Log in

De transparantieverplichting voor Belgische pensioenfondsen

Een kritische kijk

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 7 (september), pagina 40 tot 47

De vorige regering besliste in 2001 om de pensioenfondsen van de tweede pijler meer toegankelijk te maken. Naast de verdere democratisering van de tweede pijler voorziet die wet ook een ethische, ecologische en sociale transparantieverplichting voor pensioenfondsen. Wat betekent dit? Wat is de doelstelling? Welke effecten kan de overheid verwachten? Wat zijn de sterke en zwakke punten ervan?

Het wetsontwerp aanvullende pensioen van de toenmalige sp.a-Minister van Sociale Zaken en Pensioenen Frank Vandenbroucke werd op 3 april 2003 goedgekeurd. Het plan kaderde in het sociaal pensioenplan om de tweede pijler verder te democratiseren. Maar het aspect van de transparantieverplichting van dit sociaal pensioenplan is minder bekend. Het houdt eigenlijk in dat beheerders van pensioenfondsen voortaan jaarlijks een verslag moeten opmaken waarin zij uitleggen in welke mate zij rekening hebben gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten bij de beleggingsstrategie. Dit jaarverslag dat een openbaar document is, moet normaliter aan de inrichter (werkgever of paritair comité) worden ter beschikking gesteld en kan worden opgevraagd door alle werknemers die pensioenrechten opbouwen. De wetgever formuleerde het als volgt in artikel 41. ‘De pensioeninstelling of de in de collectieve arbeidsovereenkomst of het pensioenreglement aangeduide persoon stelt elk jaar een verslag op over het beheer van de pensioentoezegging. (…). Het verslag moet informatie over de volgende elementen bevatten: 1° de wijze van financiering van de pensioentoezegging en de structurele wijzigingen in die financiering; 2° de beleggingsstrategie op lange en korte termijn en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten; (…).’ De Belgische wet kan het best omschreven worden als een transparantieverplichting. Pensioenfondsen worden verplicht openbaar te maken of ze rekening houden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten. Maar het is geen verplichting om duurzaam, ethisch of sociaal verantwoord (‘Socially Responsibe Investing’ (SRI)) te beleggen. De kerngedachte is in feite zeer eenvoudig: door pensioenfondsen te verplichten een standpunt in te nemen (hetzij voor, hetzij tegen), ze trachten te overtuigen duurzaam te beleggen om zo, via financiële markten, een duurzamere economie te creëren.

De Europese dimensie

Toch is de Belgische wet niet zo uniek vanuit een Europees perspectief. Ook in andere landen werden vergelijkbare wetten uitgewerkt. België behoort evenwel samen met deze landen, tot de pioniers in de Europese Unie. Het Verenigd Koninkrijk zette de trend in. Op 3 juli 2000 werd in het parlement een wet goedgekeurd die aan alle pensioenfondsen de verplichting oplegt om hun duurzaam beleggingsbeleid openbaar te maken. De wetgeving opgenomen onder de Pensions Act 1995 stipuleert: ‘ … the extent (if at all) to which social, environmental or ethical considerations are taken into account in the selection, retention and realisation of investments; and the policy (if any) directing the exercise of the rights (including the voting rights) attached to investments’. De draagwijdte van deze tekst is tweevoudig en gaat verder dan in België. Enerzijds moeten pensioenfondsen (net als in België) openbaar maken in welke mate rekening wordt gehouden met ethische, sociale en ecologische principes tijdens het beleggingsproces. Anderzijds moeten ze (en dit is nieuw in vergelijking met België) ook openbaar maken of ze gebruik maken van de stemrechten verbonden aan hun aandelen om, via dialoog, bedrijven tot een meer duurzame bedrijfsvoering te stimuleren. Dit laatste is ook gekend als actief aandeelhouderschap.

