Abonneer Log in

Hoofddoeken...

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 5 (mei), pagina 28 tot 36

Het ‘hoofddoekendebat’ doet de gemoederen hoog oplopen. Het laatste woord is er nog niet over gezegd en de laatste druppel inkt nog lang niet gevloeid. Een van de redenen daarvoor is het feit dat in dit debat eigenlijk verschillende debatten elkaar raken en vaak met elkaar verward worden. Er is de discussie over de plaats van godsdienst in de openbare ruimte, de bezorgdheid over de emancipatie van de vrouw en ook het hele ‘integratiedebat’ wordt ermee vermengd.

In ons standpunt maken we een duidelijk onderscheid tussen deze verschillende dimensies. Er dient echter benadrukt dat we ons over een aantal zaken bewust niét uitspreken. Het Minderhedenforum is een seculiere organisatie. We kunnen en willen dan ook geen standpunt innemen over godsdienstige vragen die aan deze materie verbonden zijn. De vraag bijvoorbeeld of gelovige meisjes en vrouwen in de islam al dan niet verwacht worden een hoofddoek te dragen, laten wij over aan de geleerden en vertegenwoordigers van de godsdienst zelf. Ons standpunt daarentegen is gebaseerd op de Universele Mensenrechten, de democratische principes van burgerschap, het respect voor diversiteit én het gezond verstand.

