Log in

Chili voorbij de polarisering: inzichten tot verzoening

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 7 (september), pagina 39 tot 49

Inleiding

Iets meer dan drie decennia na de coup tegen president Salvador Allende en zestien jaar na het referendum dat een einde maakte aan de militaire dictatuur van Augusto Pinochet kijkt de Chileense maatschappij nog steeds uit naar een mogelijke weg tot verzoening met dat tragisch deel van haar verleden. Er waren de gedwongen zelfmoord van een door het volk gelegitimeerde president, de kost aan mensenlevens en het hoge aantal gefolterden (minstens 29.201) onder het militair regime. Er was echter ook de steun die het leger tijdens de staatsgreep onder brede lagen van de bevolking genoot. Dit zorgt voor een kruipende schuldvraag bij de enen en voor een ongestilde honger naar gerechtigheid bij de anderen. De waarheidscommissie bracht geen bevredigend antwoord. De breed gedeelde houding van gereserveerde verdringing wordt nog teveel als de leefbare tussenoplossing gezien. De juridische weg beperkt zich nog hoofdzakelijk tot gehakketak tussen twee absolute opponenten. De Pinochet-adepten die nog steeds binnen de wetgevende en rechterlijke macht vertegenwoordigd zijn, bieden weerstand aan een groeiende groep Chilenen die in een veroordeling van de generaal een hefboom tot collectieve catharsis ziet. Op juridisch vlak danst men een gevaarlijke tango. Enkele progressieve rechters zien wel degelijk gronden om er Pinochet op te vervolgen. Zij bekampen conservatieve rechters die de bejaarde generaal of de status quo op zich willen beschermen.
Kan een beter inzicht in de historische situatie geen basis bieden voor uiteindelijke verzoening? Hierbij staat een beter begrip tussen de twee partijen centraal. Enerzijds is er de onder het regime vervolgde oppositie. Anderzijds bestaat er een groot deel van de bevolking dat door het in 1973 heersende klimaat tot jarenlange collaboratie verleid is geworden. Kan men de argumenten van dit laatste kamp zo maar als uitvluchten van een door de VS gemanipuleerde, marginale groep reactionairen afdoen? Of dachten velen oprecht dat de situatie hen geen ander keuze liet dan de coup te steunen? Is dit überhaupt een vraag die enkel door een rechts intrigant kan gesteld worden die zo hoopt een symbool van de progressieve linkerzijde te discrediteren? Allerminst! Het is immers ook het inzicht van Isabel Allende, dochter van en socialistisch voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Enkel het besef dat de Chileense maatschappij in 1973 op een onmogelijke manier tussen aanhangers en opposanten van het nieuwe systeem gepolariseerd was, kan de Chilenen helpen om eindelijk de weg naar de verzoening met medelandgenoten of met zichzelf in te slaan. Dit is een oproep tot een beter begrip van het historisch proces dat toen tot het militair bestuur leidde. Tezelfdertijd nodigt het iedere partij, ook die aan de linkerzijde, uit tot het erkennen van de eigen fouten. Dit is allerminst een pleidooi voor het legitimeren van de coup of een vergoelijking van het ondemocratisch en wreed vasthouden aan de macht door de militairen. Pinochet en de sleutelfiguren van het regime dienen veroordeeld te worden. Inmenging van militairen in het beleid is radicaal te verwerpen. Maar de Chilenen gijzelen in een door moderne, Westerse idealen geïnspireerde zwart-witinkleuring van deze pijnlijke geschiedenis helpt niemand vooruit. De Chilenen beginnen dit te beseffen. Dit artikel wil dat besef breder verspreiden.

