Abonneer Log in

Het onveiligheidsgevoel geëvalueerd

Criminaliteit als goede leermeester of slechte raadgever?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 39

‘Het onveiligheidsgevoel is nog nooit zo hoog geweest’, was de kop in De Standaard (7 mei 2003) over de studiedag ‘Vlaanderen gepeild!’ en meer bepaald over de resultaten over het onveiligheidsgevoel in Vlaanderen, een onderzoek onder leiding van Mark Elchardus (VUB), op basis van de APS-survey 2002. Het is in eerste instantie niet dit artikel, noch het onderzoek waar het naar verwijst, wat verbazing wekt, maar wel de confrontatie van deze kop met wat eerder dit jaar verscheen na de voorstelling van de resultaten van de Veiligheidsmonitor 2002. De Standaard Online kopte toen ‘Onveiligheidsgevoel bij Belgen neemt af’ (26 februari 2003). Men kan dit uiteraard zien als het gevolg van een verhoogde spanning in de berichtgeving en de media tijdens de pre-electorale periode. Deels is dit ook zo, en misschien hoeft dit niet noodzakelijk problematisch te zijn. Artikelen kunnen onmogelijk - en krantenkoppen al helemaal niet - alle nuances van het gevoerde wetenschappelijk onderzoek bevatten. Nochtans is duiding en nuancering, precies in een dergelijke periode, en omwille van het precaire en voor misbruik vatbare karakter van het gerapporteerde thema, noodzakelijk, en hadden we dat misschien ook wel kunnen verwachten van De Standaard -‘niet toevallig de standaard’?. Er is echter meer aan de hand. Ook wanneer men bij de analyse het niveau van de berichtgeving overstijgt en beide studies daadwerkelijk naast elkaar legt, blijft tegenstrijdigheid en ambiguïteit troef over de gerapporteerde resultaten. Dit wordt meteen ook het voorwerp van deze bijdrage: het onveiligheidsgevoel, het concept en de meting ervan, en vooral de problemen die hiermee gepaard gaan. Maar het zal ook gaan over de mogelijkheden om tot een adequate evaluatie van het onveiligheidsgevoel te komen, en de waarde van criminaliteit als mogelijke verklaring voor dit onveiligheidsgevoel.

Over welk onveiligheidsgevoel spreken we?

Laat ons, bij wijze van illustratie en als voorbereiding op de argumentatie die volgt, nog even doorgaan op beide hierboven reeds aangehaalde studies: alhoewel 77,1% van de Vlamingen vindt dat ‘de straten de laatste 10 jaar onveiliger zijn geworden’, en 61,2% meent dat ‘een alarmsysteem in deze tijd geen overbodige luxe is’ (APS-survey 2002), voelt 68% van de Vlamingen zich toch ‘zelden of nooit onveilig’ (Veiligheidsmonitor 2002). Zowel de APS-survey 2002 als de Veiligheidsmonitor 2002 zijn grootschalige studies die pretenderen representatief te zijn voor de gehele bevolking.1 We gaan later verder in op de modaliteiten van beide studies, en de reactiviteit hiervan op de meting van onveiligheidsgevoelens. Maar een eerste vaststelling dringt zich op basis van bovenstaande cijfergegevens reeds op: de hoogte van ‘het onveiligheidsgevoel’ hangt in belangrijke mate en misschien wel op de eerste plaats samen met de manier waarop het concept gedefinieerd en gemeten wordt. De huidige stand van zaken in het internationale onderzoek en de literatuur naar fear of crime, onderscheidt drie (of twee, afhankelijk van de auteur) substantiële deelcomponenten, met name een cognitieve, een affectieve en een gedragsmatige component.2 Meteen wordt ook duidelijk dat het meten van wat blijkbaar een multidimensioneel concept is, aan de hand van slechts één item, wat in deze onderzoekstraditie lange tijd courante praktijk was, onmogelijk en onwenselijk is.

