Log in

Werken aan duurzame ontwikkeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 26 tot 37

Duurzame ontwikkeling, sociaal verant­woord ondernemen, duurzaam investeren of ethisch beleggen zijn uitdrukkingen die de aandacht en het klimaat in het begin van de 21e eeuw lijken te bepalen. Bedrijfs-, par­tij- en rege­ringsleiders, ngo’s en supranatio­nale in­stellingen en bankiers hebben ze zich eigen gemaakt. Niemand is vandaag tegen meer duurzaamheid. Al kan de invul­ling van die termen soms verschil­len en tot spraakverwarring leiden. Belgische politici maakten reeds aanstalten om het gebruik van het woord duurzaam aan regelgeving te onderwerpen, in het bijzonder duurzaam of ethisch beleggen. En een academicus roept de financiële overheid op om op te treden teneinde het morele gehalte van duurzaam beleggen te waarborgen.1 Wat te denken van een overheidsin­terventie om de betekenis van duurzaam en ethisch in te vullen, bijvoorbeeld via de regu­le­ring van wat kan doorgaan als ethisch beleggen?

In een eerste hoofdstuk geef ik principiële en praktische bezwaren tegen een dergelijke betekenisregulering door de overheid en toon ik dat ze het spook van oneindige controlereeksen oproept. In het daarop volgende deel formuleer ik een verantwoording voor dit standpunt vanuit observaties over het functioneren van duurzame ontwikkeling. Daarna schets ik een mogelijke aanpak die een dynamische op­lossing kan bieden voor de impasse van spraakverwarring en ook kan bijdragen tot het vermijden van oneindige controlereeksen die het gevolg kunnen zijn van regulering.
In een nabeschouwing, tenslotte, ruim ik een mogelijk misverstand uit de weg.

Overheidsreglementering van duurzame ontwikkeling?

Principiële bezwaren

Termen zoals bio-, appellation contrôlée of made in … zijn vrij ge­makkelijk te reguleren. Ze verwijzen naar een waarneembare realiteit waar­over afspra­ken zijn gemaakt. Ze hebben betrekking op eigen­schappen en criteria die al dan niet aan­wezig zijn in het pro­ductieproces. We blijven gemakkelijk de relativiteit van de betekenis en het con­cept beseffen. Regulering onder de vorm van beteke­nisafspraken en con­trole zijn zinvol ter bescherming van de consument. De consu­ment kan zich vergewissen van de in­houd van de term of het label en dankzij de controle is hij zelf ontslagen van de last om product per product de produc­tiewijze, de herkomst, enzovoort te controleren. Maar duurzaam lijkt een predikaat van een ander type te zijn. Het verwijst niet naar een waarneem­bare realiteit, noch naar een te con­troleren productieproces. Stellen dat iets bijdraagt tot DO (duurzame ontwikkeling), dat iets sustainable is of sociaal ver­antwoord, is veeleer een claim over ont­wikkelingen in de toekomst en over de appreciatie door anderen. In die zin heeft duurzaamheid meer gemeen met woor­den zoals geluk, voorspoed, welzijn en dergelijke. Niemand is tegen méér geluk, maar over wat geluk is, wat er toe bijdraagt en wat er de voorwaar­den van zijn, lopen de meningen al eeuwen­lang uiteen. Of men akkoord is met een claim dat iets duurzaam is of bijdraagt tot duurzaam­heid, hangt af van zijn levens- en maat­schappijbe­schouwelijke opvattingen en van de stand van de wetenschappelijke in­zichten. Democrati­sche samenlevingen zijn herkenbaar aan een publiek plura­lisme inzake beschou­wingen en aan we­tenschappelijk debat. En we weten dat zowel levensbeschouwingen en weten­schap­pelijke inzichten feilbaar zijn en aan evolutie onderhevig. Het gaat er dus niet zozeer om wat duur­zaam is, maar om wat we zelf duurzaam vinden of wat we voorlopig als duurzaam aanvaarden.

Als dat zo is, lijkt regulerende overheids­tus­senkomst over de betekenis van duurzaam niet echt wenselijk. We voelen dit des te sterker aan bij de uitdrukking ethisch beleg­gen. Een overheid die het gebruik of de crite­ria voor ethiek op een op­sommende of voor­schrijvende wijze zou reglementeren, over­schrijdt toch enigs­zins haar democratische limieten. Bur­gers, cliënten en aanbieders mogen zelf uitmaken en communiceren wat zij duur­zaam of ethisch vinden en hoe zij daarbij te werk gaan. Een­heid van betekenis zal daardoor niet ontstaan, maar dat is ook niet nodig of zelfs niet wenselijk. Dat er een goed geïnformeerde dialoog en vrij we­tenschappe­lijk onderzoek plaatsvindt, lijkt alleszins veel belangrijker.

Praktische bezwaren

Regulering van de betekenis van woor­den als duurzaam en geluk is overigens steeds on­machtig in de zin dat wie een andere beteke­nis nastreeft dan deze welke door de overheid werd voorgeschreven, steeds een ander woord kan be­denken of inzetten. De overheid kan vanzelfsprekend daarop opnieuw reageren met regulering. De verschillende overheden kunnen van­zelf­sprekend wel publiek maken welke betekenis zij hechten aan duurzame ont­wikkeling en welke rol zij daarin prioritair voor zichzelf zien weggelegd als klant en als producent van diensten en publieke goederen. Het is mogelijk dat deze opvatting ver­schilt van bestuurscoalitie tot bestuursco­alitie en van de ene economische omgeving tot de an­dere. Dat is op zichzelf helemaal niet erg. Maar het lijkt wel een reden te meer voor een demo­cratische overheid om zich te onthou­den van het invoeren van univer­sele definities via re­glemente­ring, minimumnormen en an­dere technie­ken. In het andere geval komen we mo­gelijk terecht in een poel van regle­mente­ring die al dan niet een aanvaardbare mate van samenhang en eenvoud be­houdt. Indien niet, wordt van de weeromstuit de rechtse roep naar een kordaat tabula rasa weer heel wat luider. Een bijkomende overweging is de vrees dat, door inhou­delijke definities te fixeren, de ontwikke­ling zelf wordt gehinderd. Spon­taan zal men immers meer geneigd zijn aan te ne­men dat er zoiets als duur­zaamheid gege­ven is, dat je het kan waarnemen en dat daar­mee de kous af is. Men gaat een ontwik­ke­lingspad op zonder nog acht te slaan op de alternatie­ven die zich onder­weg voordoen. En dat zou zonde zijn, want daarvoor is duur­zame ont­wikkeling te belangrijk.