De sociaaleconomische en militaire geschiedenis van Chili vóór Allende

De Chileense maatschappij is naar Latijns-Amerikaanse maatstaven lange tijd stabiel geweest. Het leger heeft van bij het begin een prominente rol vervuld om die stabiliteit te ‘bewaken’. Soms gebeurde dit door een externe vijand te bekampen. Zo raakte in periodes van interne spanning het natiegevoel ingrijpend versterkt. Op andere momenten greep het leger de macht om een nieuw bewind in het zadel te helpen. In sommige gevallen werd de nieuwe regering verplicht rekening te houden met sociale verzuchtingen van bredere lagen van Chilenen dan ervoor. In andere misbruikte de economische elite het leger om progressieve presidenten buiten spel te zetten. Het Chileense nationale eenheidsgevoel kwam echt tot ontplooiing door de onafhankelijkheidsstrijd tegen Spanje en de eerste oorlog tegen Peru en Bolivia (1836-39). In 1879 volgde de tweede, succesvolle campagne tegen Bolivia en Peru, voornamelijk gericht op het externaliseren van de eigen economische en politieke problemen. De rijkdom van de nitraatvoorraden in de veroverde territoria ontketende een ongezien nationalisme. De winsten vloeiden echter grotendeels naar Groot-Brittannië. De tragedie rond President Balmaceda bracht dit bittere aspect helemaal op de voorgrond en bezorgde de interne bemoeienissen van de militairen een nieuwe dimensie. Toen deze liberaal (!) het nitraat wou nationaliseren, bezorgde hij de economische elite een hartaanval. Zijn teruggrijpen naar te absolute machtsuitoefening leidde tot een confrontatie met het Parlement, dat een junta vormde om hem te weerstaan. De admiraal van de marine ging in op de vraag tot steun van deze junta waarop de president buitengewone machten inriep. Een burgeroorlog ontstond (1891). Balmaceda schoot zichzelf uiteindelijk voor het hoofd (cf. Allende!).
In 1924 zorgde de lange economische crisis voor een nieuwe interventie. De coup verplichtte het parlement wetten te stemmen om de sociale situatie ingrijpend te verbeteren. President Alessandri werd voor 6 maanden weggestuurd. Zijn terugkomst zorgde voor de terugkeer van de militairen naar de barakken. Eerst werd evenwel de leider van de militaire omwenteling, Carlos Ibañez, op een sleutelpositie binnen de regering gebracht. Toen de regering geen werk maakte van sociale hervormingen, verplichtte hij de president de macht opnieuw over te dragen. Een technocratisch regime werd ingesteld. Sociale hervormingen werden wel doorgevoerd maar enkel onder de voorwaarden van Ibañez. Inmenging van linkse, zgn. subversieve actoren, zoals vakbonden, socialisten en communisten werd geweerd. Een tijd van voorspoed brak aan. Vele burgers waren bereid daar vrijheden voor op te offeren. Door de enorme afhankelijkheid van de export van koper en nitraat was de impact van de beurscrash echter buitengewoon hevig. Massaal straatprotest, gemanipuleerde berichtgeving en een staking van verscheidene beroepsgroepen dwongen Ibañez tot ontslag. In de achttien maanden na dit ontslag kende Chili negen regeringen, twee algemene stakingen en verschillende staatsgrepen. Het land zonk economisch steeds verder weg. Bij één van die staatsgrepen verdreef luchtmachtcommandant Marmaduke Grove de president. Tegelijk met de Chileense socialistische partij stichtte hij een socialistische republiek. Via een tegencoup gaf de rest van het leger echter snel de macht aan de elite terug. De schrik voor militaire inmenging zat er diep in. Alessandri kwam opnieuw aan de macht (1932). Het leger werd continu aan de ondergeschikte positie herinnerd. De instelling had zo sterk te lijden onder de publieke afkeuring dat ze zich de volgende 40 jaar politiek afzijdig hield. Het initiatief om het leger politiek te instrumentaliseren lag weer bij de partijen. In 1938 verloor rechts voor de eerste maal de verkiezingen van een links kartel, het Volksfront. Onmiddellijk trachtten rechtse krachten een militair ingrijpen te bewerkstelligen. De herinnering aan de economische rampspoed toegeschreven aan het Ibañez-regime was echter nog te levend. Ook het linkse kartel kon de economische vooruitgang voor brede lagen van de bevolking niet waarmaken. Hierbij kwam nog het ‘verraad van de middenklasse’. Slechts 21% van de bevolking stond als kiezer geregistreerd. Voornamelijk de middenklasse stemde dus links. De politieke elite besefte dit goed en beperkte de hervormingen tot deze middensector. Daarna deden de leden zelf er alles aan om die sociale rechten veilig te stellen door verdere uitbreiding ervan tegen te gaan.
