Abonneer Log in

Door een Franstalige bril

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 31 tot 38

Niemand kan zich in België kandidaat stellen in een kiesomschrijving die verder dan de taalgrens reikt. Behalve dan in Brussel-Halle-Vilvoorde. Eigenlijk is het nooit anders geweest. Vlamingen konden uiteraard kandideren in een Waalse kiesomschrijving (en omgekeerd), maar ze werden dan wel door Walen verkozen. Of tenminste door inwoners van Wallonië. Zoiets is in het verleden wel gebeurd, maar waar is de tijd (1894!) dat de Vlaamse socialistische voorman Edward Anseele een kamerzetel veroverde in Luik, dankzij de stemmen van zijn Waalse partijgenoten?

Twee kiezerskorpsen

Er zijn nu eenmaal veel ‘publieke opinies’ in een land. Maar vanuit electoraal oogpunt zijn het er in België dus vooral twee. Over een aantal onderwerpen - die jammer genoeg allemaal te maken hebben met hun samenleven in dit klein land - verschillen zij blijkbaar van mening. De opiniepeilingen liegen er weliswaar niet om: de zgn. ‘communautaire dossiers’ staan helemaal onderaan de lijst van de politieke aandachtspunten van zowel Walen, Vlamingen als Brusselaars. Maar als puntje bij paaltje komt - splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, van (bepaalde takken van) de sociale zekerheid - zijn de verzuchtingen aan weerszijden van de taalgrens soms erg uiteenlopend. Sommigen, vooral in Vlaanderen, voeren dit aan om de scheiding der geesten tot een scheiding tout court te promoten.
Dit zal trouwens wel het eerste punt zijn waar (een meerderheid van) de Vlamingen en (van) de Franstaligen het onderling niet eens zijn: voor de eersten moet elke Gemeenschap zoveel mogelijk haar eigen boontjes kunnen doppen, voor de laatsten moet het federale gezag zoveel mogelijk worden gehandhaafd, in bepaalde materies althans. De (meeste) Vlaamse politieke partijen hebben hiervoor een eenvoudige verklaring: de Franstaligen hadden het best naar hun zin in het unitaire België waar ze de politieke plak zwaaiden. Daaraan is wezenlijk niets veranderd, vermits zij nog altijd, hoewel zij minder talrijk zijn, hun wil opleggen aan de Vlaamse meerderheid. Zeggen de Vlamingen, althans. Want aan de overkant van de taalgrens wordt juist het omgekeerde gedacht: wat de Vlamingen willen wordt ooit wet. Zie de taalgrens, de culturele autonomie, de federalisering van het land, enz. Beetje bij beetje dringen de Vlamingen dus hun wil op.
In de lezersbrieven gericht aan de Vlaamse kranten wordt dan ook consequent geschreven dat de Franstalige partijen als één blok naar buiten komen, terwijl de Vlamingen in gespreide slagorde op het veld staan. Omgekeerd denken de Franstaligen dat de Vlamingen een hecht front vormen, en dat in hun eigen partijen verdeeldheid heerst zodat ‘on rentre dans les francophones comme dans du beurre’, de Franstaligen bieden nauwelijks weerstand als ze worden aangevallen. Deze uitdrukking kreeg vaste voet, in Franstalige middens welteverstaan, in de jaren zeventig.

Vertegenwoordigers van de natie?

