Log in

Kernenergie: een feniks met verbrande vleugels

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 36 tot 42

De kernenergie ontwaakt wereldwijd na zestien jaren Tsjernobyl-winterslaap. Alleen in Europa schijnen bewindvoerders te beseffen hoe gevaarlijk de stralende toekomst kan zijn. Vooral in ons land ervaren experts de grenzen van hun wetenschap. Zij roepen daarom filosofen en sociologen ter hulp. Willen zij écht een dialoog, of willen zij alleen de stralingspil doen slikken? Een recente studiedag te Mol gaf hierover geen uitsluitsel.

In de tijd dat mensen nog geloofden in onbegrensde mogelijkheden van wetenschap en technologie, verscheen kernenergie als de finale oplossing voor de huidige en de toekomstige energiebehoeften. Met het atoomvuur werd de belofte van Prometheus werkelijkheid. Binnengekomen via de grote poort van de gewelddadige wereldgeschiedenis in Hiroshima en Nagasaki, werd kernenergie onmiddellijk voorgesteld als het wondermiddel van de twintigste eeuw. Met behulp van een kopje uranium zou de grootste oceaanstomer heen en terug de reis tussen Europa en Amerika kunnen maken, stond er in De Standaard te lezen in augustus 1945. De kernfysici kregen vrij spel, niet gehinderd door filosofen of sociologen. Gelijklopend met de eindeloze reeks vuile atmosferische tests van nucleaire wapens, werd de technologie van de kernreactoren geboren, waarin het proces van kernsplijting geleidelijk warmte kon vrijmaken. Die evolutie werd gekenmerkt door twee aanzienlijke gevaren: wanneer er iets misloopt, kan dat onvoorstelbare nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid en het milieu wegens de werking van de radioactieve stralingen. Maar ook wanneer er niets misloopt, blijft men zitten met enorme hoeveelheden hoog radioactief materiaal, waarvan de straling duizenden tot miljoenen jaren nodig heeft om te halveren. Geen nood: de wetenschap zou tijdig een oplossing vinden.
We zijn vandaag een halve eeuw later. De gevaren werden werkelijkheid. Er loopt regelmatig iets mis in de kerncentrales. De meest bekende catastrofes vonden plaats in Windscale (1957), in de Three Mile Island reactor nabij Middleton, Pennsylvania, en in Tsjernobyl (1986) met de ergst denkbare gevolgen. Dit vormt slechts de top van de ijsberg: volgens gegevens van de International Atomic Energy Agency werden tussen 1971 en 1986 in 14 landen 152 accidenten genoteerd, het ene al ernstiger dan het andere. Opvallend hierbij is dat de overheid geen correcte informatie verstrekt aan de betrokkenen. Alles wordt in het werk gesteld om de openbare opinie te sussen en onwetend te houden. Dit voedt uiteraard het wantrouwen van de burger. Ook in ons land wordt de werkelijkheid zoveel mogelijk verborgen gehouden. Staatssecretaris Miet Smet heeft in 1986 het parlement bewust voorgelogen omtrent de realiteit van de radioactieve neerslag in ons land, net zoals dat gebeurde in Frankrijk en in andere Europese landen. Die geheimhouding heeft heel de geschiedenis van de kernenergie begeleid. In de jaren 50 en 60, wanneer het peil van de radioactieve neerslag in ons land hoge toppen bereikte ten gevolge van de atmosferische kernproeven, werd het de onderzoekers zelfs verboden de gegevens van hun metingen publiek te maken. Er was dan geen sprake van beroep op filosofen of sociologen! Maar, zoals gezegd, ook wanneer alles perfect zou lopen in de kerncentrales en wanneer er nooit een technische of menselijke fout zou gebeuren, dan nog zitten we opgescheept met een zwaar probleem: we weten geen blijf met de enorme hoeveelheden radioactieve afvalstoffen die we ononderbroken produceren.

