Log in

Sociale tijd, houdingen en partijkeuze

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 11

In het recente verleden is er veel belangstelling uitgegaan naar de rol van het verenigingsleven dat, ondanks onheilspellende berichten over achteruitgang in de Verenigde Staten (Putnam, 2000), in Vlaanderen goed stand houdt (Elchardus e.a., 2000). Het georganiseerd middenveld wordt beschouwd als een belangrijke oefengrond voor een democratische politieke cultuur. Het zou bovendien een dam opwerpen tegen extreemrechts. Maar niet enkel het bestaan van een georganiseerd middenveld heeft belangrijke politieke gevolgen. Ook met andere mensen praten kan ervoor zorgen dat een democratische politieke cultuur wordt voortgezet (Putnam, 1993; Vandeweyer, 2002). Mensen met weinig sociale contacten worden immers wantrouwig tegenover alles en iedereen en zweren alleen nog bij radicale ‘oplossingen’ die geen oplossingen zijn. De hang naar een radicale aanpak van problemen en de vrees voor het vreemde neemt bij de ‘eenzaten’ toe. Occasionele, wisselende en informele sociale contacten worden steeds belangrijker. Vroeger werd je lid van een club en participeerde je in alle vormen van, zoals dat heet, ‘gezellig samenzijn’ die daarmee gepaard gingen. Nu huur je samen met enkele vrienden of collega’s voor een uurtje een terrein in een privé-zaal. Putnam noemt dit het bowling alone-fenomeen. Informele contacten hebben dus aan belang gewonnen en moeten in het onderzoek omtrent maatschappelijke participatie en sociaal kapitaal zeker aan bod komen. Het tijdsbudgetonderzoek met dagboekregistratie dat in 1999 door de onderzoeksgroep TOR (Glorieux e.a., 2000) werd georganiseerd, laat, in tegenstelling tot de meeste grootschalige onderzoeken, toe om deze informele, losse en wisselende contacten te meten. In dit artikel1 concentreren we ons op deze informele sociale contacten. Hierbij willen we ons niet beperken tot de samenhang van dit aspect met andere structurele en culturele componenten van sociaal kapitaal. We willen ook onderzoeken wat het belang ervan is bij de partijkeuze.

