Log in

When Tony meets Silvio

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 2

Voor de Italiaanse sociaaldemocraten was het een harde noot om te kraken. Jarenlang dikke vrienden zijn met New Labour en dan moeten vaststellen dat ze liever zaken doet met Berlusconi. Op 15 februari publiceerden de Britse en de Italiaanse regering een gezamenlijke mededeling waarin zij pleiten voor een meer liberale arbeidsmarktpolitiek en voor (een)minder (federaal) Europa. Die verklaring vormde de afsluiter van een bijeenkomst, die van beide kanten als puur zakelijk werd omschreven, maar die voor de Italiaanse premier een ongeziene publicitaire operatie was. Weken van genadeloze kritiek in de Italiaanse pers en van isolement op het internationale toneel,verdwenen erbij in het niet. Wie durft nog wat te zeggen als Blair zelf in Rome opdaagt en daar de dingen vertelt die de Italiaanse rechterzijde graag wil horen? Woede, verbijstering en onbegrip bij de Italiaanse kameraden, maar men had het kunnen weten.

Waarover ging het? Over niets meer en niets minder dan wat New Labour al jaren vertelt. Met name dat de arbeidsmarkten moeten worden geliberaliseerd op Angelsaksische wijze, wil Europa het hoofd bieden aan de economische globalisering. En dus ging een essentieel deel van de mededeling over een verdere flexibilisering van de arbeidscontracten, een softere regulering van arbeidsovereenkomsten en - impliciet - een wijziging van het systeem van collectieve arbeidsovereenkomsten. Allemaal zaken die in Italië het onderwerp zijn van felle strijd maar die in het Verenigd Koninkrijk (VK) dankzij Thatcher al lang geen taboe meer zijn. Formeel lag de verklaring in het verlengde van wat op de Europese top van Lissabon is afgesproken - zeg maar, de EU aanpassen aan de nieuwe economie zonder ons sociaal model prijs te geven. Praktisch presenteerde men een cataloog met eisen die de free marketeers reeds in Lissabon sterker geaccentueerd hadden willen zien. Dat is nu gebeurd, in de aanloop naar de top van Barcelona. De verklaring is daarom meer dan een rituele of symbolische operatie. Het gaat om een statement over de sociale toekomst van Europa.

De vraag is waarom Blair zoiets doet. Kan hij niet wat zorgzamer zijn in de keuze van zijn vrienden, als de verdediging van het Europese sociale model wordt geagendeerd? Het antwoord is dat Blair meent wat hij zegt. Hij rekent het tot zijn missie om het Angelsaksische sociale model uit te dragen in (het toekomstige) Europa (van 27). Op de persconferentie zei hij dat de nood om meer jobs te scheppen ‘de gezamenlijke draad is die rechts en links verenigt in Europa.’ Berlusconi van zijn kant, liet verstaan dat dit ‘geen kwestie van doctrine is maar van modernisering.’ Met die redenering heeft Blair geen moeite. Voor hem moet op de arbeidsmarkt van de toekomst sneller en gemakkelijker kunnen worden aangeworven en afgedankt (het Amerikaanse systeem, dus). Daarom is hij niet gelukkig met een ontwerp van de Commissie om deeltijdse banen sociaal beter te beveiligen. Hij vindt het ook geen probleem dat zijn land de langste arbeidstijden van de Unie kent. En landen - zoals Duitsland - die onvoldoende haast maken met de hervorming van hun arbeidsmarkt, kunnen bij hem en bij mensen als Anthony Giddens op geen begrip rekenen (zie het interview met Giddens in Die Zeit van medio februari). Het is een legitiem standpunt, perfect te begrijpen binnen de Britse context, maar het wijkt wel af van wat veel sociaaldemocraten op het continent denken.

Naar de grond van de zaak betreft het een fundamenteel meningsverschil. Want ofwel hebben het scheppen van werk én de hervorming van de verzorgingsstaat geen ideologische dimensie, en dan past het ook om met de Italiaanse premier een akkoord te maken. Ofwel is die dimensie er wel en praat je prioritair met je politieke vrienden op het continent. Wij houden het bij de tweede opvatting. Het gaat niet simpelweg om meer jobs, maar ook om de kwaliteit van nieuwe jobs. Wat mensen als Tony Blair en Anthony Giddens niet zeggen is dat de flatteuze situatie van de Britse economie berust op grote aantallen slecht betaalde banen. De werkgelegenheidscijfers in het VK zijn beter, maar dan vooral vanwege de gemakkelijke toegang tot dergelijke, flexibele banen. Daarover wil New Labour niet praten en net zo min erkennen dat het sociaal beleid op het continent, in nogal wat landen, rechtvaardiger samenlevingen en veel minder ongelijkheid oplevert dan in het VK.

Met andere woorden, als we de maat nemen van het sociale model in een Unie met 27, dan kijken we best niet alleen naar het VK of de parameters die New Labour hanteert. Over het performante karakter van de Europese verzorgingstaten is door iemand als Fritz Scharpf uitvoerig gepubliceerd. Daaruit blijkt dat landen met een open economie, sterk ontwikkelde systemen van sociale bescherming en arbeidsverhoudingen met veel overleg, economisch helemaal niet slecht presteren. Er zijn dus verschillende meetlatten in het spel. Zoals er ook verschillende remedies kunnen worden gevonden. Die van Blair focussen nogal uitsluitend op een ‘aanbodpolitiek’ (onder meer flexibilisering van de arbeidsmarkt). Maar minstens zo belangrijk zijn de mogelijkheden om op Europees vlak sturend op te treden, te coördineren en te beteugelen. Helaas gelooft Blair niet in die mogelijkheden. Hij spreidt geen enkel voluntarisme ten toon op dat vlak. En met Berlusconi heeft hij een geloofsgenoot gevonden die daar evenmin moet van weten. Meer zelfs, iemand die volstrekt niet geïnteresseerd lijkt in Europa, laat staan in een sociaal Europa.

In de annalen van New Labour zal de ‘bilaterale’ in Rome zeker niet te boek staan als de meest briljante ingeving van Blairs adviseurs. Dit was foute politiek. Laten we bovendien hopen dat deze uitschuiver geen teken is van een dieper probleem van New Labour, met name de neiging om centrale politieke vragen van alle ideologie te ontdoen. Het gaat daarbij niet alleen om het zogezegd politiek-neutrale karakter van het arbeidsmarktbeleid. Even belangrijk is de kwestie van de (erosie van de) Italiaanse democratie. Toen Tony Blair in Rome de vraag kreeg wat hij vond van de mediabelangen van de Italiaanse premier, antwoordde hij korzelig dat ‘elk land zijn eigen mediawetten heeft.’ Meer kon de Britse premier vanzelfsprekend niet zeggen. Maar ongegeneerd naast een fundamenteel democratisch probleem kijken, wijst niet meteen op een partij met sterke ideologische wortels. Sociaaldemocratische partijen hebben nochtans nood aan heldere en krachtige ideeën. Zeker wanneer de bijl gelegd wordt aan enkele pijlers van de democratie, zoals de pers en het gerecht. Wellicht is het aangewezen om de woorden van Claudio Magris in herinnering te brengen, toen hij schreef dat ‘het totalitarisme zich niet meer verlaat op de bankroet gegane sterke ideologieën, maar op de gelatine-achtige zwakke ideologieën en de macht van de media die ze verbreiden.’

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 3 (maart), pagina 1 tot 2