Emancipatie van de vrouw

De meeste argumentaties voor een algemeen verbod op de hoofddoek, vertrekken van de ‘positie van de vrouw in de islam’ om pas daarna de ‘conclusie’ te ‘verruimen’ naar andere godsdiensten.
Maar al te snel wordt aangenomen dat een hoofddoek gelijk staat aan onderdrukking van de vrouw. Als we echter nuchter nadenken, zijn er geen objectieve redenen te vinden voor het onderdrukkend karakter van dit kledingstuk. Ter vergelijking: een nauwe rok beperkt een vrouw in haar bewegingsvrijheid, is die daarom onderdrukkend? Of worden juist mannen onderdrukt, omdat ze onder sociale druk verplicht zijn telkens weer die knellende stropdas om te doen? Hoge hakken veroorzaken rugpijn en lopen ongemakkelijk, zijn ze dus onderdrukkend? Zijn we er al uit of blote benen meer of minder onderdrukkend zijn dan in rokken of broeken verpakte benen?
Soms lijkt er een bepaald idee te bestaan - vooral in ‘het Westen’ dan - dat het ‘afwerpen’ van bepaalde kledingsstukken gelijkstaat met ‘bevrijding’. Minirokjes stonden bijvoorbeeld ooit mee symbool voor de bevrijding en het protest van jonge vrouwen, die zo wilden tonen resoluut hun eigen weg te gaan en zich niets aan te trekken van oubollige normen. Tegelijk heeft de rok ook al symbool gestaan voor de (seksuele) onderdrukking van de vrouw, waardoor andere feministen resoluut voor de broek kozen. Maar als je het straatbeeld bekijkt, dan zie je dat beide interpretaties al ver achter ons liggen. Zijn de blote buiken van de zomermode een teken van de bevrijding van de vrouw? Moeten bikini’s op het strand meteen maar verboden worden in naam van de bevrijding van de vrouw? Iedereen de nudistische toer op? Ook niet elke ‘gemiddelde Vlaamse vrouw’ voelt zich even onderdrukt of vrij met een lapje stof minder of meer.
Soms wordt het onderdrukkend karakter van de hoofddoek ‘bewezen’ door het feit dat die enkel door vrouwen gedragen wordt. Daarmee veronderstelt men dat elk onderscheid tussen mannen en vrouwen neerkomt op een discriminatie van de vrouw. Zullen we dan misschien meteen maar baard en snor verbieden ter emancipatie van de vrouw? En rokjes, kan dat wel in onze westerse samenleving waarin man en vrouw gelijkwaardig zijn? Men verwart hier gelijkwaardigheid met gelijkheid. Over het verschil tussen de twee zijn al ellenlange discussies gevoerd. Sommige tendensen binnen het feminisme verdedigen de absolute gelijkheid tussen vrouw en man, terwijl andere even fervente feministen én onverbeterlijke seksisten al hebben verdedigd dat vrouw en man fundamenteel verschillen (waarbij de een al dan niet minderwaardig is aan de ander). Het is hier niet de plaats om deze discussie te voeren. Wel kunnen we vaststellen dat er - zeker qua ‘klederdracht’ - verschillen bestaan tussen vrouw en man, ook in onze hedendaagse westerse samenleving, en dat die door weinig vrouwen noch mannen als problematisch worden ervaren.
De afwezigheid van objectieve redenen die het ‘onderdrukkend’ karakter van de hoofddoek bewijzen, doet geen afbreuk aan het mogelijk bestaan en het belang van subjectieve redenen. De enige norm daarbij is de perceptie en ervaring van de meisjes en vrouwen zélf. Indien een vrouw de hoofddoek als een beletsel voor haar bewegingsvrijheid, of een teken van onderwerping beschouwt, dan heeft zij de vrijheid om géén hoofddoek te dragen. Indien een vrouw kiest voor een hoofddoek, dan heeft zij de vrijheid om een hoofddoek te dragen. Subjectieve redenen variëren per definitie heel sterk van persoon tot persoon en evolueren in de tijd. Daarom zijn ze ook subjectief. Allerlei factoren kunnen daarbij een rol spelen: van het belang en de invulling van iemands geloof tot en met modetendensen.
Samenvattend is het logisch dat in de emancipatieredenering rond de hoofddoek de keuzevrijheid van meisjes en vrouwen in kwestie doorslaggevend is. De realiteit in België is dat deze keuzevrijheid voor de meeste meisjes en vrouwen bestaat. Het idee dat de hoofddoek ‘onderdrukt’, is dus niet enkel in theorie onjuist, maar - wellicht belangrijker voor dit debat - stemt ook niet overeen met de maatschappelijke realiteit.
