Log in

Aquafin: l'histoire continue, of toch niet?

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 5 (mei), pagina 44 tot 51

Het is weer even stil rond Aquafin. Dat is niet nieuw: de voorbije jaren kwam de Vlaamse naamloze vennootschap die onze aller waterzuivering moet realiseren, met tussenpozen in het nieuws. Felle opstoten van berichtgeving werden afgewisseld met periodes van grote stilte. In januari van dit jaar werd nog een kleine mediastrijd gestreden na het publiceren, door Aquafin zelf, van haar zgn. Klaverplan voor de toekomst van de Vlaamse waterzuivering. Het ziet er niet naar uit dat de stilte nu weer lang zal duren. In het komende jaar moeten immers een aantal knopen worden doorgehakt, zowel qua structuur als qua aanpak van de Vlaamse waterzuiveringsmaatschappij, en niet het minst ook over de manier waarop in de toekomst de zaak verder gefinancierd moet worden.

Waterzuivering is een thema dat je niet vaak in sociale middens met passie zult horen bediscussiëren. Te technisch, en door alle constructies die in Vlaanderen rond het thema hangen, ook wel te complex. Het dossier van de Vlaamse afvalwaterzuivering is nochtans om verschillende redenen heel belangrijk:
. vanuit milieu-oogpunt: de resultaten op het terrein - inzake milieukwaliteit - zijn tot nu toe niet goed. Vlaanderen haalt bij benadering niet de Europese en evenmin de eigen (Vlaamse) doelstellingen.
. omwille van de grote financiële impact voor de Vlaamse begroting en de directe portemonnee van huishoudens en bedrijven: de factuur van de waterzuivering wordt immers ook in grote mate betaald uit heffingen.
. en tenslotte ook omwille van de signaalfunctie die het Aquafindebat heeft in het licht van de trends inzake pps (Publiek-Private Samenwerking). De ervaringen met de constructie Aquafin moeten een les zijn voor de toekomstige aanpak inzake pps in Vlaanderen.

In dit artikel zetten we even op een rijtje waar de constructie Aquafin vandaan komt, welke vandaag en ook reeds jarenlang de grote knelpunten zijn, en wat er de komende tijd in het geding is.

