale monetaire autonomie beschikken, wat nochtans een essentieel instrument is voor doelstellingen als groei en tewerkstelling. Deze visie uit zich dan ook in pleidooien voor vormen van kapitaalcontroles zoals een Tobintaks.
Ze vertoont opvallende gelijkenissen met de ideologie van de architecten die het naoorlogse internationale financiële en monetaire stelsel uittekenden. Vanuit hun traumatische ervaringen uit het interbellum, streefden zij enerzijds naar een toenemende liberalisering van de internationale goederenhandel via de GATT, maar anderzijds vormden de door de regeringen gereguleerde kapitaalmarkt en wisselkoersen de ruggengraat van het systeem van Bretton Woods. Dankzij deze ideologische consensus van embedded liberalisme, bleken het internationaal systeem van stabiele wisselkoersen én de nationale Keynesiaanse welvaartsstaat complementair. Mensen als Keynes en Roosevelt waren vastbesloten om de suprematie van de politieke sfeer boven de financiële sfeer vast te leggen, met behulp van globale, multilaterale organisaties. Deze ideologische consensus die heerste van na WO II tot het begin van de jaren 70, wordt dus door een deel van de zogenaamde antiglobaliseringsbeweging belichaamd. Het woord ‘antiglobalisten’ is dan ook misleidend om hedendaagse pleitbezorgers voor een gereguleerde globalisering te brandmerken.2 Waarom spreken we niet over sociaal-globalisten, ecologisch-globalisten of democratisch-globalisten? Of nog beter, zoals Coolsaet suggereert, over ‘andere-mondialisten’?3 Tenslotte bevinden ook de ‘klassieke’ marxisten en aanverwanten zich in dit links-internationalistische spectrum. Maar hoewel deze beweging per definitie internationalistisch of globalistisch is, tekent zich wat het ‘linkse’ aspect betreft een traditioneel onderscheid af. Waar andere-mondialisten een eerder reformistische koers varen - ondanks de ingrijpende hervormingen van hun alternatief, pleiten de revolutionairen of antikapitalisten voor een ánder (wereld)systeem.

Het linkse parochialisme

Maar zoals gezegd streven andere ngo’s en politieke partijen ernaar om de politieke en economische realiteit op een lager (niet-globaal) niveau te organiseren. Woorden als ‘antiglobalisme’, ‘localisme’ of Kaldors term ‘parochialisme’ karakteriseren dan ook beter deze pleidooien voor een terugdringing van de globalisering.4 Toch dient ook hier een grof onderscheid gemaakt tussen twee groepen, die volgens het traditionele links-rechts schema ironisch genoeg diametraal tegenover mekaar staan.
Aan de linkerzijde vinden we organisaties die vanuit een gelijkaardige analyse als hoger genoemde globalisten (een terechte bekommernis voor de negatieve aspecten van een globalisering op sociaal, ecologisch, democratisch en cultureel vlak), andere alternatieven voorstaan. Hoewel hun oplossing soms onduidelijk is, vormen concepten als self-reliance en localization de rode draad doorheen recente publicaties van deze organisaties, die hun eigen ideologie soms als ‘New Protectionism’ bestempelen.5 Zij willen dan ook niet alleen controles op kapitaalstromen, maar óók drastische beperkingen op de internationale vrijhandel. Bovendien pleiten zij voor een grondige inkrimping of zelfs een afschaffing van internationale organisaties zoals het IMF, de Wereldbank en de WTO. De vraag stelt zich of deze parochialisten zich ideologisch gezien aansluiten bij het ideaalbeeld van Rousseau inzake kleine, in zichzelf voorzienende gemeenschappen, zonder privaat bezit en functionerend volgens het principe van directe democratie. In elk geval situeert dit Bokrijk-achtig alternatief zich in radicaal-linkse en/of anarchistische middens. Vanuit historisch oogpunt valt de analogie met het interbellum op. Na de globalisering van het einde van de 19de eeuw tot WO I, die trouwens dezelfde omvang aannam als vandaag, volgde een reactie van ‘verliezers van de globalisering’ die ‘om bescherming vragen’.6 Dit uitte zich, zeker in de jaren 30, in een toenemend protectionisme en economisch nationalisme: als strategie werd de globalisering teruggedrongen, niet gereguleerd. Het streven naar een economisch beleid op een lager (i.c. het nationale en regionale) echelon, dat in competitie met andere economische entiteiten trad, bleek bovendien niet compatibel met een adequaat internationaal economisch beheer. Volgens voormalig OESO-hoofdeconoom Henderson weerspiegelt de antiglobaliseringsbeweging (het new millennium collectivism) een diepgewortelde én aan invloed winnende antiliberale attitude in de publieke opinie. Wolf treedt hem hierin bij en maakt eveneens een vergelijking met de periode van de Grote Depressie: ‘A world of peace and fruitful economic exchange can turn into one of hostility and impoverished self-sufficiency. It has happened before.’7

