Log in

Vrije markt goed, overheid slecht

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 38 tot 48

We schrijven het jaar 2003. Bij de dageraad van het derde millennium waart een nieuw spook door de wereld, het spook van de andersglobaliseringsbeweging. In haar kielzog worden de ideologische messen geslepen. Nadat een volumineuze boekenkast over andersglobalisering bijeen werd geschreven door tal van filosofen, economen, sociologen en geëngageerde journalisten, zijn de aanhangers van een al dan niet getemd wereldkapitalisme in een verbeten tegenoffensief gegaan. Bjørn Lomborg, een Deense professor in de statistiek, beet de spits af met The Sceptical Environmentalist (2001), waarin hij stelt dat de ecologische crisis flink wordt overdreven. Als er al milieuproblemen zijn, dan zal de vrije markt die als sneeuw voor de zon doen smelten. Vervolgens pleegde Johan Norberg, een jonge Zweedse historicus, de kaskraker Leve de globalisering (2002). Ook Vlaanderen zond haar zonen uit.

Recent mochten twee nieuwe manuscripten ter verdediging van de onder vuur liggende vrijemarkteconomie het licht zien: Marktzege[n], zes aanklachten tegen het antiglobalisme (2002) van Trends-journalist Johan Van Overtveldt (JO)1 en Het menselijk liberalisme, een antwoord op het antiglobalisme (2002) van Dirk Verhofstadt (DV).2 Toegegeven, de zaken liggen minder antagonistisch dan hier voorgesteld. Er verschenen immers eveneens boeken van figuren die zich ergens tussen de twee kampen bevinden. Zo schreef Joseph Stiglitz, voormalig Chief Economist van de Wereldbank en winnaar van de Nobelprijs economie, het werk Perverse globalisering (2002), waarin hij fel uithaalt naar het wanbestuur van het IMF. Daarnaast verbaasde de topspeculant George Soros vriend en vijand met De crisis van het mondiale kapitalisme (1998). Bovendien kan men ook niet rond de heterogeniteit binnen de verschillende kampen, in die mate zelfs dat andersglobalistische figuren zoals Noreena Hertz en ‘menselijke liberalen’ zoals Dirk Verhofstadt best goed met elkaar kunnen opschieten. In dit stuk nemen we de zeer verscheiden werken van Van Overtveldt en Verhofstadt nader onder de loep en toetsen we hun argumenten aan enkele andersglobalistische stellingen.

Het menselijk liberalisme

Verhofstadt stelt zich tot doel de visies van de ‘antiglobalisten’ door te lichten en aan te tonen dat de echte antwoorden op het ‘antiglobalisme’ te vinden zijn in een menselijke, ethische toepassing van de liberale principes: ‘De antiglobalisten wijzen terecht economische problemen aan, maar ze zien niet dat het liberalisme oplossingen biedt: vrijmaking van handel, afschaffing van protectionistische subsidies, kwijtschelding van schulden, democratisering van internationale instellingen (…) Alleen vrijhandel brengt welvaart, vrijheid en vrede.’ (DV, pp.226-227). Zijn boek is opgebouwd uit een hele resem essays waarin hij het begrip ‘vrijheid’ tegenover andere concepten plaatst (b.v. democratie, economie, eigendom, rechtvaardigheid, etc.). Verhofstadt is een kind van de Verlichting en verdedigt de principes van het liberalisme in de beste traditie van John Stuart Mill en Adam Smith. Op zich zeker niet oninteressant. Wij raden alle VLD’ers aan om dit filosofisch boek ter hand te nemen. Misschien brengt het hen op andere gedachten wat bijvoorbeeld wereldburgerschap, stemrecht voor migranten en ethische vooruitstrevendheid betreft. Helaas toont de dagelijkse realiteit aan dat de theoretische reflecties over de progressieve kant van het liberalisme ons geen stap vooruit helpen, gezien de gapende kloof tussen de theorie en de praktijk van de reëel bestaande wereldeconomie. Daar is er geen level playing field en zeker geen vrije markt in de betekenis die Adam Smith eraan gaf. Integendeel. Het reëel bestaande kapitalisme resulteert in winnaars en verliezers. In de sleutelsectoren van de economie bouwen de elites hun machtsposities verder uit via megafusies, oligopolies, kartels en strategische allianties - terwijl ze in hun dagelijkse retoriek lippendienst bewijzen aan vrijhandel en vrije concurrentie. In de werkelijkheid draait alles om macht en controle. Zelfs Thomas Friedman, columnist van de New York Times, erkende dat de ‘verborgen hand’ van de ‘vrije markt’ niet kan functioneren zonder de ‘verborgen vuist’ van de macht: geen McDonalds zonder het wapentuig van McDonnell Douglas.3 Het is ook de wereld van de TRIPs (Trade Related Intellectual Property Rights) en de GATS (General Agreements on Trade and Services), verdragen die allerminst bekommerd zijn om welvaartsverdeling en ethische principes.

Liberalisme versus neoliberalisme

Verhofstadt noemt zichzelf een echte liberaal en verzet zich tegen om het even welk voorvoegsel bij het woord liberalisme. Zo distantieert hij zich expliciet van het ‘neoliberalisme’ (‘omdat het de banden met het historisch humanisme negeert en dus onvoldoende de humanistische grondslag van het liberalisme beklemtoont’ (DV, p.228) én van illustere politici zoals Ronald Reagan en Margareth Thatcher. Helaas zijn het net deze individuen die hun stempel hebben gezet op het uittekenen van de krijtlijnen van de hedendaagse ongelijke wereldorde. Verhofstadt neemt vervolgens uitdrukkelijk afstand van het ‘libertarisme’ of het ‘ultraliberalisme’ ‘omdat dit het eigenbelang boven de medemens en de samenleving plaatst’ (DV, p.228). Met de verwijzing naar het marktfundamentalisme van de libertariërs van de strekking Robert Nozick en co., komen we meteen terecht bij het boek van Johan Van Overtveldt.

