Log in

Steve Stevaert: over cafépraat en politiek kromdenken

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 7 (september), pagina 13 tot 23

Friends, Romans, countrymen, lend me your ears. I come to bury Stevaert, not to praise him.
The evil that men do lives after them. The good is oft interred with their bones…

Marcus Antonius was in Shakespeares oorspronkelijke elegie voor Caesar verplicht oratorische spitsvondigheden te gebruiken, om zijn gebrek aan objectiviteit te verhullen. Laat ik meteen met de billen bloot gaan. Ik heb het genoegen gehad vier jaar nauw en vruchtbaar samen te werken met Steve Stevaert, en zal dus niet objectief zijn. Wie het daar moeilijk mee heeft, raad ik aan deze pagina’s om te slaan en zijn toevlucht te zoeken tot de traditionele politieke analyse die er op gericht is de adders onder het gras te zoeken, zelfs indien de feiten erop wijzen dat we inmiddels in de woestijn zijn beland. Want dat is het moeilijke politieke klimaat waarin Stevaert de arena is binnen getreden. Hoewel Stevaert zijn politieke carrière eigenhandig afrondde in 2005, is hij een kind van de politieke crisis van de jaren 1990 van de vorige eeuw. Dat werden wel eens de schandaaljaren van de Belgische politiek genoemd, verwijzend naar de Agusta- en de milieuboxen-affaire of de zaak Dutroux. In heel Europa daalde het vertrouwen in de politiek naar spectaculaire dieptepunten en de vertegenwoordigingsdemocratie werd plotseling door een groot deel van die bevolking in twijfel getrokken. Het antidemocratische sentiment was af te lezen uit verschillende onderzoeken, waaruit onder meer bleek dat een derde van de bevolking meende dat ons land beter bestuurd zou worden door experts in plaats van door politici, dat een vierde het parlement wilde afschaffen en een vijfde hetzelfde wilde doen met politieke partijen. Zelfs een tijdelijke dictatuur kon 12 procent van de bevolking bekoren. De verzuring uitte zich in ons land onder meer in een toenemende bereidheid om te stemmen voor de erfgenamen van de collaboratie die een nieuw slachtoffer hadden gevonden in de groeiende migrantenbevolking.
De crisis van de particratie uitte zich eveneens in de afkalving van het ledenaantal van de partijen in heel Europa. In België verloren de politieke partijen tussen 1981 en 2003 samen dertig procent van hun leden.

