Abonneer Log in

Verklaringen voor het verenigingsleven in de Vlaamse gemeenten

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 6 (juni), pagina 39 tot 46

De voorbije jaren is het maatschappelijke middenveld (weer) in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. Niet alleen wetenschappers, maar ook politici hameren op het belang van een bloeiend verenigingsleven als bron van de ontwikkeling van (democratische) normen en waarden in een gemeenschap. Centraal in het Vlaamse wetenschappelijke onderzoek omtrent het verenigingsleven stond tot hiertoe de vraag wie participeert en welk effect deze participatie heeft. In voorliggend artikel vullen we dit onderzoek op individueel microniveau aan met een analyse op het maatschappelijke macroniveau. Meer specifiek gaan we na welke omgevingsfactoren - eerder dan individuele verklarende variabelen - de omvang van het netwerk van sport- en sociaal-culturele verenigingen in de Vlaamse gemeenten kunnen verklaren. Voor we komen tot deze analyse, brengen we in een eerste luik de spreiding van de verenigingen in beeld.

Het Vlaamse verenigingsleven in kaart gebracht

Vlaanderen is steeds rijk geweest aan een bloeiend middenveld. Dit verenigingsleven was sterk verzuild en tooide zich vooral met de voornaam ‘katholiek’ (Huyse, 2003). De voorbije jaren zakte het aantal sympathisanten van sommige organisaties binnen de verzuilde netwerken evenwel behoorlijk (Elchardus e.a., 2001). De KAV (Katholieke Arbeidersvrouwen) levert daarvan een opmerkelijk voorbeeld. De vereniging zag haar ledenaantal tussen 1989 en 2001 dalen van 325.000 tot 148.000. Toch concluderen Elchardus e.a. (2001) dat het verenigingsleven in Vlaanderen sinds de jaren tachtig groeit. De winst zit echter voornamelijk in de sector van de sportbeoefening en in de bewegingen die rond vrede, milieu en de derde wereld actief zijn. Typisch ongebonden en niet-verzuilde verenigingen dus. Bovendien vertonen deze verenigingen een tendens naar homogenisering en afbouw van diversiteit. De nieuwe sociale bewegingen spreken immers in het bijzonder de hooggeschoolde burgers aan en zijn minder heterogeen samengesteld dan de verzuilde verenigingen. Uit participatieonderzoek blijkt dan ook dat de deelname aan het verenigingsleven niet gelijk is verspreid onder de bevolking. Personen met een hoge sociale status participeren over het algemeen meer in het verenigingsleven dan personen met een lagere status. Het actieve lidmaatschap ligt ook opvallend hoger bij de kerkelijke katholieken dan bij de andere levensbeschouwelijke groepen.
Ook geografisch is het netwerk van verenigingen niet gelijk verspreid. Sommige gemeenten kennen een bloeiend verenigingsleven, terwijl andere slechts een beperkt aanbod aan verenigingen hebben. In deze paragraaf bekijken we achtereenvolgens de geografische spreiding van (de lokale afdelingen van) de sociaal-culturele verenigingen en van de sportverenigingen in Vlaanderen.

Sociaal-culturele verenigingen

Het in kaart brengen van de geografische spreiding van de sociaal-culturele verenigingen in Vlaanderen is gebaseerd op het werk van Lauwerysen en Colpaert (2004). Zij verzamelden gegevens over de lokale afdelingen van de sociaal-culturele verenigingen. Onder deze noemer wordt een breed gamma aan verenigingen begrepen. Het gaat onder meer om internationale ngo’s, migrantenverenigingen, verenigingen voor gepensioneerden en culturele centra en betreft dus zuilverenigingen en nieuwe sociale verenigingen. Figuur 1 geeft de spreiding weer van het aantal lokale afdelingen van sociaal-culturele verenigingen per 1000 inwoners (densiteit) op het niveau van de 308 Vlaamse gemeenten in 2001. We splitsen de Vlaamse gemeenten daartoe op in 5 groepen van telkens ongeveer 60 gemeenten naargelang hun aanbod van sociaal-culturele verenigingen. Hoe donkerder een gemeente is ingekleurd, hoe hoger het aantal verenigingen per 1000 inwoners er is. Merk daarbij op dat we Brussel in deze analyse buiten beschouwing laten. De witte vlek centraal onderaan de figuur geeft dit aan en wijst dus niet op het feit dat het aantal verenigingen in Brussel zeer beperkt zou zijn (eenzelfde opmerking geldt voor figuur 2).