In de verkiezingen van 1946 schaarde de radicaal Videla communisten en socialisten achter zich. Eenmaal verkozen stelde hij echter ook liberalen aan als ministers. De massale schuldopbouw veroorzaakte een snel toenemende inflatie. De VS leverden de leningen. Door de Koude Oorlog en de snelle groei van de Communistische Partij keerde Videla zich tegen zijn coalitiegenoten. De communisten gingen ondergronds en de socialisten sloegen op drift. Door het wetgevend deficit van het Volksfront groeiden de lonen van de arbeiders in de jaren 1940 nauwelijks terwijl die van de bedienden verdubbelden. Een gebrek aan politiek resultaat, rivaliteit onder de linkse partijen, opportunisme bij de coalitiegenoot van het centrum, het kiesrecht voor vrouwen en de slechte ideologische conjunctuur beëindigden in 1949 dit linkse experiment. Links werd opgevolgd door… Ibañez. Ondanks het nieuw autoritarisme faalden zijn pogingen om de nitraat- en koperindustrie te reactiveren. Via de multinationals Anaconda en Kennecott waren de VS binnen deze sectoren sterker dan ooit aanwezig. Arrogant verwierpen ze een stijging van douanerechten. De handelsbalans werd steeds negatiever en stagflatie dreigde. De strategie van importsubstitutie faalde in het creëren van banen en het terugdringen van afhankelijkheid van het buitenland. In de jaren 1950 zien we dan ook het heroptreden van marxisten met een extreem sociaal project: de drastische herverdeling van de rijkdom en de radicale nationalisering van de hoofdsectoren. In plaats daarvan slikte de regering het gekende recept: terugdringen van inflatie door te snijden in de publieke uitgaven. Hierdoor slonk de industriële groei nog meer. De grootste recessie sedert de grote depressie trad op en de sociale ongelijkheid nam enorme proporties aan.
De enorme afhankelijkheid van één conjunctuurgevoelige grondstof, nl. koper, bleef hét structurele vraagstuk van Chili. Hieruit vloeiden de problemen van een onvoldoende gediversifieerde economie en enorme afhankelijkheid van geïmporteerde (half-)afgewerkte producten rechtstreeks voort. Dit zou volgende regeringen maar ook de militaire junta blijven achtervolgen. In de periode 1958-70 waren er drie presidentsverkiezingen waarbij de recepten van rechts, van het centrum en van links getest werden als oplossing. In 1958 won Alessandri jr. nipt de verkiezingen van Allende. Dit alarmeerde de VS over een democratisch verkozen marxistisch regime in eigen achtertuin. Het beheer van de gigantische staatsschuld bleef enorm veel geld opslorpen. Tegelijk groeide de afhankelijkheid van de VS nog voor import, buitenlandse schuld, investeringen, ontwikkelingsgelden en militaire hulp. De kleine schaal van de economie, de onderontwikkelde financiële sector, het bijdrukken van geld, het gebrek aan spaarcapaciteit en de nadruk op speculatief kapitaal frustreerden iedere poging tot verandering. De trage agrarische ontwikkeling zorgde voor een deficit in de voedselproductie, dat moest worden opgevangen met dure import. Tegelijk liet de modernisering van de bedrijfsstructuren op zich wachten: enkele grote bedrijven staken schril af tegen het enorme aantal artisanale microbedrijfjes.
In 1961 was het de nieuwe Christen Democratische Partij (PDC) met een links programma die de parlementsverkiezingen won. Dit deed de druk om het koper te nationaliseren en landhervormingen door te voeren nog stijgen. Toch heerste er in 1964 een inflatie van 50% en daalden de lonen schrikbarend. De betalingsbalans van Chili raakte steeds verder uit evenwicht. Voor de kiezer wees de situatie op de noodzaak om zo snel mogelijk de radicaal linkse, meer structurele oplossingen uit te proberen. Tijdens de presidentsverkiezingen van 1964 won links dan ook de eerste ronde. Maar Eduardo Frei van de PDC slaagde erin in de tweede ronde de kiezer terug naar zich toe te halen met Amerikaanse steun. De zes linkse partijen, vrezend voor hun voortbestaan, groepeerden zich tot de Unidad Popular (UP). De VS schoot definitief wakker en maakte Chili prompt tot de hoofdontvanger van Amerikaanse hulp. Frei had drie hoofdpunten binnen zijn programma. Een eerste was de ‘gechiliseerde’ kopersector, d.i. een partnerschap tussen Amerikaanse en staatsbedrijven. Ten tweede beoogde men een nieuwe sociale organisatie van het platteland en tenslotte werd een succesvolle maar beperkte strijd tegen armoede gevoerd. Hogere inkomsten uit koper zorgden voor een positieve betalingsbalans. Een vermogensbelasting verhoogde de inkomsten terwijl de staatsparticipatie in de economie werd verhoogd. In de landbouwsector ging de grondhervorming te traag gezien 80% van de bedrijven slechts 10% van het areaal bezat. Enkel de syndicalisering van het platteland nam snel toe. Ook in het stedelijke milieu verdubbelde de syndicalisatiegraad in nauwelijks 6 jaar tijd. De meeste nieuwe leden kwamen uit de snel aangroeiende sloppenwijken. Tezelfdertijd stak de overheid, in vergelijking met de inkomsten, ‘teveel’ geld in sociale projecten en stond ze loonsverhogingen toe. De privésector klaagde steen en been. Plots moest de regering hervormingen terugschroeven om een verplicht spaarplan te volgen. Ze verbrak ook haar verkiezingsbelofte door de koperindustrie aan de Anacondagroep te verpatsen. Een stijgende mobilisatie van de basis volgde. Het aantal stakingen in zowel het rurale als het stedelijke milieu steeg tussen 1960 en 1969 explosief. Rechts was woest over de doorgedreven hervormingen. Tezelfdertijd werd de linkerzijde, o.i.v. de Cubaanse revolutie, nog radicaler. In 1969 krijg je dus al een steeds grotere polarisering tussen links en rechts. Het leger werd in die omstandigheden opnieuw zenuwachtig. Een lokale opstand rond de onvrede met de eigen socio-economische situatie hield tegelijk een waarschuwing in voor zij die de stabiliteit in de maatschappij zochten te ondermijnen.

