Log in

De nieuwe Aziëpolitiek van de Volksrepubliek China

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 43 tot 49

De razendsnelle opkomst van China als economische - en volgens sommigen ook militaire - wereldmacht is één van de belangrijkste ontwikkelingen van het moment. Het is gemeengoed geworden om deze evolutie als gevaarlijk te beschouwen. Zo wordt China geciteerd als een militaire bedreiging voor zijn buurlanden, een systemische bedreiging voor de mondiale orde, een strategische bedreiging voor de Verenigde Staten en een economische en cultureel-ideologische bedreiging voor het Westen. Maar de laatste jaren treedt er - vooral in Azië - een belangrijke verschuiving op in hoe China wordt gepercipieerd. De angst voor het ‘Chinese gevaar’ verstomt en China wordt steeds vaker geprezen voor zijn bedrijvige en constructieve diplomatie in de regio. Wat is er aan de hand?

‘China fever’ in Azië

Vandaag beschouwen de meeste Aziatische landen China als een constructieve partner, die bereid is te luisteren naar zijn buurlanden en zich inzet voor de regionale stabiliteit. Dat is opmerkelijk, want nog maar enkele jaren geleden weerklonken op het Aziatische continent kreten van ongerustheid en angst. China zou een expansionistische hegemon zijn, een directe militaire bedreiging voor zijn buurlanden, zo werd openlijk gezegd. Die vrees lijkt heden ten dage te zijn verdampt. Er zijn wel nog soortgelijke angstgeluiden te horen, bijvoorbeeld in Taiwan en Japan. Maar deze stemmen vertolken nog slechts een minderheidsstandpunt.
Het nieuwe beeld van China in Azië is nog frappanter wanneer we het vergelijken met de extreem negatieve Chinese reputatie van de jaren vijftig tot de jaren zeventig. Door gewapende opstanden in het buitenland te steunen, hoopte Peking destijds de Zuidoost-Aziatische regeringen omver te werpen en er de maoïstische ideologie in te planten. Met vrijwel elk buurland had de Volksrepubliek territoriale disputen en regelmatig vocht het Volksbevrijdingsleger grensoorlogen uit, zoals in 1962 met India. Het verschil met vandaag kan moeilijk groter zijn. De maoïstische rebellen in het naburige Nepal moeten niet hopen op de steun van het grote ‘communistische’ buurland, en ook voor het Noord-Koreaanse regime koesteren de hervormingsgezinde Chinese leiders diep van binnen weinig sympathie. Waar de Volksrepubliek tot de jaren zeventig nog een exporteur was van wapens en revolutie, is het vandaag een exporteur geworden van consumptiegoederen en goodwill. Ideologie is in de Chinese buitenlandse politiek volledig ondergesneeuwd geraakt ten voordele van pragmatiek en economische belangen.
Maar deze transformatie heeft zich pas zeer recent voltrokken. In het begin van de jaren negentig had China nog geen of onvolwaardige diplomatieke betrekkingen met landen als Indonesië, Singapore of Zuid-Korea. De relaties met Vietnam en India waren vijandig en hun grensgebieden gemilitariseerd. Vandaag daarentegen heeft China de Verenigde Staten voorbijgestoken als de belangrijkste handelspartner van Zuid-Korea. Met vroegere aartsvijanden als India, Rusland en Vietnam smeedt Peking op dit ogenblik partnerschappen.
Kortom, in de ogen van Azië meet China zich steeds meer het imago aan van een ‘welwillende grootmacht’. In deze bijdrage beperken we ons tot twee zaken. Eén, welke diplomatieke initiatieven heeft China in zijn onmiddellijke geografische omgeving genomen, die deze nieuwe positieve reputatie kunnen verklaren, en waarom? Twee, wat is de huidige toestand van China’s verhoogde engagement in zijn periferie op drie dimensies (multilateralisme, economische betrekkingen en ‘soft power’-diplomatie)?1