België is een vreemd en ingewikkeld land. In het federale parlement komen soms de belangen van het land ter sprake, maar vaker nog deze van één of andere kiesomschrijving. Eén van de mooiste voorbeelden blijven in mijn ogen de zes interpellatieverzoeken die op 5 juni 2001 in de commissie voor de justitie van de Kamer gericht zijn aan de toenmalige minister van Justitie Marc Verwilghen. Alle interpellanten probeerden hem te doen afzien van zijn plan om enkele verouderde gevangenissen te sluiten. Voor volksvertegenwoordiger Yves Leterme (CVP) moest absoluut de gevangenis van Ieper standhouden, voor volksvertegenwoordiger Vincent Decroly (Ecolo) die van Namen, voor volksvertegenwoordiger Richard Fournaux (PSC) die van Dinant, voor volksvertegenwoordiger Ferdy Willems (VU-ID) die van Dendermonde en voor volksvertegenwoordigers Dalila Douifi (SP) en Trees Pieters (CVP) die van Ruiselede. Kortom, en enigszins in tegenstelling tot artikel 42 van de Grondwet, vertegenwoordigen de leden van Kamer en Senaat hoe langer hoe minder de Natie en hoe langer hoe meer hun eigen kiezers (‘degenen die hen hebben verkozen’, zegt de Grondwet), en zij alleen. De opmars van het Nimby-syndroom heeft deze evolutie alleen maar versneld. Geen wonder dus dat Vlamingen en Franstaligen lijnrecht tegenover elkaar staan in de ‘communautaire’ kwesties: aan de kiezers van het andere landsgedeelte moet geen verantwoording worden afgelegd.
In het Vlaams parlement worden ook vaak streekgebonden onderwerpen aangepakt, maar als de Vlaamse belangen centraal staan staat iedereen op één lijn. Christian Van Eyken, verkozen als lid van dat parlement maar op de Franstalige lijst UF (Union des Francophones), wordt er, hoewel hij keurig het Nederlands gebruikt in zijn tussenkomsten, gewoon genegeerd. Zelfs onverdachte Vlamingen worden er wel eens aangevallen alsof zij het rechte pad hebben verlaten. Bart De Wever, in 2004 voorzitter geworden van de Nieuw-Vlaamse Alliantie (N-VA), zei ooit in dit verband - en hij citeerde Bert D’haese: ‘In de Vlaamse beweging is men altijd de verrader van iemand.’ Waaraan hij toevoegde: ‘Van verraad over verraad gaan wij naar de Vlaamse staat.’1
Let op: ook in het Waalse parlement worden dissidente geluiden, als het over de Waalse belangen gaat, nauwelijks geduld. Ze worden zelfs electoraal afgestraft. Dit blijkt o.m. uit de nederlaag die Ecolo in 2003 moest incasseren, onder andere omdat deze partij het aandurfde het verbod op tabaksreclame op het Francorchamps-circuit te verdedigen … terwijl alle andere Waalse partijen de Waalse belangen gelijkstelden met een versoepeling van de wet. Bernie Ecclestone moest zijn bolides verder in Spa-Francorchamps vrolijk kunnen laten rondtoeren met tabaksreclame op hun flanken. De Waalse Groenen waren dus verraders.

