Abonneer Log in

Harde lessen

Over kansen in het beroepsonderwijs

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 14

Het verongelijkte samenleven

Zogenaamd verouderde teksten kunnen een hulpmiddel zijn om het hedendaagse debat een context te geven. De jaren 1970-1980 waren die van onder meer de welvaart-versus-welzijnsdiscussie, die te pas en te onpas gevoerd werd. J.J.H.Kraaykamp tekende in 1972 in zijn nog steeds erg bruikbaar en leesbaar boekje Als je voor een dubbeltje geboren bent1 op scherpzinnige wijze een aantal herkenbare deprivatiemechanismen. Hij schrijft: ‘Achter het ideaal van de gelijke kansen voor allen schuilt het doel van sociale rechtvaardigheid (…). Toch is ons sociale systeem meer ingericht voor het bepalen van het doel “welvaart” dan voor het doel “sociale rechtvaardigheid”. Hooggenoteerde waarden en eigenschappen als prestatie, ambitie, competitie, initiatief, strijdbaarheid zijn zeer functioneel in het streven naar welvaart (…), dat meer dan andere doeleinden (…) onze tussenmenselijke verhoudingen bepaalt. Wij investeren verreweg het grootste deel van de voor onderwijs beschikbare gemeenschapsgelden in de academische opleiding van jongeren, waarvan verwacht kan worden dat hun prestaties een verdere groei van de welvaart zullen bevorderen. Vanuit het oogpunt van de “sociale rechtvaardigheid”, houdt dit in dat de gemeenschap beduidend meer geld besteedt aan de scholing van jongeren uit de midden- en hogere milieus dan aan jongeren uit de sociaaleconomische laagste milieus.’

Het is verbazingwekkend dat deze probleemstelling - en dan nog in afgezwakte vorm - de kerngedachte vormt van een als nieuw verkocht socialistisch betoog over onderwijs. Het is onverkwikkelijk te moeten vaststellen dat we ons dertig jaar later op dat terrein weinig beleidsmaatregelen herinneren, die op de werkvloer enige ingrijpende verschuiving hebben teweeggebracht. De sociaaldemocraten hebben nochtans ruim de tijd gehad om hun politieke stempel op de ontwikkelingen te drukken. Ik laat J. Kraaykamp graag nog even zelf aan het woord omdat zijn inzichten zo uit het heden geplukt lijken: ‘Onderzoek wijst uit dat kinderen uit een gedepriveerd milieu in het eerste leerjaar gerekend kunnen worden tot de meest leergierigen van de klas. Maar na het eerste jaar al zijn zij achtergeraakt. Hoe komt dat? Ons onderwijs sluit naar inhoud en didactiek nauwelijks aan op de belevingswereld van deze kinderen (…) Het kost veel geld om klassen kleiner te maken, om tijd uit te trekken voor het vergaren van kennis omtrent de concrete woon- en leefomstandigheden van deze kinderen, om mankracht te hebben voor het opbouwen van samenwerking met hun ouders, om door studie en experiment didactische vormen en inhouden te ontwikkelen die aansluiten op dit cultuurpatroon.‘
Het zou te gemakkelijk zijn enkel politieke schuldigen aan te wijzen voor de geboekte nulvooruitgang op dit terrein. De impact van glasheldere analyses, die mooi op hun tijd geschreven zijn - hun tijd dus niet eens vóór zijn - blijft meestal beperkt. De volgzame burgers van ons beursgenoteerde samenlevingsmodel zijn medeplichtig. Zij zijn degenen die de prestatie- en consumptiegerichte vrije markt maximaal ondersteunen die ze verdienen. Elke dag opnieuw. En uitgerekend de arbeiders- en lagere middenklasse lijden chronisch aan televisiereclame, meubeltoerisme, blind dates en volgeladen supermarktkarren. Jongeren met een ernstige leer- en achterstellingsproblematiek en hun ouders hebben wel vaker veel meer de prijs van hun onwaarschijnlijk dure merkschoenen in gedachten dan hun belabberde schoolresultaten. De economische strategen van de global world, waarin de kids van Oekraïne tot Senegal semi-identieke streetwear dragen, zijn er zelfs in geslaagd de feitelijke toenemende ongelijkheid modieus te verbergen. De door ideologische zieners voorgehouden samenleving van fundamenteel gelijke burgers is niet voor overmorgen en wordt blijkbaar door de ruime meerderheid evenmin nagestreefd. Men is het erover eens dat schrijnende armoede - voor zover ze nabij en zichtbaar is - liefst zo snel mogelijk opgelost moet worden. Daartoe is men tot enige inlevering bereid. Maar verder staat geld gelijk aan vreugde en vreugde gelijk aan het uitgeven van geld. Het streven naar een sociale rechtvaardigheid die een bredere verwachting oproept dan een zekere spreiding van de materiële bezittingen - zoals bijvoorbeeld het onderwijzen van kennis en kunde aan wie daartoe om uiteenlopende redenen minder goed is uitgerust -, is bijgevolg enkel een prioriteit voor een kleine groep lastpakken (werkers in ngo’s, politici, vrijwilligers, militanten, wetenschappers).
Op deze eerste grondlaag verf ik mijn commentaarstuk op de visie over gelijke kansen in het onderwijs, die Patrick Janssens in zijn open brief aan de Vlamingen2 heeft uitgeschreven. Een paar vragen zullen daarbij het verdere verloop van mijn tekst meebepalen. Doet de pedagoog die geconfronteerd wordt met toekomstige leerlingen voor het beroepsonderwijs, er goed aan hen voor te bereiden op een andere dan een kapitalistische cultuur? Kan een school voor haar minder getalenteerde en minder bemiddelde kinderen, een andere dan een kapitalistische toekomst voorhouden? Welk pedagogisch, didactisch, psychologisch, moreel, mentaal surplus is nodig om kinderen met ongelijke kansen in staat te stellen de heersende cultuur te overstijgen? In hoeverre levert het schoolse voorbereiden op een volwassenheid als werkende (midden)klasse een bijdrage tot een duale samenleving, waar de vrije markt heerst?