Dit belet niet dat we aandacht willen besteden aan die meisjes en vrouwen die wél in sterke mate onder druk worden gezet of zelfs verplicht, door hun vaders of broers, hun moeders of zussen of vanuit hun omgeving. De emancipatie van de vrouw in onze samenleving is inderdaad nog geen voldongen feit, en dit probleem stelt zich ook en in sommige gevallen sterker bij etnisch-culturele minderheden. Terloops, ook de evenredige en evenwaardige participatie van etnisch-culturele minderheden in het algemeen is nog lang niet verworven, en we hopen maar dat de politici daarvoor evenveel ‘gedrevenheid’ aan de dag zullen leggen als in de mediagenieke discussie rond de hoofddoek. Maar voor alle duidelijkheid: het is inderdaad de plicht van de overheid om zich in te zetten tegen elke vorm van onderdrukking en voor de emancipatie van (o.m.) vrouwen. De overheid moet er echter over waken dat de strijd voor emancipatie niet tegenstrijdig is. Centraal in emancipatie staat keuzevrijheid, dus maatregelen ter bevordering van de emancipatie mogen daarmee niet in tegenstelling zijn (tenzij er sprake is van inbreuken op fundamentele grondrechten). Ter vergelijking: de overheid kan en moet zich inzetten om de combinatie werk-gezin te vergemakkelijken, maar dit doet niets af aan de legitimiteit van de keuze van sommige vrouwen of mannen om ‘thuis te blijven’ voor hun gezin.
Bij de tegenstanders van de hoofddoek leeft vaak de idee dat we door een algemeen verbod op de hoofddoek dié meisjes en vrouwen moeten beschermen die verplicht worden de hoofddoek te dragen. Dit is echter een nogal drastische maatregel, die (zoals uit de rest van deze tekst blijkt) niet in verhouding staat tot de omvang van de problematiek. Ter vergelijking: alcohol is voor vele vrouwen een oorzaak van onderdrukking door mannen (vader, echtgenoot of ander), omdat alcoholmisbruik aanleiding geeft tot geweld en verwaarlozing. Toch wordt er niet gedebatteerd over een algemeen verbod op alcohol, hoeveel schade dit product ook aanricht. Er wordt geargumenteerd dat je de vele ‘gezonde’ drinkers (vrouwen en mannen uiteraard) niet mag straffen voor het misbruik van enkelen en… dat alcohol ontegenzeggelijk deel uitmaakt van onze Belgische tradities. Voor alle duidelijkheid, dit is geen pleidooi voor een verbod op alcohol. Wel willen we dat bij voorstellen tot maatregelen ‘ter bescherming van de vrouw’ niet met twee maten en twee gewichten wordt geredeneerd. En dat ook hier het gezond verstand zijn rol mag spelen.
Natuurlijk, drastische, goed zichtbare maatregelen zijn veel eenvoudiger dan de problemen aan te pakken in al hun complexiteit. En verbale ‘gedrevenheid’ is ook stukken gemakkelijker dan daadwerkelijk investeren. De vraag stelt zich immers wat die meisjes en vrouwen bij wie er echt van ‘onderdrukking’ sprake is, te winnen hebben bij een verbod op de hoofddoek. Als men echt iets wil doen voor hun emancipatie, kan men beter beginnen op de domeinen die het belangrijkst zijn. Kleding is immers slechts één van de elementen in de positie van een vrouw, en zeker niet het belangrijkste. Veel belangrijker zijn de kansen die meisjes en vrouwen krijgen om zichzelf te ontplooien en hun eigen leven te leiden, met name via onderwijs, werk en vrijetijdsbesteding. Voor de antihoofddoek-ridders kan het misschien paradoxaal klinken, maar een hoofddoek kan hierbij voor die meisjes en vrouwen juist een steun vormen. Liever op eigen benen mét hoofddoek dan afhankelijk zonder hoofddoek. Vreemd genoeg wordt de bal vaak teruggekaatst: meisjes met een hoofddoek vinden moeilijker werk, dus het is beter voor hun emancipatie dat ze de hoofddoek (verplicht) achterwege laten. Het is jammer dat men dergelijke ‘argumenten’ durft in de mond nemen. Men stelt hier het slachtoffer van discriminatie zelf verantwoordelijk voor de gevolgen ervan, in plaats van iets te doen aan de discriminatie zelf. Het is alsof je aan een zwarte zou vragen om wit te worden, als hij zich wil integreren op de arbeidsmarkt. Het spreekt vanzelf dat we dergelijke redeneringen niet kunnen aanvaarden.