Walen vs. Franstalige Brusselaars

Er bestaat wel een enorm verschil tussen de samenstelling van het Vlaamse en van het Franstalige kiezerskorps. De Vlaams-Brusselse verkozenen, ook al beklemtonen zijzelf dat zij specifieke noden hebben en dat hun belangen niet noodzakelijk samenvallen met die van Vlaanderen, maken deel uit van een (veel) groter geheel. Zij worden gekoesterd door de Vlaamse overheid, die de Vlaamse aanwezigheid in de hoofdstad wil versterken en daartoe de nodige middelen uittrekt. Maar voor de rest worden zij geacht zich te schikken naar het beleid dat de Vlaamse regering uitstippelt. De Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (de Vlaamse verkozenen in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, zeg maar) blijft grotendeels een ondergeschikt orgaan, waarvan de leden trouwens niet langer mogen zetelen in het Vlaams Parlement zoals tot 2004 het geval was. De Vlaamse beweging laat Brussel niet los, en om het met de gevleugelde woorden van Lode Craeybeckx te zeggen: maar ze vergeet wel eens te luisteren naar de stem van de (naar schatting) 150.000 Vlaamse Brusselaars. Toch maakt dit getal van Brussel de derde grootste Vlaamse stad, weliswaar na Antwerpen en Gent maar vóór Brugge, Aalst, Kortrijk, Hasselt of Leuven bijvoorbeeld. Maar ja, de Vlaamse Brusselaars zijn nu eenmaal in de eerste plaats Vlamingen. Daaraan worden zij regelmatig herinnerd.
In het Franstalige landsgedeelte daarentegen is de kloof tussen de Walen en de Brusselaars groter. De Franstalige aanwezigheid in Brussel is van die omvang dat de Brusselaars zowat één kwart uitmaken van de Franstalige Belgische bevolking in haar geheel. De Franstalige verkozenen in Brussel hebben met andere woorden een groter gewicht dan hun Nederlandstalige tegenhangers. En in het Parlement van de Franse Gemeenschap zetelen 19 Brusselse verkozenen naast 75 Waalse collega’s.
Bovendien lopen de belangen van de Waalse en van de Brusselse politici niet altijd parallel. Ten eerste wegens de Vlaamse aanwezigheid in Brussel: daarom ook is de benaming ‘Communauté Wallonie-Bruxelles’ die onder impuls van o.m. oud-minister-voorzitter Hervé Hasquin van diezelfde Gemeenschap in zwang raakte, nogal misleidend, en werd zij door sommige Franstalige politici niet aanvaard. Ten tweede omdat Brussel een stadsgewest is, met dito problemen die vaak helemaal anders zijn dan die op het Waalse platteland of zelfs in de Waalse industriezones. Ten derde omdat de Waalse beweging zich doorheen de geschiedenis heel dikwijls tegen Brussel heeft afgezet. Lees er maar Jules Destrée op na, de beroemde Waalse voorman, die in zijn boek Wallons-Flamands. La querelle linguistique en Belgique in 1923 schreef dat de Brusselaar een ‘métis’ is, een bastaard die ongevoelig blijft ‘à l’appel de la race, à l’amour de la terre et des aïeux.’2 Er moet ook even aan herinnerd worden dat het instellen van een vlag en een feestdag voor de Franse Gemeenschap in 1974 vinnige debatten teweegbracht onder Franstaligen: de Brusselaars wilden in het begin niet weten van een vlag met de Waalse haan op.
Het voornaamste wat de meer dan 3 miljoen Walen en de ongeveer 850.000 Franstaligen verbindt is hun gemeenschappelijk verzet tegen wat zij als een Vlaamse bedreiging ervaren. Zonder Vlaamse beweging zou er waarschijnlijk geen Waals-Brussels front zijn. Toen minister-president Charles Picqué (PS) van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zich liet ontvallen, na strijdlustige verklaringen van Filip Dewinter (Vlaams Belang), dat Brussel wel in staat was om zijn eigen boontjes te doppen indien Vlaanderen op een scheuring van het land aanstuurde, lokte dit een venijnige reactie uit van zijn collega minister-voorzitter Jean-Claude Van Cauwenberghe van het Waalse Gewest: pleiten voor een zelfstandig Brussel kwam volgens deze laatste neer op een verbreken van de Franstalige solidariteit.
Vaak worden in de Vlaamse pers en in Vlaamse kringen Walen en Franstalige Brusselars over één kam geschoren. De werkelijkheid is veel ingewikkelder.

De taalstrijd, revisited

De taalstrijd heeft, ten andere, een ware gedaanteverwisseling ondergaan. Het beeld van de ‘andere’ - c.q. de Franstalige - is immers anders geworden. Vooral de Walen kunnen dit aan den lijve ondervinden.
Vroeger belichaamde de Franstalige een bijzondere vorm van arrogantie. Hij was degene die het stelselmatig vertikte om Nederlands te leren of te spreken, ook al vertoefde hij al jaren in het Vlaamse landsgedeelte. Meestal, maar niet uitsluitend, behoorde hij tot de gegoede klasse. Voor de Vlamingen en het Nederlands had hij in feite een diep misprijzen. Mijn grootmoeder langs vaderszijde, een rasechte Vlaamse uit het (Vlaams-) Brabantse Halle, had in haar jeugd bij Waalse (rijkere) gezinnen als dienstmeid gewerkt. Tegenover mij, haar Franstalige kleinzoon (mijn vader had inderdaad een Franstalige gehuwd en in ons gezin was Frans de enige voertaal) wist zij nog één zinnetje uit te diepen uit deze vervlogen tijd:
Les Flaminds c’est nin des djins,
Z-ont des culs comme des lapins