De regeerperiode van Salvador Allende de Gossens (1970-73)

De PDC koos in 1969 een nog progressiever programma. Daardoor moest de UP zich nog linkser opstellen. Allende werd ternauwernood tot presidentskandidaat van de alliantie verkozen. Ook de uitslag, 36% voor Allende, vormde niet de broodnodige brede basis voor de uitvoering van het revolutionair programma:
1) Nationaliseren van de economie;
2) Doorgedreven inkomensherverdeling;
3) De dominantie van het grootgrondbezit beëindigen;
4) Volksparticipatie bij het economisch, politiek en justitioneel beleid;
5) Het voeren van een onafhankelijke buitenlandse politiek.

Al van bij de ratificatie van de uitslag doken er dan ook problemen op. Angstig probeerden Amerikaanse firma’s de PDC onder druk te zetten om van investituur af te zien. Tegelijk zochten extreemrechtse elementen, gesteund door de CIA, de stabiliteit van de Chileense maatschappij te ondermijnen (cf. de moord op generaal Schneider). Een ander destabiliserend element was de massale kapitaalvlucht. Door de polarisering die aan de verkiezingen voorafging, zag de UP zich verplicht haar politiek te richten op het bestrijden van de klassentegenstellingen. Dit stond consensusvorming met alle andere ‘bourgeoispartijen’ sterk in de weg. Tezelfdertijd veroorzaakte het de complete politisering van het dagelijkse leven in Chili. Binnen de UP zelf waren er weinig elementen van stabiliteit. De alliantie bestond uit 6 partijen, variërend van gematigd tot radicaal links. Intern brak er snel een continue strijd los over wie de partijlijn bepaalde. Reeds in 1967 had de radicale vleugel binnen de socialistische partij een belangrijke slag thuisgehaald. Ze liet de alliantie verklaren dat revolutionair geweld noodzakelijk was. De MIR werd als revolutionaire beweging opgericht om dit in de praktijk om te zetten. Zo zou een moordaanslag op een PDC-politicus in 1971 de brede politieke beweging van Allende zwaar beschadigen. Ook de afspraak om de diverse posten onder de verschillende deelpartijen te verdelen bestendigde de rivaliteit tussen wat eigenlijk aparte politieke partijen waren. De socialistische, centrale partijautoriteit blokkeerde vele ministeriële besluiten van de andere partijtjes. Binnen de administratie zorgde de politieke achtergrond van diverse topfunctionarissen voor veel weerstand bij de uitvoering van hun taak. Om het nog moeilijker te maken, moest de UP regeren met een minderheid van 1/3e van de zetels in het parlement. Het economisch beleid zou doorslaggevend worden voor het slagen van het socialistisch project. Het eerste jaar werd een groot succes door volgende maatregelen:
1) Enorme stijging van de lagere lonen zonder de rijken te belasten;
2) Invoer van prijscontroles;
3) Oprichting van herverdelingscentra;
4) Nationalisering van de kopersector en 80 grote bedrijven;
5) Enorme versnelling van de onteigening van landbouwgronden;
6) +/- de hele financiële sector werd onder staatstoezicht gebracht.

Deze maatregelen gaven een sterke economische groei en drongen de werkloosheid terug. Tezelfdertijd staken de schaduwzijden echter de kop op:
1) Een overwaardering van de Chileense peso;
2) Galopperende overheidsuitgaven;
3) Ineenstorting van fiscale inkomsten;
4) Exploderen van de staatsschuld.

Dit alles viel samen met de snel dalende waarde van de koperexport. Van een surplus op de handelsbalans ging men op 1 jaar tijd naar een tekort. Tegelijk sloten de VS de geldkraan en zetten ze druk op de internationale bankinstellingen om leningen en schuldherschikkingen uit te sluiten. Eind 1971 stelde Chili een moratorium in op het afbetalen van de buitenlandse schulden. De Amerikaanse bedrijven zagen hun kapitaal plots en zonder compensaties genationaliseerd. De staat trok er gewoon de opbrengsten van af die de bedrijven reeds door schandalig voordelige exploitatievoorwaarden hadden geboekt. De corporaties spanden processen tegen Chili aan om de export naar Europa tegen te houden. Er ontstond een virtuele boycot van de belangrijkste tak van de Chileense industrie. Wat de directe inmenging van de VS betreft, staat vast dat de CIA 40 miljoen dollar in zwartemarkttermen verdeeld heeft om het regime te destabiliseren. De archieven bevatten ongetwijfeld nog andere informatie. Door dit alles verslechterde de economische situatie ingrijpend. Het politiek centrum verdween. Het land raakte verder in 2 kampen verdeeld: zij die geloofden in de noodzaak aan een complete hervorming op marxistische leest tegenover de non believers die dachten dat het probleem tijdelijk van aard was. Allende zelf nam steeds een gematigde positie in om zichzelf binnen de moeilijke electorale context het regeren mogelijk te maken. Binnen eigen rangen raakte hij steeds verder geïsoleerd. Velen zochten hun heil in nieuwe, meer revolutionaire wegen en creëerden een basisbeweging, de poder popular, die verandering buiten de politiek om zocht. Tegelijk gebruikte niemand het institutionele systeem om meningsverschillen met de tegenpartij op te lossen. De oppositie misbruikte het parlement en blokkeerde er de nodige fiscale ingrepen om er de noodzakelijke hervormingen mee te financieren. Maar ook de overheid manipuleerde op allerlei manieren de grondwet.

