Log in

'Dromen en daden'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 50 tot 51

Dromen en daden

Hanif Kureishi
Ambo-Anthos, Amsterdam, 2002

Hanif Kureishi (° 1954) is op de eerste plaats scenario- en romanschrijver. Zijn filmscript voor My beautiful Laundrette bezorgde hem een Oscarnominatie. Met De boeddha van de buitenwijk won hij in 1990 de Whitbread Prize voor het beste romandebuut. In zijn laatste roman Het lichaam laat een oudere man zijn hersenen transplanteren in het lichaam van een Italiaanse voetballer: het is een experiment om de grenzen van de identiteit te verkennen. De inzet van zijn literaire teksten is hoog. In Dromen en daden zegt hij zelf: dikwijls wordt een schrijver gevraagd of een roman autobiografisch is, maar waar zou het werk ánders uit voortkomen dan uit hemzelf? ‘Uiteindelijk heeft een kunstenaar maar één onderwerp. Wat is de aard van de menselijke ervaring? Hoe is het om te leven, te lijden en te voelen? Hoe is het om lief te hebben en een ander nodig te hebben? Met andere woorden: hoe is het om mens te zijn?’ (18). Op die vragen is geen afdoend antwoord mogelijk. Daarom moeten ze steeds opnieuw worden gesteld. En hij voegt eraan toe: ‘de schrijver handelt in ontevredenheid.’
In Dromen en daden brengt Kureishi verslag uit en reflecteert over zijn eigenste ervaringen als Britse Pakistaan. Over zijn vaders obsessie om een roman te schrijven. Over zijn fascinatie voor de Beatles, die met hun plezier, uitbundigheid, hun gebrek aan respect, hun creativiteit model stonden voor een hele generatie. Over Margaret Tatcher, ‘de keizerin’, de duistere tegenpool van de Beatles: ‘die jaren-tachtigmix van liberale economie en vooroorlogse, methodistische prekerigheid als reactie op de genotzuchtige jaren zestig en zeventig’ (129). Over het leiden van een schrijfcursus. Over het gebrek aan publieke discussie bij de Engelse middenklasse. ‘Het is gewoon niet netjes om te argumenteren; men vindt het zoiets als ruziemaken’(62). Opinies worden binnenshuis gevormd, en buitenshuis ‘aangehangen’. Over het Engelse schoolsysteem, dat zo incompetent is en zo weinig in zichzelf gelooft ‘dat het de overtuiging ontbeert om de creativiteit van jonge mensen te onderdrukken, zodat die nog steeds bloeit, als onkruid tussen de kieren van het gezag, in de gangen op school en na vieren’ (131).

De rode draad doorheen deze reflecties wordt gevormd door zijn hybride situatie als vreemdeling in een West-Europese grootstad. Zijn vader was uitgeweken uit India, en werkte sinds de onafhankelijkheid als ambtenaar op de ambassade van Pakistan in Londen. Zijn moeder is Engelse. Hanif: geen Pakistaan en geen Engelsman, een ‘Paki’ dus. Hijzelf kan met die ambiguïteit best leven. ‘Ons leven was geen botsing van culturen, maar veeleer een synthese van ongelijke elementen: de pub, de moskee, twee of drie talen, rock-‘n-roll, films. Onze uitgebreide familie en ons Engels individualisme leefden in ons in harmonie met elkaar’ (82). Maar het is zijn omgeving die problemen creëert. Vanuit zijn ‘bevoorrechte’ positie van buitenstaander observeert hij scherp zowel het heroplevende fundamentalisme als de onverschilligheid, zelfgenoegzaamheid en onverdraagzaamheid, de toenemende verrechtsing en het racisme. De Pakistaanse hogere klassen verachten de lagere. De Engelsen verachten alle Pakistani, hoog en laag. De Engelse middenklasse veracht de veemdelingen, zoals de burgerij de middenklasse veracht. Kureishi schetst de zelfbegoocheling, de imaginaire identiteit, die gebaseerd is op het misprijzen van de ander. Hij vertelt over zijn bezoek aan het congres van de Tories, waar een parlementslid ongegeneerd zijn racistische opvattingen mag propageren. Tot een joodse vrouw zegt hij: ‘Als jodin moet u toch erkennen dat er vele rassen zijn en dat uw ras anders is dan het mijne. Engelsen zijn een provinciaal volk zonder belangstelling voor cultuur. En jullie joden zijn een grootsteeds volk met een obsessie ervoor’ (110). Maar ook Labour is bang om zijn racistische achterban voor het hoofd te stoten. ‘De Labour Party is een echte vertegenwoordigende partij: ze vertegenwoordigt ongelijkheid en racisme’ (61).

Kureishi’s pen is scherp, maar zijn literaire talent behoedt hem voor bitterheid. ‘Ironie is de stijl van deze tijd, een manier om kritiek te leveren op ellende en wreedheid, zonder saai en belerend te worden’ (138). En over John Lennon, die hij bewondert, schrijft hij: ‘Hij is agressief en strijdbaar, maar het geweld dat je erin hoort is aantrekkelijk omdat het zo duidelijk voortkomt uit een hartstochtelijke betrokkenheid bij de wereld’ (128).

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 50 tot 51