Marktzege[n]

In dit manuscript poogt de auteur zes aanklachten van het ‘antiglobalisme’ te weerleggen, alvorens zelf over te gaan tot een alternatieve agenda, die in wezen bestaat uit meer kapitalisme, meer concurrentie bij ontwikkelingshulp, minder dwang (minder overheidsinmenging) en meer prijssignalen via een ‘marktconform milieubeleid’. In het nawoord houdt Van Overtveldt een pleidooi om ‘de markt het voordeel van de twijfel te gunnen’ (p.148). Van Overtveldt is een ultraliberaal, voor wie de markt per definitie (bijna) altijd werkt, en de overheid (bijna) altijd faalt. De liberaal Verhofstadt stelt het ultraliberale gedachtegoed als volgt voor: ‘Libertariërs verengen het liberale rechtvaardigheidsprincipe tot rechtmatigheid. Ze vinden dat de overheid op geen enkele manier het eigendomsrecht en het vrije contract tussen personen mag aantasten. Ze pleiten voor een minimale staat die enkel moet instaan voor de bescherming tegen geweld, diefstal en bedrog en voor de naleving van contracten en eigendomsrechten’ (DV, p.147). Anderzijds is Van Overtveldt in zekere zin wel eerlijker wanneer hij spreekt over het potentieel ethische aspect van een vrijemarkteconomie. Ten aanzien van het concept ‘ethisch globalisme’ dat tal van sociaalliberalen verdedigen, stelt Van Overtveldt het iets minder ambigu: ‘Met het grootste respect voor ethische waarden, kanten wij ons visceraal tegen deze [ethische] visie op het ondernemingsgebeuren. Daar waar het elke ondernemer, manager of aandeelhouder uiteraard vrij staat om zulke prioriteiten daadwerkelijk te ondersteunen, zou het een historische vergissing zijn dit soort van doctrine op een of andere manier van bovenaf te willen opleggen’ (JO, pp.129).

Gebrek aan respect

Daar waar Verhofstadt de andersglobalisten met een zeker respect bejegent, opent Van Overtveldt alle libertarische registers om de democratische globaliseringsbeweging voor rotte vis uit te schelden. Voor een linguïst zou het beslist een interessante oefening zijn om Van Overtveldts ‘anti-antiglobalistische’ scheldpartijen te deconstrueren. In Marktzege(n) bestaan er twee types van mensen. Aan de ene kant heb je de ‘gerespecteerde academicus’ (JO, p.55), de ‘nauwgezette onderzoeker’ (p.123) die ‘een serene en realistische visie’ (p.125) heeft, waardoor hij ‘behoorlijk overtuigend’ (p.101) en ‘bijzonder interessant cijfermateriaal’ (p.65) levert. Aan de andere kant van het spectrum zijn er ‘hypochonders’, ‘doemdenkers’ (p.78), ‘die-hard milieupessimisten’ (p.101) die allerlei ‘kreten’ slaken (p.55), ‘milieuheisa’ (p.104) veroorzaken en ‘armageddonboodschappen’ (p.104) de wereld insturen, evenals antiglobalisten die ‘gammele redeneringen’ (p.132) opzetten en ‘nonsensicale cijfers opeenstapelen’ (p.119).

Karikatuur van de beweging

Hoewel de twee auteurs op een totaal verschillende manier over hun tegenstanders spreken, bezondigen beide zich evenwel aan een karikaturaal beeld van de andersglobalisten. Het is ondertussen nochtans duidelijk dat de altermondialisten niet tegen elke vorm van globalisering zijn. Veeleer wensen zij de term globalisering op te eisen om er een inclusieve, democratische, en sociaal-ecologische invulling aan te geven. Niettemin blijven zowel Verhofstadt als Van Overtveldt halsstarrig de term ‘antiglobalisten’ hanteren. Bovendien schijnen zij hun huiswerk om de beweging in kaart te brengen vrij slordig te hebben uitgevoerd. Verhofstadt biedt een kort overzicht van enkele ‘Bijbels’ van de beweging. Het valt op hoe libertair-marxistische boegbeelden zoals Hardt en Negri unfair worden behandeld: ‘In feite propageren zij een nieuwe gewelddadige revolutie (…). Beide auteurs willen dat de individuele vrijheid ondergeschikt wordt gemaakt aan een utopisch wereldbeeld’ (DV, p.201). De door het Zapatisme geïnspireerde Italiaanse anarchisten van de Tute Bianche zouden ageren tegen een ‘teveel aan vrijheid op sociaal, economisch en politiek vlak’ (DV, p.199). Kort samengevat zouden de eisen van de radicalere vleugel in de beweging erop aankomen dat er ‘minder vrije markt, minder vrijheid, meer grenzen, meer belastingen en dus meer overheidsbemoeienis’ moet zijn (DV, p.204). Hallo? De enorme rijkdom van de alternatieven van de beweging wordt hierdoor de facto geridiculiseerd. Verhofstadt geeft wél een positieve beoordeling aan het ethisch globalisme van Noreena Hertz waar hij niet minder dan acht bladzijden over uitweidt (DV, p.204-212). Wellicht heeft dit iets te maken met Hertz’ beruchte uitspraak dat zij niet tegen het kapitalisme is, hoewel ze van oordeel is dat het serieus moet bijgeschaafd worden. Voor Van Overtveldt liggen de zaken nog iets minder gecompliceerd. De andersglobaliseringsbeweging bestaat vooral uit gewelddadige anarchisten en nostalgische marxisten die de vrijemarkteconomie willen vervangen door een dirigistisch en centralistisch geleide wereldplaneconomie, met een centrale rol voor de marxistisch-leninistische partijstaat. Hij omschrijft Negri als het brein achter de terreuracties van de Rode Brigades (hoewel hij van die beschuldiging werd vrijgesproken), terwijl Empire (2001) wordt afgedaan als een “neomarxistisch traktaat over het ‘Amerikaanse imperialisme’” (sic). Dit is bijzonder jammer, vooral wanneer je beseft dat precies in dit boek de auteurs komaf maken met achterhaalde leninistische analyses van imperialisme. Hardt en Negri waarschuwen expliciet voor simplistische vormen van anti-Amerikanisme.4