‘Scheiding Kerk en Staat’ en de plaats van godsdienst in de openbare ruimte

Het tweede ‘Grote Debat’ waarin de hoofddoekdiscussie verstrikt is, is dit over de plaats van godsdienst in de openbare ruimte, meestal verward met ‘de scheiding kerk en staat’.
Het begrip ‘scheiding tussen kerk en staat’ verwijst duidelijk naar een scheiding tussen de religieuze en wereldlijke machten en hun instellingen. Het debat over de hoofddoek heeft hier niets mee te maken. Wat hier wél aan de orde is, is de plaats van de godsdienst in de openbare ruimte. Het feit dat beide zaken systematisch worden verward, maakt de noodzaak ze duidelijk te onderscheiden des te groter. In het seculier Europa zijn alle tekens van godsdienst verbannen naar en verstopt in de privésfeer. Tenminste, dat denken we… Een groot deel van de opiniemakers lijkt niet stil te staan bij de mate waarin godsdienstige ‘symbolen’ of tekens ook in België nog steeds een belangrijke plaats innemen in de openbare ruimte. Dat is vreemd, aangezien de hele discussie over de plaats van ‘God’ in de Europese constitutie nog niet is afgekoeld en recent bijvoorbeeld nog kruisbeelden uit de rechtszalen moesten weggehaald worden.
Niettemin bestaat er in West-Europa een historische gevoeligheid voor alles wat met ‘zichtbare’ godsdienst te maken heeft. Daarbij heeft ons land - Vlaanderen nog meer dan Wallonië - steeds geopteerd voor het ‘Angelsaksisch’ pluralistisch model. Het is dan ook vreemd te constateren dat Vlaamse politici in dit dossier plots het zogenaamde Frans model gaan omarmen en Frankrijk als het grote voorbeeld gaan nemen. Daarbij is niet gezegd dat de Franse beslissing een logisch gevolg is van hun maatschappijmodel, integendeel. Het is niet omdat men in één land uit de bocht gaat, dat andere landen dit voorbeeld moeten volgen. De historische gevoeligheid mondt blijkbaar uit in overgevoeligheid wanneer het tekens of symbolen van een andere religie betreft.
Wij zijn wel degelijk voorstander van een levensbeschouwelijke neutraliteit van de overheid. ‘De staat’ is immers seculier. Het is echter belangrijk een onderscheid te maken tussen de neutraliteit van instellingen en van personen. Een (openbare) instelling moét ‘neutraal’ zijn, in de zin dat ze door de leden van de samenleving als objectief aanvaard wordt. Maar mensen kunnen nooit neutraal zijn. Mensen dragen altijd politieke, levensbeschouwelijke en andere overtuigingen in zich, de ene persoon en de ene overtuiging al zichtbaarder dan de andere. Van mensen kan je wél verwachten dat ze objectief proberen te zijn. Dat ze mensen met andere overtuigingen even fair en professioneel behandelen als mensen met dezelfde overtuiging. Dat ze van hun overtuigingen geen punt maken in contexten waar dit niet gepast is, bijvoorbeeld als ambtenaar of leerkracht van een niet-godsdienstig vak. De verschillende overtuigingen van mensen beletten dus allerminst dat een instelling haar neutraliteit kan behouden. De beste garantie voor de neutraliteit is daarbij juist het feit dat er mensen met verschillende overtuigingen zijn. Het is bijvoorbeeld geen geheim dat vele van onze ambtenaren lid zijn van een of andere politieke partij. Ze hoeven dit ook niet te verstoppen, en kunnen zich zonder probleem kandidaat stellen voor verkiezingen. Deze ambtenaar is dus niet neutraal, omdat hij door ‘de burger’ kan worden herkend als behorend tot een bepaalde partij. Maar het is wel de bedoeling dat ambtenaren van verschillende politieke signatuur de neutraliteit van de instelling in evenwicht houden. Er worden hier dan ook geen verhitte debatten over gevoerd, laat staan dat ambtenaren een verbod op politieke activiteiten wordt opgelegd.
Omgekeerd vergeet men dat vele burgers vandaag de overheid en haar instellingen niet als ‘neutraal’ beschouwen. Administraties en publieke instellingen zien er nog steeds heel monocultureel uit: de mensen die er werken zijn voor het overgrote deel wit, hooggeschoold, (ex-)katholiek, hun grootouders zijn geboren in België, ze hebben één moedertaal en behoren tot de middenklasse. Voor mensen die niet tot deze specifieke groep behoren, komt de overheid dus allesbehalve neutraal over. Wie de moeite doet om zich in hun realiteit te verplaatsen, zal zijn/haar eigen opvatting van ‘neutraliteit’ kunnen verfijnen. Een kleine oefening als hulp: een Arabisch land zou op basis van ‘scheiding kerk en staat’ kunnen beslissen dat alle meisjes/vrouwen (en mannen, waarom ook niet) hun haar moeten bedekken, opdat verschillen tussen wel en niet praktiserende moslims, tussen moslims, christenen en anderen, onzichtbaar worden… Is ‘neutraliteit’ de indruk die je zal bijblijven na een bezoekje aan deze administratie? Of zal je eerder overtuigd zijn van de neutraliteit van deze instelling, als je merkt dat er mensen met verschillende overtuigingen en hoofddeksels aan de slag zijn?
Een al te eenvoudig voorbeeld? Het illustreert wel dat een definitie van ‘neutraliteit’ in de praktijk neerkomt op een definitie van ‘normaliteit’. Wie afwijkt van deze ‘normaliteit’, wordt als niet neutraal beschouwd, terwijl de neutraliteit van degenen die de ‘norm’ bepalen, niet wordt in vraaggesteld. Deze benadering is onhoudbaar in een samenleving met verschillende vormen van diversiteit.

