Log in

Alleen wie het heden kent, hoeft de toekomst niet te ondergaan

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 (december), pagina 4 tot 6

Kanttekeningen bij de intentieverklaring van Gennez en Vande Lanotte

De intentieverklaring is niet alleen - zoals reeds uit de titel blijkt - doorspekt met een flinke dosis voluntarisme (dat is immers toch de essentie van het geloof in ‘de politiek’). Tegelijk is de invloed van de onlangs overleden Amerikaanse filosoof John Rawls - en van Nobelprijswinnaar Amartya Sen - duidelijk voelbaar: de samenleving wordt als een samenwerkingsverband geschetst met baten en lasten voor iedereen die daarbinnen gelijke - materiële - kansen moet krijgen. Dat is een uitgesproken ethisch - want op solidariteit en rechtvaardigheid gebaseerd - uitgangspunt, dat helemaal in lijn ligt met de statutenhervorming die door Frank Vandenbroucke werd ingezet. De intentieverklaring wemelt dan ook van de verwijzingen naar waarden en normen. Niemand zal natuurlijk loochenen dat socialisme en een ethische ingesteldheid - verontwaardiging over onrecht en een pleidooi voor solidariteit - in elkaars verlengde liggen, maar het blijft de vraag of dergelijk ‘vertoog’ ook wel de socialistische achterban (voldoende) aanspreken kan en of de vooropgestelde waarden wel voldoende duidelijk zijn. Het progressief gelijkekansenbeleid, waarvan de contouren worden geschetst en waarin de strijd tegen de dualisering van de samenleving centraal staat, is het verdedigen meer dan waard. Maar we blijven toch enigszins op onze honger zitten waar het de maatschappelijke analyse betreft, de analyse van de oorzaken waarom in het verleden het gelijkekansenbeleid toch in belangrijke mate is mislukt en waarom de waarde gelijkheid vandaag zo sterk aan aantrekkingskracht verloren heeft (ten voordele van de waarde ‘zelfbeschikking’). De voorbeelden die worden uitgewerkt - meer investeren in een gelijkekansenbeleid in het basisonderwijs, minder energie verbruiken voor minder geld, het overhevelen van middelen voor het leger naar ontwikkelingssamenwerking, werk verschaffen aan iedereen, minder belastingen, betere inning en meer fraudebestrijding, een rechtvaardige ziekteverzekering, meer consumentenbescherming en, tenslotte een ecologisch verantwoord en dus duurzaam beleid - zijn weinig samenhangend. Waarom bijvoorbeeld een goed werkgelegenheidsbeleid alleen maar een geregionaliseerd werkgelegenheidsbeleid kan zijn, wordt nauwelijks beargumenteerd, terwijl het mij een raadsel blijft hoe socialisten tegelijk voor méér solidariteit en minder belastingen kunnen pleiten maar, vooral weinig (zelf)kritisch, want de centrale vraag is natuurlijk waarom de realisatie van deze beleidsopties - die heus niet nieuw zijn - vandaag meer kans op slagen zouden hebben dan pakweg 20 jaar geleden. Indien de wereld veranderd is - en dat is hij beslist - dan zeker niet in een richting die een dergelijk beleid vandaag meer kansen op slagen zou geven. Waarom wordt hierbij niet stilgestaan?
Want dat heeft uiteraard alles met macht te maken, en daarover wordt in de intentieverklaring ook al met weinig woorden gerept, alsof ‘willen’ in deze wel voldoende zou zijn. Bovendien wordt het ethisch vertoog zeer uitdrukkelijk naar de werkende - werknemende of zelfstandige - bevolking gericht en blijven de grote kapitaalbezitters buiten schot, als zouden zij niet tot het ‘wij’ behoren waarvan solidariteit en rechtvaardigheid wordt gevergd. Het herinnert enigszins aan de kritiek die Jerry Cohen (de promotor van Vandenbroucke’s doctoraat, weet je wel) aan het adres van John Rawls richtte: waarom wordt van de hele bevolking een ethische ingesteldheid gevraagd terwijl het louter uit eigenbelang ondernemen door kapitaalbezitters buiten schot blijft (‘zolang dit maar indirect het algemeen belang ten goede komt…) Waar blijft, met andere woorden, een analyse van de obstakels die de verdedigde gelijke kansen politiek in de weg staan? Waar is ‘de vijand’ in het hele verhaal, of heeft die opgehouden te bestaan?
