Log in

Armoedebestrijding en ontwikkeling: een mislukt huwelijk?

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 50 tot 53

De VN-top van afgelopen maand september in New York heeft zeer uiteenlopende reacties uitgelokt. Voor sommigen was het een regelrechte mislukking. Onder invloed van een VN-vijandige VS-ambassadeur Bolton werd de slottekst op het laatste ogenblik nog grondig gewijzigd. Een doorbraak in de richting van een beter wereldbestuur en een betere armoedebestrijding werd onmogelijk. Dat klopt wel, zeggen anderen, maar het belangrijkste werd toch gered. De millenniumdoelstellingen voor armoedebestrijding staan vermeld. Er werd bovendien een paragraaf over ‘decent werk’ en een over de reproductieve gezondheid van vrouwen opgenomen. Wie heeft er nu gelijk?

De VN-top was een succes én een mislukking. In diplomatieke onderhandelingen is het onmogelijk om de zaken zwart-wit te zien. Er is altijd iets te nemen en iets te geven. De belangrijkste vraag ligt dan ook elders. Hoe kan de toekomst eruit zien? Biedt het resultaat van deze top een kans op een betere wereld? Op een betere internationale samenwerking? Al zijn er ook in dit verband pluspunten en minpunten te verdelen, veel redenen voor optimisme zijn er voorlopig niet.

Een kritiekloze campagne

De millenniumdoelstellingen voor armoedebestrijding zijn meer dan bescheiden. Volgens de Duitse filosoof Thomas Pogge is de eerste doelstelling - na aanpassing van de referentiedata - slechts een vermindering met 19% van de extreme armoede in 2015. Ter herinnering: extreme armoede is volgens de Wereldbank minder dan 1 dollar per dag hebben, armoede betekent minder dan 2 dollar per dag. Volgens diezelfde Wereldbank zijn er momenteel meer dan 1 miljard mensen extreem arm en is bijna de helft van de wereldbevolking arm. En extreme armoede, aldus Kofi Annan, is een ‘doodvonnis’. Het betekent een grote kans om te sterven voor je vijf jaar oud wordt, te sterven aan aids of aan honger, te sterven in het kraambed.
Er is nog heel veel meer fout aan de millenniumdoelstellingen. Ze gaan volledig voorbij aan de ongelijkheid, houden geen rekening met de structurele oorzaken van armoede, ze worden door de internationale instellingen opgelegd en houden een risico van fout gerichte ontwikkelingshulp in.
Er zijn inmiddels heel wat kritische verslagen van internationale en nationale ngo’s verschenen. In tegenstelling tot enkele grote internationale ngo’s, deelt het Belgische 11.11.11 die kritiek, maar weinig daarvan sijpelt door in de campagne die deze maand wordt gevoerd. Men stelt het voor alsof de millenniumdoelstellingen de armoede uit de wereld zullen helpen. Wellicht wil men de betalende goegemeente niet afschrikken, misschien is er ook minder eensgezindheid bij de leden van de koepelorganisatie. Armoedebestrijding, zo onderstreept de UNDP terecht - het ontwikkelingsprogramma van de VN - is geen liefdadigheid, maar wie zal tegenspreken dat het een erg makkelijk thema is om mee naar de mensen te gaan? Hoe dan ook, de lezers van Vlaanderens grootste mondialiseringsmagazine zullen evenmin een woord kritiek vernemen. Hier staan blijkbaar hogere belangen op het spel. Armoedebestrijding moet en wordt voorgesteld als een nobel doel. Liefdadigheid en filantropie zijn dan niet ver af.
Het kan echter niet voldoende herhaald worden. Armoedebestrijding is nog geen ontwikkeling. De armoedebestrijding zoals de Wereldbank die voorstelt heeft ook niets te maken met sociaal beleid of met inkomensherverdeling. Onderwijs en gezondheidszorg zijn nodig voor de ontwikkeling van het ‘menselijk kapitaal’ en mogen door de particuliere sector geleverd worden. Het heil kan enkel komen van economische groei en die zal het gevolg zijn van meer internationale handel.
Een bij de VN-bereikte mondiale consensus over de millenniumdoelstellingen is dus niet echt een grote verwezenlijking. Vooral omdat de VN zelf geen middelen heeft om dit akkoord ook uit te voeren. Hooguit biedt het de ngo’s een middel om druk uit te oefenen op hun regeringen. Maar de echte middelen - geld en intellectuele capaciteit - zitten bij de Wereldbank en het IMF. Zij kunnen hun beleid erdoor drukken, en zelfs al zeggen ze ook voor de MDG’s te zijn, aan hun neoliberale invalshoek verandert er voorlopig niets.

