Log in

De toren van Babel

De slappe oppositie tegen Berlusconi

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 49 tot 52

We tellen op dit moment twee belangrijke Westerse regeringen - de Amerikaanse en de Italiaanse - waarin het bedrijfsleven zich behaaglijk heeft genesteld en waarin frappante vormen van belangenvermenging kunnen worden waargenomen. In de VS hebben oliemannen toegang tot de hoogste politieke beleidsniveaus. Italië wordt geregeerd door de rijkste man van het land. Daar is een vorm van politiek leiderschap ontstaan die uniek is in de democratische wereld: de absolute vermenging van politieke en economische macht, in de persoon van Silvio Berlusconi en de medewerkers waarmee hij zijn zakenimperium heeft uitgebouwd. Nergens heeft een kapitalist het zo ver geschopt in de politiek. Een voorbeeld van hoe je met economische macht mediamacht schept en vervolgens de politieke macht in bezit neemt.

Het is waar dat de salonsocialist Bettino Craxi, in de jaren tachtig en in ruil voor een goed gespijsde partijkas, Berlusconi aan zijn mediamacht heeft geholpen. Vervolgens hebben de progressieve regeringen Prodi en d’Alema, in de tweede helft van de jaren negentig, verzuimd om een deugdelijke wetgeving inzake belangenvermenging te laten goedkeuren. Achteraf bekeken is dat een kapitale fout geweest. Boze tongen beweren overigens dat de zaken van Berlusconi begin de jaren negentig reeds bergaf gingen en dat Il Cavaliere daarom de politiek is ingestapt. Hij beloofde wel een regeling voor de belangenkwestie, maar die is er nooit gekomen en nu, tien jaar later, zijn we in een nieuwe fase aanbeland. Met de veroordeling van Cesare Previti, de rechterhand van Berlusconi, schuldig bevonden aan het omkopen van magistraten, zitten de Milanese rechters nu wel heel dicht op de hielen van de premier. Maar die geeft geen krimp, weigert te antwoorden op vragen m.b.t. frauduleuze fiscale praktijken en liet een wet stemmen die hem tot de volgende verkiezingen onschendbaarheid garandeert.
Daar houdt het echter niet bij op en dat is wat democratisch Italië ongerust maakt. Berlusconi gaat in de tegenaanval. Met gebruikmaking van alle middelen, ook als die de natuur van de instellingen perverteren. Het meest geviseerd zijn de Milanese rechters, nu de volksvertegenwoordiging is aangemaand om een wet te stemmen die het beweerde ‘subversieve karakter’ van delen van het justitiële apparaat aan banden moet leggen. Wellicht is dat een brug te ver voor sommige (christendemocratische) coalitiepartners, maar het feit dat Berlusconi een loopje neemt met de scheiding der machten om zijn persoonlijke belangen te vrijwaren, wijst erop dat we te maken hebben met de meest ranzige producten van een zeer rudimentaire politieke cultuur. Dit is je reinste misbruik van de democratie. Bovendien worden niet alleen rechters bedreigd. Krantenuitgevers riskeren peperdure processen voor ‘onvriendelijke’ kopij van redacteuren; een klimaat wordt geschapen waarin weer meer anti-communistische prietpraat wordt verkocht, en waarin bijvoorbeeld Umberto Bossi (Lega Nord) het absurde verwijt lanceert dat de linkerzijde een ‘Chileense situatie’ wenst te scheppen. Geen wonder dat Giovanni Sartori, een van de meest gerespecteerde professoren en commentaarschrijvers (Corriere della Sera), zegt angst te hebben als de premier beweert dat ‘men de communisten niet mag toelaten opnieuw aan de macht te komen’. De waarheid is dat Italië amper nog communisten telt en een gefragmenteerde oppositie voorlopig geen reële bedreiging vormt voor Berlusconi.