Dit is niet zomaar een retorische kwestie - hoewel, wie durft vandaag nog ‘op uw muil’ schreeuwen tegen ‘het establishment’? Juist ja, maar het is ook een politieke en dus een economische kwestie. De hefbomen die nodig zijn om het bepleite beleid daadwerkelijk uit te voeren blijven onderbelicht, terwijl zij toch de sleutel vormen in een overtuigend gelijkekansenbeleid. Het is nog niet omdat we de steriele discussies voor of tegen ‘de markt’ achter ons hebben gelaten dat we ons ogen moeten sluiten voor de reële uitholling van de ‘macht van het politieke’ en voor vermarktingsprocessen (in de gezondheidzorg, het welzijnswerk, het onderwijs…) die voor socialisten toch principieel problematisch blijven. Een pleidooi voor marktvrije openbare ruimten, parken en bossen, marktvrije vrijetijdsbesteding, ja voor vrijheid tegenover - in plaats van ‘in’ - de markt (en voor een marktvrije politiek…) is nergens te vinden. Het lijkt wel alsof het socialisme tot een soft capitalism of zelfs een ‘kapitalisme met een menselijk gelaat’ - bij ons dan toch - is gereduceerd en dat een socialistisch alternatief geen kapitalismekritiek meer behoeft.
‘Ethisch’ heeft nochtans niks met ‘soft’ te maken (en evenmin met het verloochenen van de eigen belangen), maar veronderstelt fundamentele maatschappijkritiek. Ik ben het eens met de gedachte dat wat de factor ‘arbeid’ als tegenmacht in de twintigste eeuw betekende in de 21e eeuw steeds meer door de factor ‘consumptie’ als tegenmacht zal worden overgenomen, maar had toch meer verwacht dan een louter pleidooi voor meer consumentenbescherming. Nee, het komt erop aan die consumentenmacht te politiseren, te materialiseren, te organiseren, en daarvoor zijn de bestaande ‘consumentenorganisaties’ - waarin de consumenten overigens niets te zeggen hebben - niet bedoeld. Consumentenmacht bouwt men uit door boycots, mediacampagnes, juridische processen, organisaties en hier kan de consumenten’beweging’ heus nog heel wat leren van de arbeidersbeweging. Ook consumentenmacht vertrekt van het inzicht in de eigen belangen van mensen-als-consumenten en daar is niets fouts mee indien men die belangen ook kritisch kan duiden. Eén en ander heeft te maken met de mobiliserende kracht van doelstellingen waar mensen zich mee kunnen identificeren en dat ontbeert deze intentieverklaring, alle verwijzingen naar actief, vernieuwend, progressief, consequent enz. ten spijt. De tekst wemelt van de goede, ja pientere inzichten en voorbeelden en pleit op iedere bladzijde voor verandering en veranderende inzichten: het ‘wat’ en ‘waarom’, dat wordt echter navenant onderbelicht net zoals volstrekt onduidelijk blijft voor wie (en misschien ook tegen wie) deze intentieverklaring eigenlijk geschreven is.
Een ander aspect van de intentieverklaring dat opmerkelijk is, is haar quasi-electorale ondertoon. Alsof ook de partijleden ondertussen tot consumenten van partijprogrammapunten zijn gereduceerd. De ‘open actiepartij’ heeft weinig aan de basismilitant aan te reiken. Integendeel, de aandacht gaat vooral naar de partijtop. Wordt de sp.a steeds meer een partij van cliënten in plaats van militanten, die weliswaar steeds beter geïnformeerd zullen worden maar steeds minder bij de besluitvorming betrokken? Ik heb er het gissen naar, maar het hoofdstuk over ‘een open actiepartij’ heeft alvast niets mee te delen over de basis, maar draait volledig rond hervormingen aan de top, alsof de vernieuwing aldaar met vernieuwing tout court samenvalt. Nou, moe, wie zit hier eigenlijk in een ivoren toren?