Sociaal kapitaal: theorievorming, data en operationalisering

Met het begrip sociaal kapitaal verwijst Putnam (1993) naar de aanwezigheid van normen van wederkerigheid, een sterke mate van veralgemeend vertrouwen, en de aanwezigheid van netwerken van maatschappelijk engagement. Aan de hand van deze definitie kunnen twee componenten van sociaal kapitaal worden onderscheiden: de structurele (netwerken, interactie) en de culturele (wederkerigheid, vertrouwen). Een eerste belangrijke structurele component van sociaal kapitaal is het verenigingsleven. De burger, de staat en zelfs de economie zouden gebaat zijn met een dynamisch verenigingswezen waarin velen met elkaar zijn verbonden. Naast deze formele vorm van maatschappelijke betrokkenheid, zijn er ook allerlei informele sociale contacten die kunnen worden beschouwd als een structureel aspect van sociaal kapitaal. Het betreft losse netwerken van individuen die samenkomen op toevallige basis en op onregelmatige tijdstippen om kaart te spelen, over voetbal te praten of om basketbal te spelen op het buurtplein. Voor onderzoek omtrent sociaal kapitaal zijn deze informele groepen niet minder belangrijk dan de formele. In sommige opzichten kunnen informele groepen zelfs belangrijker zijn. Zij vormen immers het werkelijke wezen van de maatschappij: haar basisweefsel. Daarenboven neemt participatie in informele groepen meer tijd in beslag dan participatie in formele organisaties. De toewijding of verpichtingen zijn nochtans analoog.
Wat politieke participatie betreft, besloten Parry e.a. (1992) dat zowel formele als informele groepsdeelname een belangrijke rol spelen. Daarenboven toont hun onderzoek aan dat informele groepen op z’n minst even belangrijk zijn als formele in het voortbrengen van voldoening met politieke acties, in het bijbrengen van zowel cognitieve als affectieve vaardigheden bij hun leden en in het vergemakkelijken van democratische politieke actie, in het bijzonder in de lokale politiek. Hun belangrijkste bevinding is echter dat er binnen informele groepen meer inspanning wordt gedaan rond politieke participatie dan binnen formele groepen.
Van de levensbeschouwelijke betrokkenheid wordt, net zoals van de maatschappelijke participatie (zowel formeel als informeel), verwacht dat zij op voortreffelijke wijze de functies van sociaal kapitaal kan vervullen (Putnam, 2000), onder meer omdat ze voor de individuen een buffer kan vormen tegen de atomisatie en sociale desintegratie van de massasamenleving. Dit thema vinden we reeds terug bij de grondleggers van de sociologie zoals Durkheim. Net zoals de Tocqueville (1961 [1835]) het verenigingsleven beschouwde als een leerschool van de democratie, bekeek Durkheim (1912) religie als het cement van de samenleving: zij verschaft haar een moreel perspectief en zij motiveert de mensen om aan de opbouw en instandhouding van de samenleving deel te nemen. Ten aanzien van kerkelijke gemeenschappen wordt, in de Durkheimiaanse traditie, alom geopperd dat zij moral communities vormen. Religieuze mensen ontmoeten elkaar met enige regelmaat in de kerkelijke gemeenschap, praten met elkaar, discussiëren over allerlei alledaagse problemen, maar ook over politieke en morele kwesties.
Naast deze structurele componenten van sociaal kapitaal, is er tevens de zogenaamde houdingscomponent. Het betreft een set van waarden en houdingen die verwijzen naar vertrouwen, wederkerigheid en samenwerking. Hoge niveaus van sociaal kapitaal worden geassocieerd met het behandelen van anderen als medeburgers, veeleer dan als vreemden, concurrenten of vijanden. De aspecten van wederkerigheid en vertrouwen staan hierbij centraal: sociaal kapitaal vormt het sociale cement dat de maatschappij samenhoudt door individuen te veranderen van zelfzoekende, egocentrische berekenaars met weinig sociaal bewustzijn en weinig zin voor sociale verplichtingen, in leden van een gemeenschap met gedeelde interesses, gedeelde verwachtingen inzake sociale relaties en een gevoel voor het gemeenschappelijk goed (Newton, 1999).

Data en operationalisering

Dataset
Het meten van sociaal kapitaal gebeurt aan de hand van het tijdsbudgetonderzoek TOR’99. Hierbij werd in 1999 aan 1533 Vlamingen van 16 tot 75 jaar gevraagd gedurende een hele week nauwkeurig in een dagboekje bij te houden welke activiteiten ze deden, wanneer, op welke plaats, wie hierbij aanwezig was, met wie ze gesproken hadden en welke de motivatie was voor het stellen van de activiteiten. Dit geeft ons een gedetailleerd beeld van de tijdsbesteding van de Vlamingen. Naast het bijhouden van een dagboekje, vulden de respondenten ook een uitgebreide vragenlijst in, waardoor het mogelijk wordt hun tijdsbesteding te linken aan hun waarden en houdingen. Tijdsbudgetonderzoek brengt de tijdsbesteding en de activiteitenpatronen van mensen doorgaans betrouwbaarder en genuanceerder in beeld dan het klassieke survey-onderzoek. De respondenten registreren gedurende een bepaalde periode elke activiteit onmiddellijk in een dagboekje. Hierdoor ontstaat een veel gedetailleerder en omvattender beeld van activiteitenpatronen dan met een retrospectieve, gestileerde vragenlijst, waarbij wordt gepeild naar de frequentie en de duur van bepaalde activiteiten. Vertekeningseffecten zoals herinneringseffecten, over- of onderschatting van sociaal wenselijke of onwenselijke activiteiten, worden door de simultane dagboekregistratie geminimaliseerd (Kalfs, 1993).