Armoedebestrijding zonder sociale rechten

Hoe beperkt de millenniumdoelstellingen ook zijn, ze zullen niet eens gehaald worden. Er kunnen drie redenen worden aangehaald die alledrie te maken hebben met het beleid van de rijke landen.
Ten eerste. Het is vijfendertig jaar geleden dat de rijke landen beloofden om 0,7% van hun nationale inkomen aan ontwikkelingshulp te besteden. Met uitzondering van de Scandinavische landen, Nederland en Luxemburg, is niemand daar ooit geraakt. In België bedroeg de ontwikkelingshulp in 1975 wel 0,6%. Maar sindsdien is dat percentage gezakt tot 0,4% en het ziet er naar uit dat het pas weer zal stijgen als er ‘andere’ uitgaven worden aan toegevoegd. Op de VN-Conferentie van Monterrey in 2002 beloofden de rijke landen namelijk opnieuw om hun ontwikkelingshulp op te trekken. België kan er komen door meer asielzoekers terug te sturen, door meer buitenlandse studenten aan Belgische universiteiten te laten studeren, door schuldenlast kwijt te schelden of door bepaalde militaire uitgaven als ontwikkelingshulp in aanmerking te laten komen. Of daarmee de armoede wordt bestreden is zeer de vraag. Volgens de Britse ngo Christian aid, is slechts 39% van alle ontwikkelingshulp ook echt voor armoedebestrijding bedoeld, voor België zou dit percentage 31% bedragen. De UNDP gaf in zijn jongste verslag over menselijke ontwikkeling nog wat interessante cijfers: de extra middelen die rijke landen sinds 1990 hebben uitgetrokken voor militaire bestedingen, zouden voldoende zijn geweest om de 0,7% te halen. En om alle extreem arme mensen drinkwater te bezorgen, is er niet meer nodig dan wat de Europeanen elk jaar uitgeven aan parfum... Reken daarbij dat de arme landen jaarlijks meer dan 200 miljard dollar betalen aan het Noorden in de vorm van o.m. schuldaflossingen, en men beseft dat het in eerste instantie de middelen zijn die ontbreken om een ontwikkelingsbeleid of een armoedebestrijding op te zetten.
Het handels- of mondialiseringsbeleid van de rijke landen en van de WTO is een tweede factor die armoedebestrijding in de weg staat. Het gaat dan niet eens om het zo verguisde landbouwbeleid van de Europese Unie - hoewel ook daar veel kan verbeteren - maar om de foute klemtonen die er voortdurend worden gelegd. Voor producten uit arme landen moeten drie tot vier keer meer invoerrechten worden betaald dan voor diezelfde producten uit rijke landen. De Europese Unie geeft vrije markttoegang aan haar armste ACS-partners, maar maakt dat door strenge oorsprongsregels gewoon onmogelijk. De rijke landen blijven hun belangen verdedigen door arme landen te dwingen hun grenzen open te stellen voor de diensten uit rijke landen - banken, verzekeringen, water, stroom, enz. - waardoor de mondiale ongelijkheid alleen kan vergroten, aldus de UNDP. Mocht de openheid van de economie een indicator zijn voor ‘menselijke ontwikkeling’, dan zou Latijns-Amerika een succesverhaal zijn, maar niets is minder waar. In Guatemala groeit de export met meer dan 8% per jaar, maar de extreme armoede blijft er toenemen. UNCTAD (VN-Conferentie voor handel en ontwikkeling) toonde aan dat ook de openheid voor buitenlandse investeringen geenszins een garantie is voor meer welvaart in de armste landen. Doordat bedrijven hun winst massaal repatriëren in plaats van te herinvesteren, wordt dit een zoveelste element in de aderlating die arme landen ondergaan.
Ten derde is er het beleid van de Wereldbank die streeft naar ‘a world free of poverty’. Er werd onlangs een charmeoffensief naar de vakbonden gelanceerd, om te proberen hen mee in de boot van de armoedebestrijding te laten stappen. Wie de documenten van de Wereldbank slechts oppervlakkig leest, zou kunnen geloven dat het inderdaad ook goed bedoeld is. Maar, aldus een vertegenwoordiger van het IVVV - Internationaal verbond van vrije vakverenigingen - de Wereldbank is alles behalve coherent. In haar jaarlijks verslag Doing Business 2006 gaat het over alles wat landen en bedrijven kunnen doen om meer banen te creëren. Een belangrijk hoofdstuk daarin is het aanwerven en ontslaan van werknemers. In landen met de laagste bescherming, worden de hoogste lonen betaald, zo wordt er verkondigd. Er wordt dan verwezen naar de Scandinavische landen en met vergeet gemakshalve dat er wel strenge collectieve arbeidsovereenkomsten bestaan. Verder krijgen landen in het verslag negatieve punten als ze een werkweek van minder dan 66 uur hebben, als ze een wekelijkse rustdag hebben, of als er regels zijn voor ontslag of voor werkloosheidsuitkeringen. Met andere woorden, het zijn de maatregelen die er in West-Europa in grote mate voor gezorgd hebben dat de armoede sterk kon worden teruggedrongen - meer dan honderd jaar geleden - die nu met de vinger worden gewezen.
Er moet nog een vierde reden worden vermeld. Volgens sommigen zouden de millenniumdoelstellingen niet kunnen worden gehaald omdat arme landen geen ‘goed bestuur’ hebben. Dat klopt, in zekere zin. Men moet zich echter wel afvragen waar dat goed bestuur, na twintig jaar ‘structurele aanpassingen’ waarbij de overheid stelselmatig werd verzwakt, vandaan zou kunnen komen. Ook de beschuldigingen van corruptie zijn vaak terecht, maar ook dat probleem kan niet worden aangepakt zonder rekening te houden met de krachtsverhoudingen in elke maatschappij én met de betrokkenheid van ondernemingen uit rijke landen.

