Log in

Bescheidenheid, pluralisme, solidariteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 bijlage (december), pagina 11 tot 17

Een krachtige, heldere tekst, met enkele passages die de lezer zich blijft herinneren - zo kan de discussietekst van Mark Elchardus worden omschreven. Alles staat er bovendien wel zo’n beetje in. Met dit stuk valt, kortom, voor een socialist c.q. sociaaldemocraat anno 2005 goed te leven.

Toch is dat niet voldoende. De tekst graaft niet diep genoeg als het gaat om de economisch-technologische en de sociale veranderingen waarmee we in deze tijd geconfronteerd worden; om de ideologische verschuivingen die zich in ons deel van de wereld hebben voorgedaan; en om het antwoord dat links daarop zal moeten geven. In het navolgende betrek ik stelling in deze kwesties en formuleer ik op basis daarvan een kritiek op de discussietekst - in het volle besef dat op het nieuwe Beginselmanifest van mijn eigen Partij van de Arbeid vergelijkbare aanmerkingen te maken zijn.1
Links moet zich, zo luidt de hoofdlijn van mijn betoog, veel krachtiger en zelfbewuster tegenover rechts opstellen, maar zonder zich al te letterlijk als ‘progressief’ te presenteren; dat wil zeggen als hoeder van de Vooruitgang, van alles-wat-nieuw-is en van de maakbaarheid van de samenleving. Vooruitgangs- en maakbaarheidsillusies, tot en met het geloof dat democratie elders in de wereld met geweld valt af te dwingen, kunnen maar beter aan rechts worden overgelaten. Daar tegenover stel ik het ideaal van een bescheiden, praktisch socialisme, met nadruk op de menselijke maat en op de waarde van de indertijd door de dichter Henriëtte Roland Holst bezongen ‘zachte krachten’.