Overleven in

a material world

Deze fundamentele kwesties zijn onlosmakelijk verbonden met de vraag of het actuele socialisme nog een antikapitalistisch gevecht levert of daartoe - ook gezien de heersende wereldeconomie - nog in staat is. In twintig jaar van zeer nabij omgaan met gedepriveerde kinderen en jongeren heb ik, als het erover ging een ideologische richting aan te geven voor of tegen de kapitalistische samenleving, de keuze van de niet-keuze aangekleefd. Onze orthopedagogiek en - didactiek schreef conformering aan de heersende maatschappelijke norm voor. Alleen al het woord conformering wekt een koude rilling op bij elke intellectueel van de linkerzijde die zichzelf respecteert. En toch. Wij trachtten de jongeren voldoende weerbaar te maken om in een vrije markt zonder sociale correcties te overleven. Gezien de korte tijd die we hen en hun gezin van dienst konden zijn met onze expertise, wilden we vooral geen tijd verliezen met monologen over een meer sociaal geëngageerde cultuur. De kiezer strafte trouwens de voorbije jaren caritas- en solidariteitspartijen af. Naast zwart kwam er steeds meer blauw op straat. Als minst weerbaren zijn deze jongeren zelf geen partij in de hervorming van de economische basisstructuur, was onze redenering. Een zestienjarige recidive vernieler-spijbelaar met achter al zijn branie het laagst denkbare zelfwaardegevoel kreeg binnen ons pedagogisch systeem een spoedcursus overleven in a material world. De eendimensionale buitenstaander noemde onze ambities belachelijk laag. Maar aan de orde waren: kunnen werken, werk kunnen houden, frustratietolerantie, positief zelfbeeld en heel misschien een tikje persoonlijk en relationeel geluk. Dag aan dag geconfronteerd met de probleemstellingen van de jongeren en hun geringe ambitie om hun beveiligend negativisme af te bouwen, wisten de opvoeders en leerkrachten hoe hoog deze lat lag. Het bewerkstelligen van betere maatschappelijke grondvoorwaarden, die bijdragen tot onder meer een meer democratisch onderwijs, blijft een voorhoedegevecht dat tot de taak behoort van competente (ervarings)deskundigen en politici. Tot zich op dat vlak heldere nieuwe concepten aftekenen moet ook een pragmatische oplossing geboden worden aan de bestaande laaggeschooldheid. Opvoeders en leerkrachten die zich inzetten voor jongeren met een ernstige leer- en gedragsproblematiek geven bij gebrek aan een betere omkadering in hun herstelpedagogiek op dit ogenblik noodgedwongen voorrang aan de menselijke kwaliteiten, die noodzakelijk zijn om een elementair sociaal functioneren mogelijk te maken. Nogal wat jongeren leveren bijgevolg in op hun scholing omdat zij al hun energie nodig hebben om te groeien tot een min of meer evenwichtige, morele, eerlijke volwassene. Terwijl uiteraard elk op voorhand toegevoegd leerproces bijdraagt tot meer maturiteit. Tot zich op dat vlak heldere nieuwe concepten aftekenen horen dezelfde sociaaldemocratische voorhoedevechters van zo-even erover te waken dat er op de arbeidsmarkt plaats blijft voor laaggeschoolde arbeiders. Aan laaggeschoolde arbeid is niets oneerbaars. Met enige syndicale ironie kan men spreken van een recht.

Stel dat we ons tot doel stellen een door afkomst gedetermineerde schoolachterstand aan te pakken. Een reeks voorafgaande vragen kan ons behoeden voor simplistische recepten. Wat is het effect van activerende bijscholing tegen de achtergrond van een onaangeroerd demotiverend gezin? Hoe stigmatiserend werkt positieve discriminatie in een klas? Op welke criteria zullen jongeren hun toegevoegde aandacht verdienen en waar ligt de grens? Worden op die manier de brave, minder verstandige, middenmoters niet achtergesteld, waardoor men een nieuwe discriminatie installeert? Doet men er goed aan kinderen los te weken van hun milieu? Welke vervalsende elementen schuilen in een motiverende, aanmoedigende, stimulerende aanpak ten aanzien van minder getalenteerde kinderen en jongeren? Wordt de illusie niet later, in een werksituatie doorprikt? Schatten wij op die manier braafheidsgedrag en schijnaanpassing niet hoger dan authenticiteit? Is het aangewezen kinderen een tijdlang een schoolse illusie van gelijkheid voor te houden die door hun latere werkgevers met de voeten wordt getreden?
Zolang het niet louter om een propagandistische politieke profileringsstunt gaat is het voorhoedegevecht voor gelijke kansen de moeite waard. Nuchtere omgevingsanalyse zou de voorvechters evenwel sieren. De samenleving van gelijken bestaat evenmin als de school van gelijken. Een sociaaldemocratische visie tracht zich momenteel met veel moeite te handhaven naast een dominant liberaal en rechts gedachtegoed. In deze ene vaststelling schuilen reeds alle kenmerken van een concurrentiestrijd (van gedachten, inhouden, uitgangspunten). De minst weerbare kinderen mogen daarin geen pasmunt zijn. Nog minder mogen ze zelf in de strijd worden betrokken of het voorwerp uitmaken van medelijden.