Deze kritiek is niet nieuw, en heeft uiteindelijk geleid tot een toenemende aandacht voor de complexiteit van het te onderzoeken concept en de introductie van een verder doorgedreven methodologie voor het meten ervan. Dit neemt evenwel niet weg dat het gehanteerde meetinstrument ook dan nog steeds onmiskenbaar een invloed heeft op de ‘hoogte’ van het geconstateerde onveiligheidsgevoel, en bijgevolg ook op de achterliggende verklaringen die al dan niet gevonden worden. We illustreren dit opnieuw even: Elchardus & Smits (2003) constateren in de APS-survey 2002 dat ouderen zich, ondanks hun objectief lagere kans op slachtofferschap, ‘onveiliger voelen’.3 Nochtans is uit ander onderzoek ook reeds herhaaldelijk gebleken dat ouderen zich niet noodzakelijk onveiliger voelen. Greve (1998) toonde, in een Duitse studie, aan dat ‘het onveiligheidsgevoel’ inderdaad toeneemt met de leeftijd, maar enkel wanneer de meting de nadruk legt op de gedragsmatige component van het onveiligheidsgevoel, zeg maar preventief mijdingsgedrag. Deze component is ook dominant aanwezig in vijf van de acht items waarmee men binnen de APS-survey ‘het onveiligheidsgevoel’ poogt te meten, enigszins ten nadele van de cognitieve en affectieve component die minstens even constitutief zijn voor het concept, en dus ook de meting ervan. Volgens Greve voelen ouderen zich helemaal niet ‘onveiliger’ in vergelijking tot jongeren, wanneer het meetinstrument voornamelijk deze laatste twee componenten (cognitieve en affectieve component) benadrukt. Het is slechts een voorbeeld, maar bijzonder illustratief voor de kern van ons argument; onveiligheidsgevoelens zijn onmiskenbaar zeer reëel, laat dat duidelijk zijn, maar de wijze waarop men het concept en de meting ervan vorm geeft, bepalen in belangrijke mate hoe deze werkelijkheid vertaald wordt in een ‘empirische realiteit’, zijnde concrete onderzoeksresultaten. Dit is dan ook meteen de essentie van bovenstaande subtitel: het is noodzakelijk te weten ‘over welk onveiligheidsgevoel’ we spreken, om ook over de resultaten, de hoogte van ‘het onveiligheidsgevoel’ of de verklaringen ervoor, zinnige uitspraken te doen, of op een zinvolle wijze vergelijkingen te maken of tendensen vast te stellen.

De APS-survey 2002 en de Veiligheidsmonitor 2002 peilen beide naar ‘het onveiligheidsgevoel’, maar spreken manifest over een ‘ander’ onveiligheidsgevoel, wat de verbazing over de tegenstrijdigheid in de berichtgeving deels kan wegnemen. Maar ook een identieke invulling van het concept en de meting ervan, is geen garantie. Een illustratie maakt opnieuw één en ander duidelijk; we baseren ons op de Veiligheidsmonitor 1998, met name de lokale monitoren van Lebbeke en Herzele, twee Oost-Vlaamse gemeenten met een vergelijkbare bevolkingsomvang (Pleysier et al., 2002a). In beide gemeenten, of monitoren zo men wil, werd ‘het onveiligheidsgevoel’ gemeten aan de hand van de algemene vraag ‘Gebeurt het wel eens dat u zich onveilig voelt?’ (altijd/vaak/soms/zelden/nooit). Het verschil zit hier in de manier waarop de enquête werd afgenomen: in Lebbeke is de ‘klassieke’, telefonische versie van de Veiligheidsmonitor afgenomen, in Herzele een schriftelijke versie van de monitor, een post-enquête met andere woorden. In tabel 1 wordt de antwoordverdeling op deze vraag voor beide gemeenten weergegeven.