En misleiding of vergissing dan?

Tegen misleiding mag en moet de overheid optreden, zelfs volgens zeer markt­georiënteerde liberalen als bijvoor­beeld Hayek.2 Maar wat is in deze materie mislei­ding of vergissing? Ongerechtvaardigde claims van be­drijven dat ze iets zus of zo ethisch doen? Zeker en vast. Ongerechtvaar­digde claims van normenverkopers dat zij dit ook vastgesteld heb­ben? Zeker en vast. Ongerecht­vaardigde claims van fondsenbeheerders dat zij alleen in die bedrijven investeren? Zeker en vast. On­gerechtvaar­digde claims van accountants en reviso­ren en labelinstellingen die dat beves­ti­gen? Zeker. Etcetera, ad infinitum. Fraude of misleiding, slordigheid of vergissing is op al deze niveaus mogelijk. Ons vermogen om te twijfelen is oneindig, onze mogelijkheden tot controle zijn dat niet. Deze reeks van twijfels moet dus ergens op­houden. En wel bij kritisch vertrouwen. Dat wordt geboren in onderwijs dat kritische burgers en consumenten voortbrengt, die twijfelach­tige claims herkennen en vaagheid afwijzen. Het ontstaat ook in het honore­ren van con­tracten naar de letter en de geest en indien niet in onbe­sproken rechtspleging. In vrij on­derzoek en vrije pers; in democratische verte­gen­woordiging en in de toenemende transpa­rantie die zowel overheid, bedrijfsleven als ngo’s waarmaken en ondergaan. Zodat ie­ders verplichting om wanneer hij duurzaam­heid of duurzame ontwikkeling of ethisch ge­bruikt, zelf ook uit te leggen en te tonen wat hij daaron­der verstaat en hoe het werkt, een beleefde evidentie blijft. De gesprekspartner dient te beseffen dat hij ten allen tijde gerechtigd is om hierover opheldering te vragen.

Een definitie van duurzame ontwikkeling?

Analyse

Er circuleren vele definities van DO. De meest geciteerde is deze uit het Brundtland-rapport dat naar de voorzitter van de Wereldcommissie over Milieu en Ontwik­keling uit 1987 werd genoemd:
Die ontwikkeling waarbij aan de huidige behoeften wordt voldaan zonder dat dit het vermogen van de toekomstige generaties om aan hun behoeften te voldoen, in gevaar brengt.3
Tal van varianten en alternatieven zijn in omloop. Bijvoorbeeld in de Milieukrant Antwerpen lezen we: ‘duurzame ont­wikkeling komt tegemoet aan de behoeften van de huidige generatie zonder de toekomstige genera­ties in gevaar te brengen’.4 De concrete interpretaties die men aan de definitie verknoopt zijn zeer uiteenlopend. De interpretatie van de Milieukrant heeft een ecologisch-biologische strekking. Want het in gevaar brengen van de toekomstige generaties, van de soort, is enkel te begrijpen als het in de waagschaal leggen van het bestaan van die generaties door bijvoorbeeld grondige aantasting van het genetisch materiaal, van het leefmilieu en van de hulpbronnen. De Milieukrant vermeldt ter verduidelijking alleszins het ‘snel verdwijnen van de energiebronnen’. In de Sociaal Economische Nieuwsbrief verwijst de definitie naar de verzoening tussen rechten, namelijk het recht op economische vrijheid en het recht op een gezond leefmilieu (blz. 35). De auteur stelt dat duurzame ontwikkeling een totale en minutieuze mentaliteitswijziging inhoudt (blz. 36). We vinden hier ook het concept van een evenwicht, namelijk het krachtsevenwicht tussen de maatschappelijke groepen die deze respectieve rechten prioriteit geven boven andere. De Commissie van de EG gaat er in haar Werkdocument vanuit dat er tenminste twee belangrijke uit­gangspunten zijn (blz. 8). Ten eerste dat ontwikkeling een economische, een sociale en een milieu­dimensie heeft en dat deze bij DO in evenwicht zijn. Ten tweede dat de huidige generatie tegenover toekomstige generaties de plicht heeft om het sociaal, economisch en milieupo­tentieel in een zodanige staat achter te laten dat zij een minstens even hoog welvaartspeil kunnen bereiken als wijzelf. Voor de Commissie is welvaart, dus objectieve materiële rijkdom, het uiteindelij­ke doel. Een sociaal, economisch en milieupotentieel zijn de startvoorwaarden voor de economie van de volgende generaties. Tegelijkertijd stelt de Commissie (blz. 7) dat DO ‘in wezen niets anders is dan het zorgdragen voor een betere levenskwaliteit voor de huidige en toe­komstige generaties.’ Een en ander is niet in tegenspraak. De tendens tot DO in het bedrijfsleven en a fortiori de bedrijfsethische component daarvan is in wezen niets meer dan het logische vervolg van de tendens naar kwaliteit voor de cliënt. Het gaat nu niet enkel meer over het tegemoetkomen aan de verwachtingen van de cliënt over het product of de dienst. Maar nu ook aan diens, weliswaar minder uitgesproken, verwachtingen over de kwaliteit van de wijze waarop het product tot stand komt, over de on­bedoelde en soms ongewenste neveneffecten, over het ecologische en sociale comfort van het productieproces.5 Als bijdrage aan de eigen levenskwaliteit, respectievelijk die van de medeburger, is dat ruimer dan de vroegere bijdrage aan de consumptiekwaliteit alleen. Het is tegelijk ook het logische verlengde ervan. In ieder geval is levenskwaliteit ruimer dan welvaart en heeft het zowel een ob­jectieve als een subjectieve dimensie, wat dan bij gevolg ook geldt voor DO.