Figuur 1: Aantal afdelingen van sociaal-culturele verenigingen in de Vlaamse gemeenten (per 1000 inwoners)

Bij het bekijken van de figuur is onmiddellijk een opvallende geografische spreiding merkbaar tussen het centrum van Vlaanderen en het uiterste oosten en westen. Het centrum van Vlaanderen - grafisch voor te stellen door de as Antwerpen-Mechelen-Brussel - wordt gekenmerkt door een relatief klein netwerk van sociaal-culturele verenigingen. Ook de rand rond Brussel heeft een relatief beperkt aantal sociaal-culturele verenigingen. Daartegenover staat dat de werkingsgebieden Halle-Vilvoorde en Antwerpen op het vlak van cultuuraanbod (theater, muziek, dans) wel zeer sterk scoren (Colpaert e.a., 2002). Het oosten en westen van Vlaanderen typeren zich door een hoge aanwezigheid van sociaal-culturele verenigingen. Tot in de verste uithoeken van West-Vlaanderen (op de kustgemeenten na) vinden we een hoog aantal lokale afdelingen van de sociaal-culturele verenigingen ten opzichte van de bevolking. Ook Limburg scoort zeer sterk. Dit laatste kan onder meer worden toegeschreven aan het relatief uitgebreide aanbod aan migrantenverenigingen in deze streek (in het bijzonder in Genk). Dit is te verklaren door de grote aanwezigheid van allochtonen als gevolg van de migratiestromen tijdens de jaren zestig.

Sportverenigingen

Onder sportverenigingen verstaan we de sportclubs waarbij een dosis fysieke activiteit is gemoeid en de sociaal-culturele sportclubs zoals hondenverenigingen (Bloso, 2004). Figuur 2 brengt de densiteit van sportverenigingen in de Vlaamse gemeenten in 2004 in beeld. Ook hier geldt dat we de gemeenten onderverdelen in vijf groepen van vergelijkbare grootte naargelang hun aantal sportverenigingen en duidt een donkerdere kleur op een hoger aantal verenigingen per 1000 inwoners.

Figuur 2: Aantal sportverenigingen in de Vlaamse gemeenten (per 1000 inwoners)

Uit figuur 2 blijkt dat Limburg zich niet enkel kenmerkt door een rijk sociaal-cultureel verenigingsleven (zoals figuur 1 laat zien), maar ook door een uitgebreid netwerk van sportclubs. De provincie West-Vlaanderen, die net als Limburg een hoge densiteit van sociaal-culturele verenigingen heeft, onderscheidt zich daarentegen minder nadrukkelijk op het vlak van sportverenigingen. Voor de gemeenten rond de stad Antwerpen geldt dat - in tegenstelling tot bij de sociaal-culturele verenigingen - hun aanbod aan sportverenigingen niet uitgesproken lager is dan in de andere Vlaamse gemeenten. Het zijn vooral Oost-Vlaamse gemeenten zoals Wetteren, Dendermonde, Buggenhout en Londerzeel die zich karakteriseren door de beperkte aanwezigheid van sportclubs. Ook steden als Gent, Antwerpen, Oostende en Kortrijk hebben relatief gezien een weinig uitgebreid aanbod aan sportverenigingen.