De geschiedenis

De slechte kwaliteit van de oppervlaktewateren is in Vlaanderen een belangrijk en oud milieuprobleem. Er is de voorbije jaren weliswaar grote vooruitgang geboekt: in het VMM-rapport over de waterkwaliteit van 2002 lezen we dat bij een kwart van de meetpunten de zuurstofhuishouding nu gunstig tot zeer gunstig is. Slechts 0,7% hoort nog thuis in de klasse ‘zwaar verontreinigd’. Ter vergelijking: in 1990 was dit nog respectievelijk 16% en 20%. Toch blijkt ook dat er vandaag zeer weinig oppervlaktewater is waar de waterkwaliteit in al haar aspecten goed is.
Drie doelgroepen hebben een grote impact op die waterkwaliteit: de huishoudens (via het lozen van huishoudelijk afvalwater), de industrie, en de landbouwsector die vooral diffuse emissies (dus niet via een lozingspijp) van pesticiden en mestoverschotten veroorzaakt. In de voorbije tien jaar zijn vooral de afvalwaters van de eerste twee groepen sterk aangepakt: via het zuiveringsbeleid van Aquafin werd aanzienlijke vooruitgang geboekt in het verminderen van de vuilvracht van huishoudelijk afvalwater; Vlarem verplichtte de industrie ertoe om haar afvalwater te saneren en te zuiveren alvorens het te lozen. Recent werden grotere bedrijven die nog via het openbare systeem hun afvalwater lozen, via het zgn. afkoppelingsbeleid naar zelfzuivering gedwongen.
Vlaanderen heeft inzake de zuivering van huishoudelijk afvalwater al een hele weg afgelegd. Tot in 1990 waren een drietal publieke zuiveringsmaatschappijen bevoegd voor de waterzuivering in Vlaanderen. Internationale verplichtingen (de Noordzeeconferenties en nieuwe Europese richtlijnen) noopten de toenmalige Vlaamse regering ertoe een zware inhaaloperatie op te zetten: de toestand op het terrein inzake waterzuivering was indertijd immers vrij dramatisch (de zuiveringsgraad, het aandeel van huishoudelijk afvalwater dat effectief wordt gezuiverd, was in 1990 niet meer dan 30 %). De Europese richtlijn stedelijk afvalwater vereiste dat reeds tegen 1998 alle afvalwater van grote agglomeraties zou gezuiverd worden. De tijd drong.
Omdat op dat ogenblik noch de knowhow noch de financiële middelen voor het grijpen lagen, werd in 1990 Aquafin opgericht als een publiek-privaatpartner-ship voor de bovengemeentelijke inzameling en collectieve zuivering van huishoudelijk afvalwater. Het Vlaams gewest bezit via de Vlaamse Milieuholding 51% van de aandelen, Severn Trent (een privaat waterbedrijf uit het Verenigd Koninkrijk) bezit 20% en een gemengde groep beleggers 29%. Met de privépartner Severn Trent werd er verder een (afzonderlijk vergoede) ‘knowhow-overdracht-overeenkomst’ gesloten, waarbij Severn Trent zijn knowhow inzake waterzuivering inbracht in de werking van Aquafin. Het Aquafin-oprichtingsdecreet voorziet voor de nv een wettelijk monopolie inzake de Vlaamse bovengemeentelijke waterzuivering. De lucratieve constructie kwam tot stand onder de eerste milieulegislatuur van Kelchtermans. In 1993 werd door toenmalig milieuminister De Batselier een eerste bijsturing van de beheersovereenkomst van Aquafin ondernomen, om de meest uitbundige uitwassen van het model in te perken (inkapseling en begrenzing van de ‘bouwdrift’, plafonnering van de uitgaven en meer controle op het intern beleid). Aquafin noemt dit tot op vandaag een jammerlijke ‘terugkeer naar command and control.’
In 1994 nam Aquafin ook de exploitatie over van de stations die tot dan door de VMM (Vlaamse Milieumaatschappij, overheid) werden geëxploiteerd. Sindsdien zijn de hoofdactiviteiten van Aquafin formeel: a. bouwen van bovengemeentelijke waterzuiveringsinfrastructuur; b. exploitatie en beheer van deze infrastructuur; c. (pre)financieren van deze activiteiten (hetgeen dus een debudgettering betekent voor de Vlaamse overheid, vermits Aquafin prefinanciert en het gewest over 15 jaar gespreid terugbetaalt).
Aquafin voert een door de overheid opgelegd investeringsprogramma uit, dat in principe afloopt in 2005. De planning van deze investeringen (en van de infrastructuur) gebeurt door de overheidsdienst VMM, mede op basis van door Aquafin aangeleverde informatie. De overheidsmiddelen voor Aquafin komen uit het Minafonds, dat wordt gespijsd met de Vlaamse milieuheffingen en vanuit de algemene middelen.
De beheersovereenkomst met het Vlaams gewest bepaalt de Aquafin-vergoedingen via een middelenverbintenis: vergoedingen worden betaald op basis van reëel gemaakte kosten (voor investeringen en werking) en niet op basis van geleverde prestaties (bv. de kwaliteit van het gezuiverde water, of de gerealiseerde zuiveringsgraad). De aandeelhouders van Aquafin krijgen een gegarandeerd rendement voor hun inbreng. Door het gehanteerde model zijn de risico’s qua opbrengsten en financiering voor de aandeelhouders quasi onbestaande (gegarandeerde opbrengst voor inbreng, gegarandeerde financiering van de kosten).
In 2005 loopt het grote investeringsprogramma van de Vlaamse overheid inzake waterzuivering dus af. Aquafin ziet daarmee een groot deel van haar activiteiten verdwijnen: alleen exploitatie en onderhoud van de bestaande infrastructuur én het financierend vehikel dat Aquafin ook is, blijven dan in principe over. Sinds 2000 is Aquafin dan ook beginnen lobbyen om haar rol als ‘bouwer’ verder te bestendigen. Toenmalig milieuminister Dua en kabinetschef Verbruggen zagen het echter anders: omwille van de vele kritieken besloten ze in het voorjaar van 2001 het contract met Aquafin op te zeggen. De opzegtermijn bedraagt weliswaar 20 jaar, maar Aquafin heeft momenteel twee prangende problemen: naar eigen zeggen hebben ze het steeds moeilijker om hun alsnog blijvende rol als prefinancier waar te maken (omdat ze zelf geen leningen meer zouden krijgen voor het nog uitstaande geprefinancierde bedrag, vanwege het contractueel vacuum) én er is vanaf 2005 geen uitzicht op een nieuwe en/of blijvende rol inzake het bouwen van infrastructuur.
En er is nog meer slecht nieuws: de Europese commissie heeft ook bedenkingen over mogelijke concurrentievervalsing. Aquafin is immers een pps-constructie, en de vraag is of alle Europese concurrentieregels werden en worden gerespecteerd. Een van de pertinente vragen is dan of Aquafin subsidies mocht ontvangen. De vraag of de constructie ook in de toekomst door de Europese beugel kan, is naar verluidt een van de redenen waarom zo lang getalmd wordt met een definitieve keuze inzake de toekomstige aanpak.
Recent is Aquafin begonnen met een grote lobbycampagne bij alle Vlaamse instellingen en organisaties, om een zelf uitgewerkt toekomstplan toe te lichten: het intussen beruchte Klaverplan. Met dat plan wil Aquafin ook na 2005 de volgens hen noodzakelijke extra en versnelde investeringen in de infrastructuur uitvoeren, en zo de eigen toekomst veilig stellen.