Niet alleen zijn er vele definities van DO in omloop. De meest geciteerde definitie roept bij de ene harde ecologisch-biologische voorwaarden op; bij de andere de verzoening van rechten en bij nog een andere valt ze uiteen in een erkenning, een tweede definitie met de vermelding van een diachrone plicht rond welvaartsniveau en verwijst ze naar welbehagen. In plaats van deze inhoudelijke interpretaties aan te vullen met nog een andere, wens ik deze definitie al vragend te benaderen.

Is deze DO wensbaar?

Ja, ze is in zeer hoge mate wensbaar. Ze appelleert aan de wens van iedere ouder dat zijn kinderen het op zijn minst even goed hebben als hijzelf. Ze appelleert aan onze primaire verantwoordelijkheidszin: ‘alles netjes achterlaten voor wie er na ons komt.’ Ze appelleert aan onze zin om kwaliteit te kopen en te genieten: goederen die lang meegaan, degelijk en betrouwbaar zijn. Ze antwoordt op ongerustheid over de ecologische en sociale evolutie zonder daarom onmiddellijk dramatiserend of alarmistisch te klinken; ze is bekommerd, maar opti­mistisch. Bovendien suggereert ze evenwicht, harmonie en rust en verwijst ze tegelijkertijd toch naar vooruitgang. En onmiskenbaar geeft ze door haar plechtige bewoordingen de indruk boven een tijdelijk modieus streven verheven te zijn. Vele mensen scharen zich dan ook achter deze idee: ze wensen meer duurzaamheid. Daarom wordt DO het grote, onvermijdelijke avontuur van de komende decennia. DO is een modernisme, het is de vlag voor een nieuw groot verhaal in de traditie van de Verlichting. Of kan dat worden, indien niet te snel tot reguleren wordt overgegaan.

Is deze DO meetbaar?

Neen, ze is in het geheel niet meetbaar. We kunnen niet meten hoe talrijk de toekomstige generaties zullen zijn en vooral niet hoe dichtbevolkt ze zullen zijn. Of beter misschien: we weten niet hoe dichtbevolkt die zullen willen of kunnen zijn.6 Bijge­volg hebben we geen maatstaf om te meten of we een concrete gedragslijn kunnen aanmerken als bijdrage in DO dan wel moeten beschouwen als een overdrijving in één of andere zin. We kennen evenmin de behoeften van de toekomstige generaties. Enerzijds is er een min of meer biologisch gegeven dat elke individuele mens zuivere lucht, proper water en een veilig mi­lieu op prijs stelt en nodig heeft. Anderzijds stellen we toch maar vast dat de huidige generatie bereid is heel wat zuivere lucht op te offeren aan comfortabele, private of snelle mobiliteit. En dat consu­menten aarzelend reageren op het aanbod van biologisch gezond voedsel en eerlijke producten.
Bovendien spelen fenomenen als relatieve deprivatie, verschuiving van de pijngrens en civilisatie. Relatieve deprivatie duidt op het verschijnsel dat of men zich tekortgedaan voelt, afhangt van het refe­rentiepunt van de vergelijking. Het westerse leefmilieu, in brede zin, is argumenteerbaar meer gezond dan ooit voorheen, want wij leven veel langer dan onze grootouders. Of: het leefmilieu is achteruitgegaan, want er zijn veel minder bossen dan vroeger. Het hangt er dus maar van af hoe je dit wil bekijken. Een onmiskenbaar voorbeeld van verschuiving van de pijngrens is deze voor zweet en lijfgeur. De Westerse stedeling uit de middenklasse neemt dagelijks op z’n minst één douche, de plattelandsbewoner van vijftig jaar geleden kon heel wat meer van zijn medemens en van zichzelf verdragen. Dit voorbeeld sluit aan bij de civilisatietheorie van Norbert Elias.7 Volgens die theo­rie gaat een steeds hoger niveau van geïnternaliseerde gedragsregulering en etiquette gepaard met een toenemende pacificatie van het maatschappelijk verkeer en met een groeiend vermogen om systemen te zien en te beheren. De toename en de internalisering van de discipline inzake properheid, is een andere zienswijze op het verschuiven van een pijndrempel. Men zou ook kunnen betogen dat het discours over DO zélf een manifestatie is van toenemende civilisatie. Het bewustzijn over de toenemende interdependentie tussen verre gebeurtenissen in het wereldsysteem is er immers zeer uitdrukkelijk in aanwezig.8 Maar, indien zo, maakt dat deze definitie niet beter meetbaar.

Is deze DO weetbaar?

