Abonneer Log in

De nieuwe kieswet en de vrouwelijke vertegenwoordiging: een maat voor niets?

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 47 tot 51

Ondanks een aantal wettelijke maatregelen blijft het percentage vrouwen in de politiek ondermaats. De nieuwe wet tot waarborging van een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen op de kandidatenlijsten moet hierin op relatief korte termijn verandering brengen. Terwijl deze wet gestemd werd, heeft de meerderheid ook een nieuwe kieswet op punt gesteld. De verhitte parlementaire discussies hierover tonen het belang aan van het soort kiessysteem voor de politieke vertegenwoordiging. Het is duidelijk dat de nieuwe wet over de vertegenwoordiging van vrouwen op de lijsten geen rekening hield met de aanpassing van de kieswet. Daardoor zouden goed bedoelde maatregelen om het man-vrouwevenwicht te verbeteren hun effect wel eens helemaal kunnen verliezen.

Hoe de politieke participatie van vrouwen verbeteren?

De laatste jaren is bij de politieke partijen het besef gegroeid dat er maatregelen moeten worden genomen om de participatie van vrouwen in de politiek te verhogen. De wet Tobback-Smet van juni 1994 was hiervan het eerste gevolg. Al heeft deze wet niet rechtstreeks geleid tot meer verkozen vrouwen - Louis Tobbacks voorstel om ook quota te voorzien voor de verkiesbare plaatsen is destijds in het parlementaire debat vakkundig afgevoerd - , hij heeft ten minste de verdienste gehad het debat over de plaats van de vrouw in de politiek bovenaan de agenda te plaatsen. Dit heeft niet belet dat bij de parlementsverkiezingen van juni 1999 niet één socialistische vrouw verkozen werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers. De vrouwelijke kandidaten stonden, toeval of niet, bijna allemaal op strijdplaatsen. En wie die strijd verliest…

De nieuwe regering die in 1999 aantrad had weliswaar de intentie om de vrouwelijke aanwezigheid te verbeteren, maar ze sloeg de bal mis over welke hiertoe de gepaste instrumenten waren. Onder meer het afschaffen van de opvolgerslijsten bij verkiezingen werd in het federale regeerakkoord omschreven als een maatregel om de vrouwelijke vertegenwoordiging te verbeteren. Begrijpe wie kan, want het was precies door het opvolgerssysteem dat politieke partijen meer vrouwen naar het parlement konden sturen om hun ministers te vervangen. Het bespaarde de SP indertijd ook de beschamende vaststelling om een legislatuur verder te moeten met een fractie die alleen maar uit mannen bestond. Ook de invloed van de lijststem werd tot de helft teruggeschroefd, omdat, zo stelde het regeerakkoord ‘het afzwakken van de lijststem tot een versterkte politieke vertegenwoordiging van de vrouwen zal bijdragen.’
Verschillende simulaties1 werden sindsdien toegepast om te achterhalen welke de meest effectieve maatregelen zijn om de pariteit tussen vrouwen en mannen in de verschillende politieke organen en op de verschillende niveaus in te voeren. Uit onderzoek2 blijkt onomstotelijk dat de maatregel die het meest garantie biedt op een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen aan de politiek het systeem is waarbij mannen en vrouwen afwisselend op de kandidatenlijsten fungeren. Ook een ritssysteem op de eerste twee plaatsen op de lijsten zou reeds voor een aanzienlijke toename van het aantal verkozen vrouwen zorgen. In die zin komt de recente wet tot waarborging van een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen op de kandidatenlijsten tegemoet aan deze bekommernis. Simulaties op basis van de resultaten van de verkiezingen in 1999 leren dat de invoering van het ritssysteem op de eerste twee plaatsen meer verkozen vrouwen zou opleveren. De resultaten benaderen die van het ritssysteem op de hele lijst voor wetgevende verkiezingen die worden aangeduid in meerdere kiesomschrijvingen (Waals parlement, Vlaams parlement en Kamer van Volksvertegenwoordigers). Een ritssysteem op de eerste twee plaatsen zou echter relatief inefficiënt zijn voor de wetgevende vergaderingen die worden aangeduid in één kiesomschrijving (senaat, Brussels parlement en Duitstalig parlement). Een kleine, maar niet onbelangrijke bedenking bij deze oefening is het feit dat deze analyse werd gemaakt op basis van de huidige kieswet en de kiesarrondissementen zoals ze tot vandaag bestaan, zonder rekening te houden met de nieuwe kieswet.