Het Vlaamse verenigingsleven verklaard

Beide kaarten tonen aan dat er, ondanks sommige gelijkenissen, opvallende verschillen zijn in de spreiding van beide soorten verenigingen over Vlaanderen. Ook de eerder lage correlatiecoëfficient tussen de densiteit van de sociaal-culturele verenigingen en de sportverenigingen (r=0,16) toont aan dat beide types van verenigingen in een verschillende omgeving bloeien. In wat volgt specificeren we dit algemene beeld verder en gaan we na welke gemeentelijke contextvariabelen de aanwezigheid van sociaal-culturele verenigingen en sportclubs verklaren. Interessant hierbij is ook om te kijken of bepaalde omgevingsfactoren een verschillende rol spelen bij het verklaren van het aantal sociaal-culturele verenigingen en sportverenigingen in een gemeente.
In de literatuur omtrent sociaal kapitaal en het middenveld worden een aantal maatschappelijke elementen aangereikt voor het verklaren van de omvang van het sociaal kapitaal in een gemeenschap. Zo haalt Putnam (1993) de historische ontwikkeling van een regio aan. Anderen benadrukken het economische ontwikkelingsniveau van een regio (Stolle, 2000). In ons model meten we de economische situatie van de gemeente aan de hand van het gemiddelde inkomen per capita in de gemeente en het aantal werklozen per hoofd van de bevolking. Daarnaast is er evidentie in de literatuur dat een homogene omgeving positief is voor de ontwikkeling van sociaal kapitaal. In economisch en ‘cultureel’ heterogeen samengestelde gemeenschappen loopt de genese van sociaal kapitaal moeilijker (Knack & Keefer, 1997; Coffé & Geys, 2005). ‘Culturele’ heterogeniteit wordt gemeten als het (effectief) aantal nationaliteiten dat in een gemeente is vertegenwoordigd. De verdeling van het inkomen rond de mediaan meet de economische heterogeniteit.
Ook het aandeel mensen ouder dan 65 jaar in de gemeente en het opleidingsniveau (i.e. het percentage van de bevolking ouder dan 20 jaar met een hogeschool of universiteitsdiploma) worden aan ons verklarend model toegevoegd.
Het meten van de anonimiteit en vervreemding die de grootsteden kenmerken gebeurt aan de hand van de omvang en de concentratie van de bevolking (respectievelijk gedefinieerd als het aantal inwoners en het aantal mensen per km²). Ten slotte gaan we het belang van residentiële stabiliteit na door middel van de jaar-op-jaar in- en uitwaartse migratie in de gemeente (als percentage van de totale bevolking). In het verlengde hiervan ligt het belang van huiseigendom. Het bezit van een huis impliceert immers niet enkel dat men langer in een bepaalde regio zal verblijven, maar behelst ook een belangrijke financiële investering in de omgeving en dus een stimulans om te investeren in de (sociale) kwaliteit van de omgeving. We operationaliseren dit door het percentage huizen met gekende bewoningstitel dat wordt bewoond door de eigenaar.1

Sociaal-culturele verenigingen

De resultaten van de analyse met betrekking tot het aantal sociaal-culturele verenigingen zijn weergegeven in tabel 1. We geven eerst de resultaten van het volledige model weer, waarna we niet-significante elementen stapsgewijs verwijderen om tot een efficiënter model te komen. Doordat we gebruik maken van een loglineaire specificatie kunnen de bekomen coëfficiënten geïnterpreteerd worden als percentages: een wijziging van een verklarende variabele met 1 procent leidt tot een verandering van het aantal verenigingen in de gemeente met x procent, waarbij x verwijst naar de coëfficiënt van de verklarende variabele. De coëfficiënt voor de variabele inkomen in het volledige model geeft bijvoorbeeld aan dat wanneer het gemiddelde inkomen in gemeente A 1 procent hoger is dan in gemeente B, het aantal sociaal-culturele verenigingen in gemeente A zowat 0,6 procent lager is. Merk ten slotte op dat de afhankelijke variabele in deze analyse het aantal sociaal-culturele verenigingen is en niet de densiteit zoals in figuur 1 en dat de kleine gemeente Herstappe wegens een gebrek aan data niet in de analyse werd opgenomen (vandaar N = 307) (Beide opmerkingen gelden ook voor de analyse in tabel 2).