Maar niet enkel de definitie van ‘neutraliteit’, zelfs de definitie van ‘religieus symbool’ hangt af van een impliciete ‘norm’. Een uiterlijk kenmerk dat iemand herkenbaar maakt als behorend tot een bepaalde overtuiging, is immers niet noodzakelijk een ‘religieus symbool’. Een voorbeeld: een westerling op bezoek in een ruraal gebied van een of ander ‘exotisch land’ (waar de mensen voor dit voorbeeld traditioneel gekleed zijn), draagt zijn westerse kleding niet om zich aan deze groep uitdrukkelijk als ‘westerling’ te identificeren. Nog minder wil hij met zijn kleding de ‘lokale bevolking’ provoceren of haar leefwijze afkeuren. Hij draagt die kleding, eenvoudigweg, omdat dit de kleding is waarin hij zich gemakkelijk en zichzelf voelt. Wie kan daar een probleem mee hebben? Zijn outfit zou natuurlijk minder opvallen indien de hele groep westers gekleed ging. Om terug te keren naar ons eigen land: waarom hebben we een ‘hoofddoekendebat’ en geen ‘baardendebat’ (nog afgezien van het feit dat vrouwen geen baard dragen)? Eenvoudigweg omdat ook vele gemiddelde Vlaamse (dus per definitie ‘seculiere’) mannen een baard dragen… In tijden van sjaaltjesmode vallen een ‘religieus’ en een ‘neutraal’ hoofddoek nauwelijks te onderscheiden, in tijden waarin minirokken in de mode zijn, zou zelfs een lange rok kunnen worden beschouwd als religieus symbool… De eenvoudige herkenning van een religieus symbool is dus niet zo ‘objectief’ als we wel denken.
Indien een burger denkt van een vrouw met hoofddoek niet dezelfde behandeling te krijgen als van een andere vrouw, dan zegt dit meer over die bepaalde burger dan over de vrouw met hoofddoek. Weer wordt het slachtoffer van vooroordelen en discriminatie hier zelf verantwoordelijk gesteld voor de gevolgen ervan. Je zou beter verwachten in een land waar de godsdienstvrijheid is verankerd in de grondwet en de Europese en Universele Mensenrechten.

|

Over levensbeschouwelijke materies bevat onze grondwet volgende passages:
· Art. 19
De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.
· Art. 20
Niemand kan worden gedwongen op enigerlei wijze deel te nemen aan handelingen en aan plechtigheden van een eredienst of de rustdagen ervan te onderhouden.
· Art. 21
De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking. Het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn.