Het solidaire onderwijs

Er bestaat geen verzekering tegen in het verkeerde milieu met een zwak hoofd geboren worden. Hiermee verwoord ik geen fatalisme. Definities van onrecht vormen goedige hulpmiddelen om ons onze vriendschappelijke vermogens in herinnering te brengen.
De school is een hoogst belangrijke transitzone, die vele vlakken van het (toekomstige) menselijke samenleven raakt. Het gaat om een sociale gemeenschap met onvrijwillig karakter, een heterogene samenstelling en een heel aantal toevalligheidsfactoren. Een interessant kenmerk van de school is haar overzichtelijkheid. Om een beeld te gebruiken: een goede directeur kent al haar/zijn leerlingen (bij naam). Men brengt ook een aanzienlijke tijd door in klassen en werkhuizen, zowel in dagtijd als aantal jaren. Er is ruimte te over om een pedagogisch klimaat en een schoolcultuur te ontwikkelen, die levensvormend is naast het gezin. De benaming ‘tweede opvoedingsmilieu’ is niet toevallig. In vroegere pedagogische tijden was men er nog van overtuigd dat een goede school (of een vorm van residentiële opvang) een alternatief kon bieden voor de kwalijke invloeden van het thuismilieu. Men pretendeerde heropvoeding. Een school openen is een gevangenis sluiten. Meerdere decennia aan onderwijs- en welzijnsinzichten rijker heeft men ervoor geopteerd om de school school te laten zijn en de gezinsinteractieproblemen via positieve ondersteuning en empowerment - zoals dat in het jargon heet - op het niveau van het gezin aan te pakken. De afgebakende taak van de leerkracht wordt daarmee duidelijk: het op een didactisch zo verantwoord mogelijke manier overbrengen van kennis en kunde. In de inperking toont zich de meester.
Deze leerkracht maakt evenwel ook zelf deel uit van een tijdsgeest waarin verschraling, individualisering, fractionering, verkokering, versnippering, gemis aan sociaal project, vage mensbeelden, hand over hand toenemen. Opgeteld bij een onderwijsethiek die sinds geruime tijd van syndicaal gebunkerde verworven rechten doordrongen is, vertoont zich steeds meer het beeld van de hoogcompetente onderwijstechnocraat die op geregelde tijdstippen met een duidelijk in tijd en ruimte omschreven objectief verschijnt en weer verdwijnt. Geen kwaad woord over de collega’s, maar wel er afgemeten naast. De grote nadruk die momenteel op het belang van een schoolteam wordt gelegd maakt duidelijk dat de leerkracht meer dan ooit als individu optreedt. De alleengelaten vrijheid. In dit frigide klimaat worden begrippen als ‘schoolcultuur’, ‘schoolwelzijnsbeleid’, ‘integrale jeugdhulpverlening’ als warm water onthaald.
Het is een poging om een fractie van de ‘mythische juffrouw of meester’ te reconstrueren, die onder meer raadsvrouw, vertrouwenspersoon, maatschappelijk werker, voetbaltrainer, identificatiefiguur, lesgever, mentor was. Onderwijs is evenwel een stiel naast vele andere geworden met interessante arbeidsvoorwaarden. Men moet goed gek zijn om zich voor hetzelfde loon op woensdagnamiddag aanmoedigend langs de lijn van een basketterrein te posteren en er het schoolploegje met de eigen wagen naartoe te rijden. Om de volgende dag door een collega cynisch als uitslover gesitueerd te worden. Men reist niet meer naar Londen tijdens het paasverlof, maar tijdens de schoolweken. Anderhalve week voor de zomervakantie flaneren alle middelbare schoolleerlingen door de winkelstraten omdat de leerkrachten tijd en ruimte nodig hebben om te delibereren. Ik heb het ooit zelf als leerling anders én beter meegemaakt. Ik herinner mij nog elke schoolreis en sportdag.
Wanneer ik abstractie maak van vele ‘diamanten uitzonderingen’ (die zich steeds weer ten onrechte aangevallen voelen wanneer artikels als dit de stiel bevlekken), verwacht ik helaas van de huidige en latere generaties leerkrachten, als een collectiviteit, niet echt meer dat zij bijkomende persoonlijke inspanningen zullen leveren om probleemleerlingen - al is het maar ten dele - uit de nood te helpen. ‘Overvraagd’ is hun modewoord van het ogenblik. Elke les-vreemde deviatie zou volgens de klassenraad idealiter aan een resem toegevoegde deskundigen - met bij voorkeur een nieuwe titel of in het kader van een experiment- moeten kunnen toevertrouwd worden: schoolmaatschappelijk werkers, leerlingenwelzijnswerkers, eerstelijnshulpverleners, schoolcoaches, speelplaatstrainers, gele aanspreekleerkrachten, CLB-medewerkers. De ‘loop-even-langs-bij-ers’.
Op papier is dit de oplossing. Om de voorspelbare geschiedenis van zorgenkinderen enigszins ten goede te keren is echter een bezorgdheid nodig die men onrecht zou aandoen door ze in detail op papier te zetten. Hun namen kennen is onvoldoende. Zij vragen de grootst mogelijke nabijheid vanuit een voor hen beveiligende distantie. Verdere beschrijving van deze elementaire basisattitude, die even intuïtief-menselijk als puur professioneel is - want onder meer toepasbaar voor meerdere kinderen in meerdere tijden - is moeilijk. Het is als het verschil aangeven tussen een authentiek kunstenaar en een epigoon. Ik geef hier enkel aan dat deze jongeren zeer bedreven zijn in het genadeloos uit elkaar drijven van wie innerlijk veinst met hen begaan te zijn (en zich uitslooft en uitput om deze betrokkenheid aan hen en zichzelf te bewijzen) en wie werkelijk solidair is (met hun kleine overwinningen op zichzelf). Het grote woord is gevallen: solidair. En in de juiste context: rationeel én emotioneel. Soms ver weg van de bewijsbaarheid. De Rede houdt in dat we ons inbeelden wat de positie van anderen is.3 Bij probleemkinderen is dat absoluut niet vanzelfsprekend, omdat hun psyche veelal uitermate in de war is onder druk van een vaak hallucinante persoonlijke historiek. De begeleider en leerkracht wordt in haar/zijn goedbedoelde pogingen tot eerlijke toenadering in niet geringe mate op zichzelf teruggeworpen. Deze kinderen liegen zonder enige schaamte, bijvoorbeeld. Of wenden vriendschap voor om het onderste voordeel uit de kan te halen.
Een louter beroepsmatige inhaalbeweging zal dus niet volstaan. Solidariteit van de leerkracht of professionele hulpverlener wil hier zeggen: woede (om onrecht), loyale - d.i. niet zelfbevestigende - gebetenheid om déze zestienjarige etter terug zelfvertrouwen te geven, onwrikbaar engagement zonder de minste verwachting ooit iets terug te krijgen, zonodig vakkundig ingaan tegen eigen natuur en overtuiging (zachtaardig moet soms genadeloos worden, links soms rechts), het wezenlijke conflict opzoeken in plaats van het slim en verstandig verwoordend te ontvluchten, de miserie die het kind het voorbije weekend heeft doorgemaakt aanvoelen als was het deze van een vriend en toch niet sentimenteel verwikkeld raken. De vraag ‘hoever wil ik gaan’ stelt men zich in deze omgeving dagelijks. Deze jongeren vormen een levende uitdaging van de solidariteit die men in praktijk kan opbrengen.
Men kan er - zoals ik nu - makkelijker over schrijven. Velen doen dat ook. Zij leveren ijverig modellen aan om gelijke kansen mogelijk te maken maar panikeren als een zeventienjarige wijdbeens zegt dat hij ‘op uw smoel gaat slaan als ge niet binnen de dertig seconden uit mijn baan verdwenen zijt.’ Dan moet deze ongemotiveerde jongere om klashygiënische redenen dringend uit de school verwijderd worden. Rechtvaardig optreden betekent: in elke situatie opnieuw moeten oordelen. Dit kan dan weer niet op intuïtie. Want de jongere die net in een gevecht maar ‘tijdens het spelen, mijnheer’ de arm heeft gebroken van een andere jongere, wordt thuis ook geslagen en heeft daarover uitgerekend gisteren, na zes maanden verblijf, voor de eerste keer iets verteld, in tranen. De verdiende sanctie, nu, heeft wellicht een contactsluiting voor maanden tot gevolg. Aarzeling in de sanctie staat dan weer gelijk aan een incorrecte en precedentscheppende uitzonderingsmaatregel.