Ook in andere Europese landen werden vergelijkbare overheidsinitiatieven genomen. Deze leunen dichter aan bij de Belgische dan bij de Britse wetgeving. In januari 2000 besliste het Duitse parlement dat nieuw opgerichte pensioenfondsen openbaar moeten maken in welke mate de principes van duurzaam beleggen geïntegreerd worden.1 De regeling wijkt slechts op één punt af van de Belgische: enkel wanneer tegemoet wordt gekomen aan deze transparantieplicht, geven de gestorte bijdragen recht op een belastingvermindering. De wet werd van kracht in januari 2002. Ook in Frankrijk werd in februari 2001 een amendement toegevoegd aan de Code Monétaire et Financier. Het amendement is qua omvang vergelijkbaar met het Britse voorstel. Het pensioenfonds moet duidelijk maken of er rekening wordt gehouden met sociale, ethische en ecologische overwegingen en, of met deze principes ook rekening wordt gehouden bij de uitoefening van de (stem)rechten verbonden aan het aandeelhouderschap.2

Welke impact kan de overheid verwachten?

De vraag is welke impact we in België kunnen verwachten van deze transparantieverplichting. Vermits de Belgische regelgeving nog recent is en wetenschappelijk onderzoek nog maar in de aanloopfase kan zitten, is het moeilijk een uitspraak te doen. Dit betekent niet dat er totaal geen indicatie kan worden verstrekt. In het Verenigd Koninkrijk bestaat de regelgeving al langer en zijn ook de eerste resultaten bekend. De verschillende studies wijzen op zeven verschillende gevolgen.

Ten eerste zijn pensioenfondsen niet ongevoelig voor deze materie. Een studie van UKSIF (UK Social Investment Forum) toont dit aan. Deze studie werd in 2000 uitgevoerd bij de 500 grootste Britse pensioenfondsen en 97 lokale overheidspensioenfondsen met een totaal vermogen van 302 miljard pond (of 66% van de totale Britse activawaarde van de pensioenfondsen) en 6,4 miljoen aangesloten leden. UKSIF toonde aan dat 59% van de pensioenfondsen ethical and socially responsible investment of SRI-principes integreerde. Slechts 14% van de fondsen (of 4% van het beheerd vermogen) stelde expliciet er geen rekening mee te houden. Een studie van Friends of the Earth in het najaar van 2000 bij de 100 grootste pensioenfondsen (gemeten op basis van activa onder beheer en een totaal vermogen van 388 miljard pond), toonde aan dat dit percentage van ‘voorstanders’ reeds was gestegen tot 86%. Beide studies beklemtonen evenwel dat de beslissing om de criteria te bepalen, overgelaten wordt aan de fondsbeheerder en niet door het pensioenfonds zelf wordt ingevuld of slechts heel vaag.
Ten tweede is actief aandeelhouderschap minder evident. De UKSIF-studie toonde aan dat actief aandeelhouderschap slechts bij 39% van de pensioenfondsen een essentieel kenmerk was van het investeringsbeleid. Ook de studie van Friends of the Earth bevestigde dit.Volgens dit onderzoek engageerde slechts 50% van de pensioenfondsen zich tot actief aandeelhouderschap. Dit is een relatief bescheiden impact.
Ten derde kan de overheid ook grote verschillen verwachten in de kwaliteit van de ethische, sociale en ecologische principes. Dit toont de UKSIF-studie duidelijk aan. De SRI-principes varieerden van één zin tot twee bladzijden. Sommige blonken uit door hun oog voor detail, nuance en transparantie terwijl andere verklaringen maximaal scoorden op het vlak van onduidelijkheid en gebrek aan transparantie. De onderzoekers wezen dit toe aan de beperkte expertise bij de pensioenfondsen en de periode waarin de studie plaatsvond (d.w.z. juni - juli 2000, net na de invoering van de wet).

