Log in

De hoogmoed van het kapitaal

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 1 tot 3

Hovaardige gebouwen

Er bestaat er weinig twijfel over: geld - onder de vorm van euro-kitjes - is het belangrijkste geschenk waarmee mensen elkaar hebben bedacht in de eindejaarsperiode en een eengemaakte munt zal meer bijdragen tot de eenheid van Europa dan welk cultureel initiatief ook. We leven in een geldmaatschappij. Geld smeedt banden en verbanden, geld structureert de maatschappelijke verhoudingen. En dat uit zich op allerlei vlak. Ik geloof dat het de Nederlandse theoloog Arend Th. Van Leeuwen was - auteur van het magistrale De nacht van het kapitaal - die voor het eerst een vergelijking maakte tussen de bouwstijl en bouwmaterialen die gedurende eeuwen voor kerken en kathedralen werden gehanteerd en die vandaag vooral voor het bank- en financiewezen worden toegepast. Het is niet meer Le temps des cathédrales (Régine Pernoud), het is nu overduidelijk Le temps de la haute finance. De hoogmoed straalt eruit, ze zijn omwille van de hoogmoed gebouwd. Dat geldt niet alleen voor het World Trade Center, dat ik overigens nog een mooi gebouw vond, maar dat ongetwijfeld uit hoogmoed is gebouwd en omwille van die hoogmoed werd neergehaald. En het geldt niet alleen voor al die wolkenkrabbers in Zuidoost-Aziatische dictaturen die het succes van de nieuwe groeipolen moesten verzinnebeelden, maar er wat kitscherig uitzagen na de monetaire crisis van twee jaar terug. Nee, het geldt ook voor heel wat gebouwen van het bank- en financiewezen in ons land. Observeert u zelf maar eens de bouwstijl van vooral de KBC: in Brussel maar ook met het gebouw dat indertijd door de Boerenbond (Cera Bank) werd neergepoot in Leuven. De protserigheid straalt er gewoon af. Die gebouwen willen alleen maar zeggen: ik wil de grootste zijn, ik wil imponeren. Dat was ook zo bij de laat-middeleeuwse burgerij in het Italiaanse San Geminiani: hoe hoger en imposanter, hoe machtiger. En dus worden precies dezelfde bouwmaterialen gebruikt als in de kathedralen van weleer. Marmer, vooral veel marmer en (namaak)goud om er de nieuwe god van de moderne tijden mee te eren: het kapitaal.
Mensen gedragen zich in banken dan ook precies zoals ze zich in kerken gedragen: ze fluisteren en verheffen vooral niet hun stem - hier zijn zij geen subject, maar object van processen die hen ontgaan - en wanneer iemand tot het loket komt - nadat hij braafjes zijn beurt heeft afgewacht achter de ‘privacylijn’ - dan praat hij met de loketbediende volgens dezelfde regels als die van de biecht. Neen, in banken is er geen ruimte voor een gezellige babbel, in banken gedraagt men zich deemoedig en onderdanig. Het bankgeheim heeft het biechtgeheim vervangen, de vertrouwensband tussen biechtvader en leek leeft door in de relatie tussen bankier en cliënt. Het hogere en het sacrale, dat is niet meer een transcendente godheid, het is het heel erg immanente kapitaal. En kapitaal, dat wordt met ontzag bejegend. Daar zeg je U tegen. Het zou me niks verwonderen dat, indien men een wijwatervaatje voor de deur van de bank zou posteren, mensen er spontaan hun hand in zouden plenzen.