In het verlengde daarvan, plaatst Van Overtveldt ook de extreemrechtse groepen binnen de andersglobaliseringsbeweging. Eens te meer wijst dit op de noodzaak om een duidelijk onderscheid te maken tussen anti- en andersglobalisme. Extreemrechts en fundamentalisme zijn antiglobalistisch omdat zij zich verzetten tegen elke vorm van globalisering (economische, culturele, politieke, etc.) en zich beroepen op de homogeniserende identiteit van hún natiestaat of hún cultuur. Bedachtzaamheid is hier de boodschap. Naar alle waarschijnlijkheid zullen allerlei reactionaire stromingen de hedendaagse crisis van het wereldkapitalisme trachten aan te wenden om hun regressieve agenda’s te realiseren. We zijn het daarom zeker eens met Verhofstadt wanneer hij stelt dat programma’s gebaseerd op een nationale terugplooi zeer gevaarlijk zijn. Nieuwe democratische handelsregels en internationale verdragen zullen van onontbeerlijk belang zijn in een meer egalitaire wereldorde.

Systemische crisis van het wereldkapitalisme

Nadat de wereldbevolking gedurende meer dan 20 jaar bedolven werd onder de dictaten van de Washington-consensus (liberaliseren, privatiseren en dereguleren), klinkt het ongeloofwaardig nu te moeten horen dat dé oplossing voor de wereldproblemen te vinden is in nog meer van hetzelfde tovermiddel. De stelling van de andersglobalisten - en van economen zoals Stiglitz - luidt immers dat net die neoliberale recepten tot de slabakkende gezondheid van de wereldeconomie hebben geleid. Anno 2003 gaat het wereldkapitalisme gebukt onder een enorme overcapaciteitscrisis, lage winstvoeten en groeicijfers en grote schuldenbergen. Parallel met deze productiecrisis van de wereldeconomie, spreekt Walden Bello over de crisis van de reproductie van het systeem.5 De sociale chaos veroorzaakt door de structurele aanpassingsprogramma’s in Afrika en Latijns-Amerika, de cascade van financiële crises in Mexico, Azië, Brazilië, Rusland en Argentinië, en het Enron-debacle als topje van een ijsberg van massale fraude, hebben het vertrouwen in de theoretische weldaden van de hedendaagse wereldeconomie bij veel mensen doen afkalven. Ook instellingen zoals het IMF, de Wereldbank en de WTO krijgen het steeds harder te verduren. Los van deze systemische sociaaleconomische crisis, gaat de hedendaagse globalisering ons inziens ook gebukt onder een ecologisch, moreel-menselijk en een democratisch deficit. We begrijpen de hoeraverhalen van de believers in de globalisering hoegenaamd niet. Laten we daarom een blik werpen op de argumentatie die Van Overtveldt en Verhofstadt aanvoeren om deze tekortkomingen als mythes voor te stellen.

Is globalisering goed voor de armen?

De altermondialisten zijn het er over eens dat de globalisering heeft geleid tot een tweevoudige dualisering zowel tussen als binnen landen. De Noord-Zuidkloof kan niet langer louter geografisch opgevat worden, maar doorkruist thans alle landen ter wereld. Dit Archipelmodel laat zich kenmerken door rijke landen met verspreide eilandjes van verpaupering en arme landen in het Zuiden met ommuurde bastions van rijkdom. Vooral Van Overtveldt tracht dit alles als een mythe af te doen. De globalisering zou volgens hem leiden tot de afname van de armoede en de toename van de welvaart. Daartoe overdondert hij de lezer met een karrenvracht aan zeer selectief uitgekozen cijfers, statistieken, grafieken en tabellen. Zijn vertoog is grotendeels gestoeld op een bekende studie van twee economen verbonden met de Wereldbank. David Dollar en Aart Kraay meenden in hun paper Growth is good for the poor te hebben ontdekt dat het economische succes van een land recht evenredig is met de mate waarin het deelneemt aan de wereldeconomie.6 Het valt buiten het bestek van dit artikel om op alle details in te gaan. We verwijzen de lezer naar het boek van Francine Mestrum Globalisering en armoede (2002), waarin zij de mythe ontkracht die stelt dat globalisering tot minder armoede leidt. Ook in ons werk ¡Ya Basta! (2002) werd een hoofdstuk aan de mythes van de markt gewijd. We beperken ons hier tot enkele conclusies. In een notendop kunnen we die als volgt samenvatten: het mondialiseringsbeleid heeft de economische groei vertraagd, de sociale vooruitgang gestopt en tal van lokale economieën ontwricht.