Eenheidslijst

Dé politieke vraag die progressief Italië de voorbije zomer bezig hield is of de alliantie van centrumlinkse partijen (Ulivo, Olijfboom) in staat zal blijken om de premier in verlegenheid te brengen. De Europese verkiezingen heten daarbij cruciaal te zijn. Want ofwel etaleert de Ulivo nogmaals de staat van verregaande verdeeldheid waarin zij zich sedert de verkiezingen van 2001 bevindt en verliest zij de stembusslag; ofwel komt er een succesvolle eenheidslijst en vallen vervroegde politieke verkiezingen niet uit te sluiten. De electorale voortekenen zijn alvast positief. Van de twaalf provincies waar in juni van dit jaar verkiezingen werden gehouden, gingen er zeven naar de centrum-linkerzijde, met de significante kanttekening dat rechts in het rijke noorden op twee plaatsen heeft verloren. Daarnaast zijn er de peilingen(juli 2003). Die geven aan dat de Linkse Democraten (DS, ex - PCI) naar 21% zijn geklommen, een winst van meer dan 4,5% in vergelijking met 2001. Telt men de stemintenties samen voor DS, Margherita (een bondgenootschap van centrumpartijen, 14%), groenen, communisten (Rifondazione Comunista, PDCI) en de partij van Di Pietro(Italia dei Valori), dan totaliseert de centrum-linkerzijde 49% van stemmen. Centrumrechts, een coalitie van Forza Italia(Berlusconi), Allianza Nazionale, Lega Nord, christendemocraten en de nieuwe PSI, zou op 46% van de stemmen kunnen rekenen. In 2001 kwam het Huis van de Vrijheden uit op 52,2%.

Dat het er rekenkundig allemaal wat beter uitziet dan twee jaar geleden, zegt niet alles. In het Italiaanse electorale systeem, zoals het in 1993 is hervormd tot een (gedeeltelijk) meerderheidsstelsel, wint diegene die er het best in slaagt om een coalitie te smeden. In 2001 was dat Berlusconi. Wat men over de man (‘de wereldkampioen van de vooronderzoeken’, zoals hij zichzelf bestempelt) ook moge denken, hij is politiek wel bekwaam gebleken om de centrumrechtse partijen te lijmen, de meningverschillen te steriliseren en een campagne te leiden zonder ongelukken. Wie denkt dat de winst van Berlusconi slechts een kwestie is van geld plus charisma, vergist zich. Forza Italia, goed voor twee derden van de centrumrechtse stemmen, is vandaag een gestructureerde politieke formatie, met een aanhang die gespreid is over het hele land, én met een onbetwiste leider van een rechtse coalitie. Dat laatste ontbreekt aan centrumlinkse kant. De vorige verkiezingen werden verloren omdat de ploeggeest ontbrak, en omdat de communisten en Di Pietro, samen goed voor bijna 9% in de Kamer, buiten het bondgenootschap waren gebleven. Ook vandaag is duidelijk dat er geen winst inzit als er niet beter wordt samengewerkt tussen linkse partijen en centrumgroeperingen.

Nog in de maand juli gaf een peiling aan dat niet minder dan 83% van het centrumlinkse kiezerssegment positief (of gedeeltelijk positief) staat tegenover het voorstel van Romano Prodi om met een eenheidslijst naar de Europese verkiezingen te trekken. Dat voorstel was hét politieke feit van de zomer in Italië. Commentatoren die zich in het voorjaar nog afvroegen of Fassino(DS) en Rutelli(Margherita) wel zouden kunnen leven met Prodi als leider van een centrumlinkse coalitie, hebben lik op stuk gekregen. Prodi is helemaal terug. De massale steun die hij in de publieke opinie geniet, maakt duidelijk dat Il Professore beter dan wie ook de geest van de coalitie incarneert, in die mate zelfs dat de kwestie nu reeds lijkt beslist. In deze is Italië overigens zichzelf gelijk gebleven. Reeds eerder schreven we dat, na de implosie van de Italiaanse christendemocratie, centrum-kiezers slechts naar de progressieve kamp kunnen worden gelokt met een sterke ‘onafhankelijke’ kandidaat, van een kleinere formatie, zonder ex-communistische signatuur. Omdat in Italië de communistische kwestie en vooral de katholieke kwestie nog steeds de politiek bepalen, kan het nog wel een tijdje zo zijn dat, anders dan in Frankrijk en Duitsland, een progressieve coalitie niet wordt geleid door de grootste partij. Wellicht dat een meer ‘normale’ gang van zaken niet kan worden uitgesloten voor de toekomst, maar dan zal aan de zijde van de DS nog wat moeten veranderen. Zeker inzake de vernieuwing van haar leidende politieke personeel, zit er te weinig beweging in. Bovendien is de DS een beetje een regionale partij geworden, die het merendeel van haar stemmen haalt in Midden-Italië en slechts twee procent beter presteerde dan de Margherita. Ook dat maakt het moeilijk om het leiderschap van de Ulivo op te eisen, al komt men vandaag in de peilingen weer boven de twintig procent uit.