Cafépraat

In de luwte van het bronsgroene eikenhout timmerde een jonge cafébaas inmiddels aan de weg. De in 1954 in Rijkhoven geboren Robert Stevaert, de oudste van drie kinderen, had zich sinds 1972 in de Limburgse hoofdstad toegelegd op het uitbaten van succesvolle jongerencafés die hij daarna met een onmiskenbare flair voor zaken, doorverkocht. Stevaert is een man met een onfeilbare neus voor maatschappelijke trends, een uitmuntend amateur-massapsycholoog, die over het talent beschikte om uit een breed spectrum van caféverhalen, commerciële strategieën te ontwikkelen. Ongetwijfeld heeft hij zijn zachtmoedige natuur mee. Stevaert is het prototype van de kleine zelfstandige die ‘iedereen te vriend’ hield. Maar in tegenstelling tot zijn collega’s zelfstandigen, was Stevaert niet te beroerd zijn politieke voorkeur kenbaar te maken. Dat zijn cafés bekend stonden als verzamelplaatsen van links - het Rood Huis bijvoorbeeld - zal daar wel toe hebben bijgedragen, maar even belangrijk was zijn talent om iets wat relatief verdacht begon te worden - politiek - zo te verpakken dat zijn klanten er pap van lustten. De politieke marketeer in spe was geboren. Maar in tegenstelling tot de doorsnee marketeer, voor wie marketing het doel is - want zijn bron van inkomsten - was het voor Stevaert een middel. Zoals voor zovele self made jongeren die begin jaren 1970 de volwassenheid bereikten, was een plezante, bevredigende job hebben het streefdoel van de jonge Bourgondiër. De latere slogan ‘het socialisme zal gezellig zijn of niet zijn’ is daar een echo van. Om het met een Stevaertiaanse boutade te zeggen: in een ongezellig café komen geen mensen samen. Het café is de maatschappelijke microkosmos die Stevaert heeft gevormd. Dat heeft hem wellicht op en top Vlaams en volks gemaakt. Hij heeft er feestvierders gezien, en mensen die hun verdriet kwamen wegdrinken, hij heeft er gezien hoe de ene ruimhartig kon trakteren en de ander bij gebrek aan middelen nog maar eens op de poef moest drinken, hij heeft er vriendschap en verraad gezien. En hij heeft er allicht ook gemerkt dat je een lastige klant niet kon overtuigen de zaak te verlaten als je daartoe pseudo-academisch koeterwaals gebruikt. Hij heeft er ook gemerkt dat in een café waar de meisjes zich op hun gemak voelden, ook de jongens in groten getale toestroomden. Of hij constateerde dat er in een café, waar niemand verplicht werd te consumeren, meer geconsumeerd werd. De basis voor zijn latere politieke inzichten werden tussen pot en pint gelegd. Laat cynici beweren dat Stevaerts carrière op cafépraat is gebaseerd. Ze hebben gelijk, maar beseffen helaas niet waarom.
Het was in 1988 de bedoeling dat de socialistische partij in Hasselt een greep naar de macht zou wagen, met Willy Claes als kopman en toekomstig burgemeester en Stevaert als schepen van middenstand. Geen van beiden hebben hun ambities kunnen waarmaken. Claes is in de politiek alles geweest, behalve burgemeester, Stevaert is alles geworden, behalve schepen. Hij reeg de afgelopen 15 jaar de mandaten van provincieraadslid, bestendig afgevaardigde van de provincie Limburg, burgemeester van Hasselt, Vlaams minister, minister vice-president, partijvoorzitter, minister van staat en gouverneur aaneen tot een niet onverdienstelijke carrière in de Belgische politiek. Stevaert werd in 1988 député van de provincie Limburg. Hij werd meteen een atypisch mandataris. In een periode dat er van samenwerking met de groenen van Agalev nog geen sprake was en dat groene thema’s binnen de socialistische beweging te licht werden bevonden, weigerde hij vergunningen voor de uitbreiding van grote industriële varkensstallen. De jonge député was een fervent promotor van de aanleg van fietspaden, gaf fietscursussen aan migrantenvrouwen én besliste een fietsvergoeding te geven voor woon-werkverkeer. Stevaert oogstte wat hij zaaide, hoongelach bij de politieke elite, sympathie bij de kiezer. Toen al legde hij de basis voor wat hij later zou omschrijven als basisdienstverlening. Overheidsbedrijven moeten diensten die levensnoodzakelijk zijn voor de bevolking zo goedkoop mogelijk aanbieden. Stevaert zorgde ervoor dat de Limburgse Intercommunale Interelectra nooit meer de stroom kon afsluiten bij ‘wanbetalers’. De invoering van de stroombegrenzer is kenmerkend voor het beleid dat Stevaert voor staat: iedereen werd er beter van. Gezinnen die financieel in moeilijkheden waren gekomen, werden niet verplicht de winteravonden bij kaarslicht door te brengen, maar ook Interelectra merkte dat stroombegrenzers efficiënter waren dan het afsluiten van mensen.
Stevaert was een merkwaardig socialist. Enerzijds bespeelde hij thema’s die totaal buiten de partijlijn lagen, anderzijds stoelde zijn beleid op traditionele socialistische geloofspunten zoals de ‘maakbaarheid van de samenleving’ of ‘volksverheffing’. Klassieke socialistische recepten gecombineerd met nieuwe inzichten en vooral met een flinke dosis creatief kromdenken. Maar hij had een gruwelijke hekel aan avonturen. Een kleine zelfstandige weet dat de kas moet kloppen. De maakbaarheid van de samenleving is geen streefdoel dat je bereikt door een gigantische schuldenput te delven. Stevaert had vroeger al gezien dat zijn cafés winst maakten en die van de socialistische beweging de verliezen opstapelden. In Limburg deed hij de kas van Interelectra op korte termijn kloppen. En toen hij burgemeester van Hasselt werd, zorgde hij dat een stad in financiële ademnood, op enkele jaren tijd een gezond bilan kon voorleggen.