Tabel 1: Procentuele antwoordverdelingen bij de vraag naar ‘onveiligheidsgevoelens’ in Lebbeke (telefonisch Veiligheidsmonitor 1998) en Herzele (schriftelijk Veiligheidsmonitor 1998)

In de frequentieverdeling voor beide gemeenten worden relatief grote verschillen geobserveerd, die ongetwijfeld niet tot werkelijke verschillen in onveiligheidsgevoelens kunnen worden herleid. Bovendien is dit een patroon dat bij alle telefonische en schriftelijke monitoren wordt geïdentificeerd (Billiet et al., 1998). Uiteraard toont dit opnieuw de kwetsbaarheid van ‘één-item-instrumenten’ aan bij het meten van onveiligheidsgevoelens, iets waar we het eerder al over hadden. Belangrijker is echter dat deze illustratie blootlegt hoe de mate waarin men zich onveilig voelt, niet alleen afhankelijk is van het gehanteerde meetinstrument maar ook van de manier waarop de data worden verzameld. Deze illustratie duidt opnieuw op wat in wezen een axioma van de sociaal-wetenschappelijk onderzoeker zou moeten zijn: ‘werkelijke’ waarden of ‘ware’ antwoorden zijn geen objectieve en externe realiteiten, het zijn verwijzingen of indicatoren die de inhoudelijke concepten en theorieën van de onderzoeker moeten verbinden met de ‘objectieve werkelijkheid’ buiten hem (Billiet, 1993). Dit wetende is het inderdaad merkwaardig dat ‘vele onderzoekers op de vraag naar inhoudelijke aspecten van de onveiligheidsproblematiek louter verwijzen naar de antwoorden op een aantal enquêtevragen. Bezorgdheid of angst blijken enkel uit percentages te bestaan’ (Hofman, 1991). Cijfers behoeven met andere woorden steeds een zorgvuldige interpretatie en contextualisering die zeker niet blind mag zijn voor de reactiviteit van het instrument of de gehanteerde methodologie. Een verhaal zonder deze nuance is een onvolledig verhaal, en draagt bovendien het gevaar met zich mee verkeerd gecommuniceerd en begrepen te worden, of erger, potentieel misbruikt te worden in een politiek steekspel (cf. ‘Onveiligheidsgevoel is nooit zo hoog geweest’).
Samenvattend kan dus gesteld worden dat ‘het onveiligheidsgevoel’ (de hoogte, laagte, stijging, daling, en oorzaken ervan) in belangrijke mate gedetermineerd wordt door hoe het fenomeen geconceptualiseerd en geoperationaliseerd wordt. Om tot deze tussentijdse conclusie te komen werd binnen deze bijdrage bewust gekozen voor de weg van de illustratie en het voorbeeld. Uiteraard had ook een uitgebreid literatuuroverzicht ons kunnen brengen waar we nu zijn: de centrale concepten binnen deze onderzoekstraditie blijven vaag en omgeven door ‘conceptuele bewolking’, en worden bijgevolg ook niet adequaat geoperationaliseerd (Ditton & Farrall, 2000; Hale, 1996; Pleysier et al., 2001a; Pleysier et al., 2002a). Nochtans is juist dit conditio sine qua non om tot dieper inzicht, gegronde uitspraken en zinvolle vergelijkingen te komen, en dus ook om het onveiligheidsgevoel op een valide manier te evalueren.

‘Evaluatiefetisjisme’