Vlamingen zijn geen mensen, zij hebben een gat als een konijn, met andere woorden: zij planten zich onverminderd voort. Blijkbaar waren haar Waalse bazen onder de indruk van de kroostrijke gezinnen die toentertijd bij Vlamingen schering en inslag waren … ’t kan verkeren!
In de Brusselse randgemeenten leven nog altijd een vrij groot aantal Franstaligen (maar ook Nederlandsonkundige vreemdelingen) die, zogezegd, een enorme sociale druk uitoefenen op de Vlaamse autochtonen. Sta mij toe om deze ‘druk’ toch enigszins te relativeren. Ten eerste: het gemiddelde inkomen van de Vlaming in Dilbeek of zelfs Kraainem zal vandaag niet beduidend lager zijn dan dat van de Franstalige. Ten tweede: de Eurocraten die in de randgemeenten wonen zijn niet allemaal Franstaligen. Van de Belgische geschiedenis hebben zij geen kaas gegeten, en enig misprijzen voor de Nederlandse taal zal hen zeker wel vreemd zijn. Mijn punt is: van dat beeld van de arrogante Franstalige blijft vandaag niet veel meer over dan een karikatuur. Want dat beeld is nu verdrongen door het beeld van de Waalse luilak die op het Vlaamse welzijn tiert. In de grofste versie luidt het dat de Waal, eigenlijk een nietsnut, verder wil blijven profiteren van de Vlaamse centen zonder enige blijk van erkentelijkheid, en dus ook zonder zijn vroegere arrogantie op te geven. In de beleefde (!) versie luidt het dat de PS de Waal vrijwillig in een staat van afhankelijkheid blijft dompelen om haar greep op de Waalse samenleving te behouden. Cliëntelisme, weet je wel. In het eerste geval dragen alle Walen zelf de schuld van hun eigen ontberingen (en van de transfers vanuit Vlaanderen), in het tweede alleen de vermaledijde socialisten. Volgens senator Wim Verreycken (Vlaams Belang) is trouwens ‘de vrees dat Wallonië ooit zal moeten werken, en niet langer vegeteren op Vlaamse kosten’3 de echte reden waarom de Walen zo gekant zijn tegen het uiteenspatten van het land.
Hoe dan ook, dat beeld is bijzonder kwetsend voor de modale Waalse kiezer, die trouwens niet uitsluitend socialistisch stemt! In Waals-Brabant bijvoorbeeld hebben op 13 juni 2004 slechts 19,25% van de kiezers voor de PS-lijst gestemd, tegenover 42,56% voor de MR van Louis Michel. Maar ja, die laatste zal zeker een cryptosocialist zijn.

