Log in

Het leven zoals het is: onderwijs in Brussel

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 13 tot 22

Koen Pelleriaux analyseert in zijn artikel ‘Gelijke onderwijskansen in Brussel: de grens van het pragmatisme’ in Sampol van september 2003 de gevolgen van het nieuwe decreet Gelijke Onderwijskansen (GOK) op het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Hij doet het theoretische verhaal over kaders en structuren. Allemaal uiterst nuttig en belangrijk. Maar waar zitten de kinderen, de leerkrachten, de ouders? Het vlees en bloed?Ik wil zijn verhaal, aan de hand van getuigenissen, aanvullen met een schets van wat er dagelijks gebeurt in de scholen. Het gaat over mooie momenten en onaanvaardbare toestanden. Over hoop en wanhoop. Over de traagheid der dingen. Over hardhorigheid en koppigheid. Kortom: ‘het leven zoals het is, de school in Brussel.’

Puur kwantitatief kent het Nederlandstalig onderwijs in Brussel de laatste decennia een daverend succes. Het aantal leerlingen stijgt voortdurend. Trots wordt dat elk jaar door de bevoegde minister bekendgemaakt. Dan wordt er al eens op de borst geklopt. Vraag is of met die toenemende kwantiteit ook de kwaliteit gewaarborgd blijft. Zeker als je vaststelt dat de toename volledig op rekening wordt geschreven van anderstalige kinderen. Het aandeel Nederlandstalige kinderen neemt de laatste jaren spectaculair af. In 2003 komt in het lager onderwijs nog slechts 18% van de kinderen uit homogeen Nederlandstalige gezinnen. Bij de kleuters is dat 12%. In vijf jaar tijd is het aandeel van de Nederlandstalige kinderen in het lager gedaald met 33% (van 3.230 in 1998 naar 2.176 in 2003); bij de kleuters met 26% (van 1.721 naar 1.266). Deze evolutie verloopt razendsnel.
Dat steeds meer ouders bij deze situatie de vraag stellen of de Brusselse scholen voldoende kwaliteit kunnen bieden die vergelijkbaar is met Vlaanderen is dan ook volkomen terecht. Klassen met 2 Nederlandstalige kinderen op 24 zijn eerder regel dan uitzondering. Het is onmiskenbaar dat in een klas met veel of alleen maar anderstaligen, het tempo en het niveau zakken, omdat er veel tijd en energie gestoken moet worden in het duidelijk maken van evidente termen of van het uitleggen van een eenvoudige opdracht. Wie beweert dat zo’n situatie geen gevolgen heeft voor de manier waarop er onderwezen wordt en op het welbevinden van de kinderen, is te kwader trouw en raad ik aan onderstaande ‘getuigenissen’ aandachtig te lezen. Na vijf jaar luisteren en discussiëren met ouders, directies, politici en verantwoordelijken uit de onderwijswereld kan ik je verzekeren dat achter elke ‘getuigenis’ vele gelijklopende ervaringen van meerdere mensen schuilgaan.
Een aantal ouders, die de eenzijdige jubelverhalen over het Nederlandstalig onderwijs in Brussel beu waren, verenigden zich vijf jaar geleden in ‘Ouders voor de Scholen’. Het succesverhaal klopt volgens hen niet met wat zij dagelijks meemaken in de Brusselse scholen. De ouders vragen meer aandacht voor de kwaliteit in plaats van de kwantiteit. De ouders roepen ‘Vlaanderen’ op meer aandacht te besteden aan de specifieke Brusselse situatie. Vlaanderen ligt daar tot nu toe niet wakker van. Dat is jammer, want Brussel bezit het potentieel om een volledig nieuw en eigen ‘onderwijsverhaal’ te maken. Nu is de dagelijkse realiteit er echter één van pompen en soms verzuipen.

In de hoek gezet

De eenvoudige vraag naar kwaliteit stellen, is echter voldoende om heel weldenkend Brussel over zich heen te krijgen. Vijf jaar geleden werden we ternauwernood en met veel argwaan aanhoord op het kabinet van toenmalig Brussels minister van Onderwijs Annemie Neyts. Vandaag meet minister Chabert in de stadskrant Brussel Deze Week het succes van het Nederlandstalig onderwijs af aan het aantal kleinkinderen van FDF’ers die erin zitten. Tja.
Ook de reactie van de sp.a was ronduit bedroevend. ‘Hou jullie mond, jullie goedverdienende middenklassers kunnen jullie eigen boontjes doppen. Jullie hebben niet te klagen, er zijn veel ergere problemen, dus zeur niet’, was de teneur. Voormalig staatssecretaris Robert Delathouwer liet zelfs geen kans onbenut om ‘de ouders’ in het openbaar te berispen. Een fijne grijnslach was ons deel. Dat kwam hard aan bij een groep ouders die opkomt voor kwaliteitsvol onderwijs voor alle kinderen en waarvan velen progressief zijn. Het onderwijs in Brussel is nochtans bij uitstek een verhaal over gelijke kansen, toch de core business van de sp.a, niet? Om het in voetbaltermen te zeggen: zelden zo’n opendoelkans gezien.

De toestand is ernstig maar niet hopeloos

In Brussel krijg je te maken met factoren die je in andere grote steden ook aantreft: sociale achterstelling, concentratiescholen, witte vlucht. Maar daar bovenop kampt Brussel met de zwaar onderschatte factor ‘taal’. Nederlands is voor de grote meerderheid van de kinderen in het Nederlandstalig onderwijs slechts de taal waarin ze iets leren, de derde soms vierde taal, de instructietaal, dikwijls ook die ‘vervelende taal waarin iets moét.’ De meerderheid spreekt thuis een andere taal. En de straattaal is Frans. De meeste anderstalige kinderen komen buiten de school veel te weinig in contact met het Nederlands om hun schoolcarrière tot een goed einde te brengen, alle begeleiding ten spijt. Dat is erg jammer. Want daar doet niemand voordeel mee. Niet de anderstalige kinderen, niet de Nederlandstalige kinderen.
De uitkomst van het huidige Nederlandstalige onderwijs in Brussel is zelfs ronduit perfide. Langs de ene kant doen anderstalige kinderen door hun gebrekkige taalvaardigheid onvoldoende en te traag kennis op, worden ze onmiddellijk geconfronteerd met een leerachterstand die ze in hun schoolloopbaan bijna niet meer kunnen overbruggen en verlaten uiteindelijk de school met als enig perspectief de slechte jobs. Ik vind dat onrechtvaardig. Migranten moeten constateren dat ze op het einde van de rit niét beter af zijn, zoals beloofd of verwacht. Langs de andere kant ‘verzuipen’ Nederlandstalige kinderen in de anderstalige meerderheid, nemen ze taalfouten over van klasgenoten, passen ze zich aan het lagere tempo aan, moeten dikwijls bijlessen Frans volgen om hun maatjes in de klas op dit vlak te kunnen bijbenen. Zij krijgen soms zelfs ronduit een afkeer van het Frans, want altijd en overal horen ze leerkrachten ‘geen Frans!’ roepen, terwijl Franstalige ouders lustig verder in het Frans ‘bediend’ worden. Met het tweetalig maken van onze kinderen heeft dat al lang niets meer te maken.
Ik vind het een schande dat ons lager onderwijs in Brussel anno 2004 nog steeds zo veel leerlingen aflevert die niet kunnen inpikken bij het algemeen secundair onderwijs. Niet omdat ze niet ‘slim’ genoeg zouden zijn, maar omdat de inspanningen om hen voldoende taalvaardig te maken onvoldoende zijn. Ik vind het een schande dat het vooral gaat om migrantenkinderen, die meestal vertrekken vanuit een sociaal achtergestelde en minder taalvaardige positie. Ik vind het ook een schande dat kinderen sociaal geïsoleerd raken omdat ze moeten opboksen tegen een groot overwicht van anderstaligen. Nochtans is dat vandaag de realiteit in Brussel.

“Sam is een heel sociale en vrolijke jongen. In de crèche was hij dikwijls de gangmaker. Toen hij in de kleuterschool terecht kwam, stelde de school vast dat hij ‘asociaal’ was. Hij speelde nooit met andere kinderen en vertoonde storend gedrag. Wij dachten eerst aan aanpassingsproblemen en wilden er niet te veel aandacht aan besteden. Tot ik in het kader van een themaweek over baby’s met Sams broertje op bezoek ging in zijn klas. Plots werd me alles duidelijk. De meerderheid van de kinderen in Sams klas hadden de grootste moeite om de eenvoudigste Nederlandse termen te verstaan. Ze spraken Frans of een andere taal. De juf moest constant herhalen en vertalen. ‘Kindje’, ‘kinderwagen’, ‘broertje’, ‘speeltje’, ‘neus’, ‘oogjes’, ‘luier’, enzovoort. Alleen Sam begreep waarover ik het had. Als bij donderslag werd mij duidelijk waarom de school Sam ‘asociaal’ noemde. Er was gewoon geen enkel kind dat hem verstond! Door de voortdurende herhalingen verslapte bovendien zijn aandacht en begon hij vervelend te doen. Nadien hebben we Sam naar een school gestuurd waar er een betere taalverhouding is. Opeens was Sam niet meer asociaal en storend.” (moeder, drie kinderen)

Vele ouders maken zich met mij ongerust over het niveau van het onderwijs. Ze maken zich ongerust over het mogelijke verschil tussen Vlaanderen en Brussel. Dikwijls wordt dit afgedaan als een ‘emotioneel gevoel’dat niet met de werkelijkheid klopt. Een aantal getuigenissen bewijzen nochtans dat er voor dit ‘gevoel’ wel degelijk een grond bestaat. Zo delen veel onderwijsmensen deze ongerustheid met de ouders. Althans informeel in het ‘fluistercircuit’. Het recente onderzoek van Toon Kuppens en Mark Elchardus over ‘de regionale verschillen in studieprestaties en de oorzaken ervan’, toont nu aan dat de Brusselaars het slechtst scoren in het hoger onderwijs. Hoewel dit onderzoek de studiekeuze en de culturele kenmerken aanduidt als belangrijkste oorzaken van het minder presteren van de leerlingen uit Brussel, spelen ook de aanwezigheid van niet-Nederlandstaligen en de omgeving een rol. ‘Er zijn ernstige aanwijzingen dat het hier gaat om een grootstedelijke problematiek die zich ook in Antwerpen en Gent stelt, maar bijzonder uitgesproken is in Brussel.’

“Ik ben lerares in het secundair onderwijs in Brussel en merk dat de taalkennis van de leerlingen elk jaar achteruit gaat. Steeds meer kinderen kennen onvoldoende Nederlands om de lessen te kunnen volgen. Wij moeten veel tijd steken in het opkrikken van hun Nederlands vooraleer we aan de eigenlijke lessen toekomen. Zo’n taalachterstand moet veel vroeger opgespoord en opgevolgd worden. Eénmaal in het middelbaar is dat te laat. De inspecties spelen hierin een belangrijke rol. Ik ben er steeds meer van overtuigd dat zij onjuiste of onvolledige verslagen maken.” (leerkracht secundair onderwijs)

“Toen we constateerden dat onze oudste dochter problemen had met lezen, vroegen wij het CLB om haar te testen. Na enige tijd was het aan onze beurt. Het CLB vroeg of onze dochter getest moest worden volgens de ‘Vlaamse norm’ dan wel volgens de ‘Brusselse norm’. Volgens de ‘Vlaamse norm’ bleek zij acht maanden leesachterstand te hebben. In de klas had de juf hiervan niets gemerkt. Onze dochter las niet slechter of beter dan het niveau van haar klas. Na de diagnose kon het CLB ons niet verder helpen. Er waren nog ‘ergere’ gevallen die voorrang kregen. Wij hebben besloten onze dochter met privé bijlessen haar achterstand op te laten halen. Die lessen betalen we uit onze eigen zak.” (vader, twee kinderen)

Gelijke kansen?

Het GOK voorziet in extra geld en omkadering voor achterstandsgroepen en voert een absoluut inschrijvingsrecht in. De schooldirecties worden verplicht de kinderen in te schrijven volgens volgorde van aanmelding. Een lokaal overlegplatform (LOP) kijkt toe hoe het decreet wordt toegepast in zijn lokaal werkingsgebied. Voor Brussel is dit werkgebied bepaald op de 19 gemeenten. Wanneer het aantal anderstaligen in een school 10% hoger ligt dan het gemiddelde in haar werkingsgebied kan de school leerlingen doorverwijzen. Voor Brussel bepaalde het LOP dit gemiddelde op 63,2% anderstaligen (het hoogste cijfer in Vlaanderen is 35%). Dit wil zeggen dat een school in Brussel vanaf 73,2% anderstaligen kan doorverwijzen. Voor veel mensen in Vlaanderen lijkt dit misschien een hoog cijfer; ik vermoed dat het de realiteit nog onderschat. Er bestaan trouwens algemene twijfels bij deze cijfers die het LOP via de scholen verzamelde op basis van de gegevens die de ouders op ‘eer en geweten’ doorspeelden. Verschillende directeurs bevestigden dat deze cijfers van geen kanten kloppen, dat ouders vals speelden of niet antwoordden. Verschillende scholen hebben bovendien helemaal geen cijfers doorgespeeld aan het LOP. Het geeft te denken dat het precies deze cijfers zijn die het LOP en het kabinet Vanderpoorten als basis nemen om het beleid vorm te geven… In december 2003 kon het LOP geen nieuw cijfer bepalen voor 2004 wegens onvoldoende respons vanuit de scholen en besliste het overlegplatform gewoon verder te gaan met het cijfer van 2003… Voor de eerste keer gingen er in het LOP stemmen op om de cijfers in vraag te stellen.
Het GOK wil de discriminatie die er vroeger bestond wegwerken en de sociale cohesie bevorderen. Het systeem van ‘doorverwijzen’ geeft de mogelijkheid om concentratie tegen te gaan. Althans, dat is de theorie. In de Brusselse praktijk veroorzaakt het GOK twee zeer kwalijke neveneffecten. Er is ten eerste meer concentratie in plaats van meer spreiding. Net het omgekeerde van wat beoogd wordt! Nederlandstalige ouders en beter gesitueerde migranten zoeken scholen op met een werkbare taalverhouding, dikwijls wat verder van huis, sommigen zelfs buiten Brussel. Deze mensen maken deze keuze niet uit een soort racistisch geïnspireerde onwil, maar uit een bezorgdheid voor een goede taalverhouding. Het is een logische en menselijke reflex. Het beste bewijs dat hun schoolkeuze niets met racisme te maken heeft, maar wel met een goede mix van talen en culturen, is dat ook beter gesitueerde migranten steeds meer uitwijken naar scholen met een goede taalverhouding.
Ten tweede zorgde het GOK ervoor dat een aantal Nederlandstalige ouders hun kinderen in september 2003 niet meer konden inschrijven in de school van hun keuze. Een aantal ouders was ronduit verbijsterd over deze gang van zaken.

“Toen ik mijn tweede kleuter in het voorjaar van 2003 wilde inschrijven, werd zij geweigerd in de school van onze keuze. Vol is vol, klonk het. Ik was met ongeloof geslagen. Als Nederlandstalige ouder moeten meemaken dat je kind niet welkom is in de Nederlandstalige school van je keuze terwijl de koer volloopt met Franstaligen, is hard. En fout. Want, waar gaan we naartoe als een met Vlaams geld gefinancierde school Nederlandstalige kinderen weigert? Nu zitten mijn twee kleuters in twee verschillende scholen van twee verschillende netten. Dat ze niet in dezelfde school zitten, valt hen met de beste wil van de wereld niet uit te leggen. Negen jaar geleden kwamen we naar Brussel. We kozen bewust om in deze bruisende stad te komen wonen, dicht bij ons werk. We waren het pendelen beu. Maar nu moeten we de wagen nemen om de kinderen naar hun scholen te voeren! Als deze onhoudbare situatie niet wijzigt, is dat voor mij voldoende reden om terug naar Vlaanderen te verhuizen.” (vader, twee kinderen)

Dat Nederlandstalige ouders hun kinderen niet langer in Nederlandstalige scholen van hun keuze konden inschrijven sijpelde moeizaam door bij de politieke verantwoordelijken. Slechts nadat minister-president Bart Somers (VLD) haar in juli 2003 aanporde, verklaarde de minister van onderwijs, Marleen Vanderpoorten (VLD), zich schoorvoetend bereid ‘de Brusselse situatie te evalueren’. Ondanks het feit dat minister Vanderpoorten vooraf meermaals was gewaarschuwd voor deze kwalijke neveneffecten, was ze zich van geen kwaad bewust want ze had ‘slechts vijf klachten ontvangen.’ Als de minister de moeite had gedaan verder te kijken dan haar wel erg formele antwoord, zou ze inzien dat vele ouders niet de lijdensweg van een officiële klacht willen doormaken. Ze willen geen amok maken in een school waar ze hopen nog binnen te raken. Vele ouders met inschrijvingsproblemen komen in de statistieken van de minister gewoon niet voor.
Minister Vanderpoorten hield het been lang stijf. Ze zou en wou niet aan haar GOK-decreet prutsen. Onder druk van de ‘nachtelijke vaudeville’ aan de Maria Boodschapschool in hartje Brussel begin januari 2004, waarbij ouders ’s nachts voor de poort van deze school kampeerden om hun kinderen in te kunnen schrijven, gaf ze eindelijk toe dat het GOK in Brussel misschien toch niet bereikte wat beoogd werd; een uitspraak die zonder twijfel opgenomen kan worden in het ‘Boek van de understatements van het jaar’. Tot op vandaag hebben we trouwens nog helemaal niets gezien van de officiële evaluatie die Vanderpoorten beloofde tegen… september 2003. Hoe koppig kan je zijn?
Brussels minister van onderwijs Guy Vanhengel (VLD) speelde wel gevat in op de Brusselse situatie en deed in december 2003 een goed voorstel om de acute inschrijvingsproblemen van Nederlandstaligen gedeeltelijk op te lossen. Een inschrijvingsperiode in twee fasen, waarbij in de eerste periode scholen Nederlandstalige kinderen kunnen inschrijven tot ze maximaal 26,8% Nederlandstaligen (een omkering van de LOP-cijfers) hebben bereikt. Zoals het er nu naar uitziet, zou dit echter pas gelden vanaf het schooljaar 2005-2006. In september 2004 zitten we dus nog steeds met dezelfde problemen. Deze nieuwe regeling biedt jammer genoeg ook geen oplossing voor onwenselijke situaties zoals in de Maria Boodschapschool.

Concentratiescholen

In zijn artikel stelt Koen Pelleriaux dat ‘de fixatie van de meeste ouders op het tegengaan van concentratiescholen een degelijke oplossing in de weg staat.’ In één adem beschuldigt hij ons, ouders, een oplossing in de weg te staan en suggereert hij dat we tegen concentratiescholen zijn. Pelleriaux gaat hier tweemaal in de fout. Hoe kan je nu in de Brusselse context tegen concentratiescholen zijn? Gezien de samenstelling van de jongerenpopulatie kan het niet anders dan dat er concentratiescholen zijn. Zoals het geen zin heeft om te ontkennen dat de zon schijnt, heeft het geen zin tegen concentratiescholen te zijn. Het is een feit. Doé er dan ook iets mee! Want, ondanks alle inzet, levert een concentratieschool - waarmee ik het trouwens niet alleen over ‘kleur’ heb maar ook over ‘taal’ - niet dezelfde kwaliteit als een school met een betere taalverhouding. Kàn dat ook niet, waarmee ik niét zeg dat sommige concentratiescholen niet goed werken. Ik ben ervan overtuigd dat de meeste leerkrachten en directies van concentratiescholen elke dag het beste van zichzelf geven om er iets van te maken. Maar de realiteit is dat zij dagelijks worden geconfronteerd met leerlingen waarvoor het Nederlands evengoed Chinees had kunnen zijn én - niet te onderschatten - met de sociale achterstelling van deze leerlingen. Het is niet voor niets dat Brussel het grootste verloop van leerkrachten kent. Ten onrechte volgens mij, want als je als leerkracht elke dag een uitdaging wil, blijf je juist wél in Brussel.
Toen ik enkele jaren geleden de directeur van de concentratieschool waar mijn kinderen school liepen, meedeelde dat ze voortaan naar een school met een betere taalverhouding zouden gaan, gaf de man mij volmondig gelijk. Hij vroeg zich hardop af waarom wij daarmee zo lang gewacht hadden. We waren de laatste Nederlandstaligen in deze school. Mensen die in de huidige context schouderophalend verwachten dat ‘Nederlandstalige ouders hun kinderen maar naar concentratiescholen moeten sturen en de zaak is opgelost’, zijn onrealistisch. Zelfs de beter gesitueerde migranten zoeken steeds meer andere scholen op. In Brussel levert het weinig op om mensen door te verwijzen of te spreiden. Sommige directies vragen zich trouwens terecht af naar waar ze dan wel zouden moeten doorverwijzen.

_ “Ik doe mijn werk met hart en ziel. Mijn leerkrachten zetten zich elke dag 120% in. Als ik naar ‘mijn’ kinderen kijk, ben ik ervan overtuigd dat wij goed werk afleveren. Maar ik merk ook dat het niveau waarmee ze het zesde leerjaar afsluiten dikwijls onvoldoende is om door te stromen naar het secundair onderwijs. Soms weet ik zelf niet meer wat ik ervan moet denken.” (directeur concentratieschool)_

“Concentratiescholen zijn van mindere kwaliteit. Ik begrijp dat mensen hun kinderen naar de rand sturen. De gebouwen zijn middeleeuws. Om de drie maanden krijgen de kinderen een nieuwe leraar, die vaak moe en uitgeblust is. Ze zijn hopeloos, die migrantenkinderen, zeggen ze dan. Maar onze kinderen zijn geen oenen. Zet ze op een school met kwaliteit, een school in de rand, en kijk hoe goed ze het daar doen. We weten dat het een utopie is om concentratiescholen weer gemengd te maken. Maar we willen wel de kwaliteit omhoog.” Mohammed Bouziani voorzitter van Imane (Initiatief Marokkaanse Netwerken) en drijvende kracht achter Ouders voor Ouders in Antwerpen, in De Morgen van 25 november 2003.

De politieke partijen duwen de problematiek van de concentratiescholen als een hete aardappel voor zich uit. Het is duidelijk dat ook het GOK niet voor de noodzakelijke kentering heeft gezorgd. Volgens het GOK gaat al het goede uit van ‘spreiding’. Dat blijkt nu niet te kloppen. In Brussel is er door het GOK niet minder maar meer concentratie. Nu we dit weten, en ook dat er reeds ettelijke jaren meerdere concentratiescholen bestaan, wordt het stilaan tijd dat we komaf maken met het schimmenspel rond de concentratiescholen. Het heeft geen enkele zin deze scholen te stigmatiseren, wel er meer in te investeren dan vandaag gebeurt, én controleren dat het geld goed gebruikt wordt. Het voorstel van Koen Pelleriaux om de geldstromen dringend en radicaal te hertekenen zodat de concentratiescholen met veel sociaal achtergestelde kinderen op meer financiële, personele en pedagogische ondersteuning kunnen rekenen, is een uitstekend idee.

Franstaligen

Een ander punt, waar Pelleriaux de bal totaal misslaat, is zijn stelling dat er in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel ‘geen grote groep Franstalige kinderen bestaat. Het gaat om allochtone kinderen die samen met hun ouders op straat Brussels Frans spreken, uit noodzaak.’ Dit komt niet overeen met de officiële cijfers. De Vlaamse Gemeenschapscommissie telde in september 2003 34,8% homogeen Franstalige kinderen in het kleuteronderwijs, 30,3% in het lager onderwijs; toch geen geringe percentages. Maar Pelleriaux staaft zijn merkwaardige stelling met een onnavolgbare argumentatie en betwistbare cijfers. Zo zouden er in de francofone gemeenten bij uitstek Watermaal-Bosvoorde, Sint-Pieters-Woluwe, Ukkel en Sint-Lambrechts-Woluwe respectievelijk slechts 24%, 36,39%, 45,64% en 57,27% anderstaligen school lopen. Dit is niet ernstig. Pelleriaux verengt de discussie moedwillig tot de achterstelling van migrantenkinderen. Dat komt niet overeen met de werkelijkheid. Alle reacties die ik kreeg uit bovenstaande gemeenten spreken juist over veel Franstaligen (en bijna geen migranten) in het Nederlandstalig onderwijs. Het onderstaande voorbeeld van een moeder uit Sint-Pieters-Woluwe spreekt wat dat betreft boekdelen.

“In de Nederlandstalige school van mijn zoon in Sint-Pieters-Woluwe verloopt het oudercomité in het Frans. Toen ik daarover een opmerking maakte, werd ik vierkant uitgelachen. De Franstalige ouders vinden dat de normaalste zaak van de wereld. Voor alles kunnen ze hier terecht in hun taal. Nergens of niemand wijst hen erop dat dit eigenlijk een Nederlandstalige school is. De directie laat begaan, want vreest dat ze anders niet genoeg kinderen kan aantrekken. Ik vind dat onbegrijpelijk. Ik vind het ook onbegrijpelijk dat Franstalige ouders die voor een Nederlandstalige school kiezen, waarschijnlijk om hun kinderen tweetalig te maken, geen respect opbrengen voor de taal van de school. Hiermee geven ze volgens mij een verkeerde boodschap aan hun kinderen. Mijn zoon zit totaal geïsoleerd in een school vol Franstaligen die het geen moer kan schelen of er daar Nederlands wordt gesproken of niet.” (moeder, twee kinderen)

Altijd en overal merk je dat als een bepaalde taalgroep te dominant wordt, deze groep ‘de zaak overneemt.’ Vele Nederlandstalige scholen in het Zuidoosten van Brussel kampen met die Franstalige dominantie die soms arrogantie wordt. Op andere plaatsen bestaat er een Spaanse, Turkse of Marokkaanse dominantie. In scholen met verschillende talen en geen dominante taal zie je dat de taalverwerving en de communicatie vlotter verlopen.

Actie, actie, eindelijk eens actie

Gebeurde er dan tot nu toe helemaal niets? Nee. Brussel kent al enkele jaren een ‘voorrangsbeleid’ en het GOK breidde de ‘zorguren’ uit. Hoogst noodzakelijke maatregelen, maar hoogst onvoldoende. Pelleriaux heeft gelijk wanner hij stelt dat een verhoging van het onderwijsbudget voor gelijke kansen van 1% naar 1,3% peanuts is. Het is allemaal too late too little. De maatregelen zijn te versnipperd, de klassen blijven te groot, de taalverhoudingen te scheef, zodat je op het terrein van al die inspanningen dikwijls weinig merkt.
Individuele politici als Sven Gatz (VLD) en Brigitte Grouwels (CD&V) werken hun constructief verhaal over het Brussels onderwijs nochtans consequent verder uit. En onlangs gaf de N-VA een gedegen ‘Actieplan voor het Nederlandstalig onderwijs te Brussel’ uit. Op initiatief van Kris Van Dijck (N-VA) en Brigitte Grouwels (CD&V) schaarden ook de meerderheidspartijen VLD, sp.a, Spirit en Groen! in het Vlaams Parlement zich in november 2003 achter een ‘resolutie betreffende het Nederlandstalig onderwijs in Brussel’. Deze alomvattende resolutie verdrinkt weliswaar in het compromis, maar heeft de verdienste om de minister van Onderwijs te vragen dringend werk te maken van een zogenaamd ‘Brussel-decreet’. Voorlopig is het op het kabinet Vanderpoorten volledige radiostilte.
Dat Brussel echter niet te veel moet verwachten bleek zeer duidelijk tijdens een rumoerig debat in De Markten op 16 september 2003, waarop de kabinetswoordvoerder van Marleen Vanderpoorten, Jo De Ro, hard zijn best deed om duidelijk te maken ‘dat het Brussels onderwijs content mag zijn, want al meer geld krijgt.’ ‘En dat moet mijn minister gaan uitleggen in Vlaanderen.’ Kan best. Maar misschien zijn er wel argumenten om een meeruitgave voor Brussel te verantwoorden of om de geldstromen anders te laten verlopen? Doe eens een poging Jo! Het kabinet Vanderpoorten lijkt tot nu toe verbazend ongevoelig te zijn voor de opmerkingen uit Brussel. Nochtans stelde Vanderpoorten in een interview in Knack eind augustus 2003 zelf dat ‘45% anderstalige kinderen een haalbare kaart is. Scholen vragen mij om het aantal kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt niet te laten stijgen boven de 70% of 80%.’ Percentages die in Brussel al lang overschreden zijn.
Dat de uitzonderlijke situatie in Brussel ook uitzonderlijke maatregelen vergt, bevestigt professor Raf Verstegen in zijn advies, waarop minister Vanhengel zich baseerde om een beperkte voorrang voor Nederlandstaligen voor te stellen. Verstegen spreekt zich erg scherp uit over de gevolgen van het GOK in Brussel. ‘De situatie is zo uitzonderlijk dat zonder gevaar voor discriminatie voor Brussel-Hoofdstad een meer adequate techniek kan worden gezocht.’ De techniek van doorverwijzen is in Brussel volgens hem ongeschikt om de doelstellingen van het decreet te realiseren. Hij verwijt Vanderpoorten een ‘stugge interpretatie van het decreet’ door geen enkele afwijking toe te staan op de chronologie van aanmelden als enig selectiecriterium. Ook na de sensationele gebeurtenissen van begin januari blijft Vanderpoorten het Brusselse probleem nog steeds ‘weg relativeren’. Uiteindelijk kondigde minister Vanderpoorten begin februari dan aan haar GOK op twee punten te zullen aanpassen: broertjes en zusjes zullen voortaan wel altijd op dezelfde school kunnen en Nederlandstaligen krijgen een beperkte voorrang in Brussel.

Meer scholen is waanzin

Daarnaast wordt er ook een zogenaamd ‘Brussel-decreet’ aangekondigd. Dit decreet zou een aantal specifieke Brusselse omstandigheden regelen. Het Brussel-decreet zou vier grote punten bevatten: een bundeling van de onderwijswetgeving in verband met Brussel, het decretaal vastleggen van het voorrangsbeleid, de mogelijkheid van een extra overgangsjaar voor het secundair en de mogelijkheid om meer scholen te bouwen.
Ook Pelleriaux pleit in zijn artikel onverkort voor meer scholen. De redenering is: de scholen zitten vol, dus bouw meer scholen. Zo simpel is het jammer genoeg niet. Want meer scholen betekent onvermijdelijk een nog groter aantal anderstaligen. Zolang het Nederlandstalig onderwijs geen vat krijgt op de situatie van de vele anderstaligen en hoe daarmee pedagogisch en organisatorisch verantwoord mee om te gaan, is het je reinste waanzin om meer scholen te bouwen. Het vergroot enkel de huidige problemen waarvoor de overheid blijkbaar nu al onvoldoende geld, menskracht en aangepaste infrastructuur wil uittrekken. Laat ons ons dan alsjeblief eerst eens concentreren op het huidige kwalitatieve vraagstuk van het Nederlandstalig onderwijs vooraleer ons in een nieuw kwantitatief avontuur te storten. Meer scholen lost het probleem niet op, wel integendeel. Tot slot kan niemand tegen een bundeling van de wetgeving zijn. Dat is ongetwijfeld nuttig. Maar, met alle respect, wat heeft het kind met leermoeilijkheden in het zesde leerjaar daaraan?
Wat mij uiteindelijk nog het meest verbaast is dat slechts weinig mensen inzien dat ‘de’ oplossingen eigenlijk vlakbij liggen. Geef directies de instrumenten waarmee ze een goede taalverhouding en een kritisch minimum aan Nederlandstaligen kunnen nastreven. Elk schoolteam moet permanent een consequent schooltaalbeleid voeren en dit duidelijk communiceren aan alle betrokken partijen. Investeer snel meer en efficiënt in concentratiescholen. Bundel alle Brusselse onderwijskrachten in één begeleiding- en ondersteuningsinstituut. Overtuig leerkrachten om in Brussel te wonen en te werken. Detecteer sneller problemen en treed sneller op. Maak permanente ‘zusterklassen’ met Vlaamse en Franstalige scholen. Pleeg overleg met het Franstalig onderwijs.

Geert Selleslach
Overtuigd Brusselaar sinds 1981 1

Noot
1/ Geert Selleslach is vader van twee kinderen in het Nederlandstalig basisonderwijs in Brussel en actief in de groep ‘Ouders voor de Scholen’.

|

Wachten op Godot?

Het sp.a-standpunt over het onderwijs in Brussel

Het leek lang ‘Wachten op Godot’, maar uiteindelijk kwam de sp.a-Brussel op 12 januari 2004 met een officieel standpunt over het onderwijs in Brussel naar buiten. De tekst bevat goede uitgangspunten zoals kwaliteit, kleinschaligheid, kosteloos onderwijs, gelijke kansen, een gezonde mix tussen Nederlandstaligen en anderstaligen, maar stelt nauwelijks acties voor om aan de acute, scherpe noden van vandaag te verhelpen. De sp.a stelt ‘een kwaliteitsprobleem vast: de kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel ligt lager dan het Nederlandstalig onderwijs in de rest van Vlaanderen.’ Opnieuw een juiste analyse, maar opnieuw staan daar veel te zwakke remedies tegenover.
Pleiten voor een financiering op basis van objectiveerbare verschillen zoals sociale herkomst, schoolgrootte, het aantal anderstaligen en het levensbeschouwelijk aanbod is absoluut verdedigbaar, maar of hiervoor een politieke meerderheid gevonden kan worden op een moment dat de gelijke financiering per leerling nog niet helemaal is doorgevoerd, is zeer de vraag. Concentratiescholen omvormen tot magneetscholen is absoluut verdedigbaar, maar hopelijk meer dan een leuke nieuwe naam. Meer geld voor leerkrachten die in Brussel werken is absoluut verdedigbaar, maar een gelijkaardig systeem om ambtenaren naar Brussel te lokken heeft nooit gewerkt.
Het sp.a-standpunt bevat bovendien enkele storende inconsequenties. ‘Dringende aanpassingen aan het gelijkekansendecreet zijn nodig’, staat er te lezen om in dezelfde paragraaf te concluderen ‘omdat het veel sneller gaat het aanbod te verhogen dan het decreet aan te passen pleit sp.a voor plaatsen in plaats van decreten.’ Dat bekt lekker, maar slaat natuurlijk nergens op. ‘De financiering van de scholen: niet meer, maar anders’ staat er te lezen om te concluderen dat ‘het Brussels onderwijs veel te weinig geld krijgt.’ Duidelijk is dat allemaal niet.
Wel duidelijk voor de sp.a is dat ‘het Nederlandstalig karakter van het Brussels Nederlandstalig onderwijs behouden moet blijven.’ Merkwaardig toch, deze formulering. Zou het Nederlandstalig onderwijs dan ook niet Nederlandstalig kunnen zijn? De sp.a pleit voor een ‘gezonde mix tussen Nederlandstaligen en anderstaligen’, maar in hun tekst staat er geen enkele maatregel die een gezonde mix kan waarborgen. Het voorstel van de Brusselse minister van Onderwijs Vanhengel om een beperkte voorrang te verlenen aan Nederlandstaligen, werd door Pascal Smet eerst scherp gecontesteerd. ‘Het is onwettelijk en hopeloos ingewikkeld; Smet wil de Nederlandstalige ouders niets wijsmaken: ‘Vanhengel maakt ze blij met een dode mus.’ Maar om in het rijk der vogels te blijven, zeg ik: liever één vogel in de hand, dan tien in de lucht. Want over hoe de sp.a denkt te waken over ‘het behoud van het Nederlandstalig karakter van de scholen’ met steeds meer anderstaligen, lees je geen woord. Begin februari kondigde de sp.a aan om het voorstel Vanhengel dan toch te steunen.
De concrete voorstellen van de sp.a om anderstalige kinderen in een schoolomgeving met voornamelijk anderstaligen, en dikwijls ook sociaal achtergesteld, een aanvaardbare opleiding te kunnen geven (‘intake’-gesprekken met ouders, een taalvaardigheidstest, ‘taaljaren’ en het verplicht maken van het kleuteronderwijs vanaf 4 jaar), kunnen misschien wel op korte termijn gerealiseerd worden. En deze maatregelen zijn zeker nodig, maar ook ontoereikend.
De impliciete boodschap van sp.a is dat de kansrijke Nederlandstalige kinderen ondanks alles wel goed terecht zullen komen en dat de meeste aandacht naar de achtergestelde anderstaligen moet gaan. Ik kan deze redenering grotendeels volgen, maar de sp.a mag niet vergeten dat er steeds een ‘kritisch minimum’ aan Nederlandstaligen noodzakelijk is om nog van Nederlandstalig onderwijs te kunnen spreken. Steeds meer mensen voelen aan dat deze kritische grens vandaag bereikt of zelfs overschreden is, dat hun kinderen geen gelijke kansen hebben in vergelijking met Vlaanderen. Het is net deze Nederlandstalige minderheid die de legitimatie vormt voor het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Voor de rest is het sp.a-standpunt één groot pleidooi voor méér scholen en (een beetje) meertalig onderwijs; voorstellen die ook niet op één twee drie gerealiseerd kunnen worden. Het is trouwens de wereld op zijn kop. In plaats van de huidige, ernstige problemen die zich vooral situeren rond taalvaardigheid en sociale achterstelling snel en kordaat aan te pakken, komt de sp.a op de proppen met mooie langetermijnvoorstellen over o.a. meer plaatsen en meertalig onderwijs. Meer scholen is in de huidige situatie echter géén oplossing. Integendeel, je vergroot enkel het huidige kwaliteitsprobleem. Gezien de Vlaamse overheid duidelijk heeft gemaakt dat het Brussels onderwijs de volgende jaren niet moet rekenen op meer geld is deze ‘vlucht vooruit’, die zowat door alle politieke partijen wordt verdedigd, onbegrijpelijk. Ik vraag mij als ouder van twee kinderen af wanneer er eindelijk concrete maatregelen worden genomen die een invloed hebben op de korte termijn. Maatregelen waarmee scholen een goede taalverhouding kunnen nastreven, de taalvaardigheid kunnen opvoeren, elk schoolteam een consequent school-taalbeleid kan voeren, de klassen kleiner kunnen, de leerkrachten in Brussel gehouden en de directies gedynamiseerd kunnen worden, er snel en efficiënt geïnvesteerd kan worden in concentratiescholen, problemen sneller gedetecteerd en aangepakt kunnen worden, Nederlandstaligen de zekerheid krijgen dat ze in de school van hun keuze terecht kunnen. Voor dit alles is het voorlopig echter nog ‘Wachten op Godot’. ** Geert Selleslach**

|

onderwijs - gelijke kansen - Brussel

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 13 tot 22