|

Maken we de vergelijking met de internationale gemeenschap, waar diversiteit én de principes van gelijkwaardigheid en van onpartijdigheid prominent aanwezig zijn. De Verenigde Naties bijvoorbeeld, hechten veel belang aan onpartijdigheid1: ‘The concept of integrity includes, but is not limited to, probity, impartiality, fairness, honesty and truthfulness in all matters affecting their work and status.’ Nochtans vermeldt geen enkele tekst van de Verenigde Naties dat haar ambtenaren geen uiterlijke tekenen van geloof mogen tonen. Hoe moet die onpartijdigheid dan bereikt worden? Door de professionaliteit van de medewerker (‘In accordance with the principle of the Charter, the paramount consideration in the appointment, transfer or promotion of staff shall be the necessity for securing the highest standard of efficiency, competence, and integrity’). En… de diversiteit van de staf (‘Due regard shall be paid to the importance of recruiting staff on as wide a geographical basis as possible’).
De invulling van ‘neutraliteit als uniformiteit’, die in het hoofddoekendebat telkens naar voor wordt geschoven, past enkel in een utopische (of beter: afschrikwekkende) homogene samenleving. Indien men dit concept oplegt in een diverse samenleving, dan legt men assimilatie op en evolueert het systeem naar autoritarisme.
Wanneer men dieper graaft in de discussie rond ‘scheiding kerk en staat’, blijkt vaak dat deze terug te brengen is tot meningsverschillen over de mate van religiositeit die in onze samenleving ‘aanvaardbaar’ (of, alweer, ‘normaal’) is. ‘Hoe kan het dat een meisje in onze hedendaagse samenleving haar kleding laat voorschrijven door haar godsdienst?’, vraagt men zich dan hardop af. Het is normaal dat hieromtrent in een sterk geseculariseerde maatschappij meningsverschillen bestaan. Toch kan men deze discussie allerminst verwarren met het thema ‘scheiding kerk en staat’. Hoe seculier een samenleving ook is, indien dit uitmondt in intolerantie ten aanzien van religiositeit, is er geen sprake meer van democratie maar van autoritarisme. Men kan zich afvragen waarom sommige katholieken zich ‘door hun godsdienst laten voorschrijven’ om wekelijks naar de zondagsmis te gaan of om te bidden voor het eten, net zo goed als men zich afvraagt waarom sommige joden zich krullen en een keppeltje ‘laten voorschrijven’ en sommige moslimvrouwen een hoofddoek. Men hoeft het met hun opstelling niet eens te zijn, maar men moet ze wel respecteren - weer: zolang er geen inbreuken zijn op fundamentele rechten.
Opvallend in dit debat is ten slotte de gedrevenheid waarmee Vlaamse politici in de islamitische teksten (Koran en Sunna’s) duiken, om daar het antwoord te vinden op de vraag of een hoofddoek wel of niet kan/mag/moet verboden worden. Het is tenminste paradoxaal te noemen dat zij in eenzelfde discours pleiten voor een scheiding ‘kerk en staat’, en zich als vertegenwoordiger van de openbare macht op religieus terrein begeven. Wij willen ons hier uitdrukkelijk tegen verzetten. De interpretatie van religieuze teksten behoort aan de geleerden en gelovigen van die godsdienst, en zeker niet aan vertegenwoordigers of instellingen van de staat.
Bovengaande uitleg moet overvloedig aantonen dat er geen redenen zijn om een inbreuk te maken op de fundamentele vrijheid van godsdienst voor alle burgers, zoals ondubbelzinnig gedefinieerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (Art.9) (zie kader).

|

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (Art.9):
1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of van overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.
2. De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