De transfers

Dat er overdrachten (‘transfers’) van overheidsgeld bestaan tussen Vlaanderen en Wallonië zal wel vaststaan. Ook tussen West-Vlaanderen en Limburg trouwens. Maar het beeld dat daarvan wordt opgehangen, o.m. in de Vlaamse media, is nogal éénzijdig. Toen het probleem van de hogere medische uitgaven in Wallonië onlangs ter sprake kwam in het parlement werden door de bevoegde minister cijfers gegeven waaruit blijkt dat (ik citeer) ‘de verhouding per gewest van de uitgaven gezondheidszorg niet spectaculair afwijken [sic] van de bevolkingsverhoudingen.’ En inderdaad: de Vlamingen namen in 2002 57,25% van deze uitgaven voor hun rekening terwijl zij 57,90% van de Belgische bevolking uitmaakten. In bepaalde subsectoren zijn de uitgaven van Wallonië hoger dan het nationale gemiddelde (b.v. klinische biologie en medische beeldvorming) maar soms is het net omgekeerd (de Vlamingen zitten hoger in subsector heelkunde, bijvoorbeeld).4 Ik heb tevergeefs gezocht naar een item hierover in de Vlaamse kranten. Er zijn natuurlijk andere transfers dan op medisch gebied, en bovendien rijst de vraag: waarom zouden de Walen het systeem in stand willen houden, als zij daar niet eens van profiteren? Het antwoord op deze vraag kan dus, volgens veel Vlaamse politici, alleen maar zijn dat zij daarvan wèl profiteren. Maar het zou ook eenvoudigweg kunnen zijn, zoals de bazen van de grote ziekenfondsen hebben doen opmerken, dat men de risico’s beter spreidt over een zo groot mogelijk aantal mensen om de sociale zekerheid betaalbaar te houden. Is dat zo onlogisch?
In zijn rubriek ‘Overstekend wild’ in De Standaard schreef Marc Reynebeau onlangs (alleen de naam al: zeker een verkapte Franstalige) dat de houding van N-VA- voorzitter Bart De Wever, die met een groepje militanten in het Waalse Strépy-Thieu tegen de transfers ging manifesteren, hem deed denken aan die van een koloniaal. ‘Bwana Bart’ is inderdaad van mening dat de transfers uitsluitend dienen om nutteloze investeringen te bekostigen zoals de ‘onrendabele’ scheepslift in Strépy-Thieu (die, terloops gezegd, ook het nadeel heeft dat de schepen eventueel in een andere haven dan in Antwerpen terecht kunnen). Onmiddellijk moest Reynebeau de banbliksems incasseren van De Wever zelf, maar ook van een schare De Standaard-lezers die de aloude klaagzang over de Waalse verspilzucht aanhieven. Was het niet dezelfde Bart De Wever die ooit zei ‘Wij Vlamingen dragen meer af aan Wallonië dan wat de West-Duitsers afdragen aan het voormalige Oost-Duitsland’? En inderdaad: ook sommige West-Duitsers willen van die vermaledijde ‘Ossies’ af. Was het niet dezelfde N-VA die ooit berekende dat elk Vlaams gezin om de vier jaar een auto aan Wallonië schonk? Hoe tactvol! Van mijn belastingen gaat zeker ook een deel naar Vlaanderen, en wie weet wat de Vlamingen daarmee uitspoken …
Bij het lezen van al die prozastukken over de ‘transfers’ moet ik bijwijlen denken aan een voordracht die ik in de jaren negentig hield in Antwerpen, over de communautaire conflicten. Enkelen onder mijn toehoorders - nochtans, als ik mij goed herinner, leden van een links georiënteerde vereniging - gingen heftig tekeer tegen de manier waarop de Walen het geld besteedden dat zij (dat punt stond onomstotelijk vast) van de Vlamingen kregen. ‘En stel je voor: met ons geld leggen ze in Charleroi van die luxueuze trottoirs aan, fraaier en duurder dan hier in Antwerpen!’ De rijken weten natuurlijk veel beter dan de armen hoe deze laatsten hun geld moeten besteden: aan eten en warme kleren, maar niet aan een tv-toestel of aan drank. Gemakshalve verloor mijn publiek uit het oog dat de belastingbetaler niet zelf mag beslissen waar zijn geld naartoe gaat, daar beslist de gemeenschap over (via verkozen mandatarissen). En de gemeenschap, dat is nu eenmaal voor een deel België in zijn geheel. Het zou me trouwens niet verbazen als een deel van de tegels van de trottoirs in het (fraai aangelegde) centrum van Gent betaald zijn door Waalse belastingbetalers. En heeft Vivant-voorzitter Roland Duchâtelet (maar die heeft natuurlijk ook zo’n Franse naam) niet doen opmerken dat ‘door de intrestlasten op de overheidsschuld een netto transfer is van belastingsbetalende Walen naar rijke Vlamingen’? Helemaal verdacht wordt het wanneer dezelfde Duchâtelet stelt dat ‘volgens een recent onderzoek (…) er relatief meer rijken zijn in Vlaanderen dan in Wallonië’.5 Wat doen de Walen met al die auto’s die zij van de Vlamingen krijgen? Blijkbaar potverteren die Walen er maar op los, terwijl de noest werkende Vlaming - ondanks het geld dat hij voor Wallonië moet afdokken - beter met zijn geld weet om te gaan en een appeltje voor de dorst bijeen heeft gespaard. Van clichés gesproken.