Het onveiligheidsgevoel is echter naast het voorwerp van een wetenschappelijke onderzoekstraditie, ook, zij het relatief recent, een politiek en beleidsmatig hot item. We beschreven reeds elders een aantal historische ontwikkelingen en macrosociologische tendensen die een maatschappelijke tijdsgeest creëerden waarin elke vorm van onzekerheid en onveiligheid onwenselijk en ondraaglijk lijkt te worden (Pleysier et al., 2001a; Pleysier et al., 2001b). Dit weerspiegelt zich echter ook onmiskenbaar in de politieke besluitvorming en het veiligheidsbeleid van de overheid, in die mate dat meerdere auteurs spreken over een afbrokkelende en wegdeinende verzorgingsstaat en dit ten voordele van een veiligheidsstaat in opbouw (Cartuyvels & Hebberecht, 2001; Goris, 2001; Mary & Matthieu, 2000; De Baets, 2000; Cartuyvels et al., 2000; De Hert, 1999). Belangrijk binnen het kader van deze bijdrage is hierbij, geïnspireerd vanuit neoliberale hoek, de toenemende aandacht voor efficiëntie en effectiviteit van de ingezette middelen, en misschien nog vooral voor een doorgedreven evaluatie van dit alles.
Het Federaal Veiligheids- en detentieplan van de vorige regering, waar onveiligheidsgevoelens een belangrijk deel van uitmaken, is wat dat betreft duidelijk: ‘de realisatie van de doelstellingen en de prioriteiten van het Federaal Veiligheidsplan zal sterk worden gehypothekeerd door het al dan niet bestaan van een meet- en opvolgingsinstrument dat moet toelaten de effectiviteit van de gekozen strategische doelstellingen te toetsen maar vooral om de geformuleerde tactische en operationele intenties daadwerkelijk om te zetten in meetbare programma’s, projecten en deelprojecten’4 (eigen cursivering). Een veiligheidsstaat houdt dus niet alleen het risico in op een toenemende vertaling van sociale vraagstukken als ‘veiligheidsproblemen’, maar ook het gevaar dat niet of moeilijk evalueerbare en dus meetbare projecten het moeten afleggen voor het harde en onbetwistbare cijfermateriaal van andere projecten. Het argument wordt, zo hopen we, stilaan duidelijk; ‘het onveiligheidsgevoel’ is zo’n moeilijk evalueerbaar probleem of ‘project’, waarbij het vinden van duidelijke, valide en betrouwbare indicatoren lang geen evidentie is. De wetenschappelijke literatuur en onderzoekstraditie die het thema omvat, kreunt onder de groeipijnen die de zoektocht naar een degelijke conceptualisering en meting kenmerkt. Niettemin wordt men in de praktijk geconfronteerd met een dwingende en in volume toenemende eis van overheidswege om te evalueren - no matter what -, en dit ondanks de gevaarlijke onduidelijkheid die nog steeds rond het concept en de meting van ‘het onveiligheidsgevoel’ hangt. De illustraties uit het eerste deel van deze bijdrage zetten dit potentieel gevaar, naar onze mening, alleen nog meer in de verf. Deze problemen zijn wat ze zijn, maar kunnen evenwel geenszins aanleiding geven tot een pleidooi om de evaluatie, als beleidsondersteunende methodiek, in twijfel te trekken. Waarschuwen voor de nefaste gevolgen van een overdreven en blind ‘evaluatiefetisjisme’ mag uiteraard niet worden gelijkgesteld aan het minimaliseren van de waarde van de evaluatie an sich.

De evaluatie van ‘het onveiligheidsgevoel’: waar te beginnen?