Ten vierde kan een grote discrepantie verwacht worden tussen grote en kleine pensioenfondsen. De studie van Friends of the Earth toonde aan dat grote fondsen meer geneigd zijn tot implementatie van SRI-principes dan kleine pensioenfondsen. Dit wordt bevestigd door een studie van ERM (Environmental Resources Management) (2000) uitgevoerd in mei 2000 bij de 25 grootste Britse pensioenfondsen. De verklaringen hiervoor zijn tweevoudig. Enerzijds hebben grotere pensioenfondsen meer middelen ter beschikking dan kleinere pensioenfondsen om de kosten van een duurzaamheidonderzoek te dragen. Ten tweede voeren grote ondernemingen meestal zelf een duurzaam beleid wat ook tot uiting komt in het pensioenfonds. Het pensioenfonds is hierdoor een logische verderzetting van een duurzaam bedrijfsmanagement.
Ten vijfde bracht de UKSIF-studie een groot verschil aan het licht tussen pensioenfondsen van ondernemingen en lokale overheden. Fondsen van ondernemingen besteden de invulling van de SRI-principes eerder uit aan de fondsbeheerder. Het is in dit geval de fondsbeheerder die de principes mag bepalen en uitwerken. Lokale overheidspensioenfondsen daarentegen zetten de SRI-principes meestal zelf op papier om daarna op zoek te gaan naar een fondsbeheerder die aan deze eisen tegemoet kan komen. Een tweede verschil tussen bedrijfs- en overheidsfondsen situeert zich op het vlak van actief aandeelhouderschap. Ruim 71% van de lokale overheden gebruikt de actieve dialoog met bedrijven om tot meer duurzaamheid te komen, terwijl dit bij de bedrijfspensioenfondsen slechts 23% is. De studie van Friends of the Earth wees ter verklaring hiervoor naar de verkiezingen. Omdat lokale volksvertegenwoordigers verkozen moeten worden, zijn ze gevoeliger voor deze thematiek en staan ze meer open voor een publieke discussie.
Ten zesde kan de uitwerking van de transparantieverplichting stuiten op praktische bezwaren. Dit wordt aangetoond door de studie van Coles en Green (2002) bij 14 pensioenfondsen met een totale waarde van 140 miljard pond. De auteurs stellen dat de fondsmanagers vaak niet over de nodige knowhow beschikken om ondernemingen te beoordelen op hun ‘sociale, ethische en ecologische waarde’. De auteurs stellen dat 12% van de fondsbeheerders geen speciale procedure heeft uitgewerkt of personeel in dienst genomen. Ze stellen bovendien dat in 37% van de gevallen het ‘duurzaamheidonderzoek’ plaatsvindt door een niet-gespecialiseerd team.

Tot slot zullen er ook controleproblemen ontstaan voor pensioenfondsen. De studie van Friends of the Earth toonde aan dat het voor pensioenfondsen zeer moeilijk is uit te maken of aandeel A ook voldoet aan de sociale, ethische of ecologische eisen. Ze zijn volledig afhankelijk van de informatie verstrekt door de fondsbeheerder. Minder dan 33% van de pensioenfondsen voert een transparant beleid in de opvolging van ondernemingen in portefeuille. De pensioenfondsen schieten ook te kort - en dat is contradictorisch - in de communicatie naar hun leden toe. Coles en Green (2002) beklemtonen dat slechts een beperkt aantal pensioenfondsen duidelijk de SRI-principes communiceert naar haar leden. Ook de informatie over dit onderwerp op de websites hinkt achterop.

Argumenten voor de overheid

Een belangrijke vraag in de hele problematiek is op basis van welke argumenten de overheid deze wet kan rechtvaardigen. Misschien kunnen we beginnen met de ‘bewijslast’ om te keren en kijken naar de waarde van de argumenten die aangehaald worden tegen deze transparantieverplichting.