In deze meer literaire dan wetenschappelijk-pedagogische omschrijvingen probeer ik aan te geven dat ‘gelijke kansen’ in deze context een steriel beginsel is. Het is een haast technische, analytische, afgemeten en louter vaststellende term, die bewogenheid mist. Het argument dat de lastigste jongeren en leerlingen niet representatief zijn voor alle anderen is zwak en doorzichtig. Zij vormen integendeel de moeilijkste les, van waaruit vele afleidingen kunnen gemaakt worden. Tot en met het verschil tussen een goede en een kwalijke leerkracht in een klas uiterst gedisciplineerde, leergierige en gemotiveerde humanioraleerlingen. De leerkrachten en begeleiders die hun door het lot minder begunstigde leerlingen volwaardige kansen willen bieden, moeten in de eerste plaats een eerlijke zelfanalyse maken. Zij moeten voor zichzelf verduidelijken of zij wel voor deze jongeren kiezen. Of zij er een helder - en geen geromantiseerd - beeld over hebben. Of zij niet gedreven worden door medelijden of bevestiging. Het klinkt steeds wat schlemielig als ik het zo schrijf: men moet deze kinderen en jongeren, ondanks al hun vaak destructieve capriolen, graag zien. Deze innerlijke motoriek, die - zeker in aanvang - enkel bij de volwassene aanwezig is, drijft het groeiproces van het kind aan. Een extreem gedemotiveerde, schoolmoeë vijftienjarige jongen, vraagt in al zijn schijnarrogantie en wreedheid om uitgedaagd te worden door iemand met een wezenlijke interesse. Men hoeft niet breedgeschouderd te zijn om indruk te maken (het helpt soms). Innerlijk pezig, dat wel, karaktervol, vasthoudend, overtuigd en overtuigend, relativerend. Het is een drama dat deze leerlingen de beste lesgevers vragen en dat zo weinig leerkrachten zich nog uitgedaagd voelen. Voor de meeste leerkrachten is de keuze tussen een tweede jaar Latijn-Talen en een tweede jaar beroeps snel gemaakt. Op basis van welk beklijvend Groot en Geloofwaardig Verhaal kan ik hen vandaag nog ongelijk geven?