Operationalisering
Informele sociale contacten worden geoperationaliseerd als de tijd die gedurende een volledige week wordt besteed aan activiteiten als iets drinken of taart eten, op bezoek gaan of bezoek ontvangen, naar een feestje of andere evenementen gaan, praten, telefoneren en onbetaalde hulp bieden aan vrienden en niet inwonende familie. Formele sociale contacten worden op hun beurt geoperationaliseerd als de tijd die gedurende een volledige week wordt besteed aan activiteiten in verband met het leiden van of de deelname aan activiteiten binnen verenigingen, belangenbehartiging of politiek, deelname aan activiteiten binnen ondernemingsraden of andere bedrijfsorganisaties en vrijwilligerswerk of onbetaalde hulpverlening (uitgezonderd voor familie of vrienden). De laatste structurele component van sociaal kapitaal wordt gevormd door de levensbeschouwlijke betrokkenheid, gemeten als de tijd die tijdens een volledige week wordt gespendeerd aan godsdiensbeoefening, praktisering van de levensbeschouwing, bidden en mediteren.
Als indicatoren voor de houdingscomponent van sociaal kapitaal kunnen vier betrouwbare attitudeschalen worden beschouwd. Het positief algemeen toekomstbeeld wordt gemeten aan de hand van opvattingen over hoe de respondent de toekomst inschat. De schaal verwijst naar de mate waarin de respondent akkoord gaat met items als ‘zoals de toekomst er nu uitziet, is het nauwelijks verantwoord kinderen op deze wereld te krijgen’ en ‘het beste hebben we reeds gehad, in de toekomst kan het alleen maar slechter worden’. Een tweede aspect dat kan worden beschouwd als een houdingscomponent van sociaal kapitaal is de tevredenheid met het huidige privéleven. Zowel de tevredenheid met de woning, de buurt, het inkomen, het werk, de levensstandaard, de gezondheid als de sociale contacten worden hierin opgenomen. Het begrip utilitair individualisme betekent een gerichtheid op het onbelemmerd nastreven van de persoonlijke (materiële) belangen en succes zonder daarbij rekening te houden met de anderen. Het vertrouwen in instellingen tenslotte groepeert vragen omtrent het vertrouwen in instellingen als het gerecht, de regering en de politieke partijen.

Resultaten

Sociaal kapitaal
De structurele componenten van sociaal kapitaal gemeten
De Vlaming wijdt wekelijks gemiddeld 8u11’ aan informele sociale contacten. Bijna de helft hiervan betreft het op bezoek gaan of het ontvangen van bezoek. 75% van de Vlamingen voert deze activiteit minstens een maal per week uit. Globaal genomen heeft 95% van de Vlamingen minstens een maal per week een of andere vorm van informeel sociaal contact. Daartegenover staat dat slechts een minderheid (19%) van de Vlamingen deelneemt aan het georganiseerd verenigingsleven. Wekelijks spendeert de Vlaming gemiddeld 55 minuten aan het onderhouden van formele sociale contacten. Het leeuwendeel hiervan gaat naar contacten tijdens activiteiten die worden georganiseerd door het verenigingsleven. Aan de praktisering van hun levensbeschouwing en het bidden en mediteren spenderen Vlamingen gemiddeld 21 minuten per week. Slechts 15% van de Vlamingen besteedt hier wekelijks tijd aan.

Tabel 1: Gemiddelde wekelijkse tijdsbesteding aan informele en formele sociale contacten en aan levensbeschouwing

Tabel twee toont aan dat mensen die vele uren doorbrengen in informeel gezelschap niet speciaal meer tijd investeren in formele organisaties. Het hebben van veel informele contacten blijkt een ander publiek aan te spreken dan het participeren in formele organisaties. Er is blijkbaar een groep van mensen die hun weg wel vinden naar het verenigingsleven, maar daarbuiten niet worden gekenmerkt door het significant meer tijd spenderen aan informele sociale contacten en omgekeerd.