Het ontstaan van de politiek van goed nabuurschap

Ten gronde is de sterk verbeterde reputatie van China in zijn nabije omgeving het gevolg van een gesofisticeerde diplomatieke campagne, waarvan het ontstaan moet worden gesitueerd in 1978. De maoïstische experimenten hadden het land in een economische puinhoop veranderd. Door een meer liberaal-economische koers en een opendeurbeleid gericht op de wereldhandel hoopte Deng Xiaoping zijn land uit het economische dal te tillen. Net als Gorbatsjov een decennium later, kwam Deng tot de conclusie dat zijn hervormingsprogramma enkel kon slagen indien de externe dreiging werd afgezwakt. Zolang het internationale klimaat gespannen was, bestond immers de noodzaak tot interne cohesie binnen de politieke elite. Veel van China’s grenzen waren nog betwist met de aangrenzende landen en de kans op een militair conflict was voortdurend latent aanwezig. Doorheen de jaren tachtig streefde Deng daarom naar een normalisering van de betrekkingen met de buurlanden. Zo hoopte hij de stabiliteit aan de grenzen en daarmee de economische ontwikkeling te bevorderen. Tegen het einde van de jaren tachtig werden de eerste successen geboekt. Met voormalig aartsvijand Moskou werden alle hindernissen weggenomen die een bezoek van president Gorbatsjov aan Peking in de weg stonden. Het bezoek, dat de normalisering van de Sino-sovjetrussische betrekkingen moest inluiden, werd gepland voor mei 1989. Normaal gezien zou er een welkomstceremonie worden gehouden op het Tiananmenplein, maar dat was intussen volgelopen met protesterende studenten.
Tiananmen zou een tweede grote aandrijfriem vormen voor de jonge periferiediplomatie. Omdat de twee maanden van vreedzaam protest en de hardhandige onderdrukking ervan in de hele wereld op televisie te zien waren, veranderde eensklaps het beeld en beleid ten aanzien van China. Het ondermijnde de brede consensus die er in de Verenigde Staten bestond voor onvoorwaardelijke samenwerking met China en er werd een grote anti-China coalitie gevormd, gaande van mensenrechtenactivisten tot ideologisch conservatieven. Washington en zijn westerse bondgenoten kondigden een reeks draconische diplomatieke en economische sancties af tegen China. Deze westerse represailles duwden ’s werelds dichtstbevolkte land in het isolement. Ter compensatie voor de verzuurde relaties met het Westen keek Peking in de richting van zijn buurlanden. In schril contrast met het Westen dat harde vergeldingsmaatregelen instelde, reageerden de meeste Aziatische landen immers niet met sancties of andere veroordelingen op het Tiananmendrama. Enkel Japan zou - grotendeels onder Amerikaanse druk - expliciet het gebruik van geweld veroordelen en voor enkele maanden zijn leningen aan China opschorten. De Zuid-Koreaanse overheid stelde alleen maar dat het incident ‘betreurbaar’ was, terwijl de andere Zuidoost-Aziatische landen zich hulden in stilzwijgen of, zoals in het geval van Thailand en Maleisië, zonder meer stelden dat het een ‘interne kwestie’ betrof. De ASEAN-lidstaten zouden bovendien een diplomatieke campagne opzetten om China’s isolement te doorbreken. De poging van ASEAN om China op dit kritieke moment te betrekken in de internationale gemeenschap, heeft een diepe indruk nagelaten op de Chinese leiders.
Het einde van de Koude Oorlog en het van de kaart verdwijnen van de Sovjet-Unie gaven een derde impuls aan het regionale normaliseringsbeleid, dat tot de kern van het buitenlands beleid werd gemaakt. De periferiediplomatie was in feite de eerste poging van de Volksrepubliek om een coherent regionaal beleid te ontwerpen dat niet was ondergeschikt aan de relatie met de twee supermachten. Het was de weerspiegeling van het feit dat China voor het eerst in veertig jaar geen aanval van één van beide te vrezen had. Maar bovenal bleef de nieuwe Aziëpolitiek door de hele periode heen ingegeven door de nood aan een politiek stabiele regionale omgeving, één van de condities die zou bijdragen tot het welslagen van de binnenlandse hervormingen.
Dit regionale normaliseringsbeleid wierp vruchten af. Tussen 1988 en 1994 vestigde of normaliseerde China diplomatieke betrekkingen met meer dan twintig landen, waaronder heel wat landen uit de nabije omgeving zoals Rusland, Mongolië, Indonesië, Singapore, Brunei, Vietnam, Zuid-Korea, Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan. Met verschillende buurlanden werden onderhandelingen opgestart over aloude territoriale disputen. Herhaaldelijk lieten de Chinese leiders voorstellen horen voor regionale samenwerking en vertrouwenwekkende maatregelen. Zo stelden ze voor om de soevereiniteitsdisputen over de eilanden in de Zuid-Chinese Zee te begraven en de olie- en gasvoorraden in het betwiste gebied gezamenlijk te exploiteren.