Verstaanbaar spreken

In diezelfde periode ontwikkelde Stevaert de communicatie waarmee hij jarenlang zou scoren: verstaanbaar spreken. Op een SP-congres in Gent waarop Stevaert voor het eerst de zaal moest toespreken, lanceerde hij het zinnetje dat hem in socialistische middens beroemd zou maken: ‘Ik heb mijn tekst weggesmeten.’ Stevaert cultiveerde de mythe van de politicus die uit het vuistje sprak. Niet dat hij zijn speeches niet voorbereidde. In de periode dat hij minister of partijvoorzitter was, kon hij dagenlang tobben over een toespraak. Zijn naaste medewerkers werden vriendelijk uitgenodigd commentaar te geven op varianten van de speech in voorbereiding. Die oefende hij, heftig gesticulerend, bij voorkeur in zijn kantoor of op café. Ingewikkelde taal - dat was de leidraad - moest vermeden worden, want ‘wat je niet kunt uitleggen, is waarschijnlijk ook niet uit te leggen.’ ‘Helder communiceren’ heette in het Stevaertiaans ‘verstaanbaar spreken’. Het oratorische talent van de cafébaas werd dermate berucht dat een kwaliteitskrant als De Morgen ooit in alle ernst suggereerde dat Stevaert tijdens speeches een oortje droeg langs waar sluwe communicatoren hem zijn tekstregels live konden influisteren. Over mythevorming gesproken.
Stevaert had het talent in te zien dat schrijftaal iets hooghartigs heeft, vormelijk radicaal afwijkt van spreektaal en daarom de indruk wekt dat de spreker neerkijkt op zijn publiek. ‘Het socialisme mag nooit neerkijken op de mensen,’ zei hij me. ‘Daarom mijn gevecht met de intellectuelen.’ Hoewel Stevaert in de luwte bijzonder veel contacten had met intellectuelen, maakte hij in het openbaar van intellectuelen bashen bijna een nationale sport. De aanval op de intellectuelen, de nieuwe aristocraten van de samenleving, was wel degelijk een doelbewuste strategie om het beleid te houden waar het hoorde: bij de vertegenwoordigers van de bevolking. Stevaert was er als de dood voor dat een kleine groep mensen, die nooit enige verantwoording hoeven af te leggen, de lakens zouden uitdelen. Expertenmeningen zijn verworden tot een vorm van adhocratie, een organisatievorm die gebaseerd is op tijdelijke projectteams, task forces en ad-hocgroepen die specifieke belangen verdedigen.
Stevaert vond en vindt nog steeds dat de politiek een tekort heeft aan ‘gewone mensen’. Vandaag bestaat het electoraat voor 8 procent uit universitair geschoolden, die 80 procent van de kamerzetels vertegenwoordigen. Er zijn geen parlementairen meer met enkel een diploma lager secundair onderwijs. Slechts 3 procent van de parlementairen heeft enkel een diploma hoger secundair onderwijs. In 1937 beschikte nog meer dan de helft van de kamerleden over maximum een diploma secundair onderwijs. Stevaert vond het deficit dat ontstaan is omdat een groot deel van de bevolking de facto niet betrokken is bij het politieke leven en de beleidsvoering, een belangrijk probleem voor de samenleving. Hij vond dat hijzelf als ‘laaggeschoolde’ een voorbeeldfunctie had. Laaggeschoold betekent immers niet ‘onbekwaam’. Vandaar ook zijn pleidooi om het beroepsonderwijs te valoriseren, het watervalsysteem in het onderwijs te bestrijden en alle mechanismen weg te werken die ongelijkheid creëren in het onderwijs. Koketteerde hij met zijn gebrek aan diploma’s? Jazeker. Toen hij bij zijn afscheid de laatste roman van Isabelle Allende kreeg zei hij: ‘Een boek? Maar ik heb al een boek.’
Het bleef Stevaert verwonderen hoe het een bepaalde intellectuele klasse mateloos kon ergeren dat iemand uit de ‘lagere opleidingsklasse’ hoger opgeleiden de les durfde te spellen. Intellectuelen als Jan Blommaert zijn van mening dat de ‘afkeer van intellectuelen’ en hun ‘moeilijke woorden’ een politiek-ideologische ingreep is om ervoor te zorgen dat de gewone mensen niet meer mee kunnen in een wereld die ook moeilijk en ingewikkeld in elkaar zit. Alsof Stevaerts politieke ideologie erin zou bestaan het volk dom te houden. Stevaert weet natuurlijk dat gespecialiseerd taalgebruik zinvol is om subtiliteiten te verduidelijken, maar beseft ook dat jargon gebruikt kan worden als uitsluitingsmechanisme. Jargon trekt een onzichtbaar cordon rond de groep die het gebruikt, bestendigt daarmee de uitzonderlijke identiteit van de groep, en zondert haar af van de rest van de wereld. We zijn allemaal al getuige geweest van toespraken die totaal onbegrijpelijk waren of werden al eens overdonderd door technisch taalgebruik, waar gewone taal even bruikbaar was.
Niet alleen met intellectualistisch taalgebruik had Stevaert het moeilijk, maar eveneens met intellectualistische scherp-slijperij. Zijn conflict met klein-links - op hun websites is Stevaert-bashen een geliefkoosde volkssport - had steeds te maken met een gebrek aan doelmatigheid dat hij hen verweet. Voor klein-links moesten theoretisch linkse analyses de bovenhand krijgen op een pragmatisch beleid, ongeacht of daarmee ook maar iets bereikt wordt. Stevaert had lessen getrokken uit de ondergang van Louis Tobback als minister van Binnenlandse Zaken, die door links-intellectuele scherpslijpers in de jaren 1990 was afgeschilderd als een flinkse bullebak. ‘Tobback is toen de strijd aangegaan met de mei-68’ers,’ zei Stevaert me later. Stevaert ging ervan uit dat een dergelijke strijd niet kon gewonnen worden omdat precies die groep de opinion makers vormden en à la limite ook de media in handen hadden. Stevaert besloot dus niet met hen in debat te gaan, maar in tegendeel wat met hen te dollen. Op die manier kreeg hij weliswaar de banbliksems over zich heen, maar kwam hij nooit terecht in een strijd die niet te winnen was.

