Abonneer Log in

'Afhankelijkheid zonder dominantie. Over de sociale en politieke filosofie van Philip Pettit'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 55 tot 56

Afhankelijkheid zonder dominantie. Over de sociale en politieke filosofie van Philip Pettit

Xavier Vanmechelen (red.)
Acco, Leuven, 2002

Philip Pettit, van Ierse afkomst, is sinds 1983 één van de drijvende krachten achter de filosofische denktank aan de Research School of Social Sciences van de Australian National University. Hij was als onderzoeker en docent te gast op heel wat plaatsen. Binnenkort verhuist hij naar Princeton University. Pettit zet zijn opvattingen uiteen in een resem artikels, waarin hij naar Angelsaksische gewoonte in discussie gaat of samenwerkt met collega’s filosofen, en in enkele boeken, onder meer Republicanism. A Theory of Freedom and Government van 1997, en A Theory of Freedom. From the Psychology to the Politics of Agency van 2001. Bij ons is Pettit minder bekend. Daarom is het een lovenswaardig initiatief van deze groep onderzoekers, die alle verbonden zijn aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte te Leuven, om met deze bundel aan diens denken meer bekendheid te geven.
Pettit is een theoriebouwer. In het eerste deel van het boek komen twee belangrijke pijlers aan bod, de ontologie en de antropologie.
Karel Maesen bespreekt het programmamodel van causaal verklaren dat Pettit en Frank Jackson samen ontwikkelden. Het model steunt op een gelaagd wereldbeeld waarbij de onderste laag, die beschreven wordt door de fysica, het causale fundament vormt voor de overige.
Xavier Vanmechelen legt uit hoe Pettit het onderscheid maakt tussen denkende en niet-denkende intentionele actoren. Denkers zijn gevoelig voor het onderscheid tussen juist en onjuist, en dit onderscheiden onderstelt het vermogen om een attitude van hogere orde aan te nemen en om regels te volgen. Hij toont ook aan waarom dit getrapte model van het mentale sterker is dan rivaliserende niet-getrapte modellen.
Het tweede deel bespreekt Pettits sociale ontologie en zijn filosofie van de sociale wetenschappen.
Volgens Pettit worden twee kwesties sinds Hegel en de romantici altijd vermengd, maar ten onrechte. Vooreerst is er de discussie tussen atomisten en holisten. Deze discussie gaat er over of intentionele actoren van elkaar afhankelijk zijn om te denken. Op de tweede plaats is er de discussie tussen individualisten en collectivisten. Hun discussie betreft de vraag of de autarkie van intentionele actoren in het gedrang gebracht wordt door sociale structuren en krachten. Pettit komt in The Common Mind (1993) verrassend op voor een holisme zonder collectivisme. Barbara Haverhals argumenteert echter dat beide kwesties minder sterk te scheiden zijn dan Pettit zou willen.
Stefaan Cuypers bespreekt de tweede sociaal-ontologische kwestie en de centrale vraag van de filosofie van de sociale wetenschappen. Pettit’s stelling dat de autarkie van individuen niet in het gedrang gebracht wordt door sociale structuren en krachten, m.a.w. dat zij achter hun rug niet ‘gedomineerd’ worden door sociaal-structurele regelmatigheden, maakt van hem een sociaal individualist, en situeert zijn methodologisch oecumenisme binnen de filosofie van de sociale wetenschappen.
Luc Van Liedekerke werkt Pettits methodologisch oecumenisme uit voor de economische wetenschap.
Eigenlijk kijken we uit naar Pettits politieke filosofie. Deze komt in het laatste deel aan bod.
Xavier Vanmechelen geeft een conceptuele analyse van het vrijheidsbegrip dat volgens Pettit het republicanisme schraagt, namelijk vrijheid als niet-dominantie. Stefan Rummens bespreekt de democratische procedures die niet-dominantie moeten waarborgen. Tenslotte bespreekt Ronald Tinnevelt de consequenties van Pettits republicanisme voor het strafrecht, tegen de achtergrond van de omvattende criminologische theorie die Pettit samen met John Braithwaite ontwikkelde.