Een hallucinant verhaal

Het verhaal van de pogingen om het gevaarlijk afval kwijt te geraken is hallucinant. De eerste ‘oplossing’ bestond gewoon in het dumpen van stalen vaten in de Atlantische Oceaan, op een diepte van 3000 meter. Wat uit het zicht is, bestaat niet meer! En maar hopen dat de vaten duizenden jaren bestand blijven tegen corrosie. Tussen 1962 en 1982 werden zo 220 vaten met afval uit de Belgische centrales gedumpt. In totaal werden 28.000 vaten afkomstig uit Europese kerncentrales gedumpt in het Hurd Deep, voor de Normandische kust. Onder druk van de openbare opinie kwam de Conventie van Londen tot stand waarbij zeedumping werd verboden. Toch gebeurt het nog, maar dan in de vorm van vervuild afvalwater van de opwerkingsfabrieken, zoals, wat Europa betreft, in La Hague (Frankrijk) en Sellafield aan de Ierse zee. Pas tegen 2020, zo beslisten de Europese ministers van leefmilieu, moeten de installaties zodanig aangepast zijn dat er zo goed als geen radioactiviteit meer geloosd wordt.Er moest dus uitgekeken worden naar andere bergingsmethodes. Voor de laagradioactieve afval, waarvoor de veiligheid gedurende meer dan 300 jaar moet verzekerd worden, werd bovengrondse berging als de beste mogelijkheid gezien. Voor de hoogradioactieve, die miljoenen jaren gevaarlijk blijft, wordt gezocht naar de mogelijkheid voor ondergrondse berging in bewaakte ruimten van geologisch bestendige lagen, zoals de Boomse kleilaag. Eens de principiële keuze gemaakt voor de berging van laagactief afval, moesten geschikte plaatsen gevonden worden in België. Momenteel ligt meer dan 11.000m³ laagactief afval opgeslagen op de site van Mol-Dessel, naast 4.000m³ middelactief en 223m³ hoogactief afval. De huidige opslagplaatsen zullen verzadigd zijn rond 2005. Voorzien wordt dat aan het eind van het actieve leven van de huidige kerncentrales dit volume zal gestegen zijn tot 30.000m³. Daarbij moet gerekend worden met de ontmantelingswerkzaamheden, waardoor tegen 2060 een volume van minstens 60.000m³ zal moeten geborgen worden. Tegen die tijd is het middelactief afval gestegen tot nagenoeg 8.000m³ terwijl er wellicht een kleine 1000m³ hoogactief afval te bergen zal zijn.Voor de oppervlakteberging van het laagactieve afval ging het NIRAS (Nationale Instelling voor Radioactief Afval en verrijkte Splijtstoffen) op zoek naar geologisch en hydrogeologisch gunstige gebieden. Louter in functie van dergelijke milieugegevens werd, zonder voorafgaand overleg met de betrokken gemeentelijke autoriteiten, een lijst bekend gemaakt van in totaal 98 bergingsplaatsen in België, waaruit uiteindelijk vijf zones werden geselecteerd: Lo-Reninge/Alveringem en Kruibeke/Temse, Custine, Chimay en Marche-en-Famenne. De beleidsmensen hadden echter zonder de waard gerekend. Nergens bleek de bevolking bereid om de toxische afval in haar achtertuin te hebben. Op Paasmaandag 1989 demonstreerden in de Westhoek naar schatting 10.000 mensen, plaatselijke burgemeesters op kop, tegen de inplanting van een stortplaats voor licht radioactief afval. Burgemeester Quaeghebeur verklaarde persoonlijk elke poging om aan de werkzaamheden te beginnen, te zullen verijdelen. Ook de gemeenteraden van andere locaties protesteerden. In de Kempen kwamen vakbonden en milieubeweging eensgezind op tegen de berging in hun gewest. In Wallonië was de reactie analoog en verwierp de bevolking van Baronville/Beaurain in een referendum met overdonderende meerderheid de vestiging van een opslagplaats.