Minder groei, meer ongelijkheid, meer armoede

Dé achilleshiel van het (neo)liberale vertoog is dat de keynesiaanse jaren vijftig en zestig wereldwijd tot een veel hogere groei hebben geleid dan de neoliberale jaren tachtig en negentig. Van Overtveldt tracht deze realiteit te verdoezelen door in de desbetreffende tabellen cijfers aan te geven voor de periode 1950-1995 (JO, pp.47, 54) i.p.v. een vergelijking te maken tussen de perioden 1950-1975 en 1975-1995, hetgeen tot heel andere conclusies zou leiden.
Wat de mondiale inkomensongelijkheid betreft, bestaan er acht methoden om die te meten, afhankelijk van de keuze uit telkens drie koppels (Gini-coëfficiënt vs. verhoudingsgetallen tussen bovenste en ondersten decielen van de inkomensladder, marktwisselkoersen vs. koopkrachtpariteiten, gewogen (bevolkings)gemiddelden vs. gewone gemiddelden). Volgens zeven van die acht methoden is er sprake van toenemende ongelijkheid sinds 1975. Slechts één combinatie (Gini-coëfficiënt, gewogen bevolkingsomvang en koopkrachtpariteit) toont geen significante verandering in de mondiale inkomensdistributie, omdat bij deze berekening zeer veel gewicht wordt toegekend aan China. Is het niet ironisch dat men beroep moet doen op het vermeende succes van het ‘semi-communistische’ mensenrechtenparadijs China om de geneugten van de liberalisering aan te tonen?
Hoe ‘nauwgezet’ die studie van Dollar en Kraay is, werd aangetoond door Harvard-econoom Dani Rodrik.7 Hij heeft uitvoerig beschreven hoe de auteurs hun uitkomsten in hun voordeel hebben gemanipuleerd door verschillende basisjaren te gebruiken om veranderingen in tarieven en handelsvolumes te berekenen en door een aantal landen al dan niet bij hun serie ‘globaliseerders’ of ‘niet-globaliseerders’ te zetten. Toen Rodrik de berekeningen van Dollar en Kraay zonder manipulaties opnieuw uitvoerde, vond hij geen bewijs dat de ‘globaliseerders’ betere economische resultaten boeken dan de ‘niet-globaliseerders’. De bewering dat landen die zich meer openstellen voor handel het beter doen wat armoedebestrijding betreft, is eveneens op los zand gebaseerd. Francine Mestrum toont in haar boek aan dat de wereldgemiddelden voor de armoedebestrijding enkel en alleen vanwege de goede cijfers in China lichtjes positief zijn (en dan kan men zich vragen stellen bij de correctheid van de cijfers die door de Chinese overheid worden gegeven). Klassieke economische indicatoren zoals groei- en BNP-cijfers vertonen daarenboven een aantal fundamentele gebreken. Zij maken geen onderscheid tussen totale welvaarsstijging en welvaartsspreiding binnen een bepaald land en zeggen niets over de ecologische schaduwkost vanwege de economische groei. Daarom hebben groene economen meer holistische parameters ingevoerd. Zo geeft de ISEW (Index of Sustainable Economic Welfare) een veel ruimer - minder eurocentrisch beeld - van het concept ‘ontwikkeling’, dat niet alleen rekening houdt met materiële welvaart, maar ook met de verdeling ervan, evenals met het welzijn van de gemeenschap en de haar omringende ecosystemen.

De ondraaglijke zwaarte van het Westerse bestaan

8

Een tweede centrale stelling van de altermondialisten luidt dat de neoliberale globalisering een consumptiegerichte levenswijze naar de hele globe tracht te exporteren, hoewel die volstrekt niet te veralgemenen is. Om dit aan te tonen doet men vaak beroep op wetenschappelijk aanvaarde concepten zoals ‘ecologische voetafdruk’ of ‘milieugebruiksruimte’. De rapporten van het milieuprogramma van de VN (UNEP) stellen het zeer kernachtig: de gemiddelde westerse levenswijze vereist de toe-eigening van de natuurlijke omgeving op andere plaatsen in de wereld om haar onduurzame consumptiepatronen in stand te houden.9 Vandaag overschrijdt de mondiale ecologische voetafdruk de regeneratieve capaciteit van de aarde met 20%. We staan in het rood. Een doorsnee inwoner van de VS laat bovendien een voetafdruk achter die tweemaal zo hoog ligt als die van een EU-sterveling en vijf keer zo groot is als het (duurzame) ‘eerlijke aarde-aandeel’. De gemiddelde westerse ecologische voetafdruk bedraagt meer dan zes keer die van de lageinkomstlanden, wat wijst op een aanzienlijke ecologische schuld. In wetenschappelijke milieukringen (b.v. UNEP) is men zich ervan bewust dat het Noorden zijn milieubeslag met een factor 10 tot 20 moet reduceren, teneinde het Zuiden in staat te stellen een aanvaardbaar welvaartspeil te bereiken, zonder het ecologische draagvlak te overschrijden. De toename van langeafstandsvervoer van grondstoffen, halffabrikaten en afgewerkte producten, als gevolg van de absolute doorbraak van de internationale handel, heeft om evidente redenen de ecologische crisis versterkt. Transport is volgens de VN verantwoordelijk voor één vierde van het wereldwijde energieverbruik. Terzelfdertijd zijn de koolstofemissies veroorzaakt door transport de snelst toenemende component van de energetische voetafdruk. Antropogene emissies van broeikasgassen (waaronder CO2) hebben geresulteerd in globale opwarming en de daarmee gepaard gaande klimaatdestabilisatie, die momenteel vooral voelbaar is in de meest kwetsbare gebieden in het Zuiden. Daarom is volgens klimaatspecialisten een reductie in broeikasgasemissies van 60 tot 80% vereist om deze klimaatdestabilisatie een halt toe te roepen, in tegenstelling tot een schamele 5,2% zoals vooropgesteld door het Kyoto-akkoord. Naast het klimaatprobleem, wijst de VN eveneens op andere crises zoals: tekorten in drinkbaar water wegens overmatige waterconsumptie, verregaande bodemdegradatie, overexploïtatie van visgronden, kritische aantasting van ‘s werelds koraalriffen, irreversibele lucht- en waterverontreiniging, radioactief afval, etc. Voor alle duidelijkheid: deze cijfers en bedenkingen zijn niet afkomstig van geiten-wollen-sokken-milieupessimisten maar van wetenschappelijke milieuinstellingen zoals de UNEP en het IPCC (The International Panel on Climate Change).