De excuustruus in de grondwet

Naast de wijziging van de kieswet nam de federale regering eerder al een andere belangrijke beslissing inzake de vrouwelijke politieke participatie. Zo werd de grondwet herzien. Zoals reeds in de vorige legislatuur overeengekomen werd een nieuw artikel 11bis ingevoegd ‘betreffende het recht van de vrouwen en de mannen op gelijkheid en de bevordering van de gelijke toegang tot door verkiezing verkregen en openbare mandaten.’ Met deze grondwetsherziening werd een bepaling ingevoerd dat in alle uitvoerende organen (regeringen, schepencolleges, deputaties) zowel vrouwen als mannen moeten zetelen. Door deze grondwetswijziging zullen bij de volgende gemeente- en provincieraadsverkiezingen in 2006 vooral de schepencolleges gevat worden. Vandaag is immers één op drie schepencolleges in België een louter mannelijke aangelegenheid. Er zijn ook nog drie provincies (Oost-Vlaanderen, Henegouwen, Luik) zonder vrouwelijke gedeputeerde, terwijl de regering van de Duitstalige gemeenschap geen vrouwelijke ministers telt. Deze grondwetswijziging heeft dus wel degelijk effect, zij het dat de impact ervan ruimschoots onvoldoende is. Men kan zich terecht vragen stellen bij deze minimale regeling, die bepaalt dat één vrouw in een regering, schepencollege of deputatie grondwettelijk voldoende is. Op die manier heeft deze regering de politieke excuustruus in de grondwet ingebouwd. Voor de concrete wettelijke uitvoering van dit gelijkheidprincipe was het dus wachten op de wijziging van de kieswetgeving.

Wat heeft de recente kieswethervorming in pacht voor de vrouwen?

De recente kieswethervorming, met de vergroting van de kieskringen tot de provinciale niveaus voor de Kamerlijsten, zal maken dat er bij gelijke verkiezingsuitslag méér verkiesbare plaatsen zijn per lijst, aangezien het aantal lijsten afneemt. Dit kan in het voordeel van vrouwen spelen, aangezien volgens de quotawet bij de eerstvolgende verkiezingen in juni 2003 bij de eerste drie kandidaten minstens één vrouw moet zijn. Anderzijds zullen door het ‘samensmelten’ van voormalige lijsten de topkandidaten van deze vroegere lijsten ook allen naar een verkiesbare plaats dingen. Het wordt dus nog meer drummen om bovenaan de lijst te staan, een wedstrijd waar vrouwen vaak het onderspit delven. De wetswijziging over de pariteit op de verkiezingslijsten heeft als dusdanig geen rekening gehouden met deze nieuwe kiesomschrijvingen. Het zou dus best wel eens kunnen dat het effect ervan quasi onbestaande is, want er is geen garantie op het aantal verkozen vrouwen. De nieuwe quotawet voorziet weliswaar de helft vrouwelijke kandidaten, maar slechts een verplichting van kandidaten van verschillend geslacht op de eerste drie plaatsen op de lijst. Later, bij een volgende samenstelling van de assemblees, zal dat één op de eerste twee plaatsen worden. Mannen die zich hierover nu al zorgen maken hoeven dus vooralsnog niets te vrezen: de rits op de eerste twee plaatsen zal pas voor het eerst volledig worden toegepast bij de federale verkiezingen van 2007, indien de legislatuurperiode volledig wordt uitgedaan. En de samenstellers van de lijsten voor de gemeenteraadsverkiezingen mogen helemaal op beide oren slapen: de rits op de eerste twee plaatsen op deze lijsten zal pas ingevoerd worden in 2012. Althans, dat is het vooruitzicht, want voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen is het Vlaamse parlement bevoegd, en daar werd het betreffende decreet nog niet gestemd.