Tabel 2: Correlatiematrix (Pearson correlatiecoëfficiënt) van levensbeschouwing, formele en informele contacten

\* Sign 0.10 \*\* Sign 0.05 \*\*\* Sign 0.01

Dat mensen die levensbeschouwelijk betrokken zijn actiever zijn in het verenigingsleven, bleek reeds uit eerder onderzoek terzake (Coffé, 2002). Onze bevinding dat mensen die veel tijd besteden aan participatie in formele organisaties tevens meer tijd besteden aan de praktisering van hun levensbeschouwing, sluit hierbij aan. De samenhang tussen de tijd die wordt besteed aan informele sociale contacten en de tijd die gaat naar de praktisering van de levensbeschouwing is daarentegen slechts zwak significant. Mensen die veel tijd wijden aan de praktisering van de levensbeschouwing, hebben niet beduidend meer informele contacten. Dat mensen die veel tijd spenderen aan het praktiseren van een levensbeschouwing zich kenmerken door het besteden van veel tijd in formele organisaties, maar niet door de tijd die ze spenderen aan informele contacten, kan mogelijk worden verklaard doordat de beoefening van hun religie in een geïnstitutionaliseerd, formeel kader gebeurt en zij ook voor activiteiten buiten de praktisering van hun levensbeschouwing op dit kader terugvallen. Door het feit dat kerkelijke gelovigen op geregelde basis deelnemen aan collectieve rituelen, zullen ze niet alleen worden versterkt in hun geloofsovertuiging, maar zullen ze ook een wij-identiteit ontwikkelen die aanleiding kan geven tot participatiegedrag. Deze participatie gebeurt dan vaak binnen instellingen in kerkelijke of levensbeschouwelijke kaders. De correlatiecoëfficiënten die zijn weergegeven in tabel 2 zijn echter vrij laag. Dit geeft aan dat de verbanden, ook al zijn er enkele significant, niet echt sterk zijn.

Het verband tussen de twee componenten van sociaal kapitaal
De twee componenten van sociaal kapitaal worden door Putnam (1993) als interdependent beschouwd. Precies door deze interdependentie wordt sociaal kapitaal geproduceerd en gereproduceerd. Als er vertrouwen is, dan zal men gemakkelijker samenwerken, en samenwerking bevordert dan weer het vertrouwen. De kennis dat het vertrouwen niet zal worden misbruikt is op zijn beurt bevorderlijk voor het vestigen van de veralgemeende norm van wederkerigheid. Dit vergemakkelijkt coöperatieve deelname aan sociale netwerken hetgeen dan weer een weerslag heeft op de norm. Dit wederkerig verband geeft aan dat er veeleer sprake is van associaties dan van causale effecten. Bijgevolg hebben we er op methodologisch vlak voor geopteerd het verband tussen beide componenten van sociaal kapitaal na te gaan aan de hand van correlatiecoëfficienten, welke geen causale relaties veronderstellen.
Uit tabel 3 leiden we af dat enkel het utilitair individualisme significant is verbonden met de structurele componenten. Hoe meer tijd mensen spenderen aan informele contacten en de praktisering van hun levensbeschouwing, maar vooral aan formele sociale contacten, hoe minder utilitair individualistisch ze zijn ingesteld. Sociale contacten temperen dus een te sterke gerichtheid op het eigenbelang. Voor het negatief verband tussen de tijd die wordt besteed aan levensbeschouwing en utilitair individualisme, kan worden verwezen naar het christelijk en kerkelijk discours dat sterk gemeenschapsgeoriënteerd is.