Economie en ecologie

Hoewel Verhofstadt geen systematische analyse maakt van de relatie tussen de vrije markt en milieuvervuiling, ontkent hij geenszins de milieuproblemen: ‘Dat de economische groei schade toebrengt aan de biosfeer is duidelijk’ (DV, p.73). Verder juicht hij de beslissing toe dat men de kerncentrales op termijn definitief zal sluiten en houdt hij een pleidooi om Kyoto te doen slagen (p.173), want hij aanvaardt zonder morren de (angstaanjagende) besluiten van het VN-rapport Climat Change 2001, The Scientific Basis.10 Mondiale akkoorden zijn noodzakelijk om grensoverschrijdende milieuproblemen de baas te kunnen, aldus Verhofstadt. Grif geeft hij toe dat de relatie tussen liberalisme en ecologie nooit eenvoudig is geweest, maar dat uiteindelijk ‘de enige manier om economie en ecologie min of meer te harmoniëren een gecontroleerde vrije markt is’ (DV, p.73). Zeker, het staat buiten kijf dat het reëel bestaande communisme tot een huiveringwekkende milieuchaos heeft geleid. Er valt geen heil te verwachten van een dirigistisch geleide wereldplaneconomie. Nochtans blijft het ons een even groot raadsel hoe een consumptiegericht en expansief kapitalistisch systeem te rijmen valt met het verhaal van de ecologische voetafdruk en de eindigheid van de aarde. In dit kader kan men serieuze bedenkingen plaatsen bij het liberale concept van de vrijheid. Gezien de beperkte grootte van de ecologische koek, gaat de vrijheid van de Westerling om onbegrensd te consumeren ten koste van de vrijheid van de arme Zuiderling en de toekomstige generaties. Eindigt de vrijheid niet daar waar de vrijheid van de ander wordt beknot? Ook wat Verhofstadts pleidooi voor mondiale milieuakkoorden betreft, moeten we wijzen op de gapende kloof tussen de harde, afdwingbare WTO-handelsregels en de zachte, niet-afdwingbare Multilateral Environmental Agreements van de VN.

Geen ecologisch deficit?

Daar waar Verhofstadt een gematigde positie inneemt aangaande de milieucrisis, vliegt Van Overtveldt ons inziens uit de bocht. In zijn boek wijdt hij twee hoofdstukken aan de milieukwestie waarin hij zijn gal spuwt op al die ‘aardpessimisten’ en ‘hypochonders’. Zijn opzet is duidelijk: trek een mistgordijn rond de problematiek, gebruik tendentieuze tussenzinnetjes en bedelf de lezer met eindeloos veel cijfers, grafieken en bronnen. Eén passage die werkelijk grenst aan de hilariteit, willen we u niet onthouden: ‘Deze wouden [van het tropische regenwoud] fungeren inderdaad als longen: zij nemen massaal zuurstof op en geven even massaal koolstofdioxide af. Diegenen die zich zo bezorgd tonen over de opwarming van de aarde zouden zich dus sterke voorstanders moeten tonen van een zo snel en intensief mogelijke kap van het regenwoud’(JO, p.115). Helaas is Van Overtveldts vertoog integraal gebaseerd op de ‘behoorlijk overtuigende’ analyses van Bjørn Lomborg. Welnu, beste lezer, Lomborg werd ondertussen in wetenschappelijke (en tevens politiek-onverdachte) tijdschriften zoals Nature, Science, Scientific American in zijn blootje gezet.11 Diverse professoren en ‘specialisten’ uit verscheidene vakgebieden toonden aan hoe hij systematisch verkeerde interpretaties en voorstellingen maakt van allerlei data om de reikwijdte van prangende milieugevaren te onderschatten. Men deed uitvoerig uit de doeken hoe deze ‘wetenschapper’ selectief en onkritisch gebruik maakte van (vaak niet-gereviewde) wetenschappelijke literatuur. Lomborgs boek kwam bovendien in merkwaardige omstandigheden tot stand. Het manuscript werd uitgegeven door het befaamde instituut Cambridge University Press. Hoewel het boek duidelijk handelde over natuurwetenschappen, werd het vreemd genoeg niet gepubliceerd door de sectie Wetenschap, maar wel door de afdeling Sociale Wetenschappen. Blijkbaar waren de reviewers van de sectie Wetenschap pas op de hoogte van het bestaan van het manuscript toen het al te laat was. Vervolgens werd het boek de hemel ingeprezen door neo-liberale denktanks en industriële anti-Kyoto lobbygroepen zoals de Cooler Heads Coalition. Voor hen klonk dit werk als muziek in de oren. Het vormde een ideaal document om aan te tonen dat er helemaal geen nood is aan overheidsreglementering of mondiale milieuakkoorden. Zo is ook Van Overtveldt één van die proponenten die stelt dat we, i.p.v. de Kyoto-akkoorden zonder dralen uit te voeren, die financiële middelen veel beter kunnen spenderen aan maatregelen om onze samenleving aan te passen aan een gewijzigd klimaat. Dit is verbijsterend. De exacte effecten van de klimaatdestabilisatie zijn immers fundamenteel onvoorspelbaar (d.i. les nr. één in de ecologische wetenschap). Zo’n attitude getuigt van een onvoorstelbare hubris én een schrijnende onverantwoordelijkheid ten aanzien van de bevolkingen in het Zuiden, die niét over de middelen beschikken om zich te verdedigen tegen wispelturige klimaatfenomenen.
De klassieke stelling van Lomborg en co. luidt dat alle problemen vanzelf zullen worden opgelost door de inventiviteit van de vrije markt (‘een bruisende bron van dynamische vooruitgang‘ (JO, p.104)). Zij zijn de believers in technologie; technologie als een deus ex machina voor alle problemen. Critici die daarbij opmerkingen maken, worden uitgescholden voor ‘technofoben’ (Mark Eyskens in het voorwoord, JO, p.15).