Het yin-en-yang van het Chinese periferiebeleid

Het assertieve optreden van China in de periode 1995-1996 zou echter overal in Azië de alarmbellen doen overgaan. In de Zuid-Chinese Zee, waar een aantal betwiste archipels liggen, begon de Chinese marine in alle stilte militaire steunpunten uit te bouwen. Peking claimde plots ook een gasveld voor de Indonesische kust en lokte zo een diplomatieke rel uit met Jakarta. Met Japan stegen de spanningen over betwist grondgebied in de Oost-Chinese Zee tot een ongezien gevaarlijk niveau. Vanaf juli 1995, ten slotte, hield Peking een reeks vloot- en luchtmachtoefeningen in de Straat van Taiwan, waarbij regelmatig raketten werden afgevuurd tot vlak voor de Taiwanese kustlijn. In maart 1996 greep Washington in en zond het twee vliegdekschepen naar de zee ten oosten van Taiwan. Voor het eerst sinds de Vietnam-oorlog bestond het risico op een directe militaire confrontatie tussen de Volksrepubliek en de Verenigde Staten. Bevreesd voor een verdere escalatie bonden beide zijden in.
Aan de politiek van goed nabuurschap leek plotseling een einde te zijn gekomen. De reden daarvoor was een verschuiving in de machtsbalans in de Chinese politieke elite. Patriarch Deng werd te oud en te ziek om nog een politieke rol van betekenis te kunnen spelen, maar de door hem aangeduide opvolger Jiang Zemin had nog niet het gezag van zijn voorganger opgebouwd. Dat zorgde voor een leiderschapsvacuüm aan de top van de partij, waarvan de hardliners binnen het politieke en militaire establishment gebruik wisten te maken om een hardere buitenlandse koers te varen.
Voortgestuwd door een nieuwe reeks hervormingen had China tussen 1992 en 1994 de grootste economische bloeiperiode doorgemaakt die het land ooit had gekend. In zijn onmiddellijke geografische omgeving groeide het besef dat een nieuw machtscentrum in de maak was. Maar indien het militaristische Chinese buitenlandse beleid van 1996-1995 de voorbode was van hoe Peking zijn nieuw verworven macht zou aanwenden, dan zag het er niet goed uit voor de buurlanden. Een aantal staten zochten alvast naar een verzekeringspolis tegen een mogelijke toekomstige Chinese dreiging. Er werd een bewapeningswedloop ingezet in Zuidoost-Azië en er werden een aantal defensieafspraken hernieuwd.
Het nettoresultaat was dat China tegen het midden van de jaren negentig geconfronteerd werd met een hele reeks wantrouwige staten in zijn periferie. De belangrijkste taak voor het Chinese buitenlandse beleid was dan ook het vermijden van een nieuwe periode van diplomatieke isolatie of - erger nog - van strategische omsingeling. Het absolute doembeeld voor de Chinese leiders was dat het land zou worden omringd door een vijandige coalitie van bijna alle landen in de regio, onder leiding van de Verenigde Staten. China begreep dat het meer moest doen om zijn buurlanden gerust te stellen en lanceerde een veel diepgaander diplomatiek charmeoffensief in zijn nabije omgeving. We staan nu stil bij drie componenten daarvan: het toegenomen multilaterale en economische engagement en de ‘soft power’-diplomatie van Peking.