Criticasters hebben ongelijk

Er zijn weinig tegenargumenten die de wetenschappelijke toetssteen doorstaan. Een van de meest gehoorde argumenten tegen duurzame pensioenprincipes, is dat dit kan leiden tot problemen op het vlak van portfoliomanagement. Het idee is het volgende: door duurzaamheid te integreren verkleint het investeringsuniversum of de lijst van potentiële investeringsdoelwitten. Het gevolg hiervan is dat een pensioenfonds niet kan zorgen voor een voldoende gespreide portefeuille waardoor het risico hoger zou zijn. In een adem wordt dan ook vaak geargumenteerd dat ook het rendement hieronder zou leiden. Deze argumenten zijn wetenschappelijk incorrect. Een eigen recente studie (Benijts e.a. (2002)) toonde aan, na onderzoek van 25 ethische beleggingsfondsen en 124 niet-ethische vergelijkbare fondsen, dat er geen statistisch significant verschil bestaat op het vlak van het verwacht rendement en het neerwaarts risico. Ook de beheersstrategie van een fonds (variërend van een zeer passieve buy & hold-strategie tot een zeer actieve strategie) heeft geen invloed op het fondsrendement en risicoprofiel. Of anders geformuleerd: binnen duurzame portefeuilles kunnen zowel actieve en passieve strategieën gebruikt worden zonder dat het ten koste gaat van een lager rendement of hoger risico. Deze resultaten liggen in de lijn van internationale onderzoeken (Statman (2000), Cummings (2000) en Bauer e.a. (2002)).

Een tweede vaak gebruikt argument is dat van de onverenigbaarheid van doelen. Opponenten schermen met het klassieke argument dat het doel met de verkeerde middelen wordt nagestreefd: een duurzamere economie nastreven is prima, alleen is een pensioenfonds daartoe niet het meest geschikte middel. Ook dit argument houdt moeilijk stand. Een eerste tegenargument vinden we in de toekomsthorizon van beide: zowel een duurzame maatschappij als een gezonde pensioenpijler zijn langetermijndoelstellingen en perfect verzoenbaar. Beheerders hebben er baat bij alle risico’s van een onderneming (en dus niet alleen de financiële maar ook ecologische en sociale) te kennen om op deze manier een verantwoorde investering op lange termijn te kunnen uitvoeren. Duurzaam is een in essentie langetermijnvisie die perfect aansluit bij de pensioenvorming. Een tweede tegenargument - maar eerder een retorische vraag - is in hoeverre de overheid het kan tolereren fiscale cadeaus te geven aan pensioenfondsen zonder de minste garantie te eisen over een duurzame besteding van de middelen.

Een derde tegenargument is dat de regeling niet tegemoet komt aan de vraag van de pensioenspaarders zelf. Ook dit klopt niet. Een studie uit 2000 van Friends Ivory & Sime toonde aan dat in het Verenigd Koninkrijk 75% van de pensioenbetalers vindt dat pensioenfondsen gebruikt mogen worden om ondernemingen tot meer duurzaamheid aan te zetten. Bovendien vinden de Britse pensioenbetalers dat het opbouwen van een pensioen niet ten koste mag gaan van anderen. Voor 30% mag dit bovendien ten koste gaan van het rendement. Slechts 32% steunt de stelling dat aanvullende pensioenen enkel rekening moeten houden met het rendement. Het is duidelijk dat het voor pensioenbetalers, zonder de steun van de overheid, bijzonder moeilijk zou zijn fondsbeheerders te overhalen om, conform hun wens, bedrijven aan te zetten tot meer duurzaamheid.