De PS-staat

En die legende van de PS-staat … Onlangs nog stond op de cover van het zeer Vlaamsgezinde weekblad Trends een grote foto van Elio di Rupo met als titel ‘De machtigste man van België’. Komaan, zeg. Sla er maar het PS-programma op na. Indien di Rupo echt de machtigste man van België was, zou het land er anders uitzien. We kunnen ons beperken tot het fiscale luik van het programma voor de verkiezingen van mei 2003: de PS wil een belasting op het vermogen, een versoepeling van het bankgeheim, een hervorming van het fiscale stelsel van de stock-options, het instellen van een ASB (Algemene sociale bijdrage), van een zgn. Tobintaks, enz. Ooit iets gemerkt van wetswijzigingen in die zin? Uiteraard heeft de PS een deel van zijn programma kunnen verwezenlijken (de partij maakt immers deel uit van de coalitie die aan de macht is), maar van een PS-staat zijn we nog ver verwijderd.
Indien - zoals uit de teneur van bovengenoemd artikel uit Trends blijkt - hiermee bedoeld wordt dat de PS overal zijn pionnen in het staatsapparaat weet binnen te loodsen, lijkt dit nogal een mager beestje, vooral als je die PS-staat vergelijkt met de ‘CVP-staat’ van de naoorlogse jaren. In die tijd had de overheid nog echt een vinger in de pap te brokken, o.a. op economisch gebied. En de CVP had toen bijna 60% van de Vlaamse kiezers achter zich, terwijl de PS bijna overal de macht moet delen met andere partijen. Trouwens, ik dacht dat de regering een coalitie was van vier partijen, en dat de premier een liberaal was?
De laatste premier die de PS heeft gehad was wijlen Edmond Leburton, begin jaren zeventig. Sindsdien is de eerste minister telkens een Vlaming, en niet eens een socialist. Leburton viel in 1973, wie weet het nog, over de zaak Ibramco. Dat was pas een item uit een socialistisch programma: zorgen voor de bevoorrading van ruwe olie in het land door een openbare vennootschap op te richten! Sindsdien is het nogal pover gesteld met de socialistische verwezenlijkingen. Ze hebben eerder te maken met het in stand houden van de ‘sociale verworvenheden’ - en zelfs dat is een niet te verwaarlozen prestatie. Want achter de hele rimram over de splitsing van de sociale zekerheid liggen waarschijnlijk nog andere bedoelingen verscholen. Ook een verzekeraar probeert zo weinig mogelijk te betalen. Hij sluit dus bewust bepaalde mensen van zijn polissen uit of laat ze desnoods meer betalen indien zij tot een risicogroep behoren. Zo’n logica moet bepaalde strekkingen binnen het Vlaamse partijpolitieke landschap wel bekoren. Maar wat indien de redenering verder wordt getrokken? Dan valt niet alleen de interpersoonlijke solidariteit (o.a. tussen Vlamingen en Franstaligen) in duigen, maar ook andere vormen van solidariteit. Op een gesegmenteerde markt ligt privatisering op de loer, omdat de derde pijler (de niet-verplichte verzekering) aan belang wint.