De confrontatie van wat hierboven beschreven staat, maakt de patstelling waarin ‘de evaluatie van het onveiligheidsgevoel’ zich bevindt, duidelijk. Het veiligheidsbeleid, met de ‘reductie van onveiligheidsgevoelens’ als een substantiële doelstelling, wordt gevalideerd of afgerekend op het al dan niet realiseren van de doelstellingen; op een met andere woorden kwantitatief aantoonbare - meetbare - positieve evolutie van het onveiligheidsgevoel. Hiervan blijkt overigens ook rechtstreeks de levensduur van het betrokken project af te hangen. Maar, zo zagen we hierboven, ‘het onveiligheidsgevoel’ is binnen de rond dit thema ontstane wetenschappelijke onderzoekstraditie een allesbehalve éénduidig en helder concept. Het gevaar bestaat dan dat die ambiguïteit en onduidelijkheid vertaald wordt in een ad-hocmeting of evaluatie van ‘het onveiligheidsgevoel’ waarbij dikwijls onrecht wordt gedaan aan het complexe karakter van het concept5; bovendien leidt dit niet zelden tot een instrument met hoge gevoeligheid voor allerhande meetfouten, wat hierboven ook reeds geïllustreerd werd.
Misschien is dit wel de reden waarom bij het beleid en de praktijk tot op heden een tendens merkbaar is om wat betreft de evaluatie van onveiligheidsgevoelens terug te grijpen naar het vertrouwde, wat men kent, maar ook wat eenvoudig beschikbaar is: criminaliteitscijfers. Hier is een kleine conceptuele verduidelijking allicht op zijn plaats; de term ‘onveiligheid’ wordt meestal voorafgegaan door het antecedent ‘subjectief’ of ‘objectief’. ‘Subjectieve onveiligheid’ is waar het in deze bijdrage tot nu over ging, ‘het onveiligheidsgevoel’ dus, of met andere woorden de subjectieve beleving van onveiligheid. ‘Objectieve onveiligheid’ verwijst dan naar de externe bronnen van bedreiging en criminaliteit, die mogelijks voor de betrokkenen ook een oorzaak van subjectieve onveiligheid kunnen worden. Hierin zit dus de argumentatie vervat om bij de evaluatie van het onveiligheidsgevoel, ‘objectieve onveiligheid’ als indicator te nemen. Of men geslaagd is in het terugdringen van het onveiligheidsgevoel, leest men volgens deze redenering dus af aan het al dan niet dalen van de criminaliteit. Hiertegen kan men echter minstens twee fundamentele bezwaren formuleren. Vooreerst is het nog maar de vraag of criminaliteit überhaupt een goede indicator kan zijn, al was het maar, bij wijze van boutade, van zichzelf. Toegegeven, men beschikt over veel gegevens, opsplitsbaar in tijd en ruimte, wat tot mooie cijferreeksen kan leiden. Maar het blijven cijfers of indicatoren (‘geregistreerde’ criminaliteit) die weliswaar verwijzen naar een externe werkelijkheid (‘de’ criminaliteit), maar waarbij de afstand tussen beide door tal van ongemeten en oncontroleerbare factoren wordt beïnvloed (Walgrave, 1998; Devroe, 2002). Het probleem dat hierachter schuilt - en dikwijls iets te eenvoudig wordt herleid tot de dark number-problematiek - is naar onze mening, maar hiermee trappen we allicht een open deur in, tot op de dag van vandaag een centraal en zeer complex vraagstuk binnen de criminologie als beleidsondersteunende wetenschap. Ten tweede liggen ook ‘subjectieve’ en ‘objectieve’ onveiligheid veel verder uiteen dan wordt gedacht. Misschien is juist dit één van de weinige zaken waarover men het binnen de wetenschappelijke onderzoekstraditie naar het onveiligheidsgevoel, in het laatste decennium, relatief eens is geworden: het gevoel van onveiligheid wordt door veel meer factoren beïnvloed dan enkel door de aanwezigheid van criminaliteit (Walgrave, 1998). Maar ook slachtofferschap kan niet worden beschouwd als de hoofdoorzaak van het onveiligheidsgevoel, ondanks het effect dat men soms aantreft op persoonsniveau (Elchardus & Smits, 2003). Uiteraard dient men hierbij opnieuw rekening te houden met het effect van de meting, van - wat al aan bod kwam - ‘onveiligheidsgevoelens’, maar ook van ‘slachtofferschap’, dat als variabele op zich, en in zijn relatie tot ‘onveiligheidsgevoelens’, te complex is om in eenvoudige, bivariate analyses te vatten (Pleysier et al., 2002a).