De opmars van rechts

Het zwaartepunt in de Europese politiek is de afgelopen decennia, net als in Amerika, onmiskenbaar naar rechts verschoven. Zoals links een relatief sterk stempel op het derde kwart van de 20e eeuw drukte, zo deed rechts dat met het vierde kwart. De periodes zijn grof afgebakend en het beeld verschilt per land, maar overal is dezelfde tendens waarneembaar.
Het (centrum)rechtse programma draait om twee complementaire doelstellingen: enerzijds versterking van het marktmechanisme en terugdringing van de verzorgingsstaat, inclusief aanvaarding van de sociale ongelijkheid die daaruit kan voortvloeien; anderzijds een hardere aanpak van criminaliteit, uitbreiding van overheidsbevoegdheden op dit gebied en minder tolerantie jegens normafwijkend sociaal en cultureel gedrag. Kortom, het spiegelbeeld van de toenemende staatsinterventie op sociaaleconomisch gebied en de geleidelijke liberalisering van normen en waarden die de periode 1950-1975 hebben gekenmerkt. Links, zo verkondigen rechtse politici en publicisten, heeft met zijn naïef-optimististisch mensbeeld de misdaad in de hand gewerkt; en met zijn regelzucht en nivelleringsdrift het verantwoordelijkheidsgevoel en de ondernemingszin van de burger gedwarsboomd.
Typerend voor het nieuwe politieke krachtenveld is de marginalisering van de sociale vleugels van de Engelse Conservatieve partij en van de christendemocratische partijen op het continent (en van gematigde Republikeinen in de VS). Zij steunden de opbouw van de verzorgingsstaat en verzetten zich tegen een verregaande commercialisering van de samenleving. Vanaf de jaren zeventig en tachtig komt daarin verandering. Het radicale marktliberalisme van Thatcher en Reagan krijgt de wind in de zeilen. Thatchers uitspraak: ‘ik ken geen maatschappij, ik ken alleen individuen’, waarvan conservatieven vroeger gegruwd zouden hebben, gaan ook op het vasteland steeds meer de toon zetten. De aandacht voor sociale samenhang vermindert, ten gunste van law and order.
In die omstandigheden lijken ook het politieke elan en de vernieuwingdrang, waarop links tot in de jaren zeventig het monopolie had, bij rechts te zijn beland. Het straalt optimisme uit en wil leidinggeven aan het moderniseringsproces. Het oude, linkse maakbaarheidsideaal, met de plannende en verzorgende overheid in de hoofdrol, is dood; het nieuwe rechtse maakbaarheidsideaal, met zijn sterke, vrije individuen, z’n ‘onzichtbare hand’ van de markt en zijn straffende overheid springlevend.
Hoe heeft links in West-Europa op deze opmars van rechts gereageerd? Een groot aantal sociaaldemocratische partijen is min of meer met de hier omschreven ontwikkeling meegebogen, zowel op sociaaleconomisch als op cultureel gebied, terwijl kleinere linkse partijen vaak klassiek sociaaldemocratische posities zijn gaan innemen (en dus ook enigszins naar rechts zijn opgeschoven).
Het duidelijkst komt de aanpassing van de sociaaldemocratie tot uitdrukking in programma en beleid van het Britse New Labour (Derde Weg), mede geïnspireerd door de Amerikaanse ‘New Democrat’ Bill Clinton. Ze worden gekenmerkt door een expliciet afscheid van de traditionele sociaaldemocratie (inclusief het gelijkheidsbeginsel); door een markt- en ondernemersvriendelijk beleid, gecombineerd met een beleid gericht op de employability van de beroepsbevolking (activering van werklozen, nadruk op onderwijs) en op bestrijding van sociale uitsluiting; en door een criminaliteits- en vreemdelingenbeleid dat voor de harde lijn kiest en zich in weinig van dat van de Britse Conservatieven onderscheidt.
Blairs vernieuwing-over-rechts heeft zeker positieve kanten. Ze heeft de ‘activerende’ verzorgingsstaat een gezicht gegeven en een solide macro-economisch beleid gevoerd. Maar de koers van New Labour kent, net als het paarse beleid van de PvdA in de jaren negentig, ook tal van bezwaren en gevaren. Voor de terughoudendheid op fiscaal gebied wordt een hoge prijs betaald, in de vorm van onvoldoende bestrijding van sociale achterstanden en groeiende inkomensongelijkheid. Commerciële marktwerking in die sector blijkt een experiment te zijn dat grote nadelen en risico’s met zich meebrengt. En op veiligheidsgebied laat New Labour in het zicht lopende ‘flinkheid’ prevaleren boven een meer structurele benadering.
Verder maakt de breuk met de sociaaldemocratische traditie Labour monddood bij de bestrijding van de vaak karikaturale kritiek van rechts op die sociaaldemocratie - en op links in het algemeen. Ze vergroot de afstand tot een belangrijk deel van de electorale achterban en leidt tot onherkenbaarheid en gebrek aan oriëntatie op de lange termijn. De ‘vernieuwde’ sociaaldemocratie, ook elders is Europa, is bezig het vermogen kwijt te raken om, op basis van de eigen beginselen, de maatschappelijke ontwikkeling te analyseren en daaruit politieke conclusies te trekken - in plaats van achter allerlei modes en trends aan te hollen en met rechts de strijd aan te gaan wie het meest modern is.