Een vierde argument tegen deze transparantieverplichting is dat pensioenfondsen een dergelijke regeling niet nodig hebben om duurzaam te beleggen. Indien pensioenfondsen dit wensen te doen, kunnen ze dat ook zonder overheidsinterventie, zo luidt de kritiek. In dit verband wordt er door tegenstanders vaak verwezen naar Nederland, waar vooralsnog geen transparantieverplichting bestaat, maar waar grote Nederlandse pensioenfondsen op eigen initiatief zijn overgaan tot pilootprojecten rond ethisch, ecologisch en sociaal beleggen. Een interessante casestudy is ABP, het bedrijfstakpensioenfonds voor de werkgevers en -nemers van de overheid en onderwijs. Met 2,4 miljoen aangeslotenen en een totaal vermogen van 135,5 miljard euro, behoort het tot de vijf grootste pensioenfondsen in de wereld. ABP implementeerde SRI-principes in de zomer van 2001. Dit was het rechtstreeks gevolg van onverantwoord gedrag van vooraanstaande Nederlandse bedrijven: de plannen van Shell om het olieboorplatform Brent Spar in zee te dumpen, de onduidelijke financiering van ABN Amro van de kopermijnen in Indonesië en de onzekere houding van IHC Caland en biergigant Heiniken m.b.t. Birma. In de zomer van 2001 startte ABP met twee experimentele aandelenportefeuilles. De eerste focuste zich op Noord-Amerika en de tweede portefeuille op Europa. Beide fondsen startten met een portefeuillewaarde van 100 miljoen euro. De doelstelling was d.m.v. kleinschalige portefeuilles de impact van SRI-principes te leren begrijpen op zowel het portefeuillebeheer, de assetallocatie en de combinatie return en risico. Dit voorbeeld wordt door de tegenstanders vaak herhaald om het nut van een overheidsregulering in vraag te stellen. Ook zonder de overheid gaan pensioenfondsen over tot duurzaam beleggen, zo luidt het. Toch gaat dit niet volledig op. Zonder afbreuk te doen aan het ABP-verhaal, blijft het een beperkt initiatief zowel naar portefeuillegrootte als naar pensioenfondsen die het voorbeeld volgen. Dankzij overheidsregulering is het mogelijk zowel grote als kleine pensioenfondsen tot duurzaamheid te bewegen alsook grotere volumes aan te spreken.

Een laatste tegenargument is dat er in België, net zoals in het Verenigd Koninkrijk, onvoldoende expertise bestaat bij fondsbeheerders om het duurzaam karakter van ondernemingen te beoordelen. Ook deze vlieger gaat niet op. Ten eerste is de Belgische markt niet te vergelijken met de Britse. In België bestaat reeds sinds 1992 de knowhow om duurzaamheidonderzoek uit te voeren (via het onderzoeksbureau Ethibel). Bovendien kunnen Belgische fondsbeheerders de informatie aankopen bij andere Europese onafhankelijke toeleveranciers en zijn een aantal financiële instellingen gestart met intern duurzaamheidonderzoek (b.v. KBC). Ten tweede verplicht de wetgeving niet om de hele portefeuille onmiddellijk op een dergelijke manier te beheren. De wetgeving laat de mogelijkheid toe om eerst op beperkte schaal ervaring op te bouwen om dit vervolgens op de volledige portefeuille toe te passen. Een interessant voorbeeld is dat van het Nederlandse PGGM.
PGGM is het pensioenfonds voor de Nederlandse zorg- en welzijnswerkers en beheert een vermogen van 50,9 miljard euro. Het duurzaamheidbeleid van PGGM is gebaseerd op drie principes. Een eerste principe is dat er niet geïnvesteerd wordt in landen en sectoren die betrokken zijn bij wapenproductie of -handel. Ook wanneer de mensenrechten worden geschonden, komt het land, de sector of het bedrijf niet in aanmerking. Zo zal PGGM niet beleggen in landen, die als gevolg van schending van mensenrechten, getroffen worden door een boycot of zware economische sancties, opgelegd door de internationale gemeenschap, de Verenigde Naties, de Internationale Arbeidsorganisatie ILO of de Europese Unie. Ten tweede kiest PGGM resoluut voor een positieve invulling van het concept van duurzaamheid en dit door middel van een ‘best-in-class’- benadering. In deze methode worden per sector de ondernemingen gescreend op duurzaamheid. Ondernemingen die bovengemiddeld scoren, komen in aanmerking voor het beleggingsuniversum. Om dit concreet te kunnen realiseren bouwde PGGM twee portefeuilles op die beheerd worden door twee verschillende assetmanagers: SNS (Nederland) en Sarasin (Zwitserland). Een derde pijler is deze van het engagement. Hiertoe doet het fonds beroep op de diensten van de Britse vermogensbeheerder Isis Asset Management. Deze gaat in het engagementprogramma de dialoog aan met ondernemingen, waarin PGGM belegt. Zo wordt een actief en positief beleid op het gebied van mensenrechten, milieu en sociaal beleid bevorderd.