Opvolgers afgeschaft…en weer ingevoerd

In het begin van de legislatuur besliste de federale regering het systeem van opvolgers af te schaffen omdat, zo stelde het regeerakkoord, in het kader van de burgerdemocratie ‘de burger opnieuw centraal moet worden geplaatst en kunnen bepalen wie hem zal vertegenwoordigen in het parlement.’ Daarom werd een wetsontwerp goedgekeurd om, tegelijk met het herleiden van het gewicht van de lijststem tot de helft, het systeem van opvolgers af te schaffen. Het afzwakken van de lijststem zou bijdragen tot een versterkte politieke vertegenwoordiging van de vrouwen, heette het toen. Noch het één, noch het ander, heeft een positief effect op de deelname van vrouwen in het parlement, integendeel. Vrouwelijke kandidaten zullen dan wel op een prominente plaats op de lijst staan, door het reduceren van het gewicht van de lijststem is hun verkiezing allesbehalve zeker. Bij de recente kieswethervorming heeft men dan weer ingezien dat het afschaffen van de opvolgers voor geen enkele partij voordelen biedt. In de afsprakennota van de regering over de politieke vernieuwing luidt het dat ‘om de kansen van kandidaten uit kleinere kiesdistricten bij de omvorming naar grotere kieskringen te vrijwaren, is het ook aangewezen het systeem van opvolgers opnieuw te introduceren.’ De opvolgerslijsten werden dus in één legislatuur afgeschaft en weer ingevoerd. Bij de volgende federale verkiezingen in juni 2003 zal men op één lijst als effectieve kandidaat én als opvolger kunnen opkomen. Bovendien zal - enkel bij de eerstkomende verkiezingen - een kandidaat zowel op de senaatslijst als op een kamerlijst kunnen opkomen. Dit maakt de opvolgersplaatsen - en niet alleen de eerste opvolgersplaats - bijzonder interessant. Dit geldt in het bijzonder voor de senaat, want indien de kopstukken van de partijen op beide lijsten zullen fungeren, wat ze gezien de ‘dubbele’ stemmenwinst ook zullen doen, zullen ze bij verkiezing op beide lijsten, de voorkeur geven aan de kamer van volksvertegenwoordigers, het politieke epicentrum. Zo wordt zelfs een vierde opvolgersplaats op de senaatslijst interessant. En zal de senaat voor een groot deel een assemblee van opvolgers worden. Indien de betreffende partij bovendien deel uitmaakt van de regering, zal ook de opvolgersplaats op de kamerlijst van groot belang zijn. Het belang voor vrouwen wordt aangetoond door de huidige aantallen rechtstreeks verkozen vrouwen en opvolgers. Zoals reeds gezegd heeft de SP in 1999 haar gezicht kunnen redden via het opvolgerssysteem en zetelen in de huidige legislatuur meer sp.a-vrouwen door opvolging dan door rechtstreekse verkiezing.
Dat de hervorming van de kieswetgeving en de aanpassing van de quotawet niet op elkaar afgestemd zijn, bewijst het feit dat de goedgekeurde quotawet uitgerekend over die opvolgers niets zegt. Zal de fifty-fiftyregeling dan niet van toepassing zijn op de opvolgerslijst? Wat met de rits bij de opvolgers? De regering zal al meteen haar eigen teksten moeten amenderen om beide wetten met elkaar in overeenstemming te brengen.

Naast deze wijzigingen liggen een aantal hervormingen in het verschiet, die mits een tweederde meerderheid in de volgende legislatuur worden ingevoerd. Zo wordt de senaat hervormd tot een ontmoetingsplaats van de gewesten en de gemeenschappen. In het voorstel van de regering zal de senaat samengesteld worden uit leden van de gemeenschapsparlementen en een paritaire assemblee worden. Paritair verwijst hier helaas naar de taal en niet naar het geslacht van de senatoren. Toch is er een primeur, in de zin dat niet meer dan 2/3e van de leden van elke afgevaardigde taalgroep (35 nederlandstaligen, 35 franstaligen inbegrepen een afgevaardigde van de Duitstalige gemeenschap) tot hetzelfde geslacht mag behoren. Op welke manier deze afvaardiging zal geregeld worden en welke partijen geresponsabiliseerd worden om vrouwen af te vaardigen, is niet duidelijk. Als het aantal vrouwelijke verkozenen in de gemeenschapsparlementen niet stevig toeneemt, zouden het wel eens de vrouwelijke leden van die gemeenschapsparlementen kunnen zijn die ook in de senaat een dubbele shift gaan draaien.
De laatste nieuwigheid in de kieswetgeving, de invoering van een kiesdrempel van 5%, is nadelig voor kleinere partijen, maar is in principe voor vrouwen geen nadeel. Uit studies in het verleden is reeds gebleken dat in grotere partijen, met meer verkozenen, de kans op vrouwelijke verkozenen ook groter is. Vermits door de invoering van de kiesdrempel minder partijen overblijven, is er minder versnippering. Ook dit kan voordelig zijn voor vrouwen, omdat partijen een grotere mix aan kandidaten aanbieden en meer vrouwen verkozen worden.