Het klein-linkse integrisme heeft Stevaert altijd al geërgerd. In een systeem dat met coalitieregeringen werkt, is pragmatisme immers de enige manier om er beleidsmatig een linkse koers door te drukken. Stevaert weet dat het geen enkele zin heeft je suf te debatteren over het geslacht der engelen, als de uitkomst is dat je daarmee uiteindelijk je geloof verliest. Zelf had hij het steeds over het onderscheid tussen strategie en tactiek. ‘Strategie is de lijn die je op lange termijn volgt,’ zei hij me, ‘tactiek zijn de zijsprongen die je onderweg maakt.’ De uitspraken van Stevaert over het gemeentelijk vreemdelingenstemrecht, of liever het gebrek eraan, illustreren treffend hoe Stevaert strategie en tactiek benutte om zijn doel te bereiken. Hij zweeg tactisch over vreemdelingenstemrecht omdat hij besefte dat het debat een sterk ontvlambaar potentieel had, zoals de VLD aan den lijve heeft mogen ondervinden. Strategisch timmerde hij achter de schermen aan een coalitie die het stemrecht erdoor kon drukken. Stevaert wees kartelpartner Els van Weert (Spirit) aan als woordvoerster rond het vreemdelingenstemrecht, wat voor behoorlijk wat wrevel zorgde in de sp.a. Progressieve socialisten wilden zich maar al te graag op dat thema profileren, terwijl Stevaert dat net probeerde te vermijden. Linkse scherpslijperij had de klok teruggedraaid, pragmatisme zorgde ervoor dat er vooruitgang werd geboekt. Stevaert wist dat het bij gevoelige thema’s onvoldoende is de eigen achterban mee te hebben. Aangezien geen enkele Vlaamse partij in het parlement een meerderheid kan vormen, is preken voor de overtuigden de uitgelezen methode om te falen. Ondoelmatig progressief gewauwel vond Stevaert zelfs beledigend voor de progressieve achterban. Niet alleen leidt het nergens toe, het heeft louter als doel een ideologisch profiel te creëren om zo geëngageerde stemmen te ronselen. Het beperkt zich tot het scheppen van beloftes, zonder ze ook daadwerkelijk in realisaties om te zetten. En dat vond Stevaert kiezersbedrog. ‘De sp.a is de enige partij die meer realiseert dan ze belooft,’ is een van de boutades die hij lanceerde. Wegen op het beleid was de grootste uitdaging van Stevaert, niet de meest progressieve politicus zijn.