Toen bij de parlementsverkiezingen van 1973 de UP 44,2% haalde, werd de patstelling compleet. De regering bezat - ondanks de bevestiging van haar mandaat - geen 2/3e meerderheid in het parlement om hervormingen door te drukken. De oppositie verkreeg evenmin deze meerderheid om er de president mee naar huis te sturen. De starre opstelling van de militanten verhinderde de samenwerking tussen UP en PDC. De pers speelde haar slechtste rol als intrigant. Een ander probleem was dat de UP enkel directe maatregelen kon nemen om de situatie van 1/4de van het totaal aantal arbeiders, nl. het staatspersoneel, te verbeteren. Voor de overige 3/4de waren ingrepen nodig die noch door de staat noch door de werkgevers gefinancierd konden worden. Tezelfdertijd bevond een groot deel van de sloppenwijkbewoners zich buiten de formele economie. Op het platteland zorgde een onbeheersbaar aantal bezettingen voor ontwrichting van de productie en sociale relaties. Eenmaal de grondtitel verworven keerde de nieuwe landbezittende klasse de UP de rug toe en zocht ze bescherming bij de PDC. In de steden werkten de arbeiderscomités contraproductief binnen de overgenomen bedrijven. Ze ageerden onvoldoende gecoördineerd om de complexe keten van toelevering en assemblage vlot te laten verlopen. Daarenboven namen ze, tegen de wil van de regering en vakbondskoepel in, steeds meer kleine en middelgrote bedrijven over. De irrealistische eisen van de arbeiders leidden tot een enorm aantal stakingen. De positie van de comités radicaliseerde. Tezelfdertijd organiseerden de zelfstandigen zich tegen de regering. Dokters, winkeliers, boekhouders etc… voerden gecoördineerde stakingsacties uit en legden het land lam. In de industriële sector ontstonden er vanaf 1972 grote capaciteits- en distributieproblemen terwijl de conflicten steeds talrijker werden (2.474 stakingen in 1972). De staking van de transporteurs duurde een maand en onderbrak zo de bevoorrading van de steden. In deze omgeving floreerde de zwarte markt als nooit tevoren. Tezelfdertijd namen de privé-investeringen een duik. In 1973 kreeg men dan ook volgende problemen:
1) De reële lonen en agrarische output daalden;
2) De inflatie dreigde op hol te slaan;
3) De enorm toegenomen buitenlandse schuld;
4) Tekort aan internationale reserves en een negatieve betalingsbalans;
5) Wanverhouding overheidsuitgaven/en -inkomsten;
6) De opeenvolgende devaluaties waren onvoldoende;
7) Onteigeningen op het platteland en bezettingen van industriële bedrijven remmen privé-investeringen.

Het enig economisch lichtpuntje was de succesvolle nationalisering van de kopermijnen. Bovenal waren het de loonexplosie en de ongecontroleerde bedrijfsovernames die de staat in grote problemen brachten. Vanuit haar ideologie kon de regering dit echter onmogelijk tegenhouden. Te makkelijk ingeloste looneisen zorgden voor een onbeheersbare monetaire expansie terwijl de internationale reserves snel uitgeput raakten. De vertaling van de politieke strijd op het terrein neutraliseerde ieder positief effect van de hervormingen. Dit kwam o.a. doordat de politiek bij de begeleiding van de economische hervormingen te weinig actief betrokken was. Er heerste een te groot vertrouwen in de goede afloop van de hervormingen op lange termijn. Men wou niet inzien dat ze op korte tot middellange termijn zwaar negatieve neveneffecten hadden. Zo werd de staat gaandeweg eigenaar van 40% van de industriële productie, stelde ze 30% van de arbeiders tewerk, stond ze in voor 93% van het bankkrediet en controleerde ze 90% van de mijnbouw. Het marxistisch experiment verwerd tot een zichzelf versnellend proces dat zichzelf dreigde te vernietigen. Door de prijscontroles los te laten en een sterke devaluatie door te voeren, koos de regering in 1972 noodgedwongen voor een koerswijziging. De inflatie sprong eensklaps de hoogte in. Het ontwikkelen van een planning op lange termijn werd door de ingebrachte onzekerheid onmogelijk. Tegelijk deed de oppositie er alles aan om de plannen van de UP te saboteren. Het parlement weigerde budgetten goed te keuren en hield de fiscale hervormingen opnieuw tegen. De UP werd door de middengroepen totaal gewantrouwd. Zij vreesden een apocalyptisch scenario van algehele staatscontrole naar Cubaans model (cf. het lange staatsbezoek van Fidel in 1971). Meer dan 1.000 beroepsfederaties, enkelen gesteund vanuit de VS, organiseerden zich in 1973 tegen de regering. Om te vermijden dat de onrust zich naar het leger uit zou breiden, werd de staf opgenomen in het kabinet. Niet lang daarna moest de opperbevelhebber, generaal Carlos Prats, ontslag nemen. Hij had het officierskorps immers niet langer onder controle. Het stijgende aantal eliminaties aan beide kanten en de geruchten over de bewapening van arbeiders en van de lijfwachten van Allende wakkerden de gewelddadige destabilisatie aan. De polarisering was nu compleet. Het leger zag dat het moment rijp was om de coup te plegen die al jarenlang door de rechterzijde werd gewenst. Deze omgevingsfactoren lieten het leger toe veel verder te gaan dan ooit tevoren. Op 11 september volgde de operatie die de democratische wereld op haar grondvesten deed daveren.