Positieve getuigenis

Ik beperk me dan maar tot een positieve getuigenis, vanuit talloze goede herinneringen. Het veeleisende sociale engagement voor kinderen en jongeren met een grondige hekel aan emancipatie, loont heel erg de moeite. Nauw mogen betrokken zijn bij het groeiproces van basaal wantrouwen naar geruststelling, van cynische lethargie naar een begin van zelfrespect, heeft de kracht van een geboorte. In een oogwenk vergeet men telkens alle pijn. Elke begeleiding put echter onvermijdelijk uit. Uitputten klinkt oubollig en zelfs onprofessioneel in tijden van kwaliteitszorgsystemen, timemanagement, input-output-evenwichten, rationele sturing. Maar de leerkrachten die met en tussen hun jongeren en hun gezinnen (mee) leven zullen hun inspanningen op de één of andere manier beloond zien. Voorwaarden zijn onder meer dat zij kunnen werken binnen een ruggensteunend en beveiligend kader, een hechte collegialiteit hebben ontwikkeld, over ruime vakkennis beschikken, kunnen terugvallen op praktijkervaring, zelf beroep kunnen doen op extra begeleiding en permanente vorming, in zoekende en open eenheid kunnen werken met de directie. In dit klimaat kan de solidaire school zich ontwikkelen, die de jongeren op een aantal voor hen cruciale gevoeligheden zal uitdagen. Door deze aspecten als even belangrijk voor henzelf als voor de leerlingen te benoemen, geven de leerkrachten de boodschap dat zij deze aandachtspunten4, die in diverse invalshoeken van de werking terugkomen, persoonlijk bewaken. De resolute praktijk houdt zich echter ver verwijderd van wollige pedagogiek. In een school waar bij aanvang vier vijfde van de leerlingen tegen hun zin de lessen volgen, hoeft men geen tijd van de klassenraad te roven door uitgebreid in abstracto het demotivatieprobleem te bespreken. De leerkracht moet weten dat alle slappe en doorzichtige motivatietrucs reeds uitgeprobeerd zijn. Het gunstige effect van het schouderklopje is bij deze leerlingen jaren geleden uitgedoofd. De zuinig uitgesproken waardering door een sterke persoonlijkheid die ook voor zichzelf de lat behoorlijk hoog legt, kan het verschil dan weer wel maken. Men hoeft de methode niet voortdurend in vraag te stellen. De leerlingen hebben zich te richten naar de methode zoals zij zich later naar de werkgever te schikken hebben (indien hen dit niet lukt zullen zij koud vervangen worden door de vele wachtenden die zich beter aan de grillen van de patron kunnen aanpassen).

De leerlinggerichte aanpak, de ‘school op maat’, geldt als nieuwe geloofsbelijdenis. Tegen de brede leerkrachtengroep zeg ik dat deze methode, hoe zinvol ook, niet overal toepasbaar is en opnieuw vooral aanspraak zal vinden bij de jongeren die al ruim van sociaal en geestelijk speelgoed bediend zijn. Voor jongeren met een ernstige leerweerstand - synoniem voor achterstand - vraagt leerlinggerichtheid veeleer een toepassing naar de geest dan naar de didactische letter. Eerder dan de vraag te stellen naar ‘het interessepunt van de dag’ of andere openers waar de jongeren geen touw aan kunnen vastknopen, zal de leerkracht er in een directief instructiepatroon in slagen haar/zijn basiswaarden te communiceren: ik neem je zonder voorbehoud ernstig; ik begrijp je (echt waar); jij bent voor mij fundamenteel gelijk aan alle anderen; jouw zelfwaardegevoel is voor mij van het grootste belang (tenminste wanneer het dat van anderen respecteert); ik besef dat het voor jou een veel grotere inspanning vergt dan voor de meeste anderen van jouw leeftijd om een (sollicitatie)brief zonder fouten te schrijven en dat er niet echt een honorering voor bestaat omdat het zo evident gevonden wordt; je bent hier niet enkel in functie van het leren van een stiel (ook al is dat vaak wél zo) maar evenzeer om te onthouden dat ook jij recht hebt op geluk (ik weet dat je vader je elke week sloeg en dat je zelf snel de neiging hebt om anderen, ook wie je lief is, willekeurig af te troeven); ik sta er in persoon borg voor dat het de moeite loont positief te denken en met de anderen (ook volwassenen) vertrouwensvol om te gaan; het woord ‘dommerik’ komt niet over mijn lippen en bestaat niet in mijn hoofd (wie nu even slim is kan binnen twee minuten, in een andere omgeving, dom zijn en vice versa). Het gaat om woordenloze, impliciete boodschappen, vervat in een houding. Dit alles is geen evidentie in een samenleving waar ongelijkheden gecultiveerd worden, verbaliteit en herseninhoud met een meetlat vergeleken worden, misprijzend neerkijken op de ander een nationale sport is. Zoals reeds op een andere manier gezegd, hoeft men voor deze kinderen vooral geen grote gebaren te maken. Zij zijn op zoek naar authenticiteit. De meeste leggen bovendien een immense weg af om een doel te bereiken dat voor hun leeftijdsgenoten de evidentie zelf is.