Het rechtse parochialisme

Terwijl je deze antiglobalistische linkerzijde (naar Kaldor) als ‘Oud Links’ zou kunnen bestempelen, merken we op dat ook ‘Nieuw Rechts’ ernaar streeft om de globalisering terug te dringen. Fougier heeft het over een ‘nationaal-populistische’ stroming, ‘qui dénonce dans la mondialisation la remise en cause des frontières et des souverainetés, la dilution des identités culturelles et nationales, et l’afflux de marchandises et d’hommes en provenance de l’étranger. Il s’exprime notamment à travers des partis politiques nationalistes et protectionnistes, eurosceptiques dans leur version modérée et xéno-phobes dans leur version extrémiste.’ Als voorbeeld geeft hij Jorg Haider van de Oostenrijkse vrijheidspartij, maar ook op de toppen van de Europese of globale politieke en economische elite zien we extreemrechtse organisaties protesteren.8 ‘Wij hebben ook onze bedenkingen bij de globalisering omdat ze in onze ogen niet meer is dan een aangepaste, modernere versie van het internationalisme. Deze tendens betekent namelijk in de eerste plaats het verdwijnen van de nationale grenzen, om in een volgende fase de identiteit van de verscheidene volkeren te laten vervagen,’ stelt het Comité Nationalisten tegen Globalisering.9 Ook hier brengt een zoektocht naar historische parallellen ons bij de jaren 30. Toen bereikte de backlash tegen de globalisering een hoogtepunt en maakten nationalisme, xenofobie en zelfs racisme opgang in de meeste politieke partijen, ook buiten Duitsland.

Een monsterverbond in de maak?

Bij hen die werkelijk streven naar een terugdringing van de globalisering, bevinden zich dus zowel radicaal-linkse als radicaal-rechtse organisaties. Telkens stelden we enkele opvallende analogieën met de jaren 30 vast. Simplificerend zou je kunnen stellen dat beide ideologische groepen zich respectievelijk aan het economische en aan het politieke nationalisme van deze periode spiegelen. Hoewel deze laatste these ongetwijfeld te weinig genuanceerd is, dient gewaarschuwd voor een soort ‘monsterverbond’ tussen beide antiglobalistische stromingen. Als parochialisten delen ze immers hun streven naar kleinere politieke en economische entiteiten, of algemener, hun weerstand tegen de globalisering. Zo stellen sommigen in de VS een ‘feitelijke convergentie’ tussen Nader en de ‘extreemrechtse’ Buchanan vast, wat bijvoorbeeld bleek tijdens de protesten in Seattle. Ook onder Canadese organisaties zou er een ‘growth of far-right currents within and alongside the left and progressive movements’ plaatsvinden.10 Toch lijken expliciete en formele bondgenootschappen tussen beide stromingen uitgesloten, aangezien ze uiteindelijk elk vanuit fundamenteel verschillende ideologische uitgangspunten vertrekken. Zo blijft gelijkheid een prioritair streefdoel voor de linkerzijde, terwijl het rechtse discours de ongelijkheid predikt. Een deel van laatstgenoemden zijn bovendien voorstander van absolute economische vrijheid (Kaldor heeft het over neoliberale parochialisten), waarmee ze zich diametraal tegenover de linkse antiglobalisten situeren. Op de Europese bijeenkomsten in Brugge en Gent stippelden het ‘nationalistisch comité’ en de linkse ngo’s elk een aparte betogingsroute uit. Beide stromingen laten trouwens niet na om mekaar te diaboliseren.