Technofoob?

De zes aardbollen op de cover van Van Overtveldt’s boek - ongeveer gelijk aan het aantal aardes nodig om 9 miljard mensen te laten leven zoals in het Westen - illustreren op een zeer ironische wijze de miskenning van de vereiste duurzaamheid van een wereldeconomie. Milieutechnologen wijzen op drie basisvoorwaarden voor een duurzame economie: (1) de onttrekking van materiaal en energievormen uit de ecosfeer mag niet sneller gebeuren dan de natuurlijke regeneratiesnelheid ervan, (2) technologieën moeten zo efficiënt mogelijk zijn, en (3) de huidige emissies mogen geen nadelige effecten hebben op het toekomstige draagvlak van de aarde.12 De fysische limiet voor de efficiëntie van een industrieel omzettingsproces is nochtans beperkt. Deze uiterste grens wordt afgebakend door de tweede hoofdwet van de thermodynamica.
Als ecologisten en andersglobalisten zijn we zeer zeker overtuigd van de absolute noodzaak van milieuvriendelijke spitstechnologie. Toch blijft het een volstrekte illusie om te geloven dat via ecologische modernisering alleen, een duurzame samenleving kan opgebouwd worden voor alle zes (of negen) miljard wereldburgers. Eco-efficiëntie schiet immers aan haar doel voorbij en vervalt al snel in contraproductiviteit, als deze niet wordt gecombineerd met sufficiëntie (‘de strategie van het genoeg’). Het blijft de vraag of men een eco-efficiënte economie kan inbedden in een kapitalistisch systeem dat dwangmatig nieuwe producten en behoeften moet genereren om voldoende hoge groei- en winstvoeten te garanderen.

Geen democratisch deficit?

Een derde bekende andersglobalistische stelling beweert dat de globalisering tot een erosie van de democratie leidt. Verhofstadt en Van Overtveldt spreken elkaar tegen in hun antwoord op deze aanklacht. Daar waar Verhofstadt toegeeft dat ‘de geglobaliseerde handel van vandaag meer en meer aan de democratische controle van de bestaande staten ontsnapt’ (DV, p.230), stelt Van Overtveldt dat ‘elk land zijn eigen lot inzake welvaart en welzijn nagenoeg volledig in eigen handen heeft’ (sic) (JO, p.128). Daarnaast is Van Overtveldt het evenmin eens met de stelling die zegt dat de transnationale bedrijven zich gedurende de laatste decennia excessieve macht hebben toegeëigend. Een klassieke methode om deze aardverschuiving te duiden, bestaat in de opstelling van een top-100 van de grootste economieën in de wereld. Volgens de klassieke berekeningsmethode prijken er in die top 51 multinationale ondernemingen en slechts 49 landen. Van Overtveldt wijst (wellicht terecht) op de zwakte van de vergelijking van de omzet van een multinational met het BNP van een natiestaat. Aangezien dit een appelen-en-perenvergelijking is, hanteert Van Overtveldt de herrekende cijfers op basis van de gerealiseerde toegevoegde waarde van een bedrijf. Zo valt het cijfer 51 terug tot (slechts) 37 multinationals. Daarmee meent Van Overtveldt het bewijs geleverd te hebben voor de stelling dat het democratisch deficit een mythe is. Sta ons toe om deze argumentatie als ondermaats te beschouwen.