De ontdekking van het multilateralisme

Medio jaren negentig begon de Chinese houding tegenover regionale organisaties te wijzigen. Terwijl China zijn participatie in allerhande mondiale regimes (handel, milieu, mensenrechten, wapenbeheersing en ontwapening, …) verdiepte, liet het ook zijn vroegere aversie tegenover regionale multilaterale instellingen varen. Deng had die instellingen altijd gewantrouwd, omdat hij vreesde dat deze zich tegen China konden keren. Nu begonnen de Chinese leiders in te zien dat zij via zulke organisaties de Chinese handels- en veiligheidsbelangen beter konden promoten. Bovenal hadden ze in een omhelzing van het regionaal multilateralisme een hefboom gevonden om de Aziatische angst over het zogenaamde ‘Chinese gevaar’ te bestrijden.
Zo was China in 1994 een stichtend lid van het ASEAN Regional Forum (ARF), het allereerste Oost-Aziatische multilaterale veiligheidskader. In Centraal-Azië zag in 1996 op Chinees initiatief de eerste multilaterale groep in de regio het levenslicht, de Vijf van Sjanghai. Verder werden jaarlijkse politieke dialogen opgestart met ASEAN, Japan en Zuid-Korea (het ‘ASEAN+3’-forum), met ASEAN alleen (het ‘ASEAN+1’-platform) en met Europa (Asia-Europe Meeting of ASEM). Gaandeweg wist Peking weer wat krediet op te bouwen in Azië. Maar het belangrijkste psychologische kantelmoment kwam er met de Aziatische Financiële Crisis van 1997-1998. China weerstond toen niet enkel aan de druk om zijn munt te devalueren en leverde aldus een belangrijke bijdrage tot het indijken van de crisis. Het droeg tevens 4 miljard dollar bij aan de IMF-reddingsoperatie van Thailand, Indonesië en Zuid-Korea. Het was de allereerste keer dat China participeerde in een dergelijke multilaterale inspanning. Ook al was het volstrekt in China’s eigenbelang om zijn munt niet te devalueren, niettemin werd Peking in Azië voortaan minder beschouwd als een ‘gevaar’ en meer als een leider.
In deze eerste fase was de nieuwe multilaterale inslag enerzijds weliswaar reëel en belangrijk, maar anderzijds slechts partieel en voorwaardelijk. China verhinderde bijvoorbeeld systematisch dat de territoriale twisten over de Zuid-Chinese Zee in multilateraal verband werden aangepakt. Multilateralisme weerspiegelde tot eind jaren negentig een symbolische stijlverandering, eerder dan een substantiële koerswijziging in het Chinese buitenlandse beleid. Grosso modo streefde Peking in deze periode nog steeds dezelfde belangen na, maar voelde het een grotere behoefte om zijn acties verbaal te rechtvaardigen. In publieke verklaringen hamerden de Chinese leiders er steevast op dat hun nieuwe multilaterale engagement ‘bewees’ dat China geen bedreiging vormde, maar integendeel een constructieve rol speelde in het behoud van de vrede, stabiliteit en economische welvaart in de regio.