Criticasters hebben (misschien) gelijk!

Hebben de tegenstanders dan geen enkel valabel argument in handen? Toch wel, al is deze denkpiste - voorlopig althans - wetenschappelijk nog niet hard te maken. Een belangrijke kritiek schuilt op het vlak van de additionaliteit van de regelgeving. Met andere woorden, welke nieuwe effecten worden er gecreëerd die er zonder de regelgeving, niet zouden zijn geweest? Of om het met de woorden van de advocaat van de duivel te stellen: hadden deze effecten zich ook niet gemanifesteerd zonder deze regulering? Ook een studie van het Wolfsberg Institute in opdracht van het UK National Association of Pension Funds bevestigt dit. Volgens deze studie is de enige impact van de regelgeving afkomstig van de 4% pensioenfondsen die duidelijk maakten geen rekening te houden met deze principes. De andere 96%, zo stelde het onderzoek, had wel duurzaam-ethische principes geïntegreerd maar deze waren zo vaag dat ze in werkelijkheid waardeloos blijken te zijn.

Nadelen van de transparantieverplichting

Welke voordelen en nadelen zijn verbonden aan deze transparantieverplichting? We kunnen drie nadelen onderscheiden. Ten eerste is er in de wetgeving geen garantie tot duurzaamheid ingebouwd. De wetgeving voorziet enkel in het openbaar maken van de principes. Theoretisch gezien is het mogelijk dat alle pensioenfondsen stellen er geen rekening mee te houden. In realiteit lijkt dit eerder onrealistisch, zeker voor de paritair samengestelde pensioenfondsen. Ten tweede verhindert de huidige wet de overheid om beleid- of domeinaccenten te leggen. De overheid kan bijvoorbeeld pensioenfondsen niet verplichten te investeren in overheidsobligaties van ontwikkelingslanden of kleinere beursgenoteerde ondernemingen. Deze beslissing komt nog altijd toe aan de fondsbeheerder. Een derde nadeel is dat het voor de overheid onmogelijk is haar visie van wat duurzaam is, door te drukken. De wetgeving bepaalt niet hoe het concept ‘duurzaam’ moet worden toegepast. Hierdoor laat de overheid indirect verschillende visies van ‘duurzaam of ethisch’ toe. En dat deze visies bestaan, is overduidelijk wanneer we kijken naar de vergelijkbare markt van de Belgische duurzame beleggingsfondsen. Ook op deze markt bestaat er niet iets zoals ‘het duurzaamheidconcept’. Fondsbeheerders maken om het duurzaamheidkarakter te bepalen, gebruik van onafhankelijke duurzaamheidonderzoeksbureaus of een intern (al dan niet onafhankelijk) team van duurzaamheidanalisten. Een analyse uitgevoerd door van den Brink (2002) toonde aan dat er 29 verschillende bureaus op de markt actief zijn met elk een eigen (en volgens hen ook hét) concept van duurzaamheid. Indien de overheid pensioenfondsen zou verplichten duurzaam te beleggen, zou dit ook betekenen dat een keuze moet worden gemaakt over welk concept het beste is. Onrechtstreeks betekent dit dat de overheid moet verduidelijken wat ze onder ‘ethisch’ of ‘duurzaam verantwoord’ verstaat. Een huzarenstukje zonder meer!