B-H-V

Wat de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde betreft: Vlaamse politici maken hier een punt van omdat zij van de taalgrens echt een soort staatsgrens willen maken. Niemand zou nog mogen stemmen op een kandidaat van de overzijde van de taalgrens wat - zoals gezegd - nu nog alleen in het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde mogelijk is. Ik heb niet de indruk dat de Franstalige partijen echt gebrand zijn op de stemmen van de Franstalige inwoners van de Brusselse randgemeenten, behalve dan misschien de liberalen en de FDF’ers van de MR die daar een vrij ruime aanhang hebben. Maar waarom zou de PS het opnemen voor kiezers die inderdaad tot de betere klassen behoren en waarschijnlijk nooit in hun leven rood hebben gestemd? De enige reden is dat Franstalige politici de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde als een dictaat beschouwen die op termijn het faciliteitenstelsel bedreigt en dus het broze evenwicht waarop de communautaire vrede rust.
Het dient gezegd: een dergelijke bedreiging kan inderdaad van de Vlaamse pers worden afgelezen, en wordt regelmatig geuit door bepaalde Vlaamse partijen. Nergens staat bijvoorbeeld in de wet geschreven dat de faciliteiten een uitdovend karakter zouden hebben, maar naar aanleiding van het arrest van de Raad van State i.v.m. de circulaire-Peeters hebben een aantal Vlaamse kopstukken alweer betoogd dat men beter de faciliteiten zou afschaffen want zij schieten hun doel voorbij, nl. zichzelf overbodig te maken. Geen wonder als de Franstaligen een zoveelste woordbreuk vrezen …Hieraan moet worden toegevoegd dat het Vlaams Belang niet bepaald bijdraagt tot een serene discussie terzake. In zijn programma staat dat Brussel bij Vlaanderen moet worden ingelijfd omdat Brussel een Vlaamse stad is, maar dat de Franstaligen er verder gebruik zullen mogen maken van hun eigen taal voor onderwijs, cultuur en zo, kortom: dat zij zullen mogen genieten van bepaalde faciliteiten. Stel je voor: indien aan deze ‘faciliteiten’ hetzelfde lot beschoren is als aan de faciliteiten in de randgemeenten hebben de Brusselaars inderdaad alle redenen om aan de kwade trouw van bepaalde Vlaamse politici te twijfelen. Bovendien wil het Vlaams Belang een aantal Waalse gemeenten terug bij Vlaanderen inlijven, ook omdat zij van oorsprong Vlaams waren: Edingen, Komen, Moeskroen e.d. Een dergelijke aanpak is ook niet van aard om de Franstaligen gerust te stellen. Indien ooit iemand Nederlands gesproken heeft in een Belgische gemeente, moet deze dan automatisch beschouwd worden als een onvervreemdbaar deel van het Vlaamse grondgebied? Ik weet wel, het Vlaams Belang is Vlaanderen niet. Maar één Vlaming op vier stemt voor deze partij, die het woord ‘assimilatie’ wel in een zeer enge en rare zin opvat.
Laten we wel wezen. De meeste Franstaligen, en hun partijen, denken er niet aan om het bestaan van de taalgrens in twijfel te trekken of het unitaire België, zonder taalgrens, terug in ere te stellen. Zij hebben zich ook waar nodig aangepast of zijn verhuisd (behalve in de randgemeenten, maar de faciliteiten zijn een wettelijke gunst). De splitsing van de Katholieke Universiteit Leuven (KUL), hoewel ze voor de Franstalige katholieken een dramatische gebeurtenis was, is intussen verteerd. Het probleem is dat de Vlaamse partijen de grens (in de letterlijke en figuurlijke betekenis van het woord) steeds verleggen. Waarom, gezien in het bijzonder de eisen van het Vlaams Belang, zou Brussel niet het volgende doelwit zijn?