Kritieken en knelpunten

Er is de voorbije jaren nogal wat kritiek gerezen op de aanpak van de Vlaamse waterzuivering, zowel ten aanzien van de resultaten als de pps-constructie Aquafin op zich. Een overzichtje.

Europa: halen we het of halen we het niet?

Tussen het startjaar 1990 en vandaag is in Vlaanderen de zuiveringsgraad van het afvalwater verdubbeld: vandaag wordt zo’n 60 % van het huishoudelijk afvalwater gezuiverd. De eerste deadline van de Europese richtlijn stedelijk afvalwater werd echter niet gehaald: tegen 1998 moest elke agglomeratie boven 10.000 inwoners (-equivalenten) namelijk haar afvalwater inclusief een nutriëntenverwijdering zuiveren. Vlaanderen is hier niet in geslaagd en is daarvoor door Europa aangepakt.
Nu wenkt de volgende deadline aan de horizon: tegen 2005 moet bovendien ook het afvalwater van de agglomeraties tussen 2.000 en 10.000 inwonerseq. gezuiverd worden. Volgens de berekeningen van Aquafin betekent dit dat de zuiveringsgraad nog moet opgetrokken worden tot 80%. En meteen bewijst Aquafin ook dat Vlaanderen ook nu weer de deadline glansrijk niet zal halen, en dat dit zelfs tot 2017 zal duren als we de planning van overheidsdienst VMM zouden blijven volgen. Het Klaverplan is er dan ook op gericht om aan te tonen dat met de hulp van … Aquafin deze termijn drastisch korter kan (tegen 2013), en de aanpak goedkoper. Deze demarche wordt door de overheid echter niet echt geapprecieerd. Zowel vorig milieuminister Sannen als de VMM reageerden verbolgen op de Aquafin-analyse omwille van het tactisch aspect (de Europese commissie er zelf op wijzen dat je in de problemen kunt komen is niet zo handig) en om deontologische redenen (Aquafin leeft immers bij gratie van Vlaamse overheidsmiddelen). Bovendien heeft Aquafin de cijfers en de toestand nogal vrijelijk geïnterpreteerd in het voordeel van de eigen analyse. Volgens de officiële versie van VMM zijn de noodzakelijke stappen om 2005 te halen immers wél genomen.
En Aquafin maakt nog verder gebruik van Europese richtlijnen: de Europese Kaderrichtlijn water (in Vlaanderen omgezet via het decreet integraal waterbeheer) bepaalt dat tegen 2015 in alle waterlopen een ‘goede ecologische toestand’ wordt bereikt. Aquafin vertaalt dit (geheel in de eigen logica) naar een noodzakelijke zuiveringsgraad van 98% en ook hiertoe biedt het eigen Klaverplan de beste weg.