Tabel 3: Verband (Pearson correlatiecoëfficiënt) tussen structurele en culturele componenten van sociaal kapitaal

\* Sign 0.10 \*\* Sign 0.05 \*\*\* Sign 0.01

De tijd die wordt gewijd aan de praktisering van de levensbeschouwing is daarenboven significant verbonden met het vertrouwen in instellingen. Levensbeschouwelijk geëngageerd zijn gaat samen met meer vertrouwen. Levensbeschouwing is een oefening in suspension of belief en werkt als zodanig een meer vertrouwde houding in de hand. Elchardus en Smits (2001) verwijzen hierbij naar het zogenaamde ontologisch collectivisme. Dit is een houding die ervan uitgaat dat mensen ontologisch zijn verbonden: dat men het geluk van anderen nodig heeft om zelf gelukkig te kunnen zijn en dat men het geluk pas echt kan vinden als men belangeloos iets voor een ander doet (Elchardus en Derks, 1996). Die houding vertoont verwantschap met het christelijke personalisme, en men kan verwachten dat zij bijdraagt tot zowel sociaal als institutioneel vertrouwen. Omdat het ontologisch collectivisme nauw verwant is aan het christelijk personalisme, bemiddelt het de invloed van de levensbeschouwing op het vertrouwen.
Het verband tussen de culturele en de structurele componenten van sociaal kapitaal blijkt, in tegenstelling tot wat in eerdere studies werd geconcludeerd, relatief beperkt. Dit kan mogelijk worden toegeschreven aan het type onderzoek, met name tijdsbudgetonderzoek. In vergelijking met analyses gebaseerd op een gestileerde, retrospectieve vragenlijst, die in de meeste onderzoeken terzake wordt gehanteerd, laat het tijdsbudgetonderzoek met dagboekregistratie toe een correcter beeld te krijgen van activiteitenpatronen. Daarnaast kan een uitleg worden gezocht in de manier waarop de verschillende aspecten werden geoperationaliseerd en in de analysemethode die werd gebruikt.

Sociaal kapitaal en partijkeuze2

Zowel de informele sociale contacten als de formele sociale participatie, zijn significant verbonden met de partijkeuze. De kracht van het verband is echter meer uitgesproken bij de informele sociale contacten. De kiezers van Agalev, CVP en andere partijen3 (zie tabel 4) worden gekenmerkt door de tijd die ze besteden aan informele contacten. Zij brengen meer tijd door in gezelschap dan het gemiddelde Vlaamse kiezerspubliek. Daarenboven worden zij getypeerd door de tijd die ze besteden aan formele maatschappelijke betrokkenheid. Met betrekking tot formele sociale participatie zijn het echter in het bijzonder de kiezers van de SP die in het oog springen. Zij wijden opmerkelijk meer tijd aan het formele verenigingsleven. Zij vallen meer specifiek op waar het activiteiten in het kader van belangenbehartiging of politiek en vrijwilligerswerk betreft. Dit laatste is ook kenmerkend voor de kiezers van Agalev.

Tabel 4: Gemiddelde wekelijkse tijdsbesteding aan informele en formele sociale contacten en aan levensbeschouwing naar partijkeuze

Indien we rekening houden met de sociale achtergrond, vallen deze verbanden echter weg. Sociaal-demografische kenmerken blijken met andere woorden sterker de partijkeuze te bepalen dan aspecten van maatschappelijke betrokkenheid. Enkel het verband tussen het stemmen voor de CVP en de opmerkelijke tijdsbesteding aan informele sociale contacten, houdt stand na controle van sociaal-demografische kenmerken.
Van het middenveld wordt aangenomen dat het een dam zou opwerpen tegen extreemrechts (Billiet e.a., 2001). We stellen effectief vast dat mensen die actief zijn in het verenigingsleven, opvallend minder voor het Blok stemmen. Of anders gezegd, de Blok-kiezers, en tezamen met hen degenen die blanco of ongeldig stemmen, brengen beduidend minder tijd door in het georganiseerde middenveld. Slechts 15% van het kiezerskorps van het Vlaams Blok participeert in het verenigingsleven. Ook aan informele contacten wijden beide kiezerspublieken minder tijd dan de gemiddelde Vlaming, maar dit is minder uitgesproken. Daarenboven vervalt, gecontroleerd voor de sociaal-demografische kenmerken, de significantie tussen zowel de formele als de informele contacten en een stem voor het Blok. De achterban van de CVP wordt, ook wanneer er rekening wordt gehouden met zijn sociaal-demografisch profiel, gekarakteriseerd door de tijd die hij aan de praktisering van de levensbeschouwing wijdt en door zijn hoge participatiegraad. Van de CVP-kiezers is 33% wekelijks bezig met de praktisering van hun levensbeschouwing. De tijdsbesteding aan levensbeschouwing bepaalt met andere woorden sterk het stemmen voor de christendemocraten.