Neen, met deze definitie weten we niet of we met DO bezig zijn. Dat volgt uit wat hierboven gezegd is over de meetbaarheid. Bovendien weten we het ook niet omdat we zelfs niet weten wat de huidige generatie precies wil. Er is een grote mate van onenigheid over allerlei relevante aangelegenheden en niet in de laatste plaats over de definitie van DO zelf. Nog afgezien van het feit dat we enkele essentiële zaken over duurzaamheid niet weten, is er de prin­cipiële voorlopigheid van wetenschappelijk inzicht en van de technologie. De wetenschaps­filosofie en -geschiedenis van de twintigste eeuw geven heel duidelijk aan dat onze kennis steeds hy­pothetisch is, foutief, steeds gebonden aan kenperspectieven en dus onvermijdelijk partieel en onvolledig. Het besef daarvan volstaat om kritisch en enigszins terughoudend te reageren op luide claims dat deze of gene maatregel DO bevordert. En ten aanzien van de stand en de ontwikkeling van de technologie en onze mogelijkheden om efficiënter om te gaan met (nieuwe) grondstoffen zijn er optimisten en pessimisten. Concreet betekent dit dat wanneer we menen een onderdeel van DO te meten, we helemaal niet zeker zijn dat we juist zitten en het volledige beeld hebben. Wel integendeel. Het betekent ook dat we niet weten welke mate van bewegingsvrijheid we hebben. Want onze huidige bewegingsvrijheid hangt af van de toekomstige technologie en van de timing daarvan.

Is deze DO haalbaar?

Of iets haalbaar is, kan men op drie verschillende manieren beantwoorden. Een: als onder de huidige omstandigheden niet realiseerbaar. Ja, het lijkt er inderdaad op dat onder de huidige omstandigheden geen realisatie van DO mogelijk is. De wereldbevolking groeit nog steeds; de economische crisis zorgt voor arbeidsuitstoot en sociale afbraak; de bereikbare water­voorraden slinken in een dramatisch tempo; mondiale consensus over leefmilieu en vrede lijken ver weg. Neen, er wordt werkelijk vooruitgang geboekt, want het bewustzijn dat er iets moet worden ondernomen neemt toe en op allerlei domeinen zijn we reeds aan het werk gegaan. Maar verschillende krachten werken niet of onvoldoende mee. In het andere geval zouden een aantal schrijnende toestanden niet meer bestaan.
Twee: als principieel niet haalbaar, omdat de condities ervan nooit zullen gerealiseerd zijn. Dat is moeilijk om uit te maken. Utopisten van allerlei strekking hebben instellingen geschetst die DO zouden kunnen beheren. Maar dit denken loopt het risico uit te monden in de idee om zowat alles wetenschappelijk te meten, te plannen en te beheren. En dat is mogelijk te hoog gegrepen en zelfs een gevaarlijke illusie met onprettige gevolgen voor individuele vrijheden. Want ‘wie zijn de eersten geweest om te verklaren dat naarmate de beschavingsvormen gecompliceerder worden, de vrijheid van het individu beperkter moet worden?’9
Drie: als niet realiseerbaar, omdat, wanneer de condities gerealiseerd zijn, het niet blijkt te werken. In sterke zin, is dat vanzelfsprekend het geval voor DO volgens de Brundtland-definitie. Want elke realisatie, elke consumptie of productie verbruikt materiaal en verandert toestanden, sluit dus alternatieven uit en legt daarmee beslag op een reeks van mogelijkheden die nadien ter beschikking zouden zijn geweest voor onszelf en voor de volgende generaties. Dat is een metafysische benadering, maar ze is nuttig om ons tot realisme te brengen. In een zwakkere zin is DO wel haalbaar, namelijk als eenvoudige reproductie. Eenvoudige economische reproductie van de samenleving is haalbaar in deze zin, want gedurende eeuwen heeft ze zich voorgedaan. Maar de herinstallatie van een samenleving die zich reproduceert zonder te groeien, zal niet enkel een ‘totale en minutieuze mentaliteitswijziging’ vragen. In tegenstelling tot vroeger komt daar nu bovenop: een zéér sterk centraal gezag, planificatie, monitoring en controle om alles in goede banen te leiden. Als zoiets al realiseerbaar is, is het de vraag of het wel wenselijk is en niet botst met aspiraties van individuele vrijheden. Daarnaast is het veel minder gemakkelijk zich voor te stellen hoe we ontwikkeling op cultureel en wetenschappelijk-technologisch vlak zouden kunnen combineren met eenvoudige economische reproductie. Enkel een kleine minderheid is ideologisch bereid om een stagnatie in die sferen te accepteren.
De haalbaarheid van DO is dus twijfelachtig in de drie perspectieven.

Is deze DO afgrensbaar?

Neen, ze is helemaal niet afgrensbaar. Alle ontwikkelingen, situaties, eigenschappen en gedragingen kunnen en worden ook daadwerke­lijk belicht, getoetst, geëvalueerd in het licht van duurzaamheid. Keuze van vervoermodus, inrichting van kantoor en woning, verpakking van voedsel, toegankelijkheid van informatie, openbaarheid van bestuur, enzovoort. Vanzelfsprekend, want alle activiteiten, toestanden en voorwerpen hebben een economische, ecologische en so­ciale dimensie. Bijgevolg is duurzame ontwikkeling een totalitair concept in de letterlijke zin: er is geen grens aan de toepassing ervan. Dat is ook zo met geluk. Van al mijn activitei­ten, omstandigheden, gedragingen, bezittingen en relaties kan ik mij afvragen of en in welke mate ze tot mijn geluk bijdragen.

Is deze DO verstaanbaar?

Ja, maar zeer gebrekkig. Welke behoeften? Welke generaties? Welke ontwikkeling? Precies door de combinatie van hoge wensbaarheid, niet-afgrensbaarheid en geringe verstaanbaarheid is iederéén voor DO. Maar daardoor is ze niet voor iedereen hetzelfde en ontstaat er spraakverwarring. Het is daarbij echter niet nodig dat iemand zijn interpretatie van een definitie bij wet begint te verspreiden. Ik geef hieronder een schets van alternatief.

Is deze DO hanteerbaar?