Aquafinconcept van waterzuivering: te star en grootschalig

Aquafin werkt met de technologische en conceptuele aanpak die door Severn Trent uit de UK werd meegebracht. Deze aanpak is grootschalig en centralistisch. In grote waterzuiveringsstations, stroomafwaarts gelegen, wordt het afvalwater verzameld en gezuiverd. Deze aanpak is zeer geschikt in het grootstedelijk gebied: de zuivering van het afvalwater in de grotere Vlaamse steden kwam dan ook vlot van de grond.
Maar de concepten werken veel minder goed in het landelijk gebied, dat gebukt gaat onder de typisch Vlaamse ruimtelijke wanorde van lintbebouwing, voorsteden, verkavelingen en sterk verspreide bebouwing. Afvalwater moet dan immers op zeer verspreide wijze verzameld worden en over grote afstanden tegen hoge kosten vervoerd naar centrale, grote stations. De efficiëntie is laag (veel bezinkt onderweg), de aanlegkosten zijn enorm. Het alternatief, namelijk meer opteren voor verspreide kleinschalige zuivering, kwam jarenlang niet aan de bak. Bovendien is de aanvoer in het Vlaamse riolennet bijna overal gemengd, dwz. dat ook regenwater mee wordt afgevoerd. En die afvoer wordt er niet minder op, gezien steeds meer oppervlakte wordt verhard en infiltratie van regenwater dus steeds minder kan. Gevolg: zeker in natte periodes is er een zeer grote aanvoer van zeer verdund water. De waterzuivering werkt dan slecht, en soms is de aanvoer zo groot dat het water niet kan geslikt worden en ongezuiverd overstort in de rivieren.
Een derde probleem betreft de jarenlange blindheid van Aquafin voor natuurwaarden, en in het algemeen voor andere dan de eigen zuiveringstechnische objectieven. Ook hier speelt Aquafin recentelijk nogal eens de bal door naar VMM. Ze zou verantwoordelijk zijn voor de onoordeelkundige inplanting van een aantal stations. In elk geval zullen alvast op dit vlak de tijden grondig veranderen: met het nieuwe Vlaamse decreet integraal waterbeleid moet immers op elk niveau op een (inderdaad ..) integrale manier met de verschillende aspecten van aanvoer, afvoer, natuurlijke waarde en menselijk gebruik van water omgegaan worden. Tot op het lokale vlak zal de waterzuivering dus mee in het bad moeten met andere afwegingen.

De pps-constructie Aquafin krijgt kritiek

De pps-constructie avant la lettre die Aquafin is, krijgt kritiek. Door de constructie van één vennootschap met veel middelen en een monopolie is er weliswaar snel en grootschalig werk geleverd (en vooral in grotere steden heeft dit succes opgeleverd), maar de prijs is groot.
Zo is het gebruikte technologisch concept (dat werd meegebracht door de industriële partner Severn Trent) blijkbaar niet volledig geschikt gebleken voor de gehele Vlaamse context. Het technologisch overwicht van de industriële partner speelde hier mogelijks een negatieve rol: te weinig flexibiliteit, te weinig ruimte voor aanpassing, te weinig ‘tegen-knowhow’. Er wordt wel eens gesteld dat op het niveau van de conceptuele planning de kennis ongelijk verdeeld is geweest: ‘Aquafin was een te sterke partij op knowhow-vlak en dus was het evenwicht in de onderhandeling zoek.’
Een andere kritiek heeft betrekking op de bedrijfseconomische strategie van Aquafin. De constructie is een eigen bedrijfsmatig leven gaan leiden en is teveel bedrijf en te weinig openbare dienstverlener geworden. Zo bleek al vroeg in het bestaan van Aquafin dat de nv haar gemeenschapsopdracht ging overstijgen en zelf commerciële activiteiten ging ontwikkelen (mede op basis van middelen die voor de gemeenschapsopdracht waren bijeengebracht). En ook vandaag (met het voorgestelde klaverplan) lijkt voor Aquafin het bestendigen van de bouwdrift vooral ingegeven te zijn vanuit een economische logica, eerder dan vanuit het optimaliseren van het algemeen belang.
Bedrijfseconomisch bleek Aquafin overigens niet altijd optimaal te functioneren: de overheadkosten van de zetel waren hoog, en er werd onnodig veel geld aan studiebureaus uitgegeven. De voorbije twee jaar is er dan ook (eindelijk) een interne uitzuivering gebeurd.

Een belangrijke kritiek gaat naar het vergoedingsmechanisme. De outputs van Aquafin zijn niet resultaatgericht vastgelegd en zijn niet in termen van kostenefficiëntie gedefinieerd. Het rendement is gegarandeerd en de reëel gemaakte kosten worden sowieso vergoed. Er wordt dan ook wel gesteld dat om die reden de oplevering van (zoveel mogelijk) constructies belangrijker is voor Aquafin dan de kwaliteit van het gezuiverd water. Zo blijkt dat er vanuit de overheid, die de opdrachtgever is voor Aquafin, een dubbel gebrek aan controle bestaan heeft: op resultaat (kwaliteit) en op financiën.