Tabel 1 geeft aan dat het netwerk van sociaal-culturele verenigingen significant kleiner is in rijkere gemeenten. Hoe lager het gemiddelde inkomen in een gemeente, hoe groter het netwerk van sociaal-culturele verenigingen. Dit vertelt evenwel niet noodzakelijk iets over de relatieve participatiegraad van armen en rijken in sociaal-culturele verenigingen. Onze bevinding contrasteert dus niet noodzakelijk met onderzoek op individueel niveau dat aantoont dat een hogere sociale status leidt tot een hogere maatschappelijke betrokkenheid (Elchardus e.a., 2001). Wel kunnen we concluderen dat gemeenschappen met een hoger gemiddeld inkomen niet automatisch meer verenigingen genereren (hoewel de rijkeren gemiddeld hogere participatieniveaus hebben dan de armen). Dit toont aan dat bevindingen op individueel niveau niet zonder meer kunnen worden omgezet naar het maatschappelijke niveau.
Ook de werkloosheidsgraad in de gemeente vertoont een significant negatief verband met het netwerk van sociaal-culturele verenigingen. Hoe meer werklozen een gemeente telt, hoe kleiner het netwerk van verenigingen. Dit sluit aan bij het onderzoek op individueel niveau (Hooghe, 2003). Een mogelijke verklaring is dat werklozen niet zijn opgenomen in een arbeidssituatie. Hierdoor hebben ze minder structurele contacten met organisaties die op hun vrijwillige inzet een beroep zouden kunnen doen (Hooghe, 2003). Een andere mogelijke verklaring voor de lagere participatie van werklozen is dat vrijwillige inzet in verenigingen vaak dezelfde vaardigheden vereist als betaalde arbeid. Werklozen missen deze vaardigheden, waardoor ze voor verenigingen ook minder interessant worden.
Vervolgens is er het belang van de (groot)stedelijke omgeving als verklaring voor het aantal sociaal-culturele verenigingen. Uiteraard neemt het aantal verenigingen sterk toe met het inwonersaantal van de gemeente. Dat de coëfficiënt gelijk is aan één betekent dat een gemeente met een dubbel zo grote bevolking ook dubbel zoveel verenigingen zal tellen, al het overige constant houdend. De bevolkingsconcentratie correleert echter negatief met het aanwezige netwerk van verenigingen in een gemeente. Algemeen bloeit het verenigingsleven dus makkelijker in minder druk bevolkte gemeenten.

Het verenigingsleven is ook uitgebreider in gemeenten met een beperkt aantal nationaliteiten onder de bevolking. In gemeenten met inwoners van verschillende nationaliteiten is het aantal sociaal-culturele verenigingen merkbaar lager dan in gemeenten met een kleinere diversiteit in aantal nationaliteiten. Het vormen van groepen gaat duidelijk moeilijker in gemeenschappen van mensen met verschillende nationaliteiten.
Het negatieve verband tussen de omvang van het netwerk van sociaal-culturele verenigingen en de in- en uitwaartse migratie in de gemeente wijst erop dat een stabiele bevolking kan worden geassocieerd met een sterkere maatschappelijke betrokkenheid. In gemeenten met een stabiele populatie wordt meer geïnvesteerd in het vormen van verenigingen. In dergelijke gemeenten gaan inwoners er immers van uit dat ze mee de vruchten zullen plukken van het aanwezige netwerk van verenigingsleven. Ten slotte heeft het aandeel ouderen in de bevolking een significant positief effect op de omvang van het verenigingsleven. Dit stemt overeen met Putnams (2000) conclusie dat ouderen een hoger niveau van sociaal kapitaal hebben. Hij schrijft dit toe aan de wissel van generaties en gebruikt de ervaring van WO II op een relatief jonge leeftijd als verklaring voor de maatschappelijke betrokkenheid van de long civic generation.