WTO en democratie

Voor de rest zwijgt Van Overtveldt in alle talen over de manier waarop gewichtige beslissingen inzake ‘vrijhandel’ vandaag tot stand komen en hoe verkozen democratische organen buitenspel worden gezet. In de echte wereld wordt democratische controle en verantwoordelijkheid steeds verder van ons weggedelegeerd. Allerlei ondemocratische of op zijn minst niet-rechtstreeks verkozen supranationale instellingen maken de klassieke vormen van democratie (nationale parlementen en overheden) tandenloos. Zij zijn de gegijzelden van de onmacht van de macht. De globalisering is in essentie een crisis van de representatieve democratie, stelt Naomi Klein niet helemaal onterecht in No Logo (2001). Zo verhinderen de WTO-verdragen dat nationale overheden (zeker in de zwakkere staten) een onafhankelijk beleid kunnen voeren op sociaal, economisch, cultureel en ecologisch vlak. In tegenstelling tot andere mondiale instituties (UNEP, UNDP, UNCTAD, ILO), beschikt de WTO over de wettelijke en juridische macht de wetten en het beleid van staten aan te vallen wanneer die ‘handelsbelemmerend’ zouden werken. Met vrijhandel heeft dit weinig uitstaans. Op één keer na heeft de WTO, telkenmale zij een plaatselijke regel over gezondheid, voedselveiligheid, tewerkstelling of milieureglementering betwistte, het pleit gewonnen. Multinationale ondernemingen kunnen thans als het ware een staat huren (Rent a state) om een handelsconflict te winnen, zoals de bananenoorlog tussen Chiquita (via de VS) en de Europese Unie pijnlijk heeft geïllustreerd.
Bijzonder verontrustend zijn de evoluties in de onderhandelingen in het kader van de GATS-verdragen. Dit is een multilateraal WTO-raamakkoord dat erop gericht is de dienstensector (waaronder de openbare) te liberaliseren en overheidsbarrières op te heffen. Buitenlandse dienstenmultinationals zouden zich daarbij toegang verschaffen tot binnenlandse markten en kunnen daar dezelfde behandeling opeisen als dewelke overheidsbedrijven ontvangen. Na de liberalisering van de handel in goederen, wordt nu de dienstenmarkt toegevoegd aan het jachtgebied van het likkebaardende kapitaal. De Canadese Maude Barlow noemt dit de meest verregaande internationale handelsdialoog ooit ondernomen.13 Is het dan niet bijzonder onrustwekkend dat deze onderhandelingen omzeggens in het volstrekte geheim verlopen, zonder enige transparantie naar de bevolking of zelfs naar de parlementen toe? Vormt dit dan geen democratisch deficit?

De moreel-menselijke verlamming

Volgens vele andersglobalisten is het hedendaagse globaliseringsmodel medeverantwoordelijk voor een verregaande moreel-menselijke ontworteling. In de neoliberale wereldorde verworden (koopkrachtige) burgers tot consumenten, medemensen tot tegen-mensen. De onderwerping van alle aspecten van het leven aan het winstprincipe werkt verlammend op iedereen. De zogenaamde winnaars van de globalisering ontsnappen daar evenmin aan. Net zoals de wegwerpinterims worden de hooggeschoolden met royaal betaalde jobs geconfronteerd met een loodzware prestatiedruk en een chronische onzekerheid over wat de toekomst zal bieden. De steeds toenemende stress, de moordende rat race van het dagelijkse bestaan, de algemene prestatiedruk en de daarmee verbonden faalangst, evenals de sluimerende agressiviteit in onze maatschappij stimuleren een soort psychosociale neerwaartse spiraal. Allerlei rolmodellen en schoonheidsidealen, opgedrongen door agressieve marketingstrategieën en de benevelende sirenenzang van het consumentisme, zorgen voor een sociaal slagveld, zoals ook Verhofstadt schuchter toegeeft (DV, p.68-69). Wat een verschil met Van Overtveldts boek, hetgeen zich laat kenmerken door een ondraaglijk luide stilte omtrent de psychosociale ravages die onze hedonistische consumptiemaatschappij aanricht. Wij vragen ons af hoe een verdere opmars van de koopmanslogica een bijdrage kan leveren aan een meer gelukkige, onthaaste wereld.

Slot

De hoop op een andere, meer egalitaire wereld kan ons inziens niet langer uitgedrukt worden in de klassieke schema’s, niet in die van het communisme, niet in die van het kapitalisme, maar evenmin in die van het keynesianisme. We moeten afstappen van de verstikkende fixatie op economische groei. Daarom hebben we nood aan postkapitalistische visies die de verschillende deficits van de huidige globalisering tegelijkertijd kunnen aanpakken.14 De geschiedenis leert ons wijze lessen. Het socialisme heeft aangetoond dat vrijheid zonder gelijkheid tot privileges en onrecht leidt. Het anarchisme en, waarom niet, het menselijk liberalisme hebben ons geleerd dat gelijkheid zonder vrijheid uitmondt in slavernij en brutaliteit. De gevaren verbonden met een naïef vooruitgangsgeloof werden ontmaskerd door de filosofen van de Frankfurter Schüle. Postmoderne en feministische analyses hebben benadrukt hoe macht diffuus aanwezig is. Daarom veronderstelt emancipatie een continue strijd tegen diverse machtsongelijkheden in alle sferen van het maatschappelijke leven. Het ecologisme heeft er op gewezen dat de strijd voor de vrijheid, gelijkheid en zusterlijkheid niet ten koste kan gaan van de integriteit van de natuurlijke ecosystemen waar wij, op de keper beschouwd, zelf slechts een onderdeel van zijn. We hebben daarom nood aan nieuwe ontwikkelingsparadigma’s, aan nieuwe definities voor welvaart, welzijn en geluk. Anno 2003 bestaan er geen pasklare blauwdrukken voor een dergelijk postkapitalistisch Groot Verhaal. Het zal noodzakelijkerwijs een collectieve opdracht zijn om hieraan te werken.15 Roger Jacobs slaat de spijker op de kop wanneer hij stelt dat dit nieuwe verhaal geen wetenschappelijke pretenties mag hebben. Het moet een verhaal zijn dat dissensus toelaat en zo als motor kan fungeren voor een voortdurende, gepassioneerde dialoog.16 Dirk Verhofstadt nodigen wij daartoe graag uit.