Voordelen van de transparantieverplichting

In feite is dit laatste nadeel ook één van de sterke punten van het voorstel. Door de fondsen niet te verplichten te beleggen maar ze enkel te dwingen tot transparantie, vermijdt de overheid de netelige discussie over de inhoud van ‘duurzaam’ en ‘ethisch’. De overheid laat hierdoor toe dat gebruik wordt gemaakt van knowhow aanwezig bij privé-initiatieven. De overheid stimuleert op die wijze de discussie over een realistische invulling van het concept ‘duurzaam ondernemen’. Een tweede - en niet onbelangrijk - voordeel is dat deze maatregel … niets kost. De regelgeving tracht de doelstelling van een duurzamere economie op een budgetvriendelijke manier te realiseren. Een derde voordeel is dat een dergelijk Belgisch initiatief kan kaderen in een Europees verhaal. Duurzaamheid stopt immers niet aan de landsgrenzen maar is een mondiaal thema. België kan terzake dan ook een voortrekkersrol en voorbeeldfunctie vervullen in Europa.
Een vierde voordeel is dat een dergelijke maatregel de fondsbeheerders gevoeliger maakt voor meer duurzaamheid via financiële markten. En dat deze interesse is toegenomen, blijkt uit een studie van Deloitte & Touche (2002). Volgens deze studie is 59% van de fondsbeheerders van oordeel dat de interesse voor de problematiek is toegenomen. De meerderheid is zelfs van oordeel dat deze interesse in de toekomst nog zal toenemen. Ook in Nederland is er een toename van de interesse voor de SRI-principes. Een studie van Capital Management Consultants (2000) bij ondernemingspensioenfondsen, verzekeraars, ngo’s, non-profit instellingen en sectorpensioenfondsen, toonde aan dat 70% interesse heeft voor duurzaam beleggen of er reeds mee bezig is.
Een vijfde voordeel is dat deze regeling het begin kan zijn van een meer uitgesproken rol van pensioenfondsen in het streven naar meer duurzaamheid. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld gedragen pensioen- en beleggingsfondsen zich meer als een kritische aandeelhouder. Ook kan deze wetgeving een eerste stap zijn in het stimuleren van een duurzaam beleid via financiële markten. In Australië is men bijvoorbeeld nog een stap verder gegaan. In augustus 2001 werd in het Australische parlement een amendement ingediend op de Financial Services Reform Act. Deze wet regelt de licentievoorwaarden en de informatieverplichting bij het verstrekken van financiële producten en diensten. Het amendement verplicht voor alle beleggingsproducten kenbaar te maken in welke mate rekening wordt gehouden met ethische, sociale en ecologische principes. Belangrijk is dat alle beleggingsproducten worden geviseerd: klassieke beleggingsfondsen, pensioenfondsen, levensverzekeringen gekoppeld aan een beleggingsfonds, … De wet gaat hierdoor verder dan de Europese wetgeving. Een dergelijke regeling voor de Belgische Beveks en Sicafs is er vooralsnog nog niet in de Belgische wetgeving. Misschien een idee voor de nieuwe regering?

De overheid kan ten zesde de wetgeving ook als een eerste stap beschouwen in een meer duurzaam overheidsbeleid. Een schoolvoorbeeld hiervan vinden we in Vlaanderen. In december 2002 besliste de Vlaamse regering om de reserves van de Vlaamse zorgverzekering op een duurzame wijze te beleggen. Hiertoe doet de Vlaamse regering beroep op de Belgische toeleverancier van duurzaamheidinformatie, Ethibel - Stock at stake NV. Voorlopig blijven het nog (naar internationale normen) bescheiden bedragen: 350 miljoen euro zal geïnvesteerd worden in obligaties en (vanaf 1 april 2003) ook 38 miljoen euro in aandelen. Het Vlaamse voorbeeld is zeker geen alleenstaand geval. Integendeel, in Europa experimenteren verschillende overheden volop met de principes van duurzaam beleggen in de besteding van de overheidsmiddelen. Sinds 1 januari 2002 zijn de vijf grootste door de overheid gecontroleerde Zweedse pensioenfondsen verplicht ecologische en ethische criteria te hanteren in hun beleggingsbeleid. In Zwitserland verbindt het socialezekerheidstelsel van de overheid er zich toe 2,5% van de activa te investeren volgens duurzame principes. En in Noorwegen is het door de overheid gecontroleerde petroleumfonds gestart met het toepassen van duurzaamheidprincipes op een beperkt percentage van de activa (van den Brink (2002)).