Versnipperde bevoegdheden

De bevoegdheden en uitvoeringsverantwoordelijkheden voor de waterzuiveringsketen in Vlaanderen zijn vandaag nog steeds verdeeld. De overheidsdienst VMM (de Vlaamse Milieumaatschappij) is bevoegd voor de planning van de bovengemeentelijke infrastructuur en voor de controle op de waterkwaliteit. Aquafin vervoert het door de gemeenten verzameld water naar de zuiveringsstations en zuivert het. En de gemeenten zijn verantwoordelijk voor de riolering, dus het opvangen van het water bij de huishoudens en het vervoeren in de riolen naar de Aquafincollectoren. De huishoudens tenslotte zijn verantwoordelijk voor hun eigen aansluiting op die riolen. Verder is Aquafin verantwoordelijk voor de aanleg en exploitatie van grote zuiveringsstations en de ‘grote kleinschalige stations’, en de gemeenten voor de ‘kleine kleinschalige’ stations.
Een eerste punt van discussie betreft de taakverdeling tussen VMM en Aquafin. Vandaag wijt Aquafin een hele resem aan problemen aan het feit dat ze niet zelf de verantwoordelijkheid voor de planning in handen heeft, en dus moet ‘uitvoeren wat de overheid opdraagt’ (een in alle omstandigheden logische keuze, zou je veronderstellen, vermits Aquafin werkt voor de gemeenschap, met geld van de gemeenschap). Het Aquafin-alternatief hiervoor staat in het Klaverplan: op voorwaarde dat Aquafin zelf kan bepalen welke projecten in welke volgorde worden uitgevoerd, is ze bereid afgerekend te worden op het resultaat.
Ook de bevoegdheidsverdeling op het terrein heeft gevolgen voor de zuiveringstoestand in Vlaanderen. Zo is het (uiteraard) de bedoeling dat er in de zuiveringsstations, via de collectoren, ook effectief afvalwater toekomt, en dat er dus riolen zijn om het water aan te voeren. Anderzijds moeten de riolen hun verzamelde water ook kwijt kunnen aan een collector. En daar waar er in de straten riolen liggen, is het uiteraard ook de bedoeling dat de huizen in die straat op de riolen aangesloten zijn. Dit alles is echter geenszins een evidentie gebleken. De bovengemeentelijke planning is lange tijd vooral een top-bottombenadering geweest, die zuiveringsstations en collectoren vooral van bovenaf plande. De gemeenten werden geacht gelijklopend te investeren in riolen voor de ‘bediening’ van de stations. Ze kunnen er echter niet toe verplicht worden: investeren in riolen behoort tot de gemeentelijke autonomie. En die gemeenten liepen vaak achter met de aanleg van dure riolen. Vlaanderen kent sinds 1996 een ambitieus subsidieprogramma, waarbij gemeenten een aanzienlijk deel van hun kosten voor rioolaanleg kunnen betaald krijgen. Maar dit heeft tot nu toe niet alle heil opgeleverd. Alweer volgens Aquafin moet Vlaanderen (en de gemeenten) nog minstens 7 miljard euro uittrekken om alle gebouwde en door Aquafin gewenste waterzuiveringsstations ook effectief door riolen te laten bedienen. Maar ook hier zijn de meningen verdeeld: in het buitengebied is het Aquafinconcept immers zeker niet dé zaligmakende oplossing, en kan een aanpak met decentrale kleine tot en met individuele zuiveringsstations een heel ander plaatje geven.
Bovendien zal ook hier het decreet integraal waterbeleid voor een omwenteling in de besluitvorming zorgen. Op het lokale vlak zal immers plaats per plaats (in de deelbekkens) op basis van lokale behoeften en kenmerken afgewogen worden welke de beste optie is.