Besluit

Sociaal kapitaal zou een cruciale hulpbron zijn voor een gemeenschap. Vooral sinds de publicatie van Robert Putnams boek Making democracy work (1993), krijgt het begrip bijzonder veel aandacht. In deze studie hebben we in de eerste plaats de verschillende componenten van het concept sociaal kapitaal onder de loep genomen en de onderlinge verbanden bekeken. Van de Vlaamse bevolking heeft 95% minstens een maal per week contact met medemensen. Eenzaam lijken we dus, ondanks sommige onheilspellende berichten terzake, niet te zijn. Wel is de participatiegraad aan het georganiseerde verenigingsleven opvallend lager, met name 19%. Tussen beide aspecten vinden we overigens geen significant verband. Mensen die veel tijd besteden aan informele sociale contacten lijken met andere woorden niet significant meer of minder tijd te spenderen in het verenigingsleven en vice versa. Slechts 15% van de Vlamingen houdt zich wekelijks bezig met godsdienstbeoefening. Wie veel tijd besteedt aan de praktisering van zijn levensbeschouwing, blijkt ook actief in het verenigingsleven en in het vrijwilligerswerk, en besteedt meer tijd aan informele sociale contacten. In tegenstelling tot wat in het algemeen wordt aangenomen, is het verband tussen de culturele en de ‘netwerkgeoriënteerde’ componenten van sociaal kapitaal eerder beperkt. Enkel de associatie van de structurele componenten met een sterke gerichtheid op het eigenbelang is beduidend. Sociale contacten temperen een utilitair individualistische instelling. De tijd die wordt besteed aan levensbeschouwing is daarenboven positief significant verbonden met het vertrouwen in instellingen.
Een verklaring voor de zwakke verbanden tussen de verschillende componenten in onze analyse, lijkt niet meteen voorhanden. Een mogelijke uitleg kan worden gezocht in het type onderzoek waarop we ons hebben gebaseerd, met name tijdsbudgetonderzoek. Dit laat toe een gedetailleerder en omvattender beeld van activiteitenpatronen te krijgen dan met een retrospectieve, gestileerde vragenlijst die in de meeste onderzoeken terzake wordt gebruikt. Vertekeningseffecten zoals herinneringseffecten, over- of onderschatting van sociaal wenselijke of onwenselijke activiteiten worden door de simultane dagboekregistratie geminimaliseerd (Kalfs, 1993). Daarnaast kan ook de specifieke operationalisering van de verschillende aspecten en de analysemethode een verklaring bieden. Op basis van deze ene analyse willen wij uiteraard niet eerder onderzoek, waarin het belang van maatschappelijke participatie op verschillende houdingen wordt benadrukt, in vraag stellen. Wel willen we stof aanreiken voor de discussie omtrent het belang van maatschappelijke participatie. Dit belang werd, in het recente verleden, mogelijk wat overroepen en de verwachtingen die in het maatschappelijk middenveld werden gesteld waren misschien te hoog.
In de tweede plaats hebben we de structurele componenten van sociaal kapitaal in verband gebracht met de partijkeuze. Hieruit bleek dat het kiezerskorps van de CVP en Agalev zich kenmerkt door de meertijd die het spendeert aan informele sociale contacten. De SP-kiezers kwamen naar voren als mensen die veel tijd besteden aan formele sociale contacten. Bij het verband tussen tijdsbesteding aan levensbeschouwing en partijkeuze was de gemiddelde tijdsbesteding van de achterban van de CVP in vergelijking met die van de overige partijen frappant hoger. Gecontroleerd voor de sociaal-demografische kenmerken houdt echter enkel het verband tussen een stem voor de CVP enerzijds en informele sociale contacten en levensbeschouwelijke betrokkenheid anderzijds, stand. Dit betekent dat sociaal-demografische kenmerken sterker de partijkeuze blijken te bepalen dan structurele componenten van sociaal kapitaal.