En dan is er cultuur, natuurlijk. Gennez en Vande Lanotte hebben duidelijk geen kaas gegeten van postmateriële waarden, waarover in hun intentieverklaring met geen woord wordt gerept. Misschien weten ze niet waarop zij slaan of misschien vinden ze dat dit waarden zijn die buiten de sfeer van de politiek vallen of misschien schrijven ze er vanuit een ‘coalitielogica’ niet over omdat dit toch immers de bevoegdheden van Spirit zijn, maar in het oog springt het zeker.
Het biefstukkensocialisme blijft levend(ig)er dan ooit, al zijn het dan wellicht hormonenvrije en Kreutzfelder-Jacobs infectieloze biefstukken, die best wat matiger worden genuttigd. En dus kan men het zich veroorloven om op 28 bladzijden beginselverklaring met geen woord over cultuur of cultuurpolitiek te reppen. De samenleving mag dan al steeds meer door - onder andere culturele - informatie als product én als productiefactor worden gedicteerd, niet zo voor Gennez en Vande Lanotte. Ze hebben na de arbeider nu wel de consument in ieder mens ontdekt (p. 22) maar zijn aan de mens als cultuurproducent en -consument achteloos voorbijgegaan. Dat kan geen toeval zijn. Zou de nouveau sp.a echt zo verengd strategisch denken dat ze over een departement dat immers aan Spirit werd toegewezen gewoon geen ideeën ontwikkeld heeft? Zou de sp.a-leiding echt zo weinig tijd, aandacht of interesse hebben voor cultuur? In dat geval lijkt een radicale sabathical therapy - zoals die ook bij een ‘Toscaanse’ Guy Verhofstadt sporen heeft achtergelaten - een absolute verplichting te moeten zijn voor politici en zouden we terug moeten pleiten voor de aloude idee van de ‘politieke rotatie’, waarbij een mandataris ten gepasten tijde voor een periode politicus-af wordt om de samenleving buiten de politique politicienne te herontdekken.
Want als de visie op cultuur zich beperkt tot marketingideeën over wat electoraal verkoopt, indien ‘politieke vernieuwing’ alleen maar een woord is dat wordt gebruikt omdat het ‘goed in de markt ligt’, dan zal zij zoals de maxi-, de super-, de mega- en gigakracht van waspoeders vroeg of laat op haar bek vallen met de vaststelling dat het allemaal uiteindelijk alleen maar waspoeders zijn.
Toegegeven, de tekst van Gennez en Vande Lanotte is maar een ‘intentieverklaring’, met een duidelijke uitnodiging tot kritiek. Maar intenties kunnen zo gratuit worden geformuleerd, dat precies wat niet wordt ‘geïntendeerd’ in het oog springt. De kracht van een tekst ligt inderdaad vaak meer in wat hij verbergt, verzwijgt of, vooral, vergeet dan in wat hij zegt. Dat is helaas niet anders met de tekst van Gennez en Vande Lanotte: het komt er niet enkel op aan ‘de toekomst vorm te geven’ door ‘positief ingestelde progressieve mensen’, dat kan men enkel in de gewenste richting indien diezelfde mensen het heden grondig en in al zijn aspecten kennen. De intentieverklaring laat hierover ernstige twijfels rijzen: niet alleen over cultuur geen woord, evenmin over het middenveld, het toenemend racisme, het toenemend veiligheidsdenken of, zeg maar de verlenging van de actieve loopbaan in het perspectief van de toenemende vergrijzing. Maar, o ja, daarover staan de ideeën in een andere tekst…

Koen Raes
Redactielid en Hoogleraar in de rechtsfilosofie en de toegepaste ethiek - Vakgroep Grondslagen van het Recht - Universiteit Gent

ideologie - ideologisch congres sp.a - intentieverklaring

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 (december), pagina 4 tot 6