Zuiver water kost (veel) geld

Water zuiveren kost geld. Vooral het bouwen van de infrastructuur is een dure zaak. De optie die Vlaanderen in 1990 heeft genomen om via Aquafin de kosten jaar na jaar over 15 jaar in de toekomst uit te smeren zal ons ook na 2005 parten blijven spelen. Zelfs al zou er vanaf dan niet meer in waterzuiveringsstations geïnvesteerd worden. Dat laatste is niet realistisch: in het buitengebied moet de zuiveringsgraad immers nog omhoog (we kunnen alleen hopen dat de aanpak daar oordeelkundiger en kostenefficiënter zal gebeuren dan in het verleden).
Aquafin heeft in het Klaverplan een optelsom gemaakt van het geld dat volgens de eigen logica nog nodig is om tegen 2015 aan de Kaderrichtlijn water te voldoen: om aan een zuiveringsgraad van 98% te geraken (want dit is hoe Aquafin de vereisten van deze richtlijn vertaalt), moet nog minstens 10 miljard euro op tafel komen. En dat is niet alles: wil men de bestaande infrastructuur optimaliseren, dan moet daar nog eens meer dan 7 miljard euro bovenop gelegd worden. Vergeet daarenboven niet dat volgens Aquafin ook nog eens voor minstens 7 miljard euro aan riolering moet uitgegeven worden om de infrastructuur van afvalwater te voorzien, en je komt aan astronomische bedragen, en aan een voor vele jaren mooi gevuld orderboekje voor de Vlaamse waterzuiveringsmaatschappij. De kritiek op dit kostenplaatje betreft vooral het doortrekken van de logica (en de kwalen) die tot nu toe eigen zijn aan de Aquafin-aanpak: grootschalige bouwwerken, centralistisch, gemengde zuivering, geen aandacht voor alternatieve kleinschalige aanpak.

Van waar moet dat geld komen?

Meer dan de helft van de Vlaamse middelen voor leefmilieu wordt nu al besteed aan het afvalwaterzuiveringsbeleid. Er is overigens ook de recente BTW-tegenvaller die de kosten verder opdrijft. De federale beslissing om de Aquafinactiviteiten onder het regime van 21% BTW te laten vallen, maken de waterzuivering met één klap veel duurder.
Vandaag komt het geld voor het betalen van de Aquafinfactuur én voor de rioolsubsidies aan de gemeenten uit het Minafonds. Dat laatste haalt zijn middelen uit de Vlaamse milieuheffingen (die op zich een dalende tendens vertonen) en uit de algemene middelen. Zelfs indien een oplossing gevonden wordt voor de ongunstige BTW-positie van Aquafin en indien de riolering en zuivering van afvalwater in het buitengebied kostenefficiënter wordt aangepakt, blijft de factuur nog een aantal jaar stijgen, en daarmee ook het beleidsprobleem: stijgende uitgaven en dalende inkomsten uit heffingen zullen in de komende jaren tot gevolg hebben dat de inbreng vanuit de algemene overheidsmiddelen nog verder zal moeten toenemen … of de heffingen zullen stijgen. Wanneer men ervoor zou opteren om de investeringen nog verder te zetten en zelfs (zoals Aquafin wenst) op te drijven, groeit het probleem verder mee.
Ook voor de financiering heeft Aquafin overigens een oplossing: een eigen lezing van de Europese kaderrichtlijn water leert hen immers dat vanaf 2010 voor alle waterdiensten een volledige kostentoerekening - cf. het principe de vervuiler betaalt - moet doorgevoerd worden. Vertaald naar de waterzuivering: elke burger en bedrijf moet volledig betalen voor de zuiveringskosten van het eigen afvalwater. En Aquafin kandideert meteen - geheel logisch - om deze facturatie zelf te gaan doen, en daar nu al stapsgewijs mee te beginnen. Dat ‘ontlast immers ook de Vlaamse begroting.’ Om een en ander financieel nog draaglijk te maken, zouden de investeringskosten niet over 15 jaar, maar over 20 jaar gespreid worden. De heffingen voor burgers en industrie zouden echter hoe dan ook moeten verdubbelen.
Er mangelt echter wel een en ander aan deze redenering: om te beginnen legt de Europese richtlijn water nièt een volledige, maar wél een redelijke kostentoerekening op. Om de openbare dienstverlening (die waterzuivering toch is) rechtvaardig en voor iedereen betaalbaar te houden, blijft dus een combinatie met andere financiering (inbreng uit de algemene middelen bijvoorbeeld) toegestaan. Hetgeen meteen ook de optie van Aquafin als logische inner van de heffingen ondergraaft. En ook over de keuzes voor verdere intensieve investeringen én het bijhorende kostenplaatje zijn de meningen verdeeld.
Met het debat over de toekomstige financiering van de waterzuivering is echter nog niet het hele plaatje af. Ook de financiering van de gemeentelijke riolen blijft aan de orde. Los van het al dan niet slagen van de ‘cross border lease’-initiatieven blijft de noodzaak aan verdere uitbouw van de riolenstelsels en vernieuwing van de bestaande verouderde riolen een financiële uitdaging van formaat. Momenteel gaan vanuit de Vlaamse middelen jaarlijks 150 miljoen euro naar rioolsubsidies voor de gemeenten. Dat volstaat echter geenszins. Een aantal gemeenten hebben dan ook reeds een zgn. rioolrecht ingevoerd: elke aangesloten woning betaalt een jaarlijks bedrag voor het ‘genot van de riolen.’ Een veralgemening van dat rioolrecht zou de gemeenten aan de nodige middelen kunnen helpen. De vraag is echter of dit een maatschappelijk haalbare kaart is: water en waterzuivering worden op zich al duurder voor de burger, de invoering van een (wellicht forfaitaire) nieuwe taks zal niet in goede aarde vallen en doorstaat ook niet zo vlot de rechtvaardigheidstest.
Last but not least moet worden vermeld dat er nog een bijkomende factuur zou kunnen opduiken: het niet halen van de deadlines van de Europese richtlijn stedelijk afvalwater stelt België, en dus ook Vlaanderen, bloot aan boetes die hoog kunnen oplopen. Wie die desgevallend zou betalen is niet duidelijk, maar de Vlaamse overheid lijkt helaas ook hier de meest gerede partij te zijn.