Het verdomde kapitaal

Toen Geert van Istendael in een column in De Morgen tot de slotsom kwam dat antiglobalisten gewoon antikapitalisten zijn, had hij natuurlijk gelijk. Kapitalisme, imperialisme, globalisme, het zijn allemaal termen die verwijzen naar hetzelfde economische systeem dat alleen maar op steeds grotere schaal opereert, steeds dieper binnendringt in de leefwereld van mensen en, ja, steeds driester en hovaardiger wordt. Het casinokapitalisme heeft nog maar weinig te maken met de spirit of capitalism die Max Weber nog meende te kunnen afleiden uit de protestantse deugden van de naarstigheid, de spaarzaamheid en de ondernemingszin. Nee, thans domineren machtswellust en hoogmoed het economisch wereldsysteem. De schaal waarop het nu opereert, maakt iedereen kwetsbaarder en heeft de idee van self reliance definitief naar de ‘grote mythen van de 20e eeuw’ verwezen. Interdependentie is de boodschap. Maar dan wel een uiterst ongelijke interdependentie met voor het grootste deel van de wereld vooral afhankelijkheden, waarvan voortdurend misbruik wordt gemaakt, en voor het kleinere deel afhankelijkheden die bij de kleinste aantasting meteen goed zijn voor een - eventueel ideologisch ingekleurde - oorlog. De koude oorlog zorgde tenminste nog voor enige vorm van - al of niet gefingeerde - maatschappelijke mededinging in termen van bruto nationaal product of gemiddeld welzijn. Daar is nu geen sprake meer van. De maatschappelijke orde zal kapitalistisch zijn, of gewoon niet zijn. Waarom die antiglobalisten zich niet meteen als antikapitalisten herkennen, heeft wellicht alles te maken met die uitgesproken twintigste eeuwse tegenpool van het kapitalisme: het socialisme. Dat alternatief trekt onze postmoderne antiglobalisten niet echt aan, en daarom gebruiken ze ook een ander jargon. Dat is, vind ik, perfect begrijpelijk.
‘Globalisatie’ is in het noorden het excuus geworden voor zakenlui en politici om het harde kapitalisme terug van stal te halen en de welvaartstaat, met zijn behoorlijke verloning van de arbeid en een goede sociale zekerheid, te discrediteren. En in het zuiden betekent globalisatie niets anders dan het opleggen van economische voorwaarden (octrooien, eigendomsrechten, ‘onbeperkte vrijheid van ondernemen’ enz.) die alles wat de kapitalistische markt enigszins kan hinderen als ‘protectionisme’ van de hand wijzen. Globalisatie, dat is de triomf van een eengemaakt kapitalistisch wereldsysteem dat geen alternatieven meer duldt.
Is het zo verwonderlijk dat antiglobalisten zich daartegen verzetten en pleiten voor een nieuwe internationale sociaal-economische wereldorde? Want de protserigheid straalt natuurlijk niet alleen van de gebouwen af. Zij straalt ook af uit ene George Bush, wiens eerste beleidsdaad erin bestond te verkondigen dat hij een zeer minimalistisch internationaal verdrag ter bescherming van het klimaat en het milieu niet zal ondertekenen. Niet goed voor het kapitaal. En wat niet goed is voor het kapitaal is niet goed voor Amerika. Punt uit. Protserigheid, je ziet ze op alle staatsiefoto’s die worden gemaakt bij zogenaamde topbijeenkomsten die eigenlijk alleen maar laag bij de grondse belangen dienen: de Eurotop, de top van de G8, de top van Davos, de top van de Wereldhandelsorganisatie. Allemaal niet bepaald toppen van rechtvaardigheid, fair play en solidariteit. Allemaal toppen waar in de eerste plaats het steeds verder vrij maken van het verkeer van goederen en kapitaal boven op de agenda staat. De rest is bijzaak om de publieke opinie te sussen. Nee, deze globalisatie is de onze niet!

Globalisatie-dialectiek?