De nucleaire patstelling

De volksweerstand plaatste de beleidsmensen in een moeilijke situatie. Zij beslisten geen oplossing te forceren, elke definitieve beslissing te verschuiven naar later, ondertussen de bovengrondse opslagcapaciteit van Mol-Dessel te gebruiken en, voor de hoogactieve afval, verder de ondergrondse berging in diepe kleilagen te bestuderen. Zij hebben de lessen getrokken uit hun stuntelige, technocratische-administratieve aanpak: het werd tijd om filosofen, ethici en sociologen ter hulp te roepen. Het SCK (Studiecentrum voor Kernenergie) moest daarbij niet van nul beginnen: reeds meer dan tien jaar waren er aanzetten, in samenwerking met universiteiten, om sociale wetenschappen te integreren in het onderzoek. Eind 1998 besliste de leiding van het SCK om die nieuwe benadering op een gestructureerde wijze aan te pakken. Een aantal interdisciplinaire projecten werden opgestart met onderzoekers uit de menswetenschappen en SCK-experts, in samenwerking met de universiteiten, terwijl ook aandacht werd besteed aan internationale samenwerking. Het geheel werd gecoördineerd door prof. Gilbert Eggermont van het SCK. Alle onderzoekers vergaderden maandelijks in twee reflectiegroepen, met actieve deelname van het topmanagement. Dit resulteerde in een eerste symposium op 20 januari 1999 onder de titel: ‘Nucleair onderzoek en maatschappij: een uitdagende wisselwerking.’ Een tweede symposium, met deelname van filosofen, ethici, sociologen en nucleaire experts vond plaats op 22 januari 2002 met als thema ‘Ethiek en radioactieve afval. Hoe stralend is onze toekomst?‘ Mijn persoonlijke indruk is dat het gesprek moeizaam op gang komt, en dat men nog met grote omzichtigheid een bocht maakt rond de essentiële vragen. Waarom doet men nu beroep op ethische begrippen over onomkeerbare beslissingen die een halve eeuw geleden werden genomen? Waarom heeft men destijds elke ethica ver verwijderd gehouden van het beleid, en is men zelfs zo ver gegaan elke kritische stem te smoren vanuit de overheid en de kernindustrie? Waarom tracht men ons te doen geloven dat er een homogeen blok van kernfysici bestaat, terwijl binnen het beroep wereldwijd dezelfde opsplitsing bestaat als binnen de hele gemeenschap? Als men tot het inzicht zou komen dat de belasting voor de toekomstige generaties te hoog is, moet men dan niet besluiten dat men zo vlug mogelijk er moet mee stoppen nog verder afval te produceren? Het is wel leuk, maar totaal irrelevant de kernfysici te ondervragen naar hun bezorgdheid omtrent de generatie van de jaren 300.000, waarvan men zelfs niet weet of ze zal bestaan, terwijl de huidige en de eerstvolgende generaties verder bedreigd blijven. Maar alle begin is moeilijk, en men kan hopen dat in de nabije toekomst het interdisciplinair gesprek meer naar de maatschappelijk relevante kernvragen zal reiken.