Lust in Arbeid

De actuele socialistische doctrines gaan een verstandsvrijage aan met de vrije markteconomie. Zij schrijven niet langer ‘een fundamentele verwerping van de kapitalistische maatschappij’5 voor. Het beginsel ‘arbeid’ stond van bij de aanvang van de socialistische beweging centraal in haar beschouwingen, ordewoorden, actieplannen. De strijd tegen sociale wantoestanden en tegen uitbuiting in mensonterende arbeidssituaties is decennialang de politieke boodschap geweest om de socialistische rangen te doen sluiten. Als maatschappelijk signaal naar wie een ernstige achterstand heeft opgelopen, mag - zeker in de huidige economische ontwikkelingen - de gedachte dat er eerst beveiligd brood op de plank moet komen voor men over andere zinvolle ideeën kan praten, niet geridiculiseerd worden. In die zin blijft het recht op arbeid in menswaardige omstandigheden voor mij als centraal thema voor de socialistische beweging overeind. Ik ga akkoord met Jan Blommaert6 wanneer hij het socialisme wil kaderen binnen een centraal humanisme, waarin emancipatie en ontvoogding de kernwoorden zijn en hij nogmaals scherp stelt dat de socialistische beweging arbeid als zuiver kapitalistische pasmunt moet afwijzen. Alleen is dat voor mij evidentie, een basisvoorwaarde om het socialistische project geïnteresseerd te blijven volgen. Wanneer hij oproept om de ‘aloude waardering voor (industriële) arbeid te relativeren’ en hij zijn medeburgers oproept de democratie te beoefenen naast en buiten de vrije markt, maak ik - vooral in een toepassing op de jongeren met leer- en gedragsproblemen - enig voorbehoud. Ik heb er vooreerst mijn twijfels over of de gewonnen vrije tijd aan democratie zal besteed worden. In de veelheid aan zinvolle vrijetijdsbestedingen kiezen nogal wat jongeren voor nihilistische verveling en wat daar kan uit volgen, om maar een voorbeeld te geven. Het recent in Australië benoemde potatoe-bag-syndroom als verzamelbegrip voor het dagenlang popcornetend voor televisie liggen, houdt voor mij geen verrassing in maar vormt eerder de bevestiging van mijn voorkennis. Parafraserend zou ik kunnen stellen dat velen die arbeid kloterij vinden, geen tijd hebben om andere dwaasheden uit te halen terwijl ze aan het werk zijn. Ten tweede is arbeid, zoals reeds meermaals in dit artikel betoogd, tot nader order voor de overgrote meerderheid de materiële toegangspoort tot deelname aan het maatschappelijk leven. Een minderheid bezit de in meerdere opzichten academische vrijheid van Jan Blommaert. Eerder dan het begrip uit te hollen en te relativeren blijf ik geneigd om de arbeidsomstandigheden zelf maar te blijven verbeteren. Ten derde - en dit argument bezet in de context van mijn betoog een prioritaire plaats - ben ik om meerdere redenen nogal gehecht aan het behoud van mijn overtuiging omtrent de intrinsieke waarde van arbeid. Uitbuiting, vervreemding, afstomping, onverantwoorde doelstellingen en ontelbare andere ontsieringen versterken enkel mijn motivatie om de arbeidskwaliteit te verbeteren en daarmee meteen aan te geven dat de socialistische taak op dat vlak ver van af is. Ik zou de homo laborans (in mij) niet graag ter ziele zien gaan. Werk verrichten als synoniem voor o.m. doelgerichte adaptatie van onze omgeving, komt mij nog steeds voor als een wezenlijke bezigheid, waarin volgende kenmerken7 mij als vertrouwd voorkomen: een complexe vorm van menselijke activiteit (coginitief,volitief en performatief); een valabale brug tussen behoefte en behoeftenbevrediging; een medium voor de mens om zijn betrekkingen met de buitenmenselijke natuur en de andere mensen te veranderen; een oproep tot zelfverandering (-kennis, - controle); ervaring van de wereld als een weerbarstig object; nemen van risico’s; ontwikkelen van zin voor vernieuwing; ontwikkelen van verantwoordelijkheidszin. Het gaat dan om arbeid als een onvervreemdbaar menselijk goed. We hebben er ooit voor gekozen of zijn er uit levensnoodzaak aan begonnen en zijn vanaf de industrialisatie van de eigenheden ervan vervreemd geraakt. Oogstfeesten, als een ontlading na een in groep bereikt resultaat, kennen we nog enkel als folklore.