De evaluatie van ‘het onveiligheidsgevoel’ kan dus niet steunen op een eenvoudige vergelijking van de criminaliteitscijfers vóór en na de realisatie van een bepaald project. Alhoewel dit ongetwijfeld interessante contextinformatie kan opleveren voor een bredere omkadering van het project, zal de eigenlijke evaluatie van de hoofddoelstelling (‘reductie van onveiligheidsgevoelens’) zich toch dienen in te schrijven in de nog steeds in evolutie zijnde wetenschappelijke onderzoekstraditie naar dit onderwerp, en zich dus rekenschap moeten geven van de mogelijkheden en vooral beperkingen die in het eerste deel van deze bijdrage ter sprake kwamen. De Veiligheidsmonitor is met andere woorden een potentiële indicator voor het onveiligheidsgevoel, maar dan wel in de wetenschap dat het een ‘ander’ onveiligheidsgevoel meet dan bijvoorbeeld de APS-survey. Maar ook wanneer men bij een projectevaluatie enkel steunt op de Veiligheidsmonitor, is voorzichtigheid geboden; in de meeste gemeenten met een monitor is de steekproef niet groter dan 350 respondenten, wat, in combinatie met een hoge (en veranderlijke: gsm-gebruik!) non-respons, vragen doet stellen bij de representativiteit van de steekproef, en bijgevolg ook bij de vergelijkbaarheid over steekproeven heen. We gaan binnen deze bijdrage echter niet ten volle in op de techniciteit van dergelijke bewerkingen, maar besluiten met wat hier reeds meermaals naar voor werd gebracht: het meten van onveiligheidsgevoelens, en het gebruik van deze metingen bij de evaluatie van projecten, is onderhevig aan tal van storende factoren. Een aantal van deze factoren kan en moet men constant houden: de steekproeftrekking, het meetinstrument (de vragen, de volgorde van de vragen, de antwoordcategorieën,…), de afname (telefonisch, face-to-face,…), het moment van afname (winter, zomer,…),… Er zijn echter ook een reeks storende factoren waarvoor men niet of nauwelijks kan controleren, en die men hoogstens in beeld kan brengen: de context van de afname (bv. beïnvloedende gebeurtenissen voordien), een veranderende betekenis van de bevraagde concepten, interviewer-effecten,… Maar men moet misschien bovenal bescheiden blijven; het in cijfers en enquêtes terug te vinden ‘onveiligheidsgevoel’, is en zal altijd slechts een benadering van ‘het werkelijke onveiligheidsgevoel’ zijn. Dit is geen valse bescheidenheid. Het is cruciaal voor de validiteit en betrouwbaarheid van het onderzoek of de evaluatie, en moet bovendien, gezien de politieke gevoeligheid van de thematiek, ook vanuit ethisch-deontologische overwegingen deel uitmaken van de grondhouding van de onderzoeker of evaluator (Pleysier et al., 2002a).

Epiloog

Deze bijdrage ontstond deels uit een bij de auteurs toenemende verontwaardiging over de recente berichtgeving met betrekking tot het onveiligheidsgevoel in de media, en deels uit een voordracht gehouden op de studiedag ‘De evaluatie geëvalueerd’6, wat de aanleiding en inspiratie was om de problematiek rond de meting en evaluatie van het onveiligheidsgevoel verder uit te diepen. Aan de hand van enkele exemplarische illustraties werd betoogd dat ‘de meting van het onveiligheidsgevoel’ altijd slechts ‘een meting van een onveiligheidsgevoel’ kan zijn, en dat men steeds alle modaliteiten verbonden met het onderzoek mee in rekening moet brengen om te weten over ‘welk onveiligheidsgevoel’ men nu eigenlijk spreekt. De beleidsdringendheid waarmee over de evaluatie van het veiligheidsbeleid, en dus ook van ‘het onveiligheidsgevoel’, wordt gesproken, lijkt weinig begrip te tonen voor deze naar onze mening cruciale nuancering. Het leidt er bovendien toe dat men voor de evaluatie zijn toevlucht neemt tot hardere, en vertrouwde indicatoren, met voorop de criminaliteitscijfers. Het pleidooi dat, zo hopen wij, als rode draad uit deze bijdrage naar voor komt, is er echter een voor het verder uitdiepen en fundamenteler onderbouwen van wat men uiteindelijk wenst te meten en begrijpen, met name het onveiligheidsgevoel, de subjectieve onveiligheid. Het is dus een pleidooi voor een verdere investering en dieper vertrouwen in de wetenschappelijke bedrijvigheid rond deze problematiek; iets wat uiteindelijk ook het beleid en de praktijk ten goede zal komen.