Het militair regime (1973-89)

Het resultaat was een nachtmerrie. Minstens 3.000 personen werden door de geheime politie, DINA (CNI na 1975), geëlimineerd. De polarisering binnen de maatschappij had dergelijke proporties aangenomen dat ze zich tot een strijd tussen een geregeld leger en een ongewapende vijand transformeerde. Het doel van het leger werd de vernietiging van alle politieke partijen. Er zat dus geen deal in voor de rechtse partijen die mee op deze confrontatie aangestuurd hadden. In alle politieke geledingen van de maatschappij was de ontnuchtering totaal. Ditmaal had het opperbevel van het leger ook geen ideologische visie voor een strategie op lange termijn. Louter het militair groepsgedrag inspireerde de maatschappelijke uitgangspunten: de natie als essentie, de nood aan strikt autoritarisme en de sociale ongelijkheid als natuurlijk fenomeen. Ook de economische politiek die de junta introduceerde, was ondoordacht. Resultaat was een galopperende inflatie. Als remedie werd het rampzalig radicaal monetarisme geïntroduceerd. Het uiteindelijke doel was het beteugelen van de inflatie wat dat sociaal ook moge kosten. Het bewind legde absolute begrotingsdiscipline en een coherent schema op. De motor bleef echter sputteren, terwijl de koperprijs verder daalde en de olieprijs schrikbarend steeg. Ondanks de massale investeringen vanuit de VS raakte de betalingsbalans verder in het negatief. In de eerste 3 jaar ontving Pinochet 14 maal meer internationale kredieten dan Allende. De privé-investeringen bleven echter uit terwijl de buitenlandse schuld enorm veel middelen deed verdampen. De snelle denationalisering zorgde ervoor dat van de 300 bedrijven die zich in 1973 in staatshanden bevonden er in 1982 nog 24 overbleven. Vitale sectoren zoals het koper bleven evenwel staatsbezit. Twaalf grote staatsbedrijven werden daarentegen aan schandalige voorwaarden verkocht. Hierdoor ontstonden enorme conglomeraten die toegang kregen tot buitenlands kapitaal. Zij leenden dit geld met woekerwinsten verder uit. In 1975 controleerden 5 groepen meer dan 50% van de economie. De buitenlandse banken bleven in Chili geïnteresseerd aangezien terugbetaling aan goede voorwaarden werd verzekerd. Puur macro-economisch boekte men op de duur wel successen. De inflatie werd teruggedrongen terwijl men een gemiddelde groei van 4% bereikte. Het fiscaal deficit werd weggewerkt terwijl de niet-traditionele exporten verdrievoudigden. Tegelijk verscheen er een surplus op de betalingsbalans door accumulatie van buitenlandse reserves. Het inflatiesucces was echter bedrieglijk. In 1979 had men er immers voor geopteerd de wisselkoers te bevriezen waardoor de peso al vlug overgewaardeerd stond. De betalingsbalansproblemen doken in een andere vorm op. Door import van kunstmatig goedkope (luxe-)producten en de duurte van de eigen productie moest de Chileense staat zich opnieuw in schulden steken. Ook werden er in 1982 enkele devaluaties van meer dan 70% doorgevoerd. Hoge intresten stimuleerden speculatie i.p.v. investeringen. De kopersector raakte in financiële ademnood. Een record aantal faillissementen diende zich aan. De sociale kost van de hele operatie was enorm. De terugval in reële lonen ging van een recordwerkloosheid vergezeld (30%). De inkomensongelijkheid nam hand over hand toe. Dit schema bleef tot 1982 dominant. Toen stortte de Chileense economie simpelweg ineen. Pas wanneer in 1983 de introductie van een meer keynesiaanse aanpak met internationale groei gepaard ging, leefde de economie opnieuw op. Dit nieuwe elan kan zeker de hardnekkigheid van het ‘succes’ van het regime niet volledig verklaren. Andere redenen zijn:
1) Schrik voor terugkeer naar de chaos van de UP-periode;
2) Het terreurregime van het CNI;
3) De economische groepen die boomden door concentratie;
4) De internationale banken die de boycot doorbraken;
5) De meesterintrigant Pinochet;
6) Verdeeldheid binnen de oppositie en neutralisering van de gevaarlijkste elementen;
7) De Kerk wachtte tot 1975 om te protesteren;
8) De pers werd gemuilkorfd en misbruikt.