Maar los van eventuele allianties, stelt zich de meer algemene vraag naar de politieke invloed van deze parochialisten. Met andere woorden: beïnvloeden hun acties de politieke en economische elite zodanig dat ze de globalisering gaan terugschroeven, of willen de G7-landen, het IMF, de WTO etc. de globalisering reguleren volgens sociale, ecologische en democratische normen? Wordt het parochialisme of andere-mondialisering? Of verandert er niets en blijven de wereldleiders voorstander van een eenzijdige globalisering annex liberalisering van het handels- en kapitaalverkeer? Hiermee belanden we opnieuw bij de hoger gehanteerde ideologische opsplitsing, die historisch gezien respectievelijk naar het interbellum en naar de Bretton Woods-periode refereert. Een aantal factoren doen ons - evenals bijvoorbeeld Henderson en The Economist - vermoeden dat de hedendaagse periode opvallende gelijkenissen met die van vóór WO II vertoont. We gaan eerst na in welke mate de vergelijking met de jaren 30 opgaat, waarna de vraag zich zal stellen of dit meteen ook op een feitelijke invloed van de zogenaamde antiglobalisten wijst?

Een herhaling van de jaren 30

Een eerste vergelijking betreft de stand van het multilateralisme. Enerzijds betekent het bestaan van globale, multilaterale organisaties (zoals het IMF, de WB, de WTO en de VN) een belangrijk verschil met het interbellum. Voornamelijk ontstaan onder de naoorlogse ideologische consensus, vormen deze instellingen een potentieel instrument om de globalisering te reguleren. Ze kunnen ook het competitieve beggar-your-neighbourbeleid van de jaren 30 helpen voorkomen. Anderzijds vermindert het belang van globale instellingen, ten voordele van kleinere fora van industrielanden zoals de G7 of de BIB. Ook winnen regionale organisaties als de EU en de NAFTA (of de toekomstige FTAA) aan belang, terwijl de WTO er niet in slaagt een nieuwe handelsronde te organiseren. Met Bergsten11 stellen we dan ook een trend van afnemende multilateralisering vast, die vergelijkbaar is met het interbellum. Ook toen verliep de internationale economische samenwerking heel wat moeilijker dan tijdens de periode van vóór WO I. Onlosmakelijk hiermee verbonden is de afnemende hegemonische macht van de VS, die niet meer in staat blijken om het multilateralisme te schragen zoals na WO II. Globale belangen blijken niet meer per definitie compatibel met die van de hegemon in decline, wat zich duidelijk uit in het toenemende unilateralisme van de voorbije administraties in Washington (vb. inzake Irak, het rakkettenschild NMD, het Kyoto-protocol, het Internationaal Strafhof). Parallel hiermee neemt de legitimiteit van de VS in de rest van de wereld af. Japan lijkt niet bereid noch in staat om een globale politieke verantwoordelijkheid op zich te nemen, terwijl de EU pas recentelijk stappen in de richting van een wereldwijd leiderschap op zich lijkt te nemen (vb. inzake Korea, Kyoto, de racisme-conferentie van Durban). Een gelijkaardige hegemonische transitieperiode deed zich voor na WO I, toen de Britse hegemon aan belang en legitimiteit moest inboeten, maar de VS nog niet de politieke wil opbrachten om de wereld vorm te geven.12
Beide langetermijntrends13 vinden hun oorsprong in de jaren 70, toen het Bretton Woods-systeem ineenstortte en het embedded liberalisme haar dominante ideologische status verloor ten voordele van het opkomende klassiek liberalisme.
Maar vandaag kun je, en dit is dan een derde gelijkenis met het interbellum, steeds minder spreken van een internationale ideologische consensus. De klassiek liberale Washington Consensus, die in de jaren 80 de industrielanden inspireerde en ook in de derde wereld opgang maakte, krijgt immers met steeds meer kritiek te kampen. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de financiële crises in de opkomende markten (vanaf 94 in Latijns-Amerika, Azië, Rusland), de toenemende kloof tussen Noord en Zuid en de recente wereldwijde groeivertraging (om het r-woord niet te gebruiken). Wel blijven de VS, zeker met het aantreden van de republikeinse administratie, een voorstander van een globalisering in klassiek liberale zin (vrijhandel én vrije kapitaalmobiliteit). Maar binnen de G7 houden vooral Frankrijk en Japan er soms een andere mening op na. Ontwikkelingslanden en opkomende markten stellen de Washington ‘Consensus’ nog veel fundamenteler in vraag. Zij worden niet alleen bijgetreden door de diverse antiglobaliseringsbewegingen, die de geglobaliseerde en geliberaliseerde wereldorde bekampen. Bovendien vertoont de ‘consensus’ binnen de intellectuele hoofdstroom (bij gerespecteerde economisten als Bhagwati, Krugman, Stiglitz14 en Sachs) steeds grotere barsten. En met een opkomst van vijftien mensen kun je de recente ‘Mars voor het kapitalisme’ in Brussel moeilijk als een tegenwicht voor de ‘antiglobalistische’ betogingen beschouwen.15 Er is dus noch onder de statelijke, noch onder niet-gouvernementele actoren sprake van een ideologische consensus.
Zoals gezegd kende ook het interbellum een soort ‘ideologische transitieperiode’. Waar het economisch, financieel en monetair beleid na WO I zich door het klassiek liberalisme blijft kenmerken, wordt deze orthodoxie in de jaren 30 steeds meer in vraag gesteld. Maar ondanks de ‘experimenten’ met een meer actief overheidsbeleid, kon je nog niet van een Keynesiaanse consensus spreken.
Verder karakteriseren de jaren 90 zich evenals de roaring twenties door een hoge economische groei, die gepaard gaat met een beurshausse en met massale kapitaalstromen naar opkomende markten. Toen in 1929 de aandelenkoersen ineenstortten en een wereldwijde recessie zich inzette, konden politici - gezien beide pas genoemde factoren - niet met adequate oplossingen voor de dag komen. Doet zich vandaag een gelijkaardig fenomeen voor?