De hersenspoeling

Behandeling van potentieel gevaarlijk afval is niet enkel een technisch probleem, maar ook een maatschappelijk probleem, zegt Anne Bergmans, onderzoeker bij de Faculteit Sociale en Politieke Wetenschappen van de UIA. De vroegere aanpak, waarbij uitsluitend de technische problemen werden behandeld, voerden tot een fiasco wegens de reactie van de openbare opinie, zoals hierboven beschreven. Met hetzelfde doel voor ogen, namelijk de lokale inplanting van bovengrondse opslagplaatsen voor laagactieve afval, wordt nu een andere weg gevolgd. Er werd een lokaal ‘partnership’ georganiseerd tussen NIRAS (de Belgische overheidsorganisatie verantwoordelijk voor het nucleaire afval) en de representatieve vertegenwoordigers van de plaatselijke gemeenschappen. Dit werkt momenteel in Mol (MONA) en in Dessel (STOLA). Men neemt de nodige tijd: de contacten zijn al drie jaar bezig, en men hoopt dat men binnen nog twee jaar een ‘consensus’ zal bereiken in gemeenschappelijk overleg. Met andere woorden: men hoopt de vertegenwoordigers van de lokale gemeenschappen ertoe te brengen de plannen voor een afvalsite te Mol en/of te Dessel te aanvaarden. Dat is veel beter, aldus de onderzoeker, dan een project dat opgedrongen wordt aan een onwillige gemeenschap. Er wordt niets aan het toeval overgelaten: de afgevaardigde van NIRAS in STOLA is niemand minder dan de Directeur-Generaal van NIRAS himself. De bevolking is welkom op opendeurdagen. Daar krijgen de bezoekende leerlingen vragen voorgeschoteld zoals ‘Welke stralen kan men tegenhouden met een blad papier?’ en ‘Hoeveel weegt een leeg vat van radioactief afval?.’ Goede antwoorden worden beloond met een etentje in een restaurant. In zijn ijver heeft de ‘Werkgroep inplanting en inrichting’ van STOLA reeds de plaats uitgekozen waar de berging moet komen: een gebied dat 40 voetbalvelden groot is, waar 2 bunkers zullen gebouwd worden van 24 meter hoog, 145m breed en samen 800 meter lang, uiteindelijk afgedekt met gras.
In feite krijgen de mensen een schijntje inspraak in dàt deeltje van de problematiek dat door het SCK-NIRAS werd uitgekozen: de berging in een grote bunker, volledig bedekt met aarde. De vaten kunnen niet meer afzonderlijk gecontroleerd worden. De mogelijke lekken zullen onvermijdelijk ontstaan, maar dat zal een zorg wezen van de volgende generaties. Er wordt geen keuze gelaten tussen deze - goedkoopste en gevaarlijkste - methode, en de andere mogelijke aanpak, zoals die in Nederland wordt gevolgd: opslag in een toegankelijke bovengrondse opslagplaats, met bestendige controle van de vaten. Wanneer een lek wordt vastgesteld, kan het betrokken vat afzonderlijk behandeld en herpakt worden. Wat uiteraard duurder is. Het gaat hier in Mol en in Dessel duidelijk niet om informatie en inspraak: wel om desinformatie en volksverlakkerij, en nog wel onder het mom van een wetenschappelijk verantwoorde, sociologisch gestoelde aanpak. Men krijgt inspraak in één enkel voorgekauwd aspect van het ingewikkeld probleem. Wat er - in MOL - moet gebeuren met het hoogactief afval komt niet eens te sprake. Wellicht hopen de initiatiefnemers, gesteund door de sociologen, dat eens de kogel door de kerk is voor de laagactieve afval, de weerstand tegen de hoogactieve afval wel zal gebroken zijn.
Er moet uiteraard berging komen. Dat is nu eenmaal de prijs van de ondoordachte nuclearisering van vorige eeuw. Maar is het echt nodig dit gepaard te laten gaan met de schijnvertoning over de inspraak van de bevolking? Dit laat alvast een wrange smaak na omtrent de beweerde bedoelingen van openheid naar sociologen en filosofen. Bovendien houdt deze methode een risico in. Stel dat het project toch op een veto van de bevolking stuit, niettegenstaande de geselecteerde gesprekspartners en de keuze van een gemeente waar heel wat mensen hun brood verdienen met de nucleaire activiteiten. Wat dan met de oppervlakteberging? Die moet in elk geval plaats grijpen, er is geen ontkomen aan. Wat rest er dan nog anders dan beroep te doen op dwangmiddelen?