Rond de eeuwwisseling werd China een meer overtuigde en toegewijde speler in het regionale multilateralisme. Merkwaardig is dat China hierbij vrijwillig en op eigen initiatief steeds meer van zijn historisch moeizaam veroverde soevereiniteit afstond. Langzamerhand begon het multilateralisme wél een kwalitatieve beleidsbreuk te vormen in de buitenlandse politiek. In juni 2001 werd, wederom met China als drijvende kracht, het losse samenwerkingsplatform van de Vijf van Sjanghai verder geïnstitutionaliseerd middels de oprichting van de Shanghai Cooperation Organization (SCO). De meest spectaculaire vooruitgang op diplomatiek, politiek en economisch vlak boekte China evenwel in Zuidoost-Azië. Op voorstel van Peking zullen China en ASEAN tegen 2010 verenigd zijn in een vrijhandelszone. Met twee miljard consumenten en een gezamenlijk bruto binnenlands product van meer dan twee biljoen dollar kan dit Aziatisch handelsblok, naast de Europese Unie en NAFTA (het North American Free Trade Agreement tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico), een derde regionaal machtsblok worden in de wereldeconomie van de eenentwintigste eeuw. Verder werd in 2002 een Gedragscode voor de Zuid-Chinese Zee ondertekend, waarbij China voor het eerst instemde met een multilaterale benadering van de territoriale disputen in de Zuid-Chinese Zee. In 2003 trad China zelfs als eerste niet-ASEAN-lid toe tot het ASEAN-Verdrag van Vriendschap en Samenwerking, waardoor Peking juridisch gebonden is door de kernelementen van het oprichtingscharter van ASEAN uit 1967 (zoals de principes van non-agressie en non-interferentie). Op hetzelfde tijdstip kondigden China en ASEAN aan dat ze een ‘strategisch partnerschap voor vrede en welvaart’ hadden afgesloten. In 2004 lanceerde premier Wen Jiabao reeds twee nieuwe initiatieven. Ten eerste wil China een ‘Oost-Aziatische Gemeenschap’ oprichten, samengesteld uit China, ASEAN, Japan en Zuid-Korea, om politieke kwesties te bespreken. Ten tweede wil China de vrijhandelszone die momenteel in opbouw is op termijn uitbreiden tot heel Oost-Azië.
Misschien nog het meest tekenend voor China’s verhoogde diplomatieke profiel in Azië is zijn houding in de Noord-Koreaanse nucleaire crisis. Door cruciale olieleveringen aan Pyongyang op te schorten en troepen te verplaatsen aan de Sino-Koreaanse grens doorbrak China in 2003 zijn lange traditie van een low-key buitenlands beleid. China speelt een sleutelrol als bemiddelaar. Het was de Chinese regering die de Noord-Koreaanse leiders ervan wist te overtuigen deel te nemen aan de multilaterale onderhandelingen, waarbij naast de Verenigde Staten en Noord-Korea, ook China, Rusland, Japan en Zuid-Korea werden betrokken. China trad op als gastheer voor het zeslandenoverleg en heeft zich intussen menig maal via stille diplomatie hard ingespannen om Pyongyang weer aan de onderhandelingstafel te krijgen. De ongezien assertieve, zelfs proactieve, opstelling van Peking in de Noord-Koreaanse nucleaire crisis weerspiegelt de wens om een grotere rol te spelen in Azië en de wereld. Waar Peking in het begin van de jaren negentig nog een conservatieve houding aannam tegenover de regionale orde en stabiliteit (wat op zich al een breuk betekende met het Mao-tijdperk), probeert het nu op een actieve en constructieve manier vorm te geven aan die orde in functie van zijn eigen belangen. Multilateralisme is het kanaal waarlangs China zijn invloed buiten de landsgrenzen kan verhogen zonder het regionale status-quo al te ernstig te verstoren.