Werk van Sisyphus

Het voorstel van Prodi is niet overal even goed ontvangen. DS, Margherita en de socialisten van Boselli zijn voor; communisten, groenen, christendemocraten en Di Pietro hebben voorbehoud gemaakt of lijken tegen. Sommige christendemocraten vinden dat Prodi de Margherita moet gaan leiden. Bertinotti (Rifondazione Comunista) lijkt de deur open te laten, als hij er de nadruk op legt dat delen van de Linkse Democraten nu nauwer bij de Rifondazione Comunista aanleunen en geen centrumkoers wensen. In dat centrum, bij de partijen die de Margherita vormen, vinden velen een eenheidslijst (o.l.v. Prodi) een goed idee, maar huivert men bij de gedachte dat de fractie zich vervolgens gaat bekennen tot de Partij van Europese Sociaaldemocraten. Daar is geen sprake van, zegt Rutelli. Daardoor dreigt een weinig vermakelijke situatie te ontstaan. Vandaag vindt men Europese parlementsleden van de Margherita terug in diverse fracties; de redelijkheid laat veronderstellen dat gekozenen van een eenheidslijst met centrumlinks karakter niet zouden plaats nemen in de centrumrechtse fractie van de Europese Volkspartij. Dat zou pas lachen worden voor Berlusconi.

Een en ander weerspiegelt de weinig florissante situatie waarin de Ulivo zich vandaag bevindt. Geen enkele coalitie met zoveel componenten kan een lang leven beschoren zijn. En aangezien men er mag van uitgaan dat de DS op korte termijn niet kan doorgroeien tot het electorale niveau van de grote Europese zusterpartijen, is het einde van de partijpolitieke berekeningen nog niet in zicht. De Ulivo wordt in Italië afwisselend ‘een toren van Babel’ of ‘een werk van Sisyphus’ genoemd. De samenwerking is blijven steken in de regels voor het beheer van de club. De volksvertegenwoordigers en senatoren van de Ulivo konden geen overeenstemming bereiken over gezamenlijke woordvoerders. En met Rifondazione Comunista, een onmisbare partner als de Ulivo geen minderheidsformule wil blijven, is er geen fundamenteel inhoudelijk debat gestart. Deze frustrerende samenwerking is de leiders van DS en Margherita duur te staan gekomen met een felle reactie van de basisbewegingen, de vakbonden en een aantal onafhankelijke linkse kunstenaars en intellectuelen.

Vanzelfsprekend, vrijwel iedereen in het progressieve kamp is het erover eens dat deze zeer rechtse regering geen tweede legislatuur mag worden gegund. De gevolgen daarvan zouden voor Italië, en voor zijn instellingen, even ingrijpend kunnen zijn als wat de Britse gewone man overkwam onder Thatcher. De plannen voor een meer ‘presidentieel regime’ - lees: voor meer autoritaire bestuursvormen - liggen in de lade van de Cavaliere. De politieke cultuur die deze plannen produceert heeft men de voorbije zomer aan het werk gezien: het is een cultuur die, zoals de hoofdredacteur van La Repubblica schreef, zich bedient van beledigingen, intimidatie van de tegenstander, dilettantisme en brute macht. In het geval van Bossi kan men daar nog gevoelens van etnische superioriteit aan toevoegen. In die omstandigheden, waarin Berlusconi in het offensief gaat en de instellingen ondergraaft, begrijpt een buitenstaander niet goed waarom er aan progressieve kant niet meer cohesie wordt geëtaleerd.
Blijft de ultieme vraag waarom, in het mooiste land ter wereld, de helft van de kiezers niet wakker lijkt te liggen van de fratsen van de Cavaliere. Het is één van de meest beangstigende politieke vragen van deze tijd.

Jan Vermeersch
Stafmedewerker sp.a-studiedienst en redactielid

Italië - Silvio Berlusconi

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 49 tot 52