Peter Tom Jones
Burgerlijk ingenieur Milieukunde, Doctor in de Materiaalkunde
Postdoctoraal onderzoeker KU Leuven
co-auteur ¡Ya Basta! Globalisering van onderop

Noten
1/ Johan Van Overtveldt, Marktzege[n], zes aanklachten tegen het antiglobalisme, Kapellen, 2002.
2/ Dirk Verhofstadt, Het menselijk liberalisme. Een antwoord op het antiglobalisme, Antwerpen/ Amsterdam, 2002.
3/ Thomas Friedman, The Lexus and the Olive Tree, New York, 1999.
4/ Peter Tom Jones, ‘De handbijbels van de ‘Seattle-beweging’, Samenleving en politiek, Jg. 8, Nr. 9, pp. 50-56, 2001. Zie ook Dieter Lesage, ‘Manifest van het antikapitalistisch verzet’, Yang, Nr. 1, April 2002, pp. 71-80
5/ Walden Bello, ‘Boom and the bubble captures dynamic of global economic crisis’, Focus on Trade, Nr. 83, december 2002.
6/ David Dollar en Aart Kraay, ‘Growth is good for the poor’, Development Research Group of the World Bank, Washington, 2000.
7/ Dani Rodrik, ‘The New Global Economy and Developing Countries: Making Openness Work’, ODC Policy, Essay 24, John Hopkins University Press, Washington, 1999. Voor een ruimere analyse, zie ook Robert Went, The Enigma of Globalization, Londen, 2002.
8/ Zie ook Peter Tom Jones, ‘De entropische wereldorde: De ondraaglijke zwaarte van het westerse bestaan’, Vlaams Marxistisch Tijdschrift, Jg. 36, Nr. 3, 2002, pp. 90-99.
9/ Zie de rapporten van de UNEP (Global Environmental Outlook-2002 en GEO-3). Downloadbaar op www.unep.org.
10/ Rapport van de VN : ‘Climate Change 2001, The Scientific Basis’, Cambridge University Press, juli 2001.
11/ Zie o.a. Stuart Pimm en Jeff Harvey, ‘No need to worry about the future’, Nature, Vol. 414, 8/11/2001; Michael Grubb, ‘Relying on manna from heaven’, Science, Vol. 294, 9/11/2001; Stephen Shneider, John Holdren, John Bongaarts en Thomas Lovejoy, ‘Misleading math about the earth, science defends itself against the Sceptical Environmentalist’, Scientific American, Januari 2002. Voor een overzicht van het wetenschappelijke bewijsmateriaal tegen Lomborgs dwaalleer kan je ook terecht op www.anti-lomborg.com.
12/ Voor een technische paper over duurzame ontwikkeling, zie Jo Dewulf en Herman Van Langenhove, ‘Concrete duurzame technologie’, Het Ingenieursblad, Nr. 3, 2001, pp. 42-51.
13/ Maude Barlow, ‘Een inleiding tot de GATS’, Heet van de Naald, 19/3/2002 (zie http://archive.indymedia.be/news/2002/03/19690.html).
14/ Walden Bello houdt een pleidooi voor economische deglobalisering en politieke globalisering via concepten zoals subsidiariteit, voor een kort overzicht zie: Peter Tom Jones, ‘Handel, handel en nog eens handel, Een kritische analyse van Oxfams handelscampagne’, Oikos, Nr. 4, Herfst 2002, pp.25-35.
15/ Een bescheiden aanzet daartoe werd ondernomen in het hoofdstuk ‘Wat te doen in postmoderne tijden’ in ons boek ¡Ya Basta! Globalisering van onderop, Academia Press, Gent, 2002, pp.294-331.
16/ Roger Jabobs, ‘Het kapitalisme voorbij (Recensie ¡Ya Basta!)’, Bijlage bij Buiten De Orde, Jg. 13, Nr. 3, 2002, pp. 15-18.

Bibliografie
- Barrez Dirk, De antwoorden van het antiglobalisme, Roeselare, 2001.
- Bello Walden, The Future in Balance: Essays on Globalization and Resistance, Oakland, 2001.
- Desers David, Dumolyn Jan, Jones Peter Tom, ¡Ya Basta! Globalisering van onderop, Gent, 2002.
- Hardt Michael en Negri Antonio, Empire, Harvard, 2001.
- Hertz Noreena, The Silent Takeover, Londen, 2001.
- Holloway John, Changing society without taking power, Londen, 2002.
- Klein Naomi, No Logo, Londen, 2001.
- Lomborg Bjørn, The Sceptical environmentalist, Cambridge, 2001.
- Marcos Subcomandante, Our word is our weapon, New York/Londen, 2001.
- Mestrum Francine, Globalisering en armoede, Berchem, 2002.
- Norberg Johan, Leve de globalisering, Antwerpen, 2002.
- Ramonet Ignacio, Géopolitique du chaos, Parijs, 1997.
- Sassen Saskia, Globalisering. Over mobiliteit van geld, mensen en informatie, Amsterdam, 1999.
- Shiva Vandana, Stolen Harvest, Cambridge, Massachusetts, 2000.
- Soros George, De crisis van het mondiale kapitalisme, Amsterdam/Antwerpen, 1998.
- Stiglitz Joseph, Perverse globalisering, Utrecht, 2002
- Van Overtveldt Johan, Marktzege[n], zes aanklachten tegen het antiglobalisme, Kapellen, 2002.
- Verhofstadt Dirk, Het menselijk liberalisme. Een antwoord op het antiglobalisme, Antwerpen/ Amsterdam, 2002.

andersglobalisme - economie - kaptalisme - vrije markt

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 38 tot 48