De kenmerken, die arbeid als zingever aanduiden, worden ook in recent onderzoek8 niet tegengesproken. Daaruit blijkt dat formele arbeid ook voor lager geschoolde arbeiders veel meer is dan een instrumentele activiteit, maar in sterke mate gemotiveerd wordt vanuit een geïnternaliseerde arbeidsethos en een sociale verbondenheid met anderen. Hetzelfde onderzoek wijst aan dat vele werklozen arbeidsgerichte rituelen, dagritmes, activiteiten ontwikkelen, die geen substitutie of teken van een arbeidsconditionering zijn, maar vooral verwijzen naar plichtsbesef, zingeving, sociale referentie. Wie wil weten hoe essentieel arbeid is voor de zelfwaarde van al wie door omstandigheden jarenlang tot armoede is veroordeeld geweest, raad ik aan om af en toe in een sociaal restaurant te eten. Al wie, na jaren van vernederende armoede, het geluk heeft er te kunnen werken, straalt herwonnen waardigheid uit (en is bang morgen dit alles opnieuw te verliezen).
Er is iets verdachts aan een te sterk onderstrepen van de kennismaatschappij. Het is een universitair brouwsel waaruit niet enkel een geringe vertrouwdheid spreekt met de brede arbeidsrealiteit, maar eveneens een paternalistisch neerkijken op al wie bij deze geconstrueerde toekomstsamenleving geen aansluiting vindt. Het is denken dat het universitaire diploma het hoogste goed voorstelt en alle lagere niveaus minder nastrevenswaardig zijn. Verre van de lof der ongeschooldheid te zingen, wil ik de socialistische beweging van heden toch even herinneren aan haar egalitaire - versus elitaire - beginselen. De arbeiderspartij bij uitstek, weet u nog, kameraad? Back to the future wacht ons en onze kinderen, niet enkel de kennismaatschappij maar misschien nog in hogere mate de handenmaatschappij. Precies omwille van de schaarste aan vakkennis, doet al wie gouden handen toont tijdens of na de uren, nu reeds gouden zaken. Een positieve karikatuur die ik gretig plaats naast deze van de universitaire schrielhans met aan elke arm twee linkervoeten. Het is mij trouwens een raadsel wat de kennismaatschappij zal doen zonder degelijke schrijnwerkers, dakwerkers, plaatslagers, tuinbouwers, garagisten, schilders, glazenmakers, metsers, vloerders, stukadoors, en vele anderen. Bovenal wil ik, oog in oog met een jongere die de eigen toekomst opgegeven heeft, een arbeidsperspectief voorhouden dat de moeite loont. Wanneer de voorzitter van uitgerekend de socialistische partij dan stelt dat al wie de kennistrein mist, dreigt afgeschreven te worden, verdient hij een dreun.
Ik zal aan mijn leerlingen dan wel keer op keer uitgelegd hebben dat ze er trots op mochten zijn een stiel te leren om, op een ander ogenblik, wanneer ik openingen zocht om hen iets over persoonlijk geluk te vertellen, hun arbeidssituatie dan weer te relativeren: ‘Neen, in de montagehal ligt niet het einddoel van het bestaan. Het verdiende loon is in deze samenleving echter de weg om buiten de verplichte zesendertig uur ook nog samen met anderen een aangenaam leven te leiden.’ Naar mijn oordeel horen de socialisten hun voortrekkersrol te consolideren op het vlak van gefundeerde waardering voor de arbeider en haar/zijn specifieke vaardigheid. Dit roept positieve codes op als waardigheid, beroepseer, collegialiteit, solidariteit, werkplezier, motivatie, veiligheid, professionaliteit, betrouwbaarheid, zin voor afwerking. Een ethiek, kortom. Een kritiek op de mechanistische en unanieme arbeid. In het betoog van de voorzitter mis ik de lofzang op de arbeider. Ik mis de romantische illusie waarin arbeiders en studenten eenzelfde vuist maken. De laatstejaars in het beroepsonderwijs hebben er heus geen boodschap voor de toekomst aan dat zij door hun zogenaamd verleden van achterstelling benadeeld werden. Dat zij levenslang uitgesloten zullen blijven van de kennismaatschappij en dat zij alle kansen op enige gelijkstelling missen als zij zich niet inderhaast bekeren tot permanente vorming (dan wel tijdens de avonduren, want - jammer toch - gelijke kans gemist). Zij vragen een positieve boodschap, vanuit grote sympathie voor hun eigen identiteit.
Dat is nog iets anders dan een simpele boodschap in een toegankelijke taal, geschreven door een copywriter, die in essentie denigreert. Investeren in het beroeps- en buitengewoon beroepsonderwijs staat dan gelijk aan ervoor zorgen dat zelfbewuste, deskundige, gemotiveerde, weerbare en gelukkige arbeiders afstuderen.