En de rol van ‘de antiglobalisten’ hierin?

Nu deze drie (gerelateerde) factoren duidelijk maken hoe de hedendaagse wereldorde opvallende gelijkenissen met het interbellum vertoont, stelt zich de vraag naar de invloed van de zogenaamde antiglobalisten hierop. Over de eerste evolutie, vermelden we de kritiek dat het alternatief van de antiglobalisten tégen de belangen van de derde wereld zou ingaan. Zo beschouwt The Economist José Bové als een verdediger van het Europese landbouwprotectionisme, die de export van Brazilië en andere arme landen hindert.16 Zakaria beweert onomwonden dat de antiglobalisten enkel een gunstig beleid voor hun own sheltered communities bepleiten, ten koste van de derde wereld.17 Ten tweede werkt een gewelddadige minderheid (van zowel extreemlinkse als -rechtse signatuur) het afnemende multilateralisme in de hand, gezien de recente ‘toppenvrees’ van regeringen. De Bretton Woods-instellingen korten hun jaarlijkse bijeenkomst in van zes tot amper twee dagen, uit angst voor antiglobalistische protesten. Wat de republikeinse Amerikaanse regering trouwens niet slecht uitkomt, aangezien zij uiterst wantrouwig staat tegenover de wereldwijde publieke organisaties zoals het IMF en de Wereldbank (getuige het senaatsrapport van de Meltzer-commissie). Ironisch genoeg kenmerken nogal wat antiglobalisten zich nochtans door een anti-amerikaanse houding, waarmee ze op de tweede evolutie inspelen. En meer algemeen weerspiegelt de kritiek van ngo’s, zoals Bello benadrukt, de legitimiteitscrisis van internationale publieke instellingen, waarin vooral westerse industrielanden het beleid uitstippelen.18 Tenslotte kun je de opkomst van de antiglobaliseringsbewegingen onmogelijk los zien van de derde factor, namelijk de afwezigheid van een internationale ideologische consensus. Het besef groeit, ook bij velen die niet aan de straatprotesten deelnemen, dat de klassiek liberaal geïnspireerde globalisering van de voorbije decennia niet zomaar een succesverhaal is. Het overgrote deel van de organisaties die op de hoogmissen van de politieke en economische elite protesteren, verwoordt deze onvrede met het ideologische verhaal van de voorbije decennia. Ze doen dit vanuit een legitieme bekommernis voor sociale rechtvaardigheid, duurzame ontwikkeling, democratische participatie en culturele autonomie. Dit geldt ook voor vele parochialistische critici, al doemt bij hun alternatief al vlug het spookbeeld van de jaren 30 op. Nochtans vormen noch de economische terugdringing waar extreemlinks op aanstuurt, noch het politieke nationalisme van extreemrechts, een mogelijke én wenselijke oplossing voor de nadelen van het klassiek liberale model. Dat de huidige periode opvallende gelijkenissen vertoont met het interbellum, betekent dus niet dat ‘de antiglobaliseringsbewegingen’ daarin een belangrijke rol spelen. Veel meer dan een oorzaak, zijn zij een symptoom van het afnemende multilateralisme, van de verminderde legitimiteit van de G7 in het algemeen en de VS in het bijzonder, en van de ideologische onenigheid omtrent de Washington Consensus. In dit verband waarschuwen we ervoor dat auteurs die de rol van ngo’s in een eventueel ‘interbellum-scenario’ overbelichten, zonder op de zopas geschetste internationale context te wijzen, op hun beurt niet altijd ideologisch neutraal zijn.
We beschouwen deze voorstanders van de klassiek liberale Washington Consensus dan ook als een vierde ideologisch relevante politieke factor. In de jaren 80 en 90 oefende hun laissez-fairegedachte een sterke invloed uit op het denken en handelen van beleidsmakers. Historisch gezien domineerde hun ideologie gedurende de decennia vóór WO I, niet toevallig ook een periode van quasi-ongereguleerde globalisering die de vergelijking met de hedendaagse toestand kan doorstaan. Fougier bestempelt hedendaagse aanhangers van dit economische liberalisme als ‘winnaars van de globalisering’19, Bhagwati heeft het over het ‘Wall Street-Treasury-IMF complex’.20 Zij hebben er belang bij om álle kritiek op de huidige vorm van globalisering onder de noemer ‘antiglobalisering’ te plaatsen en hierbij naar het doemscenario van het politieke en economische nationalisme van de jaren 30 te verwijzen. Een dergelijke tendens stellen we bijvoorbeeld vast bij de reeds vermelde commentatoren van de Financial Times en The Economist, evenals bij ex-hoofdeconoom van de OESO Henderson. Door elke poging tot regulering van de globalisering op die manier in diskrediet te brengen, stellen ze hun ideologische voorkeur voor een wereldwijde vrijhandel in goederen, diensten én kapitaal voor als enige en zaligmakende alternatief.21