Ja, ze is zeer hanteerbaar. Ze werkt nu reeds om tal van mensen tal van zaken te laten doen en laten. Ze werkt, aldus sommi­gen, ook als schuilplaats om niéts te doen. Want ze is dermate algemeen dat ze is opgenomen in het discours van zowat alle bedrijven, partijen en organisaties zonder dat er aan hun praktijk of visie iets veran­derd is.10 Deze definitie leent zich dus uitstekend tot positionering met holle woorden en lege frases.

Is deze DO contesteerbaar?

Neen, ze is niet contesteerbaar. Niemand kan er tegen zijn. Daarom is ze zo gevaarlijk want zo hanteerbaar als mobilisatievehikel. Elke concrete invulling ervan is daarentegen wel contesteerbaar. Vandaar dat we hoger stelden dat iedereen die een claim doet in naam van DO, dient uit te leggen wat hij precies bedoelt.

Verspreiding

Nog los van bovenstaande vragen zou een definitie door de overheid een voorschot zijn op een eventuele consensus, want een consensus bestaat op heden niet.

In de wetenschappen

Het zou niet erg zinvol zijn ons uit te putten in de demonstratie dat men het in de ecologische, socio-economische, filosofische en ethische vakliteratuur niet eens is over een invulling. Dat mag reeds blij­ken uit de drie types van invulling die ik hierboven citeerde. Maar ook geldt in het algemeen dat wetenschappers de plicht hebben het onderling oneens te zijn, nieuwe vragen te ontwikkelen, elkaars hypothesen in vraag te stellen en de methodologische degelijkheid van onderzoek te bekri­tiseren. Dat is hun bestaansreden, hun functie, en dat is een goede zaak. Ook is het de functie van lobbyorganisaties dienst te doen als onderzoeker, antenne en opinievormer voor toekomstige belangenconstella­ties en werkingscontext voor de achterban. Dat is eveneens een goede zaak want het is anticiperend gedrag. Eén van de problemen rond DO, lijkt overigens precies dat het niet steeds mogelijk is beide vormen van onenigheid uit elkaar te houden. Veel wetenschappelijk onderzoek gebeurt in functie van opdrachtge­vers; belangenorganisaties voeren vaak een verfijnd wetenschappelijk discours dat nauwelijks ‘van echt’ is te onderscheiden.

In de samenleving

De afwezigheid van consensus blijkt ook uit onderzoek van de Belgische Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling. Het onderzoek wenst de kennis van, de opvattingen over en handelswijzen van de bevolking rond DO in kaart te brengen.11 De onderzoekers delen de populatie op in drie groepen (blz. 3-4). De primaire actoren zonder welke het implementeren van een politiek inzake DO niet mogelijk is: politici, bedrijfsleiders, vakbondsleiders en kaders van NGO’s. De secundaire actoren kunnen de eerste groep helpen of tegenwerken: bijvoorbeeld journalisten. De derde groep wordt gevormd door hen die niet direct zijn betrokken bij de politiek, maar die er de breedste sociale ondersteuning aan kunnen geven; dit is de bevolking.12 De onderzoekers stellen vooraf dat in de resultaten van de enquête tegenstrijdigheden aanwe­zig kunnen zijn. Ze hadden dit verwacht, want ‘duurzame ontwikkeling is een zeer complexe problematiek waarbinnen allerlei maatschappelijke thema’s en vragen naar voren worden geschoven. Het is normaal te noemen dat men binnen de bevolking geen volledig coherente en eenduidige visies over gans de lijn terug vindt’ (blz. 20). Van primaire en secundaire actoren vernemen de enquêteurs de kritiek dat ‘duurzame ontwikkeling als concept te vaag en te breed is’ (blz. 159). Deze respondenten hebben het meestal niet makkelijk met het formuleren van een omschrijving voor DO (blz. 151). Het blijkt dat sommigen onder hen spontaan de Brundtland-definitie kunnen geven, maar dat ze die op verschillende wijze interpreteren (blz. 151). Dus de toekomstige generaties zullen het niet noodzakelijk eens zijn met onze prognoses over hun behoeften en een Chinese boer heeft allicht een totaal ander beeld van de behoeften van zijn generatie dan u of ik, die het overigens onderling ook wel niet helemaal eens zullen zijn.

Conclusie

DO verwijst naar een idee die we misschien best kunnen beschrijven als maatschappelijk geluk. En net zoals voor het individuele geluk, bestaat er geen duidelijkheid over waarin en hoe maatschappelijk geluk dan wel bestaat. De vragen en de summiere analyse geven de verantwoording waarom het niet wenselijk is dat de overheid een wettelijke definitie creëert. Want ofwel is een dergelijke bepaling behept met de bezwa­ren van niet-meetbaarheid, niet-weetbaarheid en de andere die we opsomden. Ofwel neemt ze een voorschot op een maatschappelijke en wetenschappelijke consensus die nog moet komen. Men wenst in voorkomend ge­val de bevolking te vertellen wat DO is, in plaats van haar dat te vragen na het verstrekken van relevante en begrijpelijk voorgestelde informatie. Tegen de achtergrond van de feitelijke opinies is het evenmin wenselijk dat de overheid snel een definitie geeft. Ofwel is die te vaag en dan draagt ze niets bij. Ofwel is die te concreet en dan helt ze over in de richting van deze of gene maatschappelijke groep, zodanig dat anderen ze zullen contesteren. DO vertoont sterke overeenkomsten met geluk zoals Aristoteles dat beschouwt.13 Geen mens die bij zijn gezond verstand is en welgevormd van karakter kan minder DO wensen. Ieder weldenkend mens streeft naar het geluk. Het is een soort van laatste doel waarvoor we al de andere dingen doen die we doen, tenminste als we verstandig zijn en een welgevormd karakter hebben. Maar zelfs dan zijn we het niet noodzakelijk met elkaar eens over de prioriteiten en over de beste ma­nier van aanpak. Want algemene regels zijn er daarbij niet. Elke beslissing is gebonden aan een specifieke situationele context. Noch vanuit een definitieanalyse, noch vanuit de feitelijke constellatie van opinies lijkt het aangewe­zen om een definitie bij wet op te leggen en te verspreiden. Een overheid heeft geen bijzondere toegang tot de waarheid, de wenselijkheid of de toe­komst. Bovendien wordt de overheidspolitiek dankzij het mechanisme van verkiezingen periodiek door andere belanghebbenden geformuleerd, wat rechtlijnigheid niet noodzakelijk ten goede komt.