Het antwoord van links

Welke kant moet het dan wél op met links in Europa? De sociaaldemocratische partijen, de Groenen en de ‘Linksparteien’ in de EU-landen zullen - gezamenlijk dan wel gescheiden optrekkend - de strijd moeten aanbinden met de toenemende sociale ongelijkheid en de afbraak van de verzorgingsstaat. Maar die strijd moet worden gevoerd in het dubbele besef dat a) de economische en politieke krachtsverhoudingen, met de toegenomen mobiliteit van kapitaal, ongunstig zijn en vaak tot onaangename compromissen zullen dwingen; en dat b) links met uitdagingen en problemen geconfronteerd wordt die maar zeer gedeeltelijk in traditionele termen van kapitaal vs. arbeid en markt vs. staat te vatten zijn. Op die uitdagingen en problemen concentreer ik me hier.
In de eerste plaats zijn daar de tegendraadse effecten van de sterke spreiding van welvaart die in ons deel van de wereld gerealiseerd is. Een meerderheid van de bevolking heeft inmiddels, mede dankzij de inspanningen van links, een behoorlijke tot riante welvaartspositie en veel vrijheid verworven. Achtergestelden en ontrechten zijn er nog steeds, maar ze zijn een minderheid geworden - of ze leven, voor zover het om meerderheden gaat (elders in de wereld) ver weg van het bed van de welvarende kiezer. Een beroep op welbegrepen eigenbelang en wederkerigheid is dan niet meer toereikend. Eerlijk delen vraagt meer dan vroeger om morele overtuigingskracht.
In de tweede plaats blijkt de grote vlucht die de economische en technologische ontwikkeling genomen heeft, maar gedeeltelijk een zegen te zijn. De productiekrachten waarover Karl Marx jubelend sprak, manifesteren zich ook als destructiekrachten. Dat geldt voor de aanslag op natuur en milieu als gevolg van voortgaande economische groei (die op wereldschaal het karakter van een hels dilemma begint aan te nemen), maar ook voor de steeds grotere technische mogelijkheden om ‘laagdrempelig’ massavernietigingswapens te produceren. Daarnaast confronteert de biotechnologie ons met de dringende vraag welke grenzen we aan de maakbaarheid van de natuur, inclusief die van de mens, willen stellen.
In de derde plaats worden de schaduwzijden van de sterk instrumenteel gerichte rationaliteit die ons type samenleving kenmerkt, steeds duidelijker zichtbaar. Ze komen niet alleen tot uitdrukking in de commercialisering van de alledaagse leefwereld (van de ‘vermarkting’ van het beroepsonderwijs tot de reclameoffensieven waaraan tv-kijkende jonge kinderen onderworpen worden), maar ook in de overcentralisering en overprofessionalisering van de gezondheidszorg en in de opmars van een puur bedrijfseconomisch productiviteitsbegrip in de collectieve en de particuliere sector. De sociale productiviteit van betaalde en van onbetaalde arbeid wordt sterk verwaarloosd. Alleen wat meetbaar is, telt nog mee.
Dergelijke ontwikkelingen, zo betoog ik in Links, rechts en de vooruitgang, maken een programmatische heroriëntatie van links noodzakelijk. Die impliceert geen breuk met het verzorgingsstaat-socialisme, gericht op werkgelegenheid, goede sociale voorzieningen en een ontwikkeld arbeidsrecht. Ze veronderstelt wel het leggen van nieuwe accenten en een andere interpretatie van de eigen tradities; het trekken van consequenties uit het soms pijnlijke leerproces dat democratisch links in de tweede helft van de 20e eeuw heeft doorgemaakt - van de ontnuchterende ervaringen met de ‘zwarte’ kant van de technische vooruitgang (voorbeeld: het militair en het civiel gebruik van kernenergie) tot het gegroeide inzicht dat materiële lotsverbetering niet automatisch tot verhoging van het beschavingspeil en van het solidariteitsgehalte van een samenleving leidt.
Aan de hier bepleite heroriëntatie ligt een aantal moreel-politieke noties ten grondslag, die ik hier in drie trefwoorden samenvat:
- Bescheidenheid. Koppeling van het streven naar een betere samenleving aan een realistische visie op de mens en zijn omgang met de natuur; aan het besef dat onbedoelde en ongewenste effecten het menselijk handelen altijd zullen begeleiden en dat de ideale, machtsvrije samenleving een gevaarlijke utopie is (big hopes, big killings - John Gray). In het verlengde daarvan ligt een relativering van het vooruitgangsoptimisme. Economie en technologie kunnen een grote bijdrage leveren aan vrijheid, welvaart en beschaving, maar ze hebben hun eigen schaduwzijden, zoals de vernietiging van gekoesterde leefvormen. Bovendien hebben ze naast het productie- ook het destructiepotentieel in de wereld sterk doen toenemen.
Technologische en economische vooruitgang leidt niet tot morele vooruitgang, een terugval is mogelijk. Tegenover de hybris waarop het geloof in het technisch kunnen van de mens vaak uitloopt, zou bescheidenheid in de omgang met die techniek en ten opzichte van de maakbaarheid van de samenleving als politieke deugd verdedigd moeten worden;
- Pluralisme. Verscheidenheid en variatie staan in onze samenleving hoog aangeschreven, maar de praktijk is vaak anders. Links moet tegenwicht bieden aan de schaalvergroting en aan de uniformering die zich op veel terreinen, vaak onder de vlag van de consumentenvrijheid, manifesteren - van de publieke dienstverlening tot de ruimtelijke ordening; van de media tot onze eetcultuur. Het moet de strijd aanbinden met ongecontroleerde machtssuitoefening, in het klein en in het groot, en met de kuddegeest die in een individualistische samenleving welig tiert. En ze moet het besef uitdragen dat een werkelijke pluriformiteit van levensvormen en culturen, in termen van inschikkelijkheid en tolerantie, om grote wederzijdse inspanningen vraagt.
Het sociaaldemocratische gelijkheidsideaal staat dat pluralisme, anders dan vaak beweerd wordt, niet in de weg. Integendeel, sociale ongelijkheid ‘overwoekert en vertekent de natuurlijke verschillen tussen mensen en belemmert daarmee de persoonlijke en maatschappelijke creativiteit.’ 2
- Solidariteit. De technocratisering van het overheidsbestuur; de bureaucratisering van de solidariteit die een omvangrijke verzorgingstaat onvermijdelijk met zich meebrengt; de verregaande spreiding van welvaart in de Westerse wereld: ze dwingen tot een herwaardering van de ethische grondslag van linkse politiek. Compassie met het lot van anderen, seculier of religieus geïnspireerd, zou daarbij voorop moeten staan - niet als vervanging, maar als aandrijfkracht van verantwoordelijk politiek en bestuurlijk handelen.
Spreiding van inkomen, kennis en macht, nationaal en internationaal, veronderstelt, behalve solidariteit, het levend houden van een ‘welvaartsbewustzijn’, dat wil zeggen het besef dat de meesten van ons welvarend tot zeer welvarend zijn, ook al doet de jacht op het alsmaar méér anders vermoeden. Wat dat betreft keert links zich niet alleen tegen ongelijkheid en gebrek aan sociale samenhang, maar ook tegen de schraperige, inhalige samenleving.3 Ze rekent ‘matiging’ tot deel van haar vocabulaire.
De beteugeling van het opnieuw ontketende kapitalisme blijft bij dit alles de verhouding tussen links en rechts, hier en elders in de wereld, structureren. Maar ze gaat de verdelingsproblematiek, hoe belangrijk ook, verre te boven en wordt door links in bredere, culturele zin opgevat - en uiteraard van elke eschatologische verwachting ontdaan. De sociaaldemocratie, zo schreef de socioloog J.A.A. van Doorn eens, moet in de eerste plaats in verband worden gebracht met de strijd tegen onze afhankelijkheid van economie en technologie en tegen de heerschappij van het geld. Daartegen te hebben geprotesteerd ‘is de grote historische verdienste van (die) sociaaldemocratie. Het blijft haar toekomstige roeping’.4

Kracht en zwakte van de discussietekst

Vanuit de hier gekozen invalshoek spreken de ‘uitgangspunten’ waarmee de discussietekst opent, me bijzonder aan. Dat onze huidige welvaart mede aan de inspanningen van vorige generaties te danken is, en dat eerlijk delen en een zorgvuldige, conserverende omgang met de natuur samen moeten gaan, wordt fraai omschreven. De strijd voor gelijke ontwikkelings- en ontplooiingskansen moet plaatsvinden ‘in het besef dat we de aarde in leen hebben van de toekomstige generaties en dat haar natuurlijke rijkdommen beperkt zijn. Er is voldoende voor iedereen, maar niet voor ieders hebzucht.’ Deze