Geen twijfel: aan de globalisatie zijn ook positieve kanten. We kunnen nu elektronisch communiceren met mensen aan de andere kant van de planeet - als ze een computer en een internetaansluiting hebben, natuurlijk - en we kunnen een hoeveelheid informatie raadplegen en/of bestellen, die ongekend is in de geschiedenis. Globalisatie, dat is het proces van het verruimen en verdiepen van de financiële, economische, sociale, politieke en culturele netwerken op wereldschaal en van het versnellen en het goedkoper worden van de onderlinge communicatie en het transport, mede door het incorporeren van informatie- en communicatie-technologieën in bedrijven, instellingen, verenigingen en gezinnen. Precies dit intensifiëren van netwerken op wereldschaal houdt zowel de boodschap in van een alsmaar hegemonischer wordend economisch systeem als de boodschap van nieuwe grootschalige mogelijkheden om die hegemonie te contesteren. In die zin zijn de antiglobalisten betrokken in het proces van globalisering van allerlei oude en nieuwe sociale bewegingen. Deze globalisatie verdient onze volledige steun en medewerking. Die inschatting van de globalisatie verschilt niet eens sterk van Marx’ inschatting van het opkomende kapitalisme: ook hij zag enerzijds de intensifiëring van de uitbuiting, maar anderzijds ook - en daardoor - de unifiëring van alle slachtoffers van die uitbuiting: het proletariaat. Toch zijn er twee wezenlijke verschillen tussen zijn analyse en de toestand vandaag. Er is een immens verschil tussen de implicaties van de globalisatie voor de bevolkingen van het noordelijk en van het zuidelijk halfrond én we kunnen het globaliseringsproces niet meteen duiden vanuit een duidelijk alternatief. Niet toevallig zijn er dan ook antiglobalisten van allerlei pluimage, die niet in een handomdraai samen een eengemaakte regenboogcoalitie kunnen vormen. Tijdens de Eurotop in Gent op 19 oktober weigerden de vakbonden zelfs mee te stappen in het manifeest van de niet-gouvernementele organisaties en momenteel blijft het zoeken naar een platformtekst waar alle critici zich achter zouden kunnen scharen. Misschien gaat het hier slechts om kinderziekten, maar het is best mogelijk dat de tegenstellingen veel dieper liggen.
Globalisatie wijzigt de maatschappelijke verhoudingen op drie niveaus: op technisch-economisch niveau worden we geconfronteerd met een verzameling nieuwe technologieën op het vlak van de informatie en de communicatie die een fundamentele impact zullen hebben op de productieverhoudingen en op onze manier van leven. Op socio-cultureel vlak profileert zich op wereldschaal de tegenstelling die door Benjamin Barber als Jihad versus McWorld werd geduid, terwijl op politiek vlak de grote uitdaging wordt of de wereld blijvend zal worden overheerst door de Verenigde Staten als sterkste militaire (en economische) macht dan wel door een verzameling van internationale instellingen - van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties tot het Internationaal Hof van Justitie - die op voldoende legitimiteit kunnen bogen bij de wereldbevolking. Vandaag is duidelijk dat de Verenigde Staten alles in het werk stellen om de positie van enige supermacht te consolideren. De cruciale vraag wordt dan ook of de rest van de wereld dit monopolie zal blijven aanvaarden, en hier is de positie die de Europese gemeenschap zal innemen van wezenlijk belang.
Ondertussen blijft objectief de kloof tussen Noord en Zuid - enkele groeipolen niet te na gesproken - alsmaar toenemen, niet alleen op het vlak van het bruto nationaal product, vermogen, consumptieniveau en - dus - levenspeil en levensverwachting, maar ook op het vlak van de voorhanden zijnde technologieën die cruciaal zijn om überhaupt een rol van enig belang te kunnen spelen in de wereldeconomie. En op subjectief vlak domineert vooral de hoogmoed en zelfgenoegzaamheid van de haves en bestaat de wereldgemeenschap alleen maar als een morele fictie. Er is geen sprake van enigerlei ‘gemeenschappelijkheid’ die verder reikt dan wat loze verklaringen.
Daartoe moet de hoogmoed van het geld aan banden worden gelegd. De enige universele taal op wereldvlak - en dat is de taal van het geld - moet een grammatica worden opgelegd, die niet slechts de taal van de kapitaalbezitters vertolkt. De Tobintaks is daartoe een goed begin, vermogenscontrole en taxatie van louter speculatieve kortetermijnwinsten zijn prima doelstellingen. Het is toch niet omdat de recepten en remedies uit de twintigste eeuw hebben gefaald, dat het heersende economische systeem plots gezond kan worden verklaard? En dat ze ophouden met zo protserige gebouwen neer te poten: het gouden kalf wordt beter wat meer bescheidenheid en schroom geleerd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 1 (januari), pagina 1 tot 3