Besluit

Met de transparantieverplichting voor de pensioenfondsen van de tweede pijler trachtte de paars-groene regering de uitbouw van een duurzamere economie via de financiële markten te versnellen. Het Britse voorbeeld toont aan dat de gevolgen vrij divers kunnen zijn. Niet alleen kan verwacht worden dat pensioenfondsen daadwerkelijk ecologische, sociale en ethische principes zullen integreren, het is verder ook waarschijnlijk dat er veel verschillen zullen zijn in de kwaliteit van de principes. Bovendien zal de reactie ook afhankelijk zijn van de grootte van het fonds en het al dan niet paritair karakter. Het Britse voorbeeld toont ook aan dat er problemen kunnen ontstaan op het gebied van de informatieverstrekking naar de leden toe en de praktische uitwerking van de principes door de fondsbeheerders in de praktijk. Slechts weinig argumenten tegen de verplichting blijven overeind. Het is nog onduidelijk of de regelgeving wel nieuwe effecten zal creëren. Hiervoor is meer diepgaand wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk.

Tim Benijts
Lessius Hogeschool Antwerpen

Noten
1/ De formulering is analoog aan de Britse: ‘Der Anbieter mub auch darüber schriftlich informieren, ob und wie er ethische, soziale und ökologische Belange bei der Verwendung der eingezahlten Beiträge berücksichtigt’.
2/ De Franse overheid besliste ook in mei 2001 dat Franse ondernemingen verplicht zijn om in het jaarverslag de sociale en ecologische impact van de activiteiten te vermelden.

Beknopte bibliografie
- Bauer, R., Koedijk, K. en Otten, R. (2002) International evidence on ethical mutual fund performance and investment style, Working paper universiteit Maastricht, 27 blz.
- Benijts, Tim, Lootens, Tim en Wessa, Patrick (2002) Rendements- en risicoanalyse van Belgische ethische beleggingsfondsen (1992-2002) en het Ethibel aandelenregister, onderzoeksrapport Lessius Hogeschool, Antwerpen, 209 blz.
- Capital Management Consultants (2000) Duurzaam beleggen, 21 blz.
- Coles, David & Green, Duncan (2002) Do UK pension funds invest responsibly? A survey of current practice on socially responsible investment, Just Pensions, London, 14 blz.
- Cummings, L.S; (2000) ‘The financial performance of ethical investment trusts: an australian perspective’, Journal of business ethics, nummer 25, blz. 79-92.
- Deloitte & Touch (2002) Socially responsible investment survey 2002, London, 20 blz.
- Erm (2000) ERM Survey of UK pension funds, London, 4 blz.
- Friends Ivory & Sime (2000) That’s one small step … socially responsible investment and pension funds, Ashridge Centre for Business ans Society.
- Friends of the earth (2000) Top 100 Uk pension funds - How ethical are they?, London , 11 blz.
- Statman M. (2000) ‘Socially responsible mutual funds’, Financial Analyst Journal, mei/juni
- Uksif (2000) Disclosure of UK pension funds to the SRI disclosure regulation, London, 49 blz.
- van den Brink, Timo W.M. (2002) Screening and rating sustainability, Triple P perfomance center, Amsterdam, 180 blz.

pensioen - pensioenfonds - duurzame ontwikkeling - transparantieverplichting

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 7 (september), pagina 40 tot 47