Stevaert en de vrouwen

Onder Stevaert is de sp.a wellicht de meest vrouwelijke partij van Vlaanderen geworden. Niet alleen wat het aantal mandatarissen, maar evenzeer wat de thematieken betreft. Toen Stevaert nog een bescheiden rol speelde in de partij had hij van toenmalig voorzitter Tobback al de opdracht gekregen de partij te verjongen én te vervrouwelijken. Het Marxistische tijdschrift Vonk, dat kritiek op de SP en de latere sp.a nooit heeft gemeden, merkte naar aanleiding van het Toekomstcongres in juni 1998 op dat ‘we onze ogen niet (kunnen) sluiten voor een veel hogere aanwezigheid van jongeren dan traditioneel het geval is. Dit is vooral het resultaat van Rosa, een project onder leiding van Steve Stevaert om nieuw bloed aan te trekken. (…)’ Verjonging startte aanvankelijk met vervrouwelijking. De vrouwelijke politieke participatie is ondertussen in alle partijen gestegen tot een gemiddelde van 32 procent in het Vlaams parlement in 2004. In 1987 waren in de federale kamer en senaat slechts 8,3 procent van de mandatarissen vrouw, in 2003 was dat gestegen tot bijna 25 procent. Koploper in 2003 was de sp.a waarvan 45,7 procent van de mandatarissen vrouw was, een flink stuk boven de 30 procent van de CD&V, de 27 procent van de VLD en de 23 procent van het Vlaams Blok. Maar in plaats van applaus kreeg Stevaert kritiek te verwerken. De vrouwelijke parlementsleden waren immers te aantrekkelijk en Stevaert kreeg het verwijt zijn partij met een te hoog babe-gehalte op te solferen. Een van de meest seksistische mediaverslagen werd samengesteld door de VRT. Op haar website herinnert VLD coryfee Annemie Neyts ons aan deze opmerkelijke reportage: ‘De slag om schoonheid en frisheid is met glans door de sp.a gewonnen, met Freya Vandenbossche, eventjes Anissa Temsamani, en Kathleen Van Brempt. Daarop togen VRT-journalisten naar de fractiedagen van dezelfde sp.a om aan drie minder jonge en minder fraaie sp.a- parlementsvrouwen te vragen hoe ze daarop reageerden, en alle zes blijven ze straal ontkennen dat hun fysieke verschijningen een rol hadden gespeeld.’ Dat Stevaert erin geslaagd was een mannenbastion als de socialistische partij te vervrouwelijken was onvoldoende voor de kritiek, hij had dat bij voorkeur moeten doen met ‘minder jonge en minder fraaie’ - een eufemisme voor ‘lelijke’ vrouwen. In een misplaatst pseudo-feministische reflex werd jonge sp.a-mandatarissen hun uiterlijk verweten. Faut le faire.
Stevaert deed meer dan zijn partij vervrouwelijken, hij wilde ze ook verbreden wat thematieken en stijl betreft. De verkiezing van zijn voorganger Patrick Janssens was een eerste zet. Nochtans lag er eerst een ander scenario op tafel. Stevaert zou in 1999 zelf voorzitter zijn geworden. Het was toen al duidelijk dat niemand om de Hasselaar heen kon. Maar dan zou er een probleem zijn ontstaan in de regeringen. Met Stevaert in de Vlaamse en Vande Lanotte in de federale regering zouden de twee socialistische sterkmakers een krachtig profiel creëren. De gewaagde piste die toen werd bedacht, was het creëren van een totaal nieuw socialistisch profiel. Stevaert was ervan overtuigd dat partijen die willen winnen hun thema’s hoog op de politieke agenda moeten plaatsen. In 1995 hadden de socialisten nog kunnen scoren met hun klassieke thema, de sociale zekerheid, maar zoals Norbert de Batselier al eerder had opgemerkt, moesten de socialisten zich verbreden wilden ze niet gepercipieerd worden als de partij van de ‘zwakken, de zieken en de misselijken.’ Stevaert zou na 1999 daarom vooral nieuwe thema’s aansnijden, zoals mobiliteit, fiscaliteit, cultuur (dankzij kartelpartner Spirit), levensbeschouwing, gezondheidszorg… Een verbreding van de thema’s moest echter gedragen worden door nieuw personeel dat het profiel heeft om die thema’s geloofwaardig te verdedigen. Reclameman Janssens had dat profiel. In Knack verklaarde VUB-hoogleraar Frank Thevissen onlangs nog: ‘In het casten van toppolitici heeft de sp.a de afgelopen jaren veel beter gescoord dan de VLD. Denk aan het concept van de Teletubbies. Een fantastisch marketingconcept waarmee de socialisten verschillende doelgroepen bedienden: van de mannelijke intellectueel tot de aankomende actieve of studerende vrouw. Het verklaart waarom zoveel sp.a-politici vandaag de pop-polls aanvoeren.’
Het waren Stevaert en Vande Lanotte die het pad effenden voor een voorzitter in T-shirt en Armanipak. Alles wat atypisch was aan Janssens was in de ogen van Stevaert mooi meegenomen. Janssens kon als nieuwkomer de partij veel makkelijker vernieuwen dan een door de wol geverfde partijsoldaat dat had gekund. De socialistische partij werd een ‘sociaal progressief alternatief’en profileerde zich als een partij die gelijke kansen voor iedereen nastreefde. Stevaert ging nog verder dan Janssens, door thema’s aan te snijden die in de marketing gemakshalve als ‘vrouwelijk’ worden omschreven. Als minister van mobiliteit en openbare werken was hij in staat dergelijke ‘zorgzame’ thema’s aan te kaarten. De verwoede fietser Stevaert richtte zijn pijlen eerst op de slachtoffers in het verkeer. Net zoals hij dat daarvoor had gedaan met een streng beleid inzake bouwovertredingen, deinsde hij er niet voor terug om het machisme op de baan aan te pakken. In een mum van tijd stond Vlaanderen vol onbemande flitscamera’s. In 2002 daalde het aantal verkeersdoden ten opzichte van het vorige jaar met 12 procent. Dat was de tweede sterkste daling in 25 jaar tijd. Het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid meende een verband te zien ‘met de grote belangstelling die de verkeersveiligheid in 2002 te beurt viel, zowel in het beleid, in de media als in de publieke opinie.’ Uit kiesintentiepeilingen bleek ook al snel dat mobiliteit en verkeersveiligheid vanuit het niets opdoken als potentiële redenen om voor een partij te stemmen. En het zal niet verwonderen dat wie deze thema’s belangrijk vond, bij voorkeur op sp.a wilde stemmen. Stevaert sloeg en zalfde. Terwijl hij de doodrijders hard aanpakte, ontwikkelde hij een zacht beleid inzake openbaar vervoer: gratis bussen voor 65-plussers. Stevaert was van mening dat het openbaar vervoer niet kon gepromoot worden als de kwaliteit van het product benedenmaats bleef. Zijn strategie was totaal anders dan die van Agalev. De groenen wilden eveneens het openbaar vervoer promoten door de kwaliteit ervan te verbeteren. Stevaert besefte echter dat geen enkel parlement miljarden zou investeren in De Lijn als de bussen leeg door het land toerden. Hij draaide de zaken om. Vul eerst de bussen en creëer zo bij het publiek de vraag om het openbaar vervoer te moderniseren. De gratis buspassen voor 65-plussers deden trams en bussen vol lopen, en aanpassingen aan het abonnementssysteem zorgden er voor dat ook andere leeftijdsgroepen - zoals jongeren - veel vaker en zonder extra kosten op de bus konden. Al gauw zat het openbaar vervoer tsjokvol, en had Stevaert een bikkelhard argument om aan het parlement meer geld te vragen. In die tijd kon Stevaert zich bijzonder vrolijk maken over de strategische blunders van partijen die publiek te keer gingen tegen het gratis openbaar vervoer. Elke kritiek zorgde er immers voor dat openbaar vervoer - wat een typisch groen thema hoorde te zijn - meer en meer in handen kwam van rood. Agalev haalde zelfs bestofte socialistische argumenten uit de kast om Stevaert te bestrijden. Gratis pasjes hoorden niet gegeven te worden aan madammen in een bontjas, maar moesten voorbehouden worden aan sukkelaars. Stevaert kon blijmoedig vertellen dat zijn beleid er was voor iedereen. En dat elke madam in een bontjas die gratis op de bus zit, er eentje is die niet in haar Porche Cayenne door het land scheurt.
Waar de sp.a tot het einde van de jaren 1990 van de vorige eeuw nog een sterk mannelijk profiel had, zorgden de zachtere, zorgzame thema’s ervoor dat steeds meer vrouwen belangstelling kregen voor rood. Het verbod om overal in Vlaanderen mensen van hun elektriciteitsvoorziening af te sluiten droeg bij tot dat imago, net zoals de strijd om de pil in het terugbetalingssysteem te houden, of de strijd tegen de misbruiken in de gezondheidszorg. Stevaert verbaasde vriend en vijand toen hij een boek uitgaf over de problematiek van de toegenomen levensbeschouwelijke diversiteit. Elke godsdienstsocioloog zal bevestigen dat levensbeschouwing een sterk vrouwelijk profiel heeft. Echt verbazingwekkend was die stap dus niet. Stevaerts feminisering van de partij resulteerde in een stijging van het vrouwelijk electoraat. Een interne sp.a-peiling van de zomer 2005 maakt duidelijk dat 55,5 procent van het sp.a-electoraat vrouwelijk is, zowat vijf procent boven het gemiddeld aantal stemgerechtigde vrouwen. Alleen Groen! heeft een iets hoger vrouwelijk electoraat. De sp.a zag haar vrouwelijk electoraat onder Janssens en Stevaert groeien met zo’n 10 procent. Merkwaardig genoeg betekende de aandacht voor vrouwelijke thema’s niet dat Stevaert niet op andere terreinen actief bleef. In de periode dat hij de zorgzame thema’s promootte, was Stevaert immers ook minister van openbare werken, wat traditioneel de ‘minister van beton’ heet te zijn. Hij bouwde het Deurganckdok in Antwerpen, en deed als minister van de havens gigantische investeringen in de haveninfrastructuur, terwijl hij er toch in slaagde zich te profileren als de man die fietspaden aanlegde.
Verbreding had voor Stevaert ook te maken met het afstappen van voorbijgestreefde taboes. Religieus of milieubewust zijn, hoorden aanvankelijk niet thuis in het socialistische jargon. Dat veranderde onder Stevaert. Maar ook Vlaamsgezind zijn, smaakte vies in traditionele rode middens. Stevaert maakte moeiteloos het onderscheid tussen benepen nationalisme en progressief regionalisme. Voor hem was de progressieve regionalistische reflex in sommige Vlaamsgezinde milieus een logisch gevolg van de wereldwijde tendens tot glokalisering. In een poging in Vlaanderen de progressieven op één lijn te krijgen, trok hij op het verkiezingscongres van 2003 alle registers open en bespeelde hij het sentiment door te verkondigen dat zelfs zijn eigen vader gekant was tegen samenwerking met Spirit, maar dat hij hem had weten te overtuigen omdat dat ‘goed was voor de partij’. Aan de zaal vroeg hij dezelfde loyauteit: ‘Als je tegen bent, doe dan als mijn vader en stem voor.’ Dit argument uit het ongerijmde leverde hem een weliswaar knarsetandende meerderheid op, maar eveneens een versterkt progressief front. Het wantrouwen ebde vrij snel weg, nadat bleek dat de Stevaert-wiskunde - één plus één is drie - inderdaad stemmenwinst opleverde.