Wettelijke quota alleen zijn niet voldoende

Het louter invoeren van quota zal niet voldoende zijn om het vrouw-manevenwicht te realiseren. Een aantal omkaderende maatregelen zijn nodig. Wij weten dat het rekruteren van vrouwen niet alleen te maken heeft met een zoektocht naar vrouwelijk politiek talent, maar ook naar de mogelijkheid om dit talent tot ontplooiing te laten komen. Met andere woorden: scouting en mentoring zijn nodig. In dit verband dringen een aantal maatregelen zich op. Zo zouden alle partijen werk moeten maken van gelijkekansenplannen om binnen hun eigen structuren het vrouwelijk aandeel te verhogen. Op dit moment is er een probleem met de rekruteringsbasis, die nog te klein is. Hoe groter die basis, hoe beter voor de kwaliteit van de kandidaten en hoe ruimer de democratische keuze. Dit geldt trouwens zowel voor mannen als vrouwen. Politici en partijfunctionarissen vergeten wel eens hoe weinig aantrekkelijk politiek voor de buitenwereld is. Dat geldt nog meer voor vrouwen dan voor mannen. Uit een bevraging3 blijkt dat 74% van de vrouwen en 65% van de mannen zegt politiek helemaal niet of niet belangrijk te vinden. Het vergt doorgedreven inspanningen en campagnes om de vrouw en de man in de straat het belang van politiek in het dagelijks leven en de rol die vrouwen én mannen hierin te spelen hebben, duidelijk te maken. De media spelen hierbij een grote rol, maar ook de populaire pers weet dat politiek en politici niet de top of mind zijn van hun lezers en lezeressen. Toen het maandblad Feeling enkele jaren geleden een uitgebreid dossier over vrouwen en politiek publiceerde, bleek dit achteraf één van hun slechtst verkopende nummers te zijn geweest.
Actieve rekrutering van vrouwen, op alle politieke niveaus, moet een opdracht zijn van de huidige politieke mandatarissen en politieke functionarissen. Vormingen en coaching moeten vrouwen empoweren om politiek hun mannetje te staan, politieke vrouwengroepen moeten structurele ondersteuning krijgen en zelf ondersteuning geven en netwerken uitbouwen, gendertrainingen moeten vrouwen én mannen leren de politieke besluitvorming vanuit een genderinvalshoek te bekijken. Daarnaast is flankerend beleid nodig om de combinatie te versoepelen tussen de uitoefening van een politiek mandaat, een job en de verantwoordelijkheid binnen de privésfeer. Zeker op het niveau van de lokale mandataris wordt vaak zware druk uitgeoefend op de tijdsbesteding. Gemeenteraad, commissievergaderingen, dossierstudie, vertegenwoordigerswerk… nemen veel tijd in beslag. Daartegenover staat een beperkt politiek verlof. Daarom moet er, zeker in grote en middelgrote gemeenten, een aanzienlijke uitbreiding komen van het politiek verlof. Er zou ook een betere financiële vergoeding van de gemeente- en OCMW-raadsleden kunnen worden voorzien, zodat het voor vrouwen en mannen interessanter wordt om een deeltijdse job te combineren met een politiek mandaat. Zowel op gemeentelijk als op parlementair niveau zouden omkaderende maatregelen zoals kinderopvang en betere en toegankelijker informatiedoorstroming wenselijk zijn. Dit betekent niet dat het parlement kinderopvang moet organiseren, zoals onlangs uit CD&V-hoek werd voorgesteld. Kinderen meesleuren naar Brussel, waar ze in een opvang moeten wachten tot moeder of vader klaar zijn met het parlementaire werk, is een slecht idee. Wel moet tussengekomen worden in de extra kosten voor kinderopvang van parlementaire medewerkers en lokale mandatarissen. De parlementsleden zelf kunnen bijkomende kosten voor kinderopvang best zelf dragen. Het initiatief van de Vlaamse regering om over te gaan tot de oprichting van een opleidingscentrum voor lokale mandatarissen en het idee om politieke vorming in het onderwijs te stimuleren, zijn belangrijke stappen in de goede richting.

Dat met de nieuwe quotawet, de aanpassing van de kieswetgeving en bijkomende omkaderingsmaatregelen het vrouw-manevenwicht in de politiek een feit zal worden, is niet zeker. Het meest fundamentele is immers een mentaliteitswijziging, die er zowel bij de kiezer moet komen als in het politieke forum zelf. Maar hierop moet niet gewacht worden om de nodige maatregelen te nemen voor de verdere vervrouwelijking van de politiek. De sp.a-vrouwen hebben alvast stevige ambities. Zij gaan bij de federale verkiezingen van volgend jaar voor de volledige toepassing van de rits op de sp.a-spirit-kartellijsten, de pariteit in de parlementaire fracties en bij regeringsdeelname voor vrouwelijke ministerportefeuilles.

Noten
1. Guaranteeing representation: democratic logic or deficit. Doctoraatsproefschrift Petra Meier. 2001-2002.
2. ‘De politieke deelname van vrouwen na de verkiezingen van 13 juni 1999. Uitslagen en toekomstperspectieven’. Federaal ministerie van tewerkstelling en arbeid. 2000
3. Vlaamse Regionale Indicatoren (VRIND) 2000

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 47 tot 51