Met een volksraadpleging over een grondwet werd in 1980 de schijn van democratie opgehouden. Het hield Pinochet voor de volgende 8 jaar in het zadel. Intussen was het CNI op het toppunt van zijn macht met 9.000 agenten en een veelvoud aan informanten op de loonlijst. Het aantal generaals verdubbelde om er de kabinetten mee te bevolken en zo het regime te stabiliseren. De syndicale basis voor weerstand was door de zuiveringen weggeslagen. Toch zou de minachting van de generaals voor de sociale en politieke rechten van de Chilenen hun uiteindelijk het hoofd kosten. Vanuit een misplaatst zelfvertrouwen in het recente economische mirakel organiseerde men een nieuwe volksraadpleging. Tot grote verrassing van het regime slaagde de oppositie erin zich te verenigen en 52% van de Chilenen stemde ‘no a Pinochet’!

Chili na de militaire dictatuur (1990-2005)

Het regime had zich echter met de introductie van de grondwet van 1980 tegen iedere toekomstige noodwendigheid ingedekt. Magistraten benoemd onder het regime bleven het juridisch apparaat domineren. De generaals verzekerden zichzelf levenslang van een senaatszitje door de rechtstreekse verkiezing door het leger in te voeren. De resulterende immuniteit en controlerende stem binnen het hoogste wetgevend orgaan leken iedere juridische vervolging van de voormalige putschisten uit te sluiten. Een algemene amnestie voor strafbare feiten gepleegd tijdens de militaire dictatuur werd ingesteld. Pinochet zou ook nog tot 1998 militair opperbevelhebber zijn. De toegestane waarheidscommissie kon sancties noch schadeloosstelling opleggen. Ook het liberaal model moest gehandhaafd blijven. Onder de nieuwe president Aylwin (PDC) konden geen hernationaliseringen of onteigeningen van illegaal verworven eigendom doorgevoerd worden. Pogingen tot het herinstellen van een sociale welvaartstaat waren uitgesloten. In 2000 werd er nog een wet goedgekeurd die het vervolgen van ex-presidenten van de republiek onmogelijk maakte. Pinochet schiep dus de voorwaarden voor de eigen transitie die geen echte overgang kon zijn. Nieuwe arbeidswetgeving en sociale hervormingen werden in het parlement systematisch geblokkeerd. De levensstandaard had voor de meeste mensen in 1998 dan ook nog niet eens het niveau van 1970 bereikt. Verlamd door schrik voor een nieuwe militaire coup konden Aylwin en opvolger Frei slechts een beperkt sociaal programma laten goedkeuren. Sedert het presidentschap van de socialist Lagos (2001) begint het Chileense volk geleidelijk verlost te raken van het historisch trauma.
Doorslaggevend hierbij waren de internationale gerechtelijke actie en de diverse nationale juridische stappen tegen Pinochet. Juristen profiteren daarbij van lacunes in de amnestiewet. Zo stelt men dat om amnestie toe te kunnen kennen er eerst wel degelijk een onderzoek naar schuld nodig is. Amnestie kan ook niet ingeroepen worden door personen die zich schuldig maakten aan kidnapping maar wiens slachtoffers nog niet teruggevonden zijn. Tegelijk holt het inroepen van het door Chili erkend internationaal recht, waarvoor er voor mensenrechtenschendingen geen beperking van vervolging mogelijk is, de amnestiewet uit. Onderzoeksdaden werden dus gesteld. Dit beïnvloedde niet alleen de publieke opinie over de mogelijkheid tot vervolgen van leiders van het militaire regime. Het bracht ook heel wat informatie over de eindverantwoordelijkheid van Pinochet. Op basis daarvan kunnen slachtoffers via een burgerlijke procedure makkelijker tot een veroordeling komen dan via een strafprocedure o.l.v. het openbaar ministerie. Dit leidt niet tot een strafrechtelijke veroordeling. De rechtbank doet echter wel uitspraak over de uiteindelijke aansprakelijkheid van Pinochet en kan hem als dusdanig tot het vergoeden van de slachtoffers van het regime veroordelen. De veroordeling van de dictator voor een rechtbank is hier belangrijker dan het type veroordeling. De aanklacht van de Spaanse rechter Garzón was de effectiefste. Hij vaardigde in 2001 tegen Pinochet, die toen in Londen verbleef, een internationaal aanhoudingsbevel uit voor de moord op enkele Spanjaarden. Zij werden slachtoffer van Operatie Condor, een dodelijk netwerk tussen de geheime diensten van Chili, Bolivia, Paraguay, Argentinië, Uruguay en Brazilië. Doel was het continent van ‘linkse agitatoren’ te zuiveren. De bevelvoerder van de DINA, Manuel Contreras, coördineerde maar was aan Pinochet verantwoording verschuldigd. De extra-territoriale bevoegdheid van de Spaanse rechter werd door Engeland erkend. Enkel een medisch rapport over Pinochets dementie en de overweging dat hij in de eerste plaats in Chili berecht moest worden, kon de Lords overtuigen hem op humanitaire gronden (!) niet uit te leveren. Thuis begonnen de juridische problemen pas. De eerste klacht van rechter Guzmán viseerde de eindverantwoordelijkheid van Pinochet binnen de Karavaan van de Dood, een zuiveringsactie van het leger vlak na de coup. Opnieuw ontkwam Pinochet op grond van dementie. Het Hooggerechtshof werd immers nog grotendeels onder Pinochet benoemd. Een lang interview van Pinochet toonde duidelijk aan dat hij geestelijk fit en zelfs trots op zijn daden was. De ontdekking van geheime rekeningen in Amerika zette nog meer kwaad bloed. Zijn geschat vermogen steeg plots van een schamele half miljoen tot een slordige half miljard dollar. Vele van Pinochets verdedigers hadden jarenlang geloofd dat hij belangeloos gehandeld had uit de overtuiging Chili van de ondergang te redden. De volgende klacht van rechter Guzmán over Pinochet en Operatie Condor kreeg dan ook veel bredere steun. De excuses voor de coup en de dictatuur vanwege huidig opperbevelhebber Cheyre van het leger versterkte deze dynamiek nog eens. Ook de conservatieve rechters in het Hooggerechtshof bevinden zich nu in de minderheid. De klacht werd ontvankelijk verklaard. De recente pensionering van rechter Guzmán leek echter een slecht voorteken te zijn. In beroep werd Pinochet buiten vervolging gesteld. Het enige lichtpunt in de lange juridische strijd is dat het parlement met overgrote meerderheid besloten heeft om de immuniteit van de generaal op te heffen voor de aanklacht rond fiscale fraude. De klachten viseerden van bij de aanvang echter ook hooggeplaatste bevelhebbers. Eens de angst voor een herhaling van de coup weggeëbd was, hevelde men de zaken van militaire naar burgerlijke strafhoven over. Zo werd Manuel Contreras reeds in 1995 voor de eerste maal tot zeven jaar celstraf veroordeeld om zeer recent voor andere feiten opnieuw twaalf jaar te krijgen. Marcelo Moren Brito en Miguel Krassnoff, hoge DINA-officieren, maar ook Fernando Laureani en Gerardo Godoy, ex-rijkswachtofficieren kregen jarenlange gevangenisstraffen. Begin dit jaar werd de directeur van het CNI, Hugo Salas Wenzel, tot levenslang veroordeeld. Een kolonel van het CNI, Germán Barriga, ontkwam door zelfmoord aan zijn straf.