Economisch magnetisme

China’s groeiend engagement met Azië wordt wellicht het best geïllustreerd in de economische sfeer. De handel tussen China en Azië kent de laatste jaren een ware groei-explosie. In 2003 bereikte deze handel een recordvolume van 495 miljard dollar, of 36,5 procent meer dan in 2002. Gedurende de eerste acht maanden van 2004 zette deze trend zich alvast door: de Chinese export naar zijn dertien buurlanden groeide gemiddeld met 42 procent, zijn import uit die landen zelfs met 66 procent. Vandaag bestaat ongeveer de helft van de Chinese handel uit intraregionale handel, die bovendien - in tegenstelling tot China’s handel met de Verenigde Staten en de Europese Unie - relatief in balans is. China heeft de Verenigde Staten voorbijgestoken als de belangrijkste handelspartner van Hong Kong, Taiwan, Zuid-Korea en Japan. Het is in snel tempo de Verenigde Staten aan het vervangen als de ‘economische motor’ van de regio.
Niet alleen de commerciële banden tussen China en Azië floreren, ook de wederzijdse investeringen (Foreign Direct Investments, FDI’s) groeien de laatste jaren enorm. Ongeveer 70 procent van alle inkomende FDI’s in China is afkomstig uit Azië. Bovendien begint China zelf meer en meer te investeren in de regio. In 2003 waren meer dan de helft van de Chinese investeringen bestemd voor Azië. Naast FDI’s, vloeit er ook meer en meer Chinees kapitaal naar de buurlanden in de vorm van ontwikkelings- en noodhulp. Na de tsunami van eind 2004, voorzag Peking 63 miljoen dollar hulp, de grootste schenking die de Volksrepubliek ooit deed. In 2002 verstrekte China hulp in de vorm van leningen aan Vietnam (150 miljoen dollar), Indonesië (400 miljoen dollar), Afghanistan (200 miljoen dollar) en Birma (200 miljoen dollar). Dat China deze hulp gebruikt om strategische invloed te verwerven in zijn periferie werd in 2003 wel erg duidelijk in Mongolië. In juni bood Hu Jintao het land een hulppakket van 300 miljoen dollar aan, een bedrag dat substantieel hoger was dan de hele voorraad aan buitenlandse deviezen van de Mongoolse centrale bank. Zes maanden later betaalde Mongolië zijn oude schulden af aan Moskou. Deze schulden, ten belope van 250 miljoen dollar, waren nog een restant van kredieten uit het Sovjet-tijdperk en herinnerden aan de periode dat Mongolië een de facto Sovjet-kolonie was. Beide gebeurtenissen stonden ogenschijnlijk los van elkaar en Mongolië moet nog beslissen of het op het Chinese aanbod zal ingaan. Wat telt is echter de symboolwaarde van de twee acties.

Soft power’-diplomatie

Een laatste recente trend is de toename van de Chinese ‘soft power’. Dit begrip van Harvard-professor Joseph Nye verwijst naar het vermogen van staat A om andere landen ‘te doen willen wat A wil’. Andere landen handelen in de door A gewenste zin, niet omdat A ze met argumenten heeft overtuigd of omdat A hen ertoe heeft gedwongen. Ze doen wat A wil omdat ze geloven in de legitimiteit van de waarden en doelstellingen van A.
De aantrekkingskracht van het economische succes van de Volksrepubliek zorgt ervoor dat de Chinese taal, televisie, muziek, voeding en populaire cultuur als nooit tevoren in Azië verspreid raken. Dankzij de eerste bemande Chinese ruimtevluchten en het inrichten van de Olympische Spelen in 2008 en de wereldtentoonstelling in 2010 in Sjanghai, spreekt de Volksrepubliek weer tot de populaire verbeelding in Azië. De aanlokkelijke succesformule van het Chinese ontwikkelingsmodel heeft volgens voormalig Time-editor Joshua Ramo zelfs aanleiding gegeven tot het ontstaan van een Beijing consensus, als een directe uitdager van de Washington Consensus. China is er aldus in geslaagd invloed en goodwill te winnen in Azië, hoofdzakelijk in domeinen waar de Verenigde Staten en Japan minder actief en aandachtig zijn geweest. Pekings groeiende soft power betekent een even grote uitdaging voor de Amerikaanse ‘culturele hegemonie’ als het verwerven van atoomwapens voor de Amerikaanse nucleaire hegemonie in de jaren zestig. Maar de opmerkelijke toename van China’s soft power is westerse analisten grotendeels ontgaan.
De Chinese regering blijkt zich in toenemende mate bewust te zijn van de kracht van normen en soft power als een instrument van het buitenlands beleid. Peking heeft bijvoorbeeld een campagne opgezet om buitenlandse studenten aan te trekken. De verhoogde inspanningen om de Chinese cultuur uit te dragen, zijn echter nog steeds zeer bescheiden in vergelijking met die van de Verenigde Staten. De Amerikaanse populaire cultuur, gaande van Hollywood-films tot MTV, is nog steeds meer verspreid en toegankelijk in Azië. Net zoals inzake ‘harde’ macht neigt de machtsbalans dus sterk in het voordeel van Washington. Maar de trend die zich aftekent is onmiskenbaar: de Amerikanen verliezen invloed in de regio aan de Chinezen.