Bommen en granaten

Wellicht om niet in onbestemdheid te eindigen nodigt de redactie van Samenleving en Politiek haar auteurs uit om een aantal praktische of politieke aanbevelingen aan hun artikel toe te voegen. Hoewel deze goede gewoonte weinig parlementaire klepels beroert, is er geen reden om er vanaf te wijken. Elke stem zou namelijk ooit kunnen tellen.
De bedrijfswereld van onbetaalbare, snel inwisselbare, topmanagers en wereldwijde schrapping van twintigduizend banen is extreem beangstigend voor de meest kwetsbare groepen. Zij hebben nood aan een herkenbare werkomgeving en een vertrouwdheid met een vaste directie, waarvan zij de eindverantwoordelijkheden kunnen inschatten. Blijvende actieve beleidssteun aan KMO’s en andere vormen van kleinschalig ondernemersschap vormt zeker een positieve bijdrage tot een gedifferentieerde tewerkstelling. In het laatste hoofdstuk Aan zet van Over de grenzen stelt Patrick Janssens de vraag waarom het zo lang duurt voor de statuten van arbeiders en bedienden gelijkgeschakeld worden. Hij roept de beter beschermde bedienden op om met de arbeiders aan een eenheidsstatuut te werken. Ik vrees dat deze zo schroomvallig geformuleerde oproep weinig concreets zal opleveren. Hier is ook veel meer aan de orde dan een toevallige oprisping in een column. Dit ergerlijke onderscheid raakt de grondslagen van de arbeidsverhoudingen en kan niet even doorgeschoven worden naar sociale gesprekspartners van dezelfde (maar toch maar weinig subtiel onderscheiden) werknemerszijde. Dit kan enkel opgelost worden door een resoluut politiek initiatief.
Veel deskundigen met een ruime bedrijfservaring tussen 35 en 55 jaar zien af van een
- soms haast logische - overstap naar het onderwijs op het ogenblik dat zij vaststellen alle anciënniteit te verliezen en dus fiks te moeten inleveren op hun wedde. Nuttige ervaring vergemakkelijkt de toegang tot het onderwijs maar wordt niet noemenswaardig verrekend in het loon. Voor alle geledingen in het onderwijs, maar in het bijzonder voor de beroepsgerichte en technische afdelingen, laat de overheid hier een sterk gemotiveerd en kwalitatief potentieel onaangeroerd. Leerkrachten, die zich engageren voor de moeilijkste doelgroepen - die perfect kunnen worden omschreven - mogen beslist extra gehonoreerd worden. Hetzij in uren compensatie, hetzij vertaald in loon. Na een carrière van twintig jaar bij deze doelgroepen is een oppensioenstelling op 55 bovendien zeer verdedigbaar.
De terugkerende verontwaardiging over het aantal arbeiderskinderen dat de universiteit haalt is bij mij ondergeschikt aan deze over de blijvende gebrekkigheid van het beroepsonderwijs. Men zou er laaggeschoolden afleveren, die de eerste slachtoffers worden van de kennismaatschappij. De overheid draagt een grote verantwoordelijkheid in het ondersteunen van een boeiende beroepsopleiding met kwalitatieve en voldoende lesgevers (waardoor de leerlingen het hoofd bij de les houden en hun studies afwerken) en het afleveren van onmisbare goedgeschoolden. Vele ouders missen het instrumentarium en de kennis om hun studerende kinderen accuraat te begeleiden tijdens hun schoolopleiding (al is het maar bij huistaken). Vooreerst moeten de scholen extra inspanningen leveren om ook de terughoudende of gedesinteresseerde ouders op de contactavonden te ontmoeten. In vele gevallen ontraadselt enig zicht op de gezinssituatie vele schoolse gedragsvraagstukken. In de verbindingsfunctie tussen school en gezin zie ik voor de Centra voor Leerlingenbegeleiding, in hun nieuwe taakomschrijving, een belangrijke taak weggelegd.
Dit artikel deed een oproep om binnen de actuele socialistische analyse kennis en arbeid zo kwalitatief mogelijk te benaderen en beide begrippen te ontdoen van hun functionele betekenis in de sluwe vervreemdingsmechanismen van de op financiële winst gerichte economie.
Laat ik meteen na deze zwaarwichtige slotzin maar eens luisteren naar mijn gekraste versie van Mr. Tambourine Man, ook een werkstukje van 30 jaar geleden.

Noten
1. Kraaykamp J.J.H.: Als je voor een dubbeltje geboren bent; Wolters-Noordhoff G.; 1980 3de dr.; p. 47 - 49.
2. Janssens Patrick: Over de grenzen; Houtekiet 2001.
3. Vandenbroucke Frank:Op zoek naar een redelijke utopie; Garant 2000; p.46.
4. Huyghe Willi: Een weerbaar systeem; Ped. Centr. Wagenschot 2000; onuitg.; p.38-39.
5. Van Haegendoren M., Moens G.: Geef de werkman zijn loon voor zijn zweet opgedroogd is; Standaard uitg.; 1979; p.7.
6. Blommaert Jan: ‘Jobs, jobs, jobs: Open brief aan Patrick Janssens’, Samenleving en politiek, 2001, nr.8 (bijlage).
7. Kruithof Jaap: Arbeid en Lust; Epo 1984; p.64-70.
8. Glorieux Ignace: Arbeid als Zingever; VUBpress Brussel 1995; p.173 - 180.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 14