Besluit

De Chileense maatschappij herstelt langzaam van diepe wonden opgelopen tijdens en na, maar ook vóór de coup van 1973. De polarisering tussen haves en have nots kende gedurende de nationale geschiedenis van het land immers een gestage groei met verschillende crisissen. Tijdens dergelijke crisissen zorgden de interventies van het leger voor het opnieuw in evenwicht brengen van de machtsverhoudingen tussen de socio-economische elite en de grote massa arme werknemers. In 1973 leek de zoveelste machtsherverdelende coup, gewenst door brede lagen van de Chileense bevolking, in de maak. De extreemrechtse ingesteldheid binnen het leger, de verregaande politieke ambitie binnen de top en de aanmoedigingen vanuit de VS zorgden er echter voor dat Chili het pad van de democratie gedurende 16 lange jaren verliet. De collaboratie onder brede lagen van de bevolking werd voornamelijk ingegeven door hun herinnering aan de chaotische periode van vóór de coup, door de valse gedachte dat het leger de macht onmiddellijk weer zou overdragen en door de door het leger ingestelde terreur. Aan de ene kant zorgt dit nog steeds voor een enorme, onopgeloste schuldvraag bij een aanzienlijk aantal Chilenen. Aan de andere kant vormt het de expressie van het minstens gedeeltelijk gefundeerde argument dat de Chileense maatschappij toen op onmogelijke wijze tussen believers en non believers van de links radicale weg gepolariseerd was. Deze polarisering was de vrucht van een fatale cocktail van decenniaoude politieke onmacht om historisch gegroeide sociale wanverhoudingen op een consensuele en graduele wijze op te lossen en een hieruit resulterend radicaal sociaal experiment dat uit de hand dreigde te lopen. Enkel het collectief erkennen van de juistheid van deze analyse en de nodige successen in de juridische strijd tegen de usurpatoren en beulen kunnen de te lang aanslepende vertrouwenscrisis binnen de Chileense maatschappij oplossen. In deze context begint de vervolging van de eindverantwoordelijke jammer genoeg meer en meer op een herhaling van het proces tegen Al Capone te lijken.

Sander Spanoghe
Stafmedewerker sp.a-studiedienst

cartoon: © Arnout Fierens

Bibliografie
- L. Bethell (ed.), Chile Since Independence, Cambridge, Cambridge U.P., 1993.

Chili

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 7 (september), pagina 39 tot 49