Het liberalisme definieert vrijheid als niet-interferentie. Volgens deze opvatting is een individu vrij als andere individuen noch de overheid door hun tussenkomst zijn keuzemogelijkheden beperken. Deze negatieve vrijheid, zoals Isaiah Berlin ze noemde, leidt tot de politieke opvatting van de nachtwakersstaat. Het positieve vrijheidsbegrip daarentegen, vrijheid als meesterschap over zichzelf, wordt door Pettit verwezen naar de private sfeer. De positieve vrijheid als politiek begrip hanteren, wat de communitarians in zijn ogen doen, is overtrokken. De overheid moet er niet voor zorgen dat individuen discursieve controle hebben over hun gedrag, maar alleen dat de discursieve controle van de burgers niet belemmerd wordt door dominerende relaties. Pettit bestempelt zijn eigen vrijheidsbegrip als republikeins. Hij situeert zich daarmee in het spoor van Cicero, Machiavelli, het Engelse en Amerikaanse politiek denken van de 17e-18e eeuw en hedendaagse republicanians als Quentin Skinner, Cass Sunstein en John Braithwaite. Hij definieert vrijheid als niet-dominantie, d.w.z. de afwezigheid van de mogelijkheid (en niet alleen de feitelijkheid) tot willekeurige (en niet om het even welke vorm van) interferentie door andere individuen of door de overheid. De interferentie vanwege de staat impliceert niet per definitie een aantasting van mijn vrijheid, integendeel niet-dominantie kan enkel gerealiseerd worden binnen de politieke gemeenschap van de staat. Voor de afwezigheid van dominantie zijn de individuen afhankelijk van de aanwezigheid van constitutionele voorzieningen en democratische procedures. De onmogelijkheid van willekeurige interferentie wordt gewaarborgd door constitutionele voorzieningen, de onmogelijkheid van willekeurige interferentie wordt bewaakt door democratische procedures (die uiteraard ook verankerd liggen in constitutionele voorzieningen). Door democratische procedures voorzien we dat de staat, die dominerende relaties tussen individuen moet weren, zelf een dominerende instantie wordt, dat het imperium op zijn beurt een vorm van dominium wordt.
Pettit ziet twee grote pijlers in de structuur van een republikeinse staat: de constitutionele pijler, d.w.z. de eis dat de staat in eerste instantie door wetten en niet door machthebbers geregeerd wordt; en de democratische pijler, d.w.z. de eis dat alle beslissingen van de overheid door iedereen betwist kunnen worden. (In zijn recente teksten typeert hij de republikeinse staat als een democratie met twee dimensies: een electorale dimensie en een dimensie van betwisting. De constitutionele pijler wordt dan gereduceerd tot één element binnen een betwistingsdemocratie (contestatory democracy). Zijn centrale gedachte hierbij is dat het niet nodig is dat alle betrokkenen actief instemmen met een bepaalde beslissing, het volstaat dat zij steeds de mogelijkheid hebben om de beslissingen waarvan zij vinden dat ze ingaan tegen hun belangen, te betwisten.
Rummens formuleert m.i. een interessante kritiek op deze betwistingsdemocratie. Zijn bezwaar luidt dat Pettits model onvoldoende ruimte laat voor de actieve participatie van de burger in de besluitvorming, waardoor de legitimatie van die besluitvorming in het gedrang dreigt te komen. Bovendien argumenteert hij dat Pettits democratieopvatting steunt op een individualistisch en wantrouwig mensbeeld.
Rummens pleit daarentegen voor een deliberatieve democratieopvatting. Ook in een deliberatief model is de staat constitutief voor een toestand van niet-dominantie, maar op een andere manier. De staat wordt gezien als een vrije associatie van politieke subjecten die in onderling overleg willen samenwerken om aan hun politieke gemeenschap vorm te geven. Lidmaatschap als burger betekent dan dat je erkend wordt als volwaardige gesprekspartner in het deliberatief proces van besluitvorming. ‘Waar de deliberatieve democratie het gesprek wil institutionaliseren, lijkt Pettits betwistingsdemocratie vaak op een institutionalisering van het wantrouwen.’ (166) Terecht suggereert Rummens dat zo’n deliberatieve democratie een meer optimistische antropologie onderstelt.
Nemen we dan toch maar het risico dat zo’n deliberatieve democratie en optimistische antropologie in de ogen van cynici en Realpolitici naïef overkomt?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 4 (april), pagina 55 tot 56