Europa bouwt af

Ethische implicaties stoppen uiteraard niet aan de landsgrenzen. Het probleem van de nucleaire energie en de nucleaire afval, in zijn verschillende dimensies, heeft een wereldomvattende betekenis. Eigenlijk zijn wij in België (tot hiertoe) niet eens zo slecht af, al behoren we tot de toplanden inzake nucleaire elektriciteitsproductie: we kennen perfect de hoeveelheden, de gevaarlijke sites. De afval is onder controle, de veiligheidsmaatregelen zijn tot op heden behoorlijk, het personeel is goed opgeleid, en nu komt er zowaar een ethische bevraging. Bovendien nam deze regering de principiële beslissing geen nieuwe kerncentrales meer te bouwen en de bestaande, na 40 jaar dienst, te sluiten. Die geleidelijke kernuitstap zou (let op de voorwaardelijke wijze, want morgen kan een andere regering de beslissingen wijzigen) vanaf 2015 moeten worden uitgevoerd. Dit laat in principe toe de toekomstige hoeveelheden afval correct te omschrijven en hun behandeling planmatig te organiseren. Maar het plan van de stopzetting op termijn van de Belgische nucleaire industrie betekent niet noodzakelijk een einde voor de nucleaire elektriciteit. Door de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt binnen de Europese Unie kan het (grote) teveel aan Franse nucleaire elektriciteit verkocht worden op de Europese markt, en dus ook in België. Vandaar dat de nucleaire lobby en de regering zich weinig zorgen maken over een echt alternatief energiebeleid (dat alleen kan berusten op energiebesparende maatregelen, maar dat is in strijd met het liberale groeidogma). Bovendien zijn de investeringen in de kerncentrales ver afgeschreven, zodat elk gewonnen jaar mooie winstcijfers oplevert. Maar, vanuit een ethisch standpunt kan er geen onderscheid gemaakt worden tussen Franse en Belgische nucleaire energie. Men kan er zich niet van afmaken met de vaststelling dat alle toekomstige vuiligheid ten laste zal zijn van de buren en hun nakomelingen.
Het aantal kernreactoren in de wereld neemt langzaam af. Wereldwijd waren eind 1999 436 kerncentrales in werking in 32 landen tegenover 440 twee jaar eerder. In West-Europa en Noord-Amerika is het aantal actieve kernreactoren afgenomen van 294 in 1989 tot 276 in 1998. In de Verenigde Staten werd sedert 1978 geen nieuwe reactor meer besteld. In Nederland, Duitsland, Spanje, Zweden en België liggen uitstapscenario’s voor. Turkije besliste geen nieuwe kerncentrales meer te bouwen. Binnen de Europese Unie hebben 7 landen geen eigen kerncentrales. Tsjernobyl heeft bij die beslissingen een belangrijke rol gespeeld. Bovendien wordt in vele landen erg slordig omgesprongen met kernafval. Een wereldwijde inventaris van alle ‘gemorste’ of ‘verloren’ radioactief materiaal zou ongetwijfeld een beangstigend beeld geven. Het ergst is de toestand in Rusland en in de landen van de vroegere Sovjet-Unie. De Barentz-zee werd omgevormd tot nucleair kerkhof voor afgedankte kernreactoren. In de Listya-fjord nabij de Noorse grens zouden 10.000 gebruikte kernstaven gedumpt zijn. De Tsjernobyl-catastrofe heeft een oppervlakte van meer dan 100.000km² zwaar radioactief besmet en duizenden levens gekost. Daarnaast is de radioactief meest vervuilde plaats ter wereld wellicht de omgeving van de opwerkingsfabriek Majak in het district Tseljabinsk, ten gevolge van een (lang geheim gehouden) ontploffing in 1957, waarna meer dan 10.000 mensen geëvacueerd werden. Maar er is ook recenter verontrustend nieuws: het Russische Parlement heeft in juni 2001 de import van radioactief afval goedgekeurd. Tegen betaling mogen de Westerse landen hun afval naar Rusland exporteren. Gezien de omstandigheden waarin dit materiaal in Rusland wordt verzorgd, kan men ervan op aan dat het sterk zal bijdragen tot verdere besmetting van onze aarde. Maar ook in het vaderland van de moderne technologie, de Verenigde Staten, is de toestand alles behalve rooskleurig. Momenteel zijn er 131 gekende opslagplaatsen van radioactief afval in de VS, verspreid over heel het grondgebied van 36 staten, met variabele veiligheidsvoorschriften. Daarbij komt nog de afval van de kernwapenproductie, die een ernstige hypotheek legt op milieu en volksgezondheid op sommige plaatsen. Zo onder meer in Tennessee waar een gebied van meer dan 22.000ha zwaar besmet is. Ook in onze voortuin is niet alles erg proper. La Hague is nog steeds een radioactief vervuiler van het zeewater, terwijl de radioactieve isotopen van Sellafield al hun weg hebben afgelegd van de Ierse zee tot in onze kustwateren. En op een heel ander gebied laat de Europese richtlijn 96/29 over stralingsbescherming (what’s in a name!) toe dat laagradioactief afval in alledaagse spullen zoals papier, pennen of koetswerk van auto’s wordt verwerkt, waardoor minder afval moet opgeslagen worden…
Met deze - eerder sporadische en ver van volledige - gegevens voor ogen, zou het onvergeeflijk zijn bij de ethische benadering van het kernenergieprobleem dit niet in zijn globale wereldwijde context te situeren. Er zijn andere en meer dringende zaken waarover men zich moet bekommeren dan het welzijn van onze nazaten in het jaar 300.000.