|

‘Integratie’ en extremismen

Een laatste debat waar de hoofddoekendiscussie in is verstrikt, is dit over de ‘integratie’ van etnisch-culturele minderheden in de samenleving. Meer bepaald wordt het dragen van een hoofddoek dan bestempeld als manifeste onwil om ‘zich te integreren’ in onze maatschappij. Dit is minstens paradoxaal te noemen. Hoewel opiniemakers bij hoog en bij laag volhouden dat ze wel integratie maar geen assimilatie verwachten, zien we dat elk teken van eigen identiteit totaal onterecht op het hoopje van ‘anti-integratie’ wordt gegooid. Dit hebben we overigens ook kunnen zien in het stemrechtdebat: ‘als ze de Belgische nationaliteit niet willen aannemen, ‘dus’ onze maatschappij niet aanvaarden, dan kunnen we hun toch ook geen stemrecht ‘geven’.’ Het gebruik van dergelijke gebrekkige redeneringen van mensen die nochtans beter weten, wijst op onwil en populisme. In werkelijkheid vragen de allochtone gemeenschappen al jaren dat er werk wordt gemaakt van gelijke kansen op maatschappelijke integratie, met name en in de eerste plaats in het onderwijs en op de arbeidsmarkt.
Het dragen van een hoofddoek is géén teken van ‘onwil tot integratie’, zelfs integendeel. Voor vele meisjes drukt de keuze voor de hoofddoek juist hun wil uit om zich uitdrukkelijk te manifesteren als volwaardig burger van dit land mét behoud van hun moslimidentiteit. Deze moslimmeisjes beschouwen zichzelf niét als ‘buitenstaanders’ die zich gemakshalve of omwille van de druk vanuit de meerderheid, zoveel mogelijk proberen aan te passen aan de ‘normaliteit’ van deze meerderheid. Deze meisjes zien zichzelf juist als volwaardige burgers van dit land, en vinden het maar normaal dat hun medeburgers hun moslimidentiteit aanvaarden. Vergeet niet dat de meeste van deze meisjes en vrouwen hier geboren zijn: België ís al hun land, daar hoeven ze niets meer voor te doen dan ieder ander burger. Wie dit betwist of vergeet, is nog niet gewoon geraakt aan het feit dat België een diverse en pluriculturele samenleving is, waar mensen en groepen principieel gelijkwaardig zijn - of wil dit feit niet aanvaarden. Alweer een paradox: degenen die het verwijt geven dat deze vrouwen zich niet willen integreren, blijken zelf onvoldoende geïntegreerd in onze veranderende samenleving.
Een reden waarom de hoofddoek soms verkeerdelijk wordt geïnterpreteerd als een onwil tot integratie, is de onterechte associatie die sommigen maken met moslimextremisme. Alweer moeten we deze associatie ten stelligste bestrijden. Het is waar dat er op internationaal niveau tendensen van extremisme de kop opsteken en uitbreiding nemen. Dit is een evolutie die wij betreuren, veroordelen en waar mogelijk proberen te bestrijden. Maar er is een hemelsbreed verschil tussen de keuze van een persoon om zijn godsdienst intensief te beleven enerzijds, en gewelddadig extremisme anderzijds. Nemen we even de Vlaamse Beweging als vergelijking. Niemand zal ontkennen dat de ontwikkeling van het Vlaams nationalisme en van extreemrechts nationalisme elkaar doorheen de geschiedenis verschillende keren hebben gekruist. Een deel van de Vlaamse beweging vindt een deel van zijn wortels in extreem-nationalistische groeperingen, en extreemrechtse nationalistische partijen vinden een deel van hun wortels in de Vlaamse beweging. We stellen vast dat extreemrechts de laatste decennia in Vlaanderen en in heel Europa opgang maakt. Maar ook tendensen tot regionalisering en tot affirmatie van regionale (Vlaamse, Catalaanse, Bretoense…) identiteit maken opgang in het ‘Europa van de regio’s’. Betekent dit dat elke uiting van Vlaamse identiteit in dit licht moet beschouwd worden als een gevaarlijke neiging tot extreemrechts nationalisme? Of gaat het hier duidelijk over twee verschillende tendensen, zelfs al zijn er relaties tussen de twee te vinden? Onze Vlaamse politici en opiniemakers zullen hier wellicht geen uren over moeten discussiëren…: ‘Natuurlijk kan je flamingant zijn zonder extreemrechts te zijn.’ Evengoed kan je ‘natuurlijk overtuigd moslim zijn zonder extremist te zijn.’
Maar er is ook een eenvoudig pragmatisch argument tegen de idee dat een verbod op de hoofddoek als buffer tegen extremisme kan dienen. Wie dit stelt is ofwel naïef ofwel onwillig om werkelijk iets te doen tegen extremismen. Elk ouder weet dat verbodsbepalingen in het algemeen werken als een rode lap op een stier…. Wie een daad van identitaire affirmatie beantwoordt met een onverantwoord en ongenuanceerd verbod, zal enkel afkeer en agressie opwekken - het tegendeel dus van ‘matiging’. In die zin wekken repressieve maatregelen juist extremisering in de hand, doordat ze het onbegrip en de conflictbenadering tussen maatschappelijke groepen - voedingsbodem van extremisme - verder aanwakkeren. Wie daadwerkelijk iets wil doen aan extremismen, zal op meer geraffineerde wijze te werk moeten gaan. In een relatie tussen een meerderheidsgroep en minderheidsgroepen, moet daarbij ook het respect centraal staan. Zolang een minderheidsgroep de indruk heeft systematisch op verschillende domeinen gediscrimineerd te worden, en in zijn identiteit als minderwaardig te worden beschouwd, mankeert een gemeenschappelijke sokkel om op te treden tegen extremisme. Juist het respect voor moslims en de nuances in redeneringen, ontbreken bij vele deelnemers in de discussie.