Een positief project

Nochtans doen beleidsmakers er verstandig aan om het kind niet met het badwater weg te gooien, maar vanuit de terechte bekommernissen en kritieken van de diverse ontwikkelingslanden en ngo’s een positief project van ‘andere-mondialisering’ uit te bouwen. Hierbij ligt bij uitstek voor de sociaaldemocratie een taak weggelegd. Maar dan dient zij, in plaats van een postmoderne profilering en/of een onderwerping aan de ‘rechtse hegemonie’, net zoals na WO II te werken aan coherent ideologisch verhaal22 over de politieke regulering van de globalisering.23 In tegenstelling tot de naoorlogse periode, ontbreekt vandaag echter een hegemon die dit nieuwe grote verhaal kan ondersteunen. Vandaar dat een fors opgedreven multilaterale samenwerking in een soort ‘hegemonisch comité’, waar ook het Zuiden een stem heeft, meer dan ooit noodzakelijk is. Dit alles kan de legitimiteit van de internationale publieke sfeer alleen maar ten goede komen, wat trouwens een noodzakelijke voorwaarde vormt om de globalisering in goede banen te kunnen leiden. Interessante analogieën tussen de hedendaagse periode en de jaren 30 mogen immers niet verdoezelen dat de internationale realiteit nog steeds gemaakt moet worden.