Tot slot: de Chinese ‘Monroedoctrine’?

De laatste jaren floreren de diplomatieke, economische en politieke betrekkingen tussen China en Azië als nooit tevoren. China bevindt zich als gevolg daarvan in de meest gunstige veiligheidsomgeving sinds de stichting van de Volksrepubliek. Zelfs daar waar er nog spanningen zijn (Taiwan en Japan), is de harde retoriek bij alle partijen in hoofdzaak bedoeld voor binnenlandse consumptie en zijn de Chinese leiders zich bewust van de noodzaak van het behoud van stabiliteit. In oorsprong was dit goednabuurschapsbeleid ingegeven door economische motieven en dat blijft het grotendeels ook. Maar het is duidelijk dat Peking zijn groeiend economisch gewicht wenst om te zetten in politieke invloed. In alle opzichten blijft China nog ver verwijderd van de Amerikaanse hegemonische machtspositie. Maar het speelt het diplomatieke spel in de regio veel beter. Voor John J. Mearsheimer is het duidelijk: de Chinese leiders zijn de eerste stenen aan het leggen van hun eigen ‘Monroedoctrine’. Net zoals de Verenigde Staten in de negentiende eeuw aan de Europese mogendheden lieten verstaan dat ze geen inmenging in het westelijke halfrond meer zouden dulden, zal China op termijn duidelijk maken dat de Amerikaanse aanwezigheid in Azië niet gewenst is.

Thijs Van de Graaf
Master in de politieke wetenschappen

Noot
1/ Voor een meer algemeen overzicht van de evolutie van het Chinese buitenlandse beleid sinds 1989, zie mijn licentiaatsverhandeling Het ‘Nieuwe Denken’ in het Chinese buitenlandse beleid? Constanten, determinanten en discontinuïteit in het buitenlandse beleid van de Chinese Volksrepubliek, 1989-2004. Onuitgegeven scriptie. Gent, Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen, 2005, 210 pp.

Selectieve bibliografie
- Goldstein A., The diplomatic face of China’s grand strategy: a rising power’s emerging choice. In: The China Quarterly, 12, 2001, 168, pp. 835-864
- Mearsheimer J.J., The future of the American pacifier. In: Foreign Affairs, 80, 2001, 5, pp. 46-61.
- Medeiros E.S., Fravel M.T., China’s new diplomacy. In: Foreign Affairs, 82, 2003, 6, pp. 22-35.
- Shambaugh D., China engages Asia: reshaping the regional order. In: International Security, 29, 2004-2005, 3, pp. 64-99.
- Zhao S., The making of China’s periphery policy. In: Zhao S., (ed.), Chinese foreign policy: pragmatism and strategic behavior. London, M.E. Sharpe, 2004, pp. 256-275.

internationale handel - internationale veiligheid - China

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 9 (november), pagina 43 tot 49