De VS bouwen op

Terwijl Europa aarzelend de weg zoekt naar de postnucleaire energiebevoorrading, kiezen de Verenigde Staten radicaal een andere weg. Terwijl Europa eerder de Feniks met de verbrande vleugels een laatste rustplaats wil bezorgen, willen de VS dat hij uit zijn radioactieve as verrijst, ook al zijn zijn vleugels verbrand. Ook op dit terrein wordt gebruik gemaakt van de gebeurtenissen van 11 september: Georges Bush Jr. maakt gretig gebruik van Bin Laden als gangmaker om alle natte dromen van de Amerikaanse ultra’s te realiseren. Naast zijn niet mis te verstane dreiging met kernwapens tegenover elk land dat de Amerikaanse hegemonie niet aanvaardt, wordt ook een nieuwe impuls gegeven aan de productie van kernenergie. Het officiële startschot daartoe werd gegeven op 14 februari 2002 door de Staatssecretaris voor Energie, Spence Abraham. Hij ontvouwde de nieuwe nucleaire plannen van de VS tijdens een toespraak voor een bijeenkomst van de ‘Globale Kernenergietop’, met vertegenwoordigers van regeringen, industrie en wetenschappelijk onderzoek. Na zijn dankbetuiging voor de Grote Roerganger Bush, die de uitweg heeft getoond uit het ‘oude nucleaire denken’, ontvouwde hij de plannen voor een hernieuwde nuclearisatie. De angst van de bevolking is aan het keren, nu bewezen is dat de nieuwste technologische ontwikkelingen de veiligheid hebben opgedreven: er worden nog slechts 20 ‘ongewone gebeurtenissen’ per jaar vastgesteld in de kerncentrales, tegenover 200 in de late jaren tachtig. Kernenergie is milieuvriendelijk en goedkoop, aldus Abraham. Bovendien belooft hij plechtig dat elk slachtoffer van een nucleair ongeval zal vergoed worden. In de beste neoliberale traditie wordt een overheidssteun voorzien voor het nieuw nucleair plan ten bedrage van 38,5 miljoen dollar, om de nog aarzelende industrie over de meet te trekken. De toekomst draagt volgens Abraham nog vele beloften van nieuwe, veiliger en goedkoper technieken, terwijl ook nog eens de fusietechnologie van stal wordt gehaald die in een (verre) toekomst nog maar eens een onuitputtelijke en zuivere bron van energie zal leveren. Spence Abraham is zich wel bewust van het probleem van dat afval, dat verspreid ligt in niet altijd veilige omstandigheden. Maar geen nood: er wordt gezocht naar veilige sites om alle nucleaire afval gedurende de komende millennia te bergen. De VS-minister heeft helemaal geen behoefte aan begeleiding van filosofen of sociologen. Ondertussen heeft president Bush de soep niet koud laten worden: hij heeft zijn handtekening geplaatst onder de aanbeveling om een reusachtige bergplaats voor hoogactief afval te bouwen in de Yucca Mountain, Nevada. Hij heeft zich met volle gewicht achter het plan Nuclear Power 2001 gezet, in naam van de veiligheid en van voldoende autarkische energiebevoorrading van de USA.
Na Tsjernobyl leefde de wereld jarenlang met het besef dat het genoeg was geweest. Dat het risico voor de huidige en voor de toekomstige generaties te groot was. Wat gebeurd is, is gebeurd. Er zijn grenzen aan het menselijk kunnen waarmee men moet leren leven. Het afvalprobleem is onoplosbaar, dus moet men er het minst slechte van maken. 11 September heeft die logica vernietigd. Bin Laden, als gangmaker van Bush, heeft de voorwaarden geschapen om de (Amerikaanse) goegemeente te overtuigen om verder de nucleaire weg op te gaan. Ethische problemen komen daar blijkbaar niet bij te pas in ons global village. De vrees is gerechtvaardigd dat de VS zullen pogen hun zienswijze op dit gebied op te dringen aan de rest van de wereld. Het komt er dus op aan voldoende attent te zijn en de Europese verworvenheden niet te laten afbreken. De Amerikaanse zienswijze werd reeds uitvoering in de Nederlandse taal toegelicht in het Vlaamse tijdschrift EOS. Dit maandblad voor wetenschappelijke vulgarisatie heeft sedert kort een contract afgesloten met de redactie van Scientific American. Dit resulteerde onmiddellijk in een voorpagina met de titel: Kernenergie: de tweede kans. Daarin werd de Amerikaanse optie toegelicht, met een pleidooi voor een nieuwe toekomst voor de kernenergie, die veiliger en goedkoper zal zijn. Het publieke vertrouwen in de veiligheid van nucleaire stroom is sinds het Tsjernobyl-ongeval in 1986 grotendeels hersteld, zo luidt het. Het artikel besluit met een hoeratekst waarvan het publicitair karakter nauwelijks verborgen blijft: ‘Kernenergie bereikt een cruciaal stadium van zijn (sic) ontwikkeling. Het economische succes van de huidige generatie kerncentrales in de Verenigde Staten is geschoeid op verbeterde praktijken. Het leidde tot groeiende belangstelling voor de aanschaf van nieuwe installaties. Nieuwe reactorontwerpen kunnen de veiligheid, de duurzaamheid en de rentabiliteit van kernenergiesystemen op lange termijn verbeteren en zo een grootschaliger gebruik ervan mogelijk maken. Tien jaar geleden zou het nog ondenkbaar geweest zijn.’ Men is dus weer op weg om in naam van vermeende onmiddellijke belangen verder te werken aan een ‘stralende’ toekomst, terwijl het probleem van de radioactieve bezoedeling van de aarde door de kernafval helemaal niet opgelost is.