Noten
1. De paper die aan de basis ligt van dit artikel is terug te vinden op www.vub.ac.be/TOR.
2. We beperken ons hier tot het verband tussen de structurele componenten van sociaal kapitaal en partijkeuze. Het is immers de operationalisering van deze componenten aan de hand van het tijdsbudgetonderzoek die voorliggende analyse specifiek maken. Onder meer Billiet e.a. (2001) deden reeds onderzoek naar het verband tussen houdingscomponenten van sociaal kapitaal en partijkeuze.
3. Vanwege het kleine aantal kiezers van andere partijen, is het moeilijk hierover uitspraken te veralgemenen.

Bibliografie
- Billiet, J., Swyngedouw, M., Depickere, A. & Meersseman, E. (2001), Structurele determinanten van het stemgedrag en culturele kenmerken van de kiezerskorpsen in Vlaanderen. Leuven: ISPO.
- Coffé, H. (2002), De invloed van de levensbeschouwelijke en maatschappelijke betrokkenheid op een positieve beoordeling van het Vlaams Blok. Tijdschrift voor Sociologie, 23 (2). Te verschijnen.
- De Tocqueville, A. 1835, Democracy in America. New York: Schocken Books.
- Durkheim, E. (1912), Les formes élémentaires de la vie religieuse. Le système totémique en Australie. Parijs: Alcan.
- Elchardus, M. & Derks, A. (1996), Culture conflict and its consequences for the legitimation crisis. Res Publica, 38(2), 237-253
- Elchardus, M., Hooghe, M. & Smits, W. (2000), Tussen burger en overheid. Een onderzoeksproject naar het functioneren van het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Samenvatting van de onderzoeksresultaten: Deel 1: Oorzaken en gevolgen van middenveldparticipatie. TOR Rapport nr. 2000/43, Brussel: VUB-vakgroep Sociologie.
- Elchardus, M. & Smits, W. (2001), Een wantrouwig landje. Maatschappelijk vertrouwen in Vlaanderen. In: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap (red.), Vlaanderen gepeild! De Vlaamse overheid en burgeronderzoek (pp.43-71). Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
- Glorieux, I., Koelet, S. & Moens, M. (2000), Technisch verslag bij de tijdsbudgetenquête TOR’99. Brussel: Onderzoeksgroep TOR, VUB.
- Kalfs, N. (1993), Hour by hour: effects of the data collection mode in time use research. Amsterdam: Nederlands Instituut voor Maatschappij- en Marktonderzoek.
- Newton, K. (1999), Social capital and democracy in modern Europe. In: Van Deth, J. (Red.), Social capital and European democracy (pp. 3-24). Londen: Routledge.
- Parry, G., Moyser, G. & Day, N. (1992), Political participation and democracy in Britain. Cambridge: Cambridge University Press.
- Putnam, R. (1993), Making democracy work. Civic traditions in modern Italy. Princeton: Princeton University Press.
- Putnam, R. (2000), Bowling alone. The collapse and revival of American community. New York: Simon & Schuster.
- Vandeweyer, J. (2002), Sociaal gebabbel. Het verband tussen sociale interactie, de diversiteit van interactiepartners en democratische waardepatronen nader bekeken. In: Elchardus, M. & I. Glorieux (Red.), De symbolische samenleving. Te verschijnen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 11