Sportverenigingen

Tabel 2 presenteert de resultaten van de analyse met betrekking tot het aantal sportverenigingen in een gemeente. Net als sociaal-culturele verenigingen bloeien sportverenigingen makkelijker in minder druk bevolkte gemeenten met een eerder laag gemiddeld inkomen en met een beperkt aantal nationaliteiten binnen hun bevolking. Daarnaast zien we ook bij de sportverenigingen een (evident) significant en positief verband met het aantal inwoners. In tegenstelling tot bij de sociaal-culturele verenigingen is de coëfficiënt van bevolkingsgrootte hier echter significant kleiner dan 1. Een gemeente met een inwonersaantal dat dubbel zo hoog ligt dan in een andere gemeente zal met andere woorden niet twee keer zoveel sportverenigingen tellen (maar ‘slechts’ 88 procent meer).

In tegenstelling tot sociaal-culturele verenigingen bloeien sportverenigingen vooral in gemeenten met een lager aandeel ouderen. Deze bevinding sluit aan bij de conclusie van Scheerder (2004) over participatie in sportverenigingen. Hij stelt vast dat recentere generaties meer participeren in sportactiviteiten dan hun leeftijdsgenoten uit eerdere generaties. Dit wordt verklaard doordat oude geboortecohorten minder sportkansen hebben gekregen dan hun leeftijdsgenoten uit latere generaties.
Ook in tegenstelling tot de sociaal-culturele verenigingen wordt de grootte van het netwerk van sportverenigingen niet significant beïnvloed door de residentiële stabiliteit van de bevolking. Dit kan worden verklaard doordat participeren in sportverenigingen en sociale verenigingen gepaard gaat met een verschillende vraag (Coffé, 2002). Actief zijn in sportverenigingen beantwoordt aan een op het ‘individu’ gerichte vraag (i.e. ontspanning, conditie of recreatie, al dan niet in groepsverband). In sociaal-cultureel werk daarentegen staat het ‘sociale’ meer centraal. Deze verenigingen beantwoorden aan een vraag om via het verenigingsleven ingebed te zijn in ruimere sociale verbanden. Het deelnemen aan activiteiten in sociale verenigingen houdt met andere woorden veel meer een betrokkenheid bij een gemeenschap in.
Hooghe (2000) komt in zijn analyse naar achtergrondkenmerken van de participerende burgers eveneens tot een verschillend verband tussen de geografische mobiliteit en verschillende types van verenigingen. Hij concludeert dat diegenen die reeds lange tijd in dezelfde gemeente wonen significant vaker lid zijn van het verzuilde middenveld (wat in Vlaanderen voornamelijk de christelijke zuil betekent). Diegenen die mobieler zijn, voelen zich minder aangetrokken tot het verzuilde verenigingsleven, maar compenseren dit door een verhoogde activiteit in andere organisatievormen.

Besluit

Centraal in het Vlaamse onderzoek omtrent het verenigingsleven stond tot hiertoe het profiel van participerende burgers. In voorliggend werk hebben we dit onderzoek op individueel niveau uitgebreid door de aandacht te vestigen op het maatschappelijke niveau. De centrale vraag in de analyse was dan ook welke omgevingsfactoren kunnen verklaren waarom het aantal sociaal-culturele en sportverenigingen in bepaalde gemeenten hoger ligt dan in andere.
Onze analyse toont aan dat zowel het aantal sociaal-culturele verenigingen als het aantal sportverenigingen logischerwijze hoger is in grotere gemeenten. Interessant is wel dat dit effect sterker is bij sociaal-culturele verenigingen. Een dubbel zo grote gemeente heeft dubbel zoveel sociaal-culturele verenigingen, maar niet dubbel zoveel (maar ‘slechts’ 88 procent meer) sportverenigingen. Daarnaast is het netwerk van beide types verenigingen, alle andere omgevingsfactoren steeds onder controle gehouden, uitgebreider in minder druk bevolkte gemeenten met een eerder laag gemiddeld inkomen en met een beperkt aantal nationaliteiten binnen haar bevolking.
Het percentage mensen ouder dan 65 in een gemeente heeft een verschillende invloed op de omvang van beide types van verenigingen. Het heeft een positieve invloed op het aantal sociaal-culturele verenigingen en een negatieve invloed op het aantal sportverenigingen. In gemeenten met een oudere bevolking is er dus een omvangrijk aanbod aan sociaal-culturele verenigingen, maar is het gamma aan sportverenigingen beperkt. Daarnaast stellen we vast dat de in- en uitwaartse migratie in een gemeente (als indicator voor residentiële stabiliteit) enkel een significant verband vertoont met het aantal sociaal-culturele verenigingen. Dit is in lijn met de idee dat deel uitmaken van dergelijke verenigingen een groter ‘sociaal’ engagement vereist en meer dan participatie in sportverenigingen beantwoordt aan een vraag om via het verenigingsleven ingebed te zijn in ruimere sociale verbanden (Coffé, 2002).