Noten
1. Kort samengevat betekent dit dat vrije kapitaalmobiliteit, nationale monetaire autonomie en vaste wisselkoersen onmogelijk samengaan: één van deze drie opties dient opgeofferd te worden.
2. Het illustreert misschien, zoals Offley suggereert, dat de linkerzijde zich sinds de val van de Berlijnse muur en de zogenaamde ‘overwinning van het liberalisme’, defensief opstelt in een antidiscours zonder een coherente alternatieve ideologie te bieden. Will Offley, ‘Dry rot: The Far Right Targets the Left’. Canadian Dimension, januari-februari 2001.
3. Rik Coolsaet, ‘De andere-mondialiseringsbeweging’. Knack, 13 september 2001.
4. Mary Kaldor, ‘Civilizing’ Globalization? The Implications of the ‘Battle in Seattle’. London School of Economics, Centre for the Study of Global Governance. 2000. http://www.lse.ac.uk.
5. Zie bijvoorbeeld: ‘The case against the global economy and a turn towards the local’ (samengesteld door Mander en Goldsmith), ‘Localization. A global manifesto.’ (Hines van Greenpeace), ‘The new protectionism, protecting the future against free trade’ (Lang en Hines), ‘The case against free trade’ (met artikels van o.m. Nader en Wallach).
6. Daan Killemans, ‘De tweede globale economie in crisis’. In: Johan Van Overtveldt, e.a., Crash of boom? De wereldeconomie op het einde van het millennium. Roeselare, Roularta Books, 1999.
7. David Henderson, ‘Anti-liberalism 2000’. Wincott Lecture, 28 september 2000. http://www.iea.org.uk. Martin Wolf, ‘The dangers of protectionism’. The Financial Times, 8 november 2000.
8. Eddy Fougier, ‘Mondialisation et crise politique’. Libération, 19 juni 2000.
9. Zie op hun website: http://www.strijd.be.
10. Zie bijvoorbeeld Offley (idem) en Berelet. ‘Chip Berelet, Beware right wing anti-globalism’. CorpWatch, oktober 1999. http://www.corpwatch.org.
11. Fred C. Bergsten, ‘The backlash against globalization’. Tokyo, 9 mei 2000. http://www.iie.com.
12. Het is wellicht nog te vroeg om te beoordelen of en in welke mate de gebeurtenissen van 11 september ingaan tegen beide trends. Vandaag slagen de VS er in om een internationale coalitie tegen het terrorisme te leiden, ook wat
het aspect belastingsparadijzen betreft, terwijl 11 september ook een rol zou gespeeld hebben in de lancering van een nieuwe handelsronde binnen de WTO. Of illustreren de aanslagen de onmacht van de VS? De eerste signalen van een toegenomen multilateralisme vallen trouwens te nuanceren: de Bush-administratie voelt er niet veel voor om de militaire operatie in VN-verband te organiseren, trok zich op unilaterale wijze uit het ABM-verdrag terug, blijft via nieuwe wetgeving de oprichting van het Internationaal Strafhof boycotten en schortte ook eenzijdig een internationale conferentie over biologische oorlogsvoering op. Zie hierover Lode Delputte (‘Liever op eigen houtje’) en Ruud van Dijk (‘Bush valt eigenlijk toch wel mee’) in De Morgen van resp. 21 en 29 december 2001.
13. Zie ook: Rik Coolsaet, ‘De wereld van de 21ste eeuw: Wanorde of déjà vu?’ Universiteit Gent, Demokritos: Mededelingen Van De Vakgroep Politieke Wetenschappen, 1999.
14. Betekenisvol is trouwens dat Joseph Stiglitz onlangs de Nobelprijs voor economie kreeg.
15. KDM, Brusselse kapitalismemars wordt trottoirbetoging. In: De Morgen, 3 december 2001.
16. Anoniem, Angry and effective. The Economist, 23 september 2000.
17. Fareed Zakaria, ‘The new face of the left’. Newsweek, 30 april 2001.
18. Walden Bello, ‘2000: The year of global protest against globalization’. Canadian Dimension, maart-april 2001.
19. Eddy Fougier, ‘Mondialisation et crise politique’. Libération, 19 juni 2000.
20. Jagdish Bhagwati, ‘The Capital Myth’. Foreign Affairs, mei-juni 1998.
21. Uiteindelijk is het dat wat ook premier Guy Verhofstadt doet in het eerste deel van zijn open brief ‘de paradox van het antiglobalisme’. In het eerste deel van de brief stelt hij het voor alsof een minderheid van extreemrechtse en linkse parochalisten ‘de’ hele beweging vertegenwoordigt. Daarna neemt hij zelf het discours van de andere-mondialisten over, maar de vraag stelt zich in welke mate de Belgische voorzitter zich werkelijk voor een ‘ethische globalisering’ en een ‘mondiaal politiek antwoord’ inzet. Zoals Tom Jones opmerkt gebeurt iets gelijkaardigs op methodologisch vlak, namelijk de criminalisering van álle manifesterende ngo’s naar aanleiding van de acties van een gewelddadige minderheid. Ook Verhofstadt verwijst in z’n brief trouwens naar de acties van het ‘Black Block’. Peter Tom Jones, ‘Een andere wereld is mogelijk... voor een alternatieve globalisering!’In: Samenleving en politiek, september 2001, pp.3-9.
22. Zie een gelijkaardige analyse bij Blommaert. Blommaert, Jan, ‘Kleine verhalen en geen grote. Een diagnose van een rechtse hegemonie’. In: Samenleving en politiek, april 2001, pp.4-7.
23. Zie hieromtrent ook het nieuwe boek van John Lloyd: ‘The Protest Ethic: how the anti-globalisation movement challenges social democracy’ (2001, Demos, Londen). Een artikel van de auteur vind je in de Financial Times van 5 november 2001.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 31 tot 39