Wat te doen?

Ik heb geargumenteerd dat een definitie van DO geen antwoord geeft op een aantal voor de hand liggende vragen. Daarnaast heb ik getoond dat het concept zeer uiteenlopende invullingen krijgt die niet enkel inhoudelijk verschil­len, maar ook qua genre en prioriteiten. Mogelijk klinkt het als een uitnodiging tot immobilisme. Maar daar is helemaal geen reden toe. Het tegendeel is waar.

Het genre van de begrippen verduidelijken - een conceptueel kader schetsen

Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling in de richting van duurzaamheid. Duurzaamheid is de situatie zoals die beschreven is in de Brundtland-definitie. Duurzaamheid is dan een regulatief idee. Dat is een idee, een meer of minder gearticuleerde voorstelling waarvan we zeker zijn dat ze nooit werkelijkheid zal worden. Een regulatief idee zal altijd een ideaal blijven dat we van hieruit steeds verder benaderen maar waar we nooit dichterbij komen. Intussen richt deze idee wel ons handelen. Het gaat daarbij om een asymptotische benadering zoals we die kennen in de wiskunde. Net zoals in de wiskunde zijn er in de realiteit meerdere paden of functies die een asymptotische benadering geven. Dit is een metafoor om aan te duiden dat we ge­confronteerd zijn met historisch en ruimtelijk verschillende vertreksituaties, met verschillende wegen om een zelfde doelstelling te benaderen, enzovoort. Hoe weten we nu of we ons feitelijk handelen in zo’n asymptotische benadering kunnen inschrij­ven? Op een dergelijke vraag bestaan meerdere genres van antwoorden. Men kan een erkenningprocedure bedenken, men kan waarneembare indicatoren vastleggen en meten, men kan concrete regels opleggen, enzovoort. Eén genre van antwoord is filosofisch van aard en beschrijft de ethiek van een proces. Het stelt dat beraadsla­ging en rationele dialoog nodig zijn. Rationele dialoog is gesprek volgens bepaalde spelregels: weten­schappelijke input gebruiken, logisch zuivere argumentatie aanvaarden, kritiek op methodes en uit­gangspunten toelaten, geen dwang inzetten. Rationele dialoog is een ethische aangelegenheid: de regels beperken de vrijheid van meningsuiting niet en ze laten iedereen toe tot de dialoog; ze leggen enkel een niveau van kwaliteit en respect vast. Deze rationele dialoog vindt geordend plaats tussen de belanghebbenden of stakeholders bij een bepaalde acti­viteit.14 Het voordeel van dit antwoord is dat het overal kan worden toegepast, mits aan de context aangepaste afspraken. Het kan en wordt gepraktiseerd binnen en tussen gezinnen, verenigingen, bedrijven, overheden en ngo’s. Er is dan nog steeds geen eenheid van betekenis maar het is evenmin nodig dat iemand bij wet een (deel van of soort van) definitie begint in te vullen. Het volstaat om een gespreksregel in te voeren die zowel ethisch als procedureel logisch van aard is. Ieder die iets claimt in naam van of over DO, dient uit te leggen wat hij onder DO verstaat en hoe hij daarin wenst bij te dragen. De stakeholders kunnen dan uitma­ken wat zij daarover vinden. Verstaanbaarheid is gegarandeerd door deze gespreksregel.
Een optimistische voorspelling is dat dit proces méér zou of zal opleveren dan een loutere vertaling van de klassieke opstelling van de vertrouwde belangen van werknemers-werkgevers-ecologisten-overheden-bedrijfsleiders-landbouwers-consumenten naar een duurzaamheidsdiscours. Er zal integendeel een verandering in het denken optreden die groter is dan het effect van een vertaling op zich. Want ten eerste is in duurzame ontwikkeling de notie lange duur besloten. Daardoor lijkt het discours een breder perspectief te vereisen dan dat van een volgende CAO-ronde, een vol­gende verkiezingsronde, de volgende begrotingsronde, de volgende kwartaalresultaten en de volgende beurshausse. En ten tweede impliceert ze dat er dialoog plaatsvindt over de toekomstige levenskwaliteit op drie dimensies tegelijk, namelijk economisch, ecologisch en societaal. Op heden hebben de dialogen vaak een ééndimensionale focus.