Stefaan Pleysier, Liesbeth Wyseur, Geert Vervaeke & Johan Goethals 7 ** **
Afdeling Strafrecht, Strafvordering & Criminologie, K.U. Leuven

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ We spreken bewust over een ‘pretentie van representativiteit’; een steekproef kan representativiteit nastreven, bereiken blijft echter een utopie. Representativiteit veronderstelt in hoofdzaak dat de uitval of non-respons volstrekt toevallig is, en dus niet verbonden met de centrale concepten van het onderzoek; een aanname die, zeker bij onderzoek naar onveiligheidsgevoelens, ernstig in vraag kan worden gesteld. Wat de APS-survey 2002 betreft verwijzen we hiervoor naar Loosveldt & Storms (2003), wat de Veiligheidsmonitor betreft naar Billiet e.a. (1998).
2/ Binnen het bestek van deze bijdrage gaan we niet dieper in op de terminologie van de centrale concepten binnen deze onderzoekstraditie. Een verwijzing naar de relevante literatuur hierrond volstaat (Hale, 1996; Ditton & Farrall, 2000; Pleysier et al., 2001a; Pleysier et al., 2002a).
3/ Hierover kan veel gezegd worden, en elders deden we dit reeds (Pleysier et al., 2002b).
4/ zie pp. 16-17: http://www.poldoc.be/dailydoc/document/fgov/2000/penitenn.pdf.
5/ Een misschien nog groter, hiermee verbonden, gevaar, werd onlangs treffend verwoord door Adam Crawford (2003); op de vraag naar wat volgens hem het belangrijkste probleem is in het veiligheidsbeleid in West-Europese landen, kwam hij tot de conclusie dat de evaluatiedrift (‘alles moet meetbaar zijn, en wat niet meetbaar is, is niet bruikbaar’) en de daaruit voortvloeiende ad-hocmeting met dito indicatoren, niet enkel onrecht doet aan wat men eigenlijk wil meten, maar zo ook ondoordacht mee vorm geeft aan de definitie en de inhoud van de gehanteerde concepten. De concepten worden met andere woorden gereduceerd tot wat in de meting vervat ligt.
6/ Studiedag ‘De evaluatie geëvalueerd. Mogelijkheden voor de evaluatie van een veiligheids- en preventiebeleid’, 3 juni 2003, Leuven, georganiseerd door de Afdeling Strafrecht, Strafvordering en Criminologie, Faculteit Rechtsgeleerdheid, K.U. Leuven, i.s.m. het Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid en de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken.
7/ Stefaan Pleysier en Liesbeth Wyseur zijn wetenschappelijk medewerkers aan de Afdeling Strafrecht, Strafvordering & Criminologie, van de K.U. Leuven. Geert Vervaeke en Johan Goethals zijn allebei hoogleraar aan de Afdeling Strafrecht, Strafvordering en Criminologie van de K.U. Leuven. Deze bijdrage kadert in een breder project, gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO).