Socialisme is gratis

Net voor de verkiezingen van 2003 had toenmalig Agalev-minister Mieke Vogels aan één van haar medewerkers de opdracht gegeven een boek te schrijven met de welluidende titel ‘Gratis bestaat niet’. Het werd om onduidelijke redenen nooit gepubliceerd. Vogels stond natuurlijk niet alleen in haar afkeer voor het zogenaamde gratis-beleid dat Stevaert de jaren voordien had ontwikkeld. Het heeft Stevaert zweet en tranen gekost om aan weldenkend Vlaanderen uitgelegd te krijgen dat gratis - in het Frans klinkt het zoveel mooier als la gratuité - een hertaling is van het herverdeelmechanisme dat het socialisme al altijd heeft voorgestaan. La gratuité is echter geleidelijk ontstaan, nadat Stevaert het kijk- en luistergeld afschafte. Hij was toen Vlaams minister, en had in die hoedanigheid geen sikkepit te vertellen over een federale bevoegdheid zoals het kijk- en luistergeld. De technische truc die hij liet toepassen, bestond erin het kijk- en luistergeld niet af te schaffen, maar te verminderen tot 0 euro. Die bevoegdheid had Vlaanderen immers wel. Stevaerts ingreep was een sluwe zet op het paarse schaakbord. De blauwe spelers wilden immers tijdens de regeringsonderhandelingen van 2000 een belastingsverlaging forceren van 235,5 miljoen euro, maar zouden dat zo hebben willen organiseren dat wie er warm inzat, meer zou binnen rijven. En dat staat haaks op het rode herverdelingsmechanisme. Door het kijk- en luistergeld af te schaffen, realiseerde Stevaert geen procentuele belastingsvermindering maar een forfaitaire vermindering. Eenvoudig gezegd: iedereen kreeg precies evenveel korting. Voor wie weinig verdient, is een jaarlijkse ‘korting’ van pakweg 200 euro een bom geld. Voor de grootverdieners is dat een habbekrats. Stevaert speelde meesterlijk schaak. Hij wist immers dat niemand zou protesteren tegen de afschaffing van het kijk- en luistergeld. Geen enkel Vlaming betaalde immers graag die televisietaks. Daarom zou hij aan critici ook steeds zeggen: ‘Als je tegen de afschaffing van het kijk- en luistergeld bent, voer het dan terug in.’
De afschaffing van de televisietaks heette toen nog lang niet: gratis naar tv kijken. Het was Stevaert er in eerste instantie niet om te doen cadeautjes uit te delen of weggeefstunts te organiseren. Socialisme was in de decennia voordien verworden tot een synoniem voor staatsbemoeienis. De liberaliseringsgolf die sinds de jaren 1970 als een tsoenami over Europa trok, had bij de bevolking een latent wantrouwen gecreëerd tegenover de staat in het algemeen en staatsbedrijven in het bijzonder. Populaire programma’s, zoals ‘De Collega’s’ in de jaren 70 van de twintigste eeuw, portretteerden ambtenaren als weliswaar sympathieke, maar verder weinig productieve werknemers. De overheid moest dus ‘geherstructureerd’ worden, klantvriendelijker zijn, flexibeler werken, geschoeid op de leest van het private bedrijfsleven. En overheidsbedrijven dienden vanzelfsprekend ‘geliberaliseerd’ te worden, zeg maar ‘geprivatiseerd’. In die periode dreef Europa af naar de Amerikaanse mentaliteit waarin de staat gezien werd en wordt als de ‘vijand’ van de bevolking. Toen Stevaert op het politieke toneel verscheen, was de strijd grotendeels gestreden. Socialistische politici konden, vooral na het faillissement van het Oostblok niets anders doen dan redden wat er te redden viel. Stevaert - en voor hem reeds Janssens - waren politici die het étatisme vaarwel zeiden en opteerden voor een andere koers. De overheid moest geen eigenaar meer zijn van bedrijven en gemeenschapsdiensten, maar moest wel de regelgever zijn voor gemeenschapsvoorzieningen of basisdiensten. Dat die basisdiensten een bepaalde kost vertegenwoordigen, betekent echter niet dat ze niet ‘gratis’ kunnen zijn. Gratis is natuurlijk betaald, maar ‘niet betalend’. De straatlichten floepen elke avond gratis aan, en als het brandt, komt de brandweer geheel gratis het vuur blussen. Heel wat gemeenschapsdiensten zijn overigens al gratis. Daar vertrok Stevaert van toen hij in 1998 in Hasselt het openbaar vervoer gratis maakte voor alle inwoners. Immers, de kost om een openbare vervoersmaatschappij uit te baten, wordt voor pakweg vier vijfde gedragen door gemeenschapsgeld. Het busticket dat de reiziger betaalt, bedraagt slechts een fractie van de totale kost. Een vriendelijke overheid is best in staat die minimale kost zelf te dragen, was de redenering van Stevaert. In Hasselt betekende de extra kost om het openbaar vervoer gratis te maken slechts 1 procent van de stedelijke begroting. Hasselt won er echter méér mee: een overweldigende promotie voor het openbaar vervoer, minder privé-vervoer op de weg, een sterk argument om de wegeninfrastructuur prioritair voor te behouden voor zwakke weggebruikers én contente inwoners. De investering was in elk geval goedkoper dan de broodnodige aanleg van een tweede ring rond Hasselt die de problemen van de verkeerscongestie moest oplossen. Die ring was nu niet meer nodig. Hasselt gooide in heel Europa hoge ogen met zijn beleid. De Conseil Européen des Régions et Municipalités gaf de stad zelfs een prijs: ‘Hasselt est un exemple absolument remarquable de la solution à apporter aux problèmes de mobilité urbaine.’

Gratis werkte hier niet enkel als herverdeelmechanisme, maar was ook een medicijn tegen het toenemende wantrouwen in alles wat met de overheid te maken heeft. Stevaert vond en vindt dat overheden een sympathieke compagnon van de bevolking moeten zijn. Futiele forfaitaire taksen, die meer kosten aan inning en controle dan wat ze de gemeenschap opbrengen en bovendien door de bevolking als pesterig worden ervaren, moeten daarom afgeschaft worden. Of het gratisbeleid een succes is geweest, zal nog moeten blijken. De tegenstand was in elk geval overweldigend: groenen, liberalen, klein-links en christendemocraten verenigden zich in de strijd tegen herverdeling en een vriendelijk overheidsbeleid. Ontegensprekelijk had dat in de meeste gevallen weinig of niets te maken met de inhoudelijke kwaliteiten van het gratisbeleid, maar met politieke profileringsdrang. Het is nooit plezierig de tegenstander te zien scoren.