Door de overheid

De overheid kan in dit genre van duurzaamheidconcept verschillende activiteiten opnemen, waaron­der ook activiteiten met een regelgevend karakter. Vaak doet ze dit al.
. De overheid zorgt voor verdere pacificatie van de samenleving. Ze dringt geweld terug door het vestigen van geweldmonopolie in eigen hand en ze maakt daarvan een zuinig gebruik.15
. Als ze reglementerend zou optreden, vaardigt de overheid een procesmatige definitie van ‘bijdragend tot DO’ uit. Ze omschrijft de rol van stakeholders en ze omschrijft gesprek- en beroepsregels. Ze onder­steunt daarnaast het feitelijke gebeuren van de dialoog.
. De overheid creëert de mogelijkheidsvoorwaarden voor de processen van DO die zich in de maatschappij afspelen.
. Zij verstrekt democratisch toegankelijk onderwijs dat opvoedt tot kritische, nieuwsgierige, intel­lectueel competente burgers en consumenten.
. Zij zorgt ervoor dat er vrijheid van meningsuiting is, vrijheid van pers en vrijheid van levensbe­schouwing.
. Zij zorgt er voor dat er onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt in alle discipli­nes.
. De overheid stelt in haar rol van ondernemer voor zichzelf een omschrijving van haar bijdrage in DO op. Dat is daar waar zij een ambtenarenapparaat, een machinepark, enzovoort inzet om een welbepaald doel te verwezenlijken. Hieronder ressorteren concrete kwesties zoals: hoe pakt zij de inspraak van de ambtenaren-medewerkers over de werkorganisatie aan? Welke criteria respecteert zij bij de aankoop van goederen en bij de inzet van materialen? Hoe leeft zij haar con­tracten met leveranciers en klanten na? Welke kwaliteit mag een burger van het gerechtelijk apparaat verwachten? Installeert zij snel dodehoekspiegels wanneer dit con­cept het licht ziet? In welke mate organiseert zij relevante transparantie voor haar stakeholders?
. De overheid legt minimale materiële standaarden op over producten, materialen, productiewijzen, enzovoort. Maar enkel op voorwaarde dat alle stakeholders het na rationele en publieke dialoog eens zijn dat het minimum juist gekozen is en op voorwaarde (maar deze lijkt reeds besloten in de voor­gaande) dat er een zo breed mogelijk level playing field tot stand komt.16
. De taken die haar bij consensus toekomen.

Door de andere agenten

De burgers, bedrijven, verenigingen hebben het recht om zich uit te spreken over DO en om voor zich uit te maken wat daartoe bijdraagt en wat niet. Of ze daartoe ook de plicht heb­ben, beslist ieder voor zichzelf. Iedereen dient wel te beseffen dat er een proces aan de gang is waarbij de minimale materiële standaarden voor productiewijzen, producten en consumptiewijzen worden opgetrokken, rantsoenering in het verschiet ligt, enzovoort. Alle consumenten, burgers en pro­ducenten hebben er dus belang bij dat ze er mee over nadenken en een beschaafde mondigheid ontwikkelen. Zo vergroten ze hun kans dat de lat komt te liggen waar hun dat passend lijkt. Het toenemen van dialoog binnen al de genoemde contexten is een proces dat aan de gang is. De toegenomen mondigheid is een feit in alle sociale contexten. En hoewel deze ontwikkeling vanzelfsprekend nog niet overal even ver staat, is ze zowat overal ter wereld van start gegaan.

Geluk?

Mogelijk is hierboven de indruk gewekt dat individuele participatie aan DO een vorm van persoonlijk geluk zou uitmaken, aangezien DO als verwezenlijking van maatschappelijk geluk wordt beschouwd. In zekere zin is dat het geval en in zekere zin niet. Bijdragen aan DO is de handelende vorm van het individuele geluk. Slechts geluk van de eerste vorm, zeg maar. Het is zo dat we, wanneer we handelen, we prijzenswaardig en fier zijn als ons handelen niet in tegenstrijd is met DO. Want wanneer ons handelen zich binnen een DO situeert, is het succesvol en oogsten we erkenning, bewondering, legitimiteit en vaak ook inkomen bij onze stakeholders. Maar precies de vereiste om succesvol te zijn, brengt een zekere stress met zich. Elke handeling binnen DO staat immers in functie van wat na de handeling komt en wordt dus beoordeeld op haar resultaten en uitwendige ef­fecten. Ze kan dus ook falen of negatief uitpakken. En dat is zo in alle interpretaties van de Brundtland-definitie van DO want die definitie verwijst uitdrukkelijk naar twee re­sultaatsgebieden, namelijk naar het bijdragen aan de vervulbaarheid van behoeftes nu én later. Nu kunnen handelingen die intrinsiek feilbaar zijn en die of doordat ze ten dienste staan van iets anders dan het geluk van de handelende persoon zelf, niet het geluk van die persoon uitmaken. Bijdragen aan DO is dus niet het doel van de mens, niet het persoonlijke geluk.
Persoonlijk geluk is daarom in de eerste plaats geluk van een tweede vorm. Die vorm is niet bijdragen tot een of ander doel, maar wel het beoefenen van activiteiten zonder dat we dit doen omwille van de verdere resultaten ervan. We oefenen die activiteiten uit omwille van die activiteiten zelf. Zoals het beoefenen van sport omdat we dat plezierig vinden, het lezen van een roman omdat we die boeiend vinden, het bestuderen van weten­schappelijke theorieën omdat dit ons genoegen schenkt, wandelen omdat we graag wandelen en niet om op een bestemming te komen. Zoiets kan enkel binnen een sociale omgeving die voldoende gepacificeerd is en in een natuurlijke omgeving die voldoende comfort biedt. In het andere geval moeten we voortdurend energie wijden aan bewaking, verdediging, observatie en regulering. Aangezien we al deze laatste oneindig kunnen ontwikkelen, is het risico dat we nooit aan activiteiten omwille van die activiteiten zelf toekomen. Gelet op de aard van de respectieve activiteiten is duurzaam ontwikkelen dus veeleer een voorwaarde voor geluk dan dat ze er mee samenvalt.17 Maar ook voor voorwaarden geldt dat een definiëring niet vooraf kan gaan aan consensus.

