Log in

'De indringer'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 56

De indringer

Jean-Luc Nancy
Uitgeverij Boom, Amsterdam, 2002

De Franse filosoof Jean-Luc Nancy heeft reeds een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan. Geïnspireerd door Heidegger, Bataille, Lacan en Derrida denkt hij na over politieke en maatschappelijke problemen als de gemeenschap, de technologie, soevereiniteit en vrijheid, mondialisering. Vooral La communauté désoeuvrée (1982), waarin hij filosofeert over het ‘être-en-commun’ nu het begrip van samenleven zijn mythische betekenis kwijt is, bezorgde hem internationale bekendheid. Recent publiceerde hij La création du monde ou la mondialisation (Paris, Galilée, 2002). Met de vertaling van L’intrus, gevolgd door La ville en loin zorgt Joost de Bloois voor een primeur in het Nederlandse taalgebied. Ignaas Devisch, die zelf over Nancy doctoreerde (In gemeenschap zijn) aan de VUB, schreef een introductie, of beter een intermezzo waarin hij de thematiek van deze essays aan elkaar rijgt. Nancy bewerkt bij zijn lezers een effect dat vergelijkbaar is met een overvloei bij een diavoorstelling. Allereerst is er zijn persoonlijke traumatische ervaring na een harttransplantatie, voorts de architectuur van de (post)moderne grootstad. Beide worden afwisselend geprojecteerd samen met het politieke probleem van de immigratie, of de ethische ervaring van de vreemdeling. (Het lichaam van) De zestigjarige Jean-Luc Nancy diende een harttransplantatie te ondergaan. Daarna heeft hij, wellicht door de medicatie die het afstoten van het vreemde hart moest tegengaan, gevochten tegen een kanker die zijn hele lichaam (zijn hele persoon) teisterde. Hij beschrijft zijn ervaring waarbij in zijn eigenste intimiteit onophoudelijk het orgaan van een vreemde (een zwarte? een Bask? een vrouw? een jongere?) klopt. Een indringende autobiografie, ware het niet dat het zelf (autos) hier slechts kan functioneren door fundamenteel getekend te zijn door het andere (heteros). Het woord van Augustinus blijft van kracht: in mijn diepste inwendigheid ben ik voor mezelf een vreemde, en na de dood van God wordt die paradox nog sterker.
Nancy ziet die fysieke microervaring als paradigmatisch voor de omgang met de vreemde op macroniveau. De vreemdeling is en blijft een indringer. Hij komt binnen bij verrassing of via list. Hij verschaft zich vaak toegang met geweld, in ieder geval zonder uitnodiging of toestemming. Nancy koppelt daaraan een normatief spreken: de vreemdeling dient ook dit karakter van indringing te behouden wil hij zijn vreemdheid niet verliezen. Het is de intuïtie van de commentator Ignaas Devisch om deze teksten over Nancy’s ervaring met zijn nieuwe hart te plaatsen naast twee teksten over de grootstad Los Angeles: De stad in de verte van 1987 en 1999. Niet zonder reden, want een gelijkaardige ‘vreemdsoortige vertrouwdheid’ vormt het ‘hart’ van beide ervaringen. De metafoor van het lichaam dient trouwens om het (post)moderne stadsleven te denken: ‘Het lichaam van de stad is geënt op miljoenen singuliere lichamen’(61). Er wordt gesproken van het kloppende hart, het zenuwcentrum, de verkeersaders, de onderbuik van de stad. Los Angeles is een lichaam, maar geen organisme. Centrum en periferie laten zich niet meer onderscheiden, evenmin als natuur en cultuur, binnen en buiten, eigen en vreemd. De vroegere kernfuncties zijn nu verspreid over het hele territorium. De stad is een chaotische opeenhoping van wat vroeger ‘buitenwijken’ heette. Aan wat eertijds de horizon vormde verschijnen nu weer straten en kruispunten, tunnels en bruggen, perspectieven en vluchtlijnen. ‘Het centrum is overal en de omtrek nergens, of omgekeerd. De stad zelf rekt en zaait zich uit, de stad zelf wordt een netwerk en breekt als een lichtstraal, de stad zelf rafelt’(58). Dit is een heel beschouwelijk essay, niet echt origineel: Jacques Derrida behandelt een gelijkaardig thema in De l’hospitalité: de hospis is de gast, maar ook de vijand. En Julia Kristeva had het over Etrangers à nous-mêmes. Maar originaliteit is allicht ook niet Nancy’s eerste punt. Hij wil een sterk ethisch geladen beschouwing maken over het omgaan met het/de vreemde. Vooral zijn schrijven vanuit zijn eigen lichamelijke ervaring maakt dit tot een indringend essay. Het blijft echter de vraag wat de politieke implicaties kunnen zijn van zo’n recht doen aan de vreemde. Welke filosoof doet daaromtrent eens een voorstel?

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 56