Besluit

Het zou jammer zijn mocht het beginnende gesprek tussen filosofen, ethici, sociologen en deskundige kernfysici geen verdere ontwikkeling kennen. Opdat het echter geen vrijblijvend en dus onethisch gesprek zou worden, zouden de betrokkenen zich toch moeten akkoord kunnen stellen over bedoeling en perspectief van het overleg. Als ik mij enkele suggesties mag veroorloven.
(1)Afstappen van de huidige te enge aanpak van MONA en STOLA, door het debat te verruimen naar alle mogelijkheden en het niet noodzakelijk te beperken tot een klein deelprobleem. (2)Het debat verbreden in de ruimte, naar de totaliteit van het afvalprobleem in de wereld. (3)Het debat verbreden in de diepte: de lessen die te trekken zijn uit de grenzen van wetenschap en technologie, de relatie van het afvalprobleem met de gerelateerde aspecten die onze toekomst bedreigen, zoals verdere uitbouw van het kernenergiepark, kernbewapening, het energieprobleem, het milieuprobleem. (4)Vaststellen dat elke uitvoer van westerse kernafval naar arme landen ethisch onverantwoord is.
Gezien het SCK het initiatief heeft genomen voor de contacten tussen menswetenschappen en kernfysici, zou het aangewezen zijn dat deze instelling verder het debat zou organiseren, en daartoe vanwege de overheid de nodige middelen zou krijgen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 5 (mei), pagina 36 tot 42