Jos Leys 18
Filosoof

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ Zie De Financieel-Economische Tijd, 25/04/2003, p.9.
2/ F.A. Hayek, De weg naar slavernij, (1944), Amsterdam, 1985, blz. 122.
3/ Rapport van de WERELDCOMMISSIE OVER MILIEU EN ONTWIKKELING, voorgezeten door G.H. BRUNDTLAND, gepubliceerd als Our common future, Les éditions du Fleuve, Montréal/Québec, 1988. Zo overgenomen in ‘Duurzame ontwikkeling: meer dan ooit in de kijker’ in Sociaal-Economische Nieuwsbrief CRB, mei 2001, blz. 33-36. Idem COMMISSIE van de EG, Werkdocument van de Commissie, Discussienota over de opstelling van een EU-strategie voor duurzame ontwikkeling, 2001, blz. 7.
4/ Milieukrant Antwerpen, september 2002, blz. 4. Deze Milieukrant bevat tips over bijvoorbeeld het sorteren van afval en een frisse kijk op de schaarse natuurrijkdommen van de stad.
5/ In de kwaliteitsideologie vat kaizen, een Japanse term voor het voortdurend streven naar verbetering, de idee van oneindige vooruitgang naar een nooit te bereiken doel. De ethische component van de kwaliteitsideologie vinden we terug in het resultaat, namelijk tegemoetkomen aan of overtreffen van de verwachtingen van de cliënt. Want dat is een zaak van beloftes nakomen en goede afspraken maken. We vinden ethiek ook in het constructieproces van kwaliteit: in de kwaliteitsmethode zijn alle betrokken medewerkers rond de tafel verzameld en hebben zij een gelijk recht van spreken in de analyse- en oplossingfase. Het ethische aspect is gelegen in de gelijkwaardige posities in dit proces, los van de hiërarchische lijnen in het bedrijf. Voor kwaliteitsaanpak zie bijvoorbeeld Yves Van Nuland, Georges Broux, e.a., Doorbraak door uitmuntendheid, Blanden, 1997. Voor de organisatorische en maatschappelijke achtergrond van deze aanpak en voor de rol van ethiek in commercieel succes in het algemeen: Francis Fukuyama, Trust: The social virtues and the creation of prosperity, London, 1995.
6/ Ook voor dit aspect van DO zijn de definities en attitudes zeer uiteenlopend. Zeer genuanceerd is Joel E. Cohen, How many people can the earth support?, New York/London, 1995.
7/ Norbert Elias, Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen, (1939), Utrecht/Antwerpen, 1982.
8/ Illustratief is John Elkington, The Chrysalis Economy, London, 2001, blz. XIX met het ‘global cliché’ van de vlinder in Brazilië wiens vleugelslag aanleiding geeft tot een storm in een ander continent. Andere voorbeelden bij deze apostel van DO, passim.
9/ B. Mussolini, geciteerd in Hayek, op.cit., blz. 59.
10/ Opgetekend als commentaar van maatschappelijk leidinggevende personen in: FEDERALE RAAD VOOR DUURZAME ONTWIKKELING, Draagvlakenquête duurzame ontwikkeling 2002, blz. 160.
11/ Zie noot 9.
12/ Het kan niet verholpen worden dat hierbij de indruk zou kunnen ontstaan, dat de bevolking er is voor DO en niet DO voor de bevolking.
13/ Aristoteles, Ethica Nicomachea, vertaald ingeleid en van aantekeningen voorzien door Christine Panier en Jean Verhaeghe, Groningen, 1999.
14/ Experten in dit genre van denken zullen opmerken dat vooraf aan dit ‘spel’ er een spel dient gespeeld over wie stakeholders zijn bij een bepaalde gebeurtenis en dan ook over wie bepaalt welke criteria men hanteert om die stakeholders te identificeren. Ook dit kan bepaald volgens de spelregels die ik onder in de tekst uiteenzet. Wat volstaat is een optimisme dat binnen lokale contexten consensus ontstaat en werkzaam is voor een volgende fase in dit stappenproces. Daarnaast is er natuurlijk de legitieme machtsuitoefening die eigen is aan een rol: als burger en onderdaan mogen we stemmen voor en tegen bewindvoerders, als consument mogen we kiezen om iets te kopen of niet te kopen, enzovoort.
15/ Opnieuw is een verwijzing naar Elias op zijn plaats want dit is volgens hem een constitutief onderdeel van het civilisatieproces. Het is allicht geen toeval dat samenlevingen die in pacificatie verder gevorderd zijn, zoals de Noord-Europese tegenover de Zuid-Europese, ook hoger scoren op ecologische duurzaamheidcriteria. Voor dit laatste verwijs ik naar het classificerend onderzoek van ETHIBEL (zie www.ethibel.be) en van KBC ASSETMANAGEMENT (www.kbcam.be). Het werpt de vraag op naar de samenhang, in de grote zones van de wereld, tussen milieubeheer en sociale cohesie dankzij ontwapening van de samenleving.
16/ Deze uitdrukking lijkt mij onvertaalbaar. Ze verwijst naar het economisch gebeuren als een spel met regels die voor elke positie gelijk zijn; ze geeft in wezen hetzelfde criterium als Hayek, op.cit. blz.100, blz.122, namelijk dat impact van goede wetgeving iedere economische participant gelijk dient te treffen.
17/ Voor fundering van deze interpretatie van Aristoteles’ visie op geluk, zie D.J. Leys, ‘Activiteit, beweging en geluk bij Aristoteles’, in Bijdragen, Vol. 62 (2001/1), blz. 42-67.
18/ Jos Leys marketeert binnen de groep Dexia voor duurzame financiële dienstverlening.
‘Samenwerken aan duurzame ontwikkeling’ zou een betere titel zijn gezien de strekking van deze bijdrage en gezien ze veel te danken heeft aan B. Biesemans, D. Coeckelbergh, P. De Vis, R. Du Meunier, H. Majersdorf, F. Peeters, F. Van Assche, D. Van Braeckel, L. Van Liedekerke, P. Vanwing, J. Verhaeghe en W. Vermeir. Die alternatieve titel heeft echter niet het voordeel van tegelijkertijd te verwijzen naar een proces (werkwoord) en naar een zaak (het meervoud van het zelfstandig naamwoord ‘werk’).

duurzame ontwikkeling - economie - ethisch beleggen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 26 tot 37