Integratie

De Vlaamse partijen hebben het wel eens over de onwil van de Franstaligen om zich te integreren. Geef toe: dit is een gevaarlijk uitgangspunt, want wat is integratie? Dat mensen thuis een andere taal spreken dan op het gemeentehuis is een verschijnsel dat in Brussel wel bekend is. Aan mijn Franstalige collega’s die bij hoog en bij laag beweren dat Brussel een Franstalige stad is, antwoord ik meestal dat Frans er inderdaad een lingua franca is, de taal die je spreekt tegenover een onbekende, maar dat er in de hoofdstad verder een ongelooflijk aantal talen naast elkaar bestaan. Ik raad ze aan om eens de bus te nemen, maar niet een die naar Woluwe of Ukkel rijdt maar één die Molenbeek of Sint-Gillis aandoet. Spits je oren: géén Nederlands te bespeuren … maar ook geen Frans! Op de markt bij het Zuidstation worden de klanten bediend in een schabouwelijk Frans, een nog schabouwelijker Nederlands, en onder elkaar spreken de mensen Turks, Tamazight, Lingala en wat weet ik allemaal. Zijn al die marktkramers en hun klanten dan niet ‘geïntegreerd’?
Parallellen worden er altijd getrokken in de ‘communautaire’ dossiers. Tegenover deze zgn. ‘onwil’ wordt langs Vlaamse zijde de toestand van de Vlamingen in herinnering gebracht, die in Wallonië gingen werken en na verloop van tijd Frans begonnen te spreken om zich vervolgens volledig te integreren, zodat er nu in het Zuiden van ons land politici rondlopen met mooie Vlaamse namen zoals Onkelinx of Van Cauwenberghe.
Maar alweer: dit is nu verleden tijd. In Wallonië worden nog altijd Vlamingen aangetroffen, maar het zijn nu toeristen of zakenlui. En wat blijkt? In het gemeentehuis spreken ze inderdaad Frans, maar onder elkaar - waarom ook niet - Nederlands. En dit gebeurt, geloof me vrij, niet alleen thuis. Mijn ouders hadden in de jaren zeventig een tweede verblijf in het hart van de Ardennen, in de buurt van Houffalize (provincie Luxemburg). Het was een oude hoeve, waaraan heel wat hersteld moest worden en in het begin gingen we er elk weekend naartoe om er te werken. ’s Avonds hadden wij de keuze, om van dit hard labeur wat te bekomen, tussen twee cafés waar de boeren van het dorp en enkele jongeren péket kwamen drinken. De eigenaars waren mensen van het dorp die daarnaast ook een kleine boerderij hadden, of een garage. In de jaren negentig ben ik er weer een paar keer geweest, mijn ouders hadden intussen de hoeve tot hun hoofdverblijfplaats gemaakt, ze waren allebei gepensioneerd. De twee cafés waren dicht. In hun plaats was er een soort brasserie gekomen, en als ik er ’s middags ging eten hoorde ik in de gelagzaal alleen Nederlands spreken. Ook de dienster sprak me eerst aan in het Nederlands, of beter gezegd: in het Hollands om verder op mijn verzoek het Frans te gebruiken. De eigenaars, vernam ik, waren Nederlanders. Hun klanten Nederlandse en Vlaamse toeristen, ook mensen die een huis hadden gekocht of verbouwd in deze heuvelachtige streek. Andere Nederlanders hadden een zieltogende brouwerij overgenomen in het naburige dorp, ze brouwden er weer streekbier, een waar succesverhaal. In de enige winkel van het dorp stond aan de ingang op een kaartje te lezen: ‘Hier spreekt men Nederlands’. De (Waalse) eigenaars waren wel nog altijd present.
Van een evolutie gesproken … maar ja, in Knokke word je ook in het Frans bediend als je erom verzoekt. In de Waalse Ardennen stond voor mijn ogen hetzelfde te gebeuren als aan de Vlaamse kust.

Woorden als clichés

Integratie, cultuurverschillen, taalstrijd: het aanslepende conflict tussen de twee grote taalgemeenschappen in België draait vaak, hoe kan het anders, om woorden. Woorden waaraan een betekenis wordt toegedicht die soms de lading niet (meer) dekt. Daarom ook verdoezelen die woorden soms de andere breuklijnen in de Belgische samenleving. Het blijft moeilijk om tegen de stroom in te roeien, met riemen die al bij voorbaat verdacht zijn - want schrijf ik dit niet vanuit mijn eigen positie als Franstalige?

Serge Govaert
Medewerker CRISP (Centre de recherche et d’information sociopolitiques), Brussel

Noten
1/ Vlaams Parlement, Beknopt verslag van de plenaire vergadering van 23 juli 2004.
2/ Destrée J.(1923), Wallons et Flamands. La querelle linguistique en Belgique. Paris: Plon; p.132.
3/ Zie stuk Senaat 3-515/3, zitting 2004-2005, p. 16. En geen enkele Vlaamse senator die hem van antwoord diende …
4/ Kamer van Volksvertegenwoordigers, Bulletin van vragen en antwoorden, nr. 51 021 (23.02.2004), pp.3094-3101.
5/ Voor de geïnteresseerden: te lezen op de website van Vivant, http://www.vivant.org.

communautaire problemen - Wallonië - Brussel-Halle-Vilvoorde

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 4 (april), pagina 31 tot 38