Fidele Steve

Stevaert is steeds op en top een Vlaams politicus gebleven. Dat heeft ongetwijfeld met zijn roots te maken en wellicht ook met een gebrek aan talenkennis. Dat leverde hem wel eens de kritiek op dat hij geen belangstelling had voor buitenlandse politiek. Voor een deel klopt die redenering ook. Stevaert ging ervan uit dat zijn partij voldoende gespecialiseerde mandatarissen in haar rangen telde, zodat hij zich als voorzitter voornamelijk kon concentreren op de binnenlandse actualiteit. Bovendien had hij - in tegenstelling tot sommige van zijn collega’s - geen ambities buiten de vaderlandse grenzen. Hij maakte een uitzondering voor het Europese beleid, dat hij kritisch op de korrel wilde nemen, gezien de Europese neoliberale neigingen. En er was natuurlijk Cuba. Het land van de bejaarde dictator Fidel Castro fascineerde hem mateloos. Natuurlijk speelde het Calimero-effect mee; het kleine landje dat moest opboksen tegen de grote Amerikaanse buur die erin geslaagd was de wereld tot op de dag van vandaag te laten geloven dat Fidels leger in staat is de Verenigde Staten onder de voet te lopen. Stevaert ontwikkelde een diepe sympathie voor het Cubaanse volk, met enige zin voor overdrijving een soort Midden-Amerikaanse Limburgers, die zingend door het leven gaan. Stevaert vond het een schande dat een hele bevolking gegijzeld wordt door politieke belangen die in essentie niets met hun leven te maken hebben. De pragmaticus stak ook de kop op toen hij argumenteerde dat de weg naar democratisering in Cuba niet kan ingeslagen worden als je niet on speaking terms bent met het regime. Zowel tijdens zijn ontmoeting met Fidel, als met de talloze gesprekken met buitenlandminister Perez Roque, hamerde Stevaert op het respecteren van de mensenrechten, bepleitte hij de afschaffing van de doodstraf, en liet hij verstaan dat beschikken over een binnenlandse oppositie toch handiger is dan de strijd aangaan met een vijandige buitenlandse wereldmacht. Samen met de Spaanse en Luxemburgse socialisten bepleitte hij in Europa een versoepeling van het beleid inzake Cuba. De impact van Stevaert op de verhouding tussen Cuba en Europa is wellicht niet te onderschatten. Over Stevaerts diplomatieke toenaderingen met Cuba werd in het beste geval wat lacherig gedaan, in het goorste geval werden ze misbruikt om bruine sentimenten op te roepen. Zo vergeleek de naaste medewerker van de voormalige liberale EU-commissaris Frits Bolkenstein, Derk-Jan Eppink Stevaert met Hendrik de Man die ‘in bekoring kwam van Adolf Hitler…’ Eppink vergat erbij te vertellen dat zijn eigenste chef er geen graten in had gezien om kolonel Khadafi officieel op de thé uit te nodigen bij de Commissie en heeft nooit Commissievoorzitter Prodi op de korrel genomen omdat die verklaard had dat hij ‘erg blij (was) met het bezoek van kolonel Khadafi aan de Commissie. Dit is het resultaat van vijf jaar persoonlijke contacten en discussies tussen ons beiden.’

Nu Stevaert gouverneur is geworden, lijkt het of zijn buitenlandse uitstappen zullen uitdoven. Nochtans stonden de eerste maanden van zijn gouverneurschap voor een belangrijk deel in het teken van buitenlandse betrekkingen. Er staan in het kader van de internationale profilering van Limburg trips naar India - met een bezoek aan Sonia Ghandi - en China op de agenda en ook de contacten met Cuba worden warm gehouden, omdat het Caraïbische gebied een interessante opstap is naar de Zuid-Amerikaanse markt.

Stevaerts vertrek uit de nationale politiek in het voorjaar van 2005 verraste vriend en vijand. Ik geloof dat het begon te kriebelen in de zomer van 2004. De precieze redenen voor zijn vertrek zullen we wellicht nooit kennen. Wellicht gaat het om een combinatie van factoren. De loodzware job van partijvoorzitter woog zwaar en kostte hem elke dag twee dagen van zijn leven. Er speelde zelfs een vreemd soort verantwoordelijkheid naar zijn partij toe, namelijk de vaststelling dat een politieke partij weliswaar sterke spelers nodig heeft, maar niet het risico mag lopen te verzanden in een personencultus. En er is dat voor buitenstaanders onbegrijpelijke Limburggevoel. De man die gratis spaarlampen bedacht, als eerste in Vlaanderen windmolens plaatste, de aankoop van natuurgebieden subsidieerde, niet-utilitaire fietspaden aanlegde in Limburg (dat zijn fietspaden die er enkel zijn voor het fietsplezier), barbecuecheques uitdeelde, de lampen in stoplichten verving door lets (‘want het rode lampje op mijn tv brandt ook langer dan dat van mijn schemerlamp’), nummerplaten van auto’s liet inruilen voor een gratis busabonnement, werknemers van Interelectra geen gouden horloge gaf, maar het recht om een tijdje voor een goed doel te werken mét behoud van loon, gratis rockconcerten organiseerde voor senioren, de eerste beheersovereenkomsten maakte met landbouwers om bedreigde diersoorten te beschermen of de vaarrechten op de binnenvaart afschafte en stickers op schepen liet kleven met daarop de boodschap: hier varen 240 vrachtwagens… die man knipt nu linten. Is hij écht bescheiden, of staat er ons een stunt te wachten? Het zou mij niet verwonderen als we Stevaert opnieuw zien opduiken buiten Limburg.

Jan de Zutter
Voormalig adviseur Steve Stevaert - publicist

Steve Stevaert - sp.a - populisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 7 (september), pagina 13 tot 23