Conclusie

Het Minderhedenforum beschouwt elke ongelijke behandeling van meisjes of vrouwen omwille van het dragen van een hoofddoek als een daad van discriminatie. Dit geldt zowel in het onderwijs als op de publieke en private arbeidsmarkt.
We hebben betoogd dat het dragen van een hoofddoek niet a priori kan beschouwd worden als tegenstrijdig met vrouwenemancipatie. Vrouwen moeten de vrijheid hebben om al dan niet te kiezen voor het dragen van een hoofddoek. Dit doet geen afbreuk aan de nood voor een emancipatiebeleid voor alle vrouwen én mannen, met specifieke aandacht voor etnisch-culturele minderheden.
Wat betreft de plaats van godsdienst in de openbare ruimte, is gesteld dat men vaak vertrekt van een verkeerde interpretatie van het begrip ‘neutraliteit’. Neutraliteit in openbare instellingen is ons inziens het best gegarandeerd bij pluralisme en professionaliteit, niet bij uniformiteit gebaseerd op ‘normaliteit’. Verder kan de seculiere samenleving nooit intolerantie voor de beleving en uitdrukking van godsdiensten betekenen.
Ten slotte is gesteld dat het dragen van een hoofddoek geenszins een ‘onwil tot integratie’ uitdrukt, maar juist een teken is dat het gelijkwaardig burgerschap in deze samenleving voor deze meisjes en vrouwen een vanzelfsprekendheid is.
Elk van deze verwante thematieken verdient een eigen en grondig debat. Sommige daarvan woeden al langer, geen enkel is afgerond. Hoe kunnen we de gelijkwaardige participatie van vrouwen, van mannen, van etnisch-culturele minderheden realiseren? Welke stimulerende, ondersteunende en dwingende maatregelen zijn mogelijk, wenselijk of noodzakelijk ten aanzien van de betrokkenen en maatschappelijke actoren? Hoe kunnen we in een diverse samenleving ‘neutraliteit’ onderscheiden van ‘uniformiteit’, en wat zijn de grenzen van het beleven van ieders identiteit?
Bovenstaand artikel geeft geen antwoorden op deze complexe vragen. Het heeft enkel geprobeerd de gebruikelijke argumenten in het specifieke ‘hoofddoekendebat’ te ordenen, in een ruimer kader te plaatsen en wat cultureel te relativeren. In deze wil het vooral een pleidooi zijn om ook in deze gevoelige dossiers de pedalen niet te verliezen, de zaken in de juiste proporties te zien, en bij de standpunten die we innemen de eigen principes én realiteiten niet uit het oog te verliezen. Zoniet wordt de indruk bevestigd dat er in onze samenleving ‘met twee maten en twee gewichten’ wordt gewogen.

Christopher Oliha (voorzitter) en Naima Charkaoui (coördinator)
Forum van Etnisch-Culturele Minderheden 2

Noten
1/ Bron: https://jobs.un.org/elearn/production/home.html
2/ www.minderhedenforum.be

gelijke kansen - diversiteit - discriminatie - Islam

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 5 (mei), pagina 28 tot 36