Hoe moet het verder?

In zijn verslag ter voorbereiding van de VN-top, In larger freedom, schreef Kofi Annan terecht dat de millenniumdoelstellingen moeten gezien worden in een breder ontwikkelingskader. Ook de UNDP herhaalt dit in zijn laatste verslag over ‘menselijke ontwikkeling’. Bovendien hebben zowel de Wereldbank, UNDP en de VN dit jaar een verslag uitgegeven over ongelijkheid. Voor de Wereldbank ligt de klemtoon op ‘gelijkheid van kansen’, maar desalniettemin wordt het probleem bespreekbaar. De UNDP en de VN stellen allebei dat ongelijkheid ook een oorzaak van armoede kan zijn en dat de bestrijding ervan noodzakelijk is voor armoedevermindering. De UNDP wijst ook op het belang van een nationaal industrieel beleid en op de mogelijkheden van ‘innovatieve financiering’ en dus van internationale belastingen. Bovendien wordt ervoor gepleit de principes van de nationale verzorgingsstaten nu ook internationaal toe te passen, en dus een mondiale sociale zekerheid in te voeren ter vervanging van de veel te onzekere ontwikkelingshulp.
UNCTAD, de IAO (Internationale Arbeidsorganisatie), de VN en in zekere zin ook de UNDP brengen oude nieuwe ideeën aan die enige tijd uit de belangstelling waren verdwenen. Dat is goed nieuws. Het kan erop wijzen dat het tij stilaan aan het keren is en er binnenkort wordt afgestapt van het neoliberale beleid.
Wel blijft waakzaamheid geboden, want met name de Wereldbank slaagt erin om een aantal concepten in haar discours te integreren en er een geheel nieuwe betekenis aan te geven. Dat is al gebeurd met armoede, met sociale ontwikkeling en sociale bescherming. Ontwikkeling wordt nu gebruikt alsof het een synoniem van armoedebestrijding of economische groei zou zijn.
Vijftig jaar geleden stond ontwikkeling gelijk aan een nationale, collectieve emancipatie. Ontwikkeling was economisch, sociaal en politiek. Het was een modernisering van de productiecapaciteit en het terugdringen van de duale maatschappelijke verhoudingen. Vandaag moeten we er een ecologische dimensie aan toevoegen en daardoor zal ontwikkeling niet langer zuiver nationaal kunnen zijn. Met een begrip van ‘globale publieke goederen’ kunnen we echter wel een positieve kant uit, althans als we erin slagen ze nauwkeurig te definiëren.
De VN-top heeft weinig zoden aan de dijk gezet. Van de millenniumdoelstellingen moet weinig heil worden verwacht. De verwijzing naar de grote VN-conferenties over ontwikkeling van de jaren 1990 werd geschrapt. Wel moeten we hopen dat de oude nieuwe ideeën die bij de VN en andere internationale instellingen weer aandacht krijgen, het ontwikkelingsdebat toch in een andere richting kunnen sturen. Armoedebeleid laten we best aan de arme landen zelf over. Mondiale symptoombestrijding kan nooit slagen. Met een vernieuwd inzicht in het nefaste handelsbeleid, het perverse schuldenbeleid en de gebrekkige hulp kunnen we veel meer bereiken voor de grote massa’s arme mensen in de wereld.
Hiervoor is een sterke VN, als spil van een krachtdadig multilateraal beleid, absoluut noodzakelijk. Maar helaas werd ook dat uit de slottekst van de jongste top geschrapt.

Francine Mestrum
Redactielid en Doctor in de sociale wetenschappen

amoede - Verenigde Naties

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 50 tot 53