Bibliografie
- Billiet, J. (1993). Ondanks beperkt zicht. Studies over waarden, ontzuiling en politieke veranderingen in Vlaanderen. Leuven/Brussel: SOI/VUBPress.
- Billiet, J. & H. Waege (2001). Een samenleving onderzocht. Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Antwerpen: Standaard Uitgeverij.
- Billiet, J., S. Pleysier, J. Pickery & I. Hajnal (1998). Methodologische ondersteuning van de veiligheidsmonitor: opmerkingen vanuit ISPO. Leuven, ISPO/Departement Sociologie.
- Cartuyvels, Y., P. Mary, & A. Rea. (2000). L’État social-sécuritaire. In: Van Campenhoudt, L. e.a. (eds.). Réponses à l’insécurité. Des discours aux pratiques. Bruxelles: Labor.
- Cartuyvels, Y. & P. Hebberecht (2001). ‘La politique fédérale belge de sécurité et de prévention de la criminalité (1990-1999),’ Déviance et Société 25 (4): 403-426.
- Crawford, A. (2003). The governance of urban safety and the politics of insecurity, Lezing op de European conference on social safety in urban areas, 20-21 maart 2003, Universiteit van Twente, Enschede.
- De Baets, P. (2000). ‘Veiligheidsstaat of verzorgingsstaat: de retoriek voorbij?’ Panopticon 21 (1): 41-62.
- De Hert, P. (1999). ‘De Belgische maximale veiligheidsstaat. Kiezen tussen sociale ondersteuning en sociale controle’. Locomotieftekst. De orde van de dag (8): 7-14.
- Devroe, E. (2002). ‘Evaluatie van preventie: de triangle van beleidsparadoxen’. De orde van de dag (19): 53-71.
- Ditton, J. & S. Farrall (2000). The Fear of Crime. Aldershot, Ashgate. The International Library of Criminology, Criminal Justice & Penology.
- Elchardus, M. & W. Smits (2003). ‘Bedreigd, kwetsbaar en hulpeloos: onveiligheidsgevoel in Vlaanderen, 1998-2002’. In: Administratie Planning en Statistiek. Vlaanderen gepeild! Studiedag 6 mei 2003 Brussel. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
- Goris, P. (2001). ‘Criminaliteit en onveiligheid in woonbuurten. Op zoek naar een (op)positie van het welzijnswerk’. Alert 27 (2): 60-72.
- Greve, W. (1998). ‘Fear of crime among the elderly: foresight, not fright’. International Review of Victimology 5: 277-309.
- Hale, C. (1996). ‘Fear of Crime: A review of the literature’. International Review of Victimology 4: 79-150.
- Hofman, H. (1991). ‘Onveiligheid als stedelijk probleem’. Panopticon: 575-591.
- Loosveldt, G. & W. Storms (2003). ‘Peilen in Vlaanderen. De houding van de Vlaming t.a.v. surveyonderzoek’. In: Administratie Planning en Statistiek. Vlaanderen gepeild! Studiedag 6 mei 2003 Brussel. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
- Mary, P. & P. Matthieu (2000). ‘Insécurité et délinquence urbaine. Effets réducteurs d’un discours en expansion,’ Custodes 2 (2): 131-150.
- Pleysier, S., G. Vervaeke & J. Goethals (2001a). ‘Veiligheid: enkele theoretische en (macro)sociologische beschouwingen’. In: Casselman, J. e.a. (eds.). Veiligheid, een illusie? Theorie, onderzoek en praktijk. Brussel: Politeia.
- Pleysier, S., G. Vervaeke, J. Goethals, C. Peeters & B. Verbeeck (2001b). ‘Over onveiligheid en onzekerheid’. Samenleving en politiek 8 (2): 26-34.
- Pleysier, S., G. Vervaeke & J. Goethals (2002a). ‘Het ‘onveiligheidsgevoel’ onderzocht. Groeipijnen van een onderzoekstraditie in wording’. In: Beyens, K., J. Goethals, P. Ponsaers & G. Vervaeke (Eds.). Criminologie in actie. 189-206. Brussel: Politeia.
- Pleysier, S., G. Vervaeke & J. Goethals (2002b). De relatie tussen ‘angst voor criminaliteit’ en ‘leeftijd’ breedmaatschappelijk bekeken. Ouderenrechten in de 21ste eeuw: ‘Recht op veiligheid’. Tijdschrift voor Welzijnswerk. 26, 242, 30-43.
- Walgrave, L. (1998). ‘Straatcriminaliteit en preventie: tussen welzijn en veiligheid’. In: Raymaekers, B. & A. van de Putte (eds.). Denken voor Morgen. Lessen voor de 21e eeuw. Leuven: Universitaire Pers Leuven.

onveiligheid - criminaliteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 32 tot 39