Hilde Coffé 2
Postdoctoraal onderzoeker, Vakgroep Pol.Wetenschappen, VUBrussel
Benny Geys 2 ** **
Postdoctoraal onderzoeker, Vakgroep Econ.Wetenschappen, VUBrussel

Noten
1/ De gegevens van de verklaarde variabelen handelen steeds over het jaar 2000, behalve voor opleiding en huiseigendom (hier wordt bij gebrek aan andere gegevens gebruik gemaakt van data uit 2001).
2/ De auteurs danken Didier Willaert, Katrien Lauwerysen, Tom Colpaert en Bloso voor het beschikbaar stellen van data. Ze zijn tevens dank verschuldigd aan de redactieleden van Samenleving en politiek voor de kritische bedenkingen bij een vroegere versie van dit artikel.

Bibliografie
- Bloso (2004). Bevraging van de gemeentelijke sportdiensten naar de gemeentelijke subsidiëring van de sportclubs. Brussel: Bloso.
- Coffé H. (2002). De sociaal-culturele breuklijn en maatschappelijke betrokkenheid. Mens en Maatschappij, 77, 319-337.
- Coffé H. & Geys B. (2005). Heterogeniteit en sociaal kapitaal in Vlaanderen. Working Paper. Brussel: VUB.
- Colpaert J., Lauwerysen K. & Colpaert T. (2002). Cultuuratlas van Vlaanderen. In: Steunpunt Re-creatief Vlaanderen, Cultuurkijker. Aanzetten voor cultuuronderzoek in Vlaanderen. Jaarkboek 2002 (pp. 87-125). Brussel: Steunpunt Re-creatief Vlaanderen.
- Elchardus M., Huyse L. & Hooghe M. (red.) (2001). Het maatschappelijk middenveld in Vlaanderen. Brussel: VUB Press.
- Hooghe M. (2000). Culturele en maatschappelijke kenmerken en het participatieniveau van de Vlaamse bevolking. Een analyse van cross sectionele data. In: Hooghe, M. (red.), Sociaal kapitaal en democratie. Verenigingsleven, sociaal kapitaal en politieke cultuur (pp. 113-146). Leuven: Acco.
- Hooghe M. (2003). Sociaal kapitaal in Vlaanderen. Verenigingen en democratische politieke cultuur. Amsterdam: Amsterdam University Press.
- Huyse L. (2003). Over politiek. Leuven: Uitgeverij Van Halewyck.
- Lauwerysen K. & Colpaert T. (2004). De lokale afdelingen van de sociaal-culturele verenigingen in kaart gebracht. Socius Gegevens 03, 53-71.
- Knack S. & Keefer P. (1997). Does social capital have an economic payoff? A cross-country analysis. Quarterly Journal of Economics, 112, 1251-1288.
- Putnam R. (1993). Making democracy work. Civic traditions in modern Italy. Princeton: Princeton University Press.
- Putnam R. (2000). Bowling alone. The collapse and revival of American community. New York: Simon & Schuster.
- Scheerder J. (2004). Spelen op het middenveld: vrijetijdssport als ontspanning, ontplooiing en ontmoeting. Tielt: Lannoo.
- Stolle D. (2000). Onderzoek naar sociaal kapitaal. Naar een attitudinale benadering. In: Hooghe M. (red.), Sociaal kapitaal en democratie. Verenigingsleven, sociaal kapitaal en politieke cultuur (pp. 25-59). Leuven: Acco.

verenigingsleven - participatie - verzuiling

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 6 (juni), pagina 39 tot 46