Wat brengt de toekomst?

De komende Vlaamse regering zal in elk geval de handen vol hebben met het dossier van de Vlaamse waterzuivering. Uit de historiek van het dossier blijkt dat waakzaamheid daarbij alvast geboden is.
Omwille van de centen: de kosten van de waterzuivering kunnen immers een sluipend gif worden voor het Vlaamse milieu- en natuurbeleid. Nu al zeggen sommige (minder milieubewuste) kringen dat het Minafonds moet uitgezuiverd worden van ‘minder essentiële’ uitgaven zoals de aankoop van natuurreservaten en steun aan milieubewegingen, zodat meer ruimte voor Aquafinuitgaven ontstaat.
En ook los daarvan zal het debat over de (al dan niet gedeeltelijke) kostentoerekening een evenwichtsoefening zijn tussen geldnood en sociale rechtvaardigheid. Hoog tijd dus dat ook in socialistische kringen de visievorming over aanrekening van de kosten van nutsvoorzieningen weer in een breder perspectief wordt geplaatst.
Omwille van de keuzes die moeten gemaakt worden inzake de structuur van de Vlaamse waterzuiveringsmaatschappij. Aquafin privatiseren, nationaliseren of optimaliseren: de marges zijn wellicht niet zo groot dat alles tot de mogelijkheden behoort, maar in elk scenario moeten doortastende bijsturingen van het huidige model gebeuren. Dat de huidige regering niet verder is geraakt dan een opzegging van het contract doet vermoeden dat ook deze klus niet eenvoudig zal zijn. En ook hier is het wenselijk het pps-gebeuren wat meer van op afstand principieel in te schatten.
Omwille van de implementatie van het Vlaamse integraal waterbeleid, toch een jarenlang beijverde socialistische realisatie. Aquafin is bijzonder selectief in het gebruik van dit kader voor zijn eigen strategische keuzes: de elementen m.b.t. kostentoerekening worden verdraaid, en de passages over lokale participatie en democratische afweging van aanspraken en belangen worden genegeerd. Ook hier zal dus bijsturing door anderen nodig zijn.

Maar dat is niet alles. Het verhaal over Aquafin moet ons ook de nodige lessen leren over hoe Vlaanderen in de toekomst moet omgaan met pps, en vooral, in welke valkuilen we niet mogen trappen. Een cursus Vlaamse waterzuivering lijkt dus voor alle Vlaamse beleidsmakers meer dan nuttig te zijn.

Annick Clauwaert
Adviseur studiedienst Vlaams ABVV

waterzuivering - PPS - publiek-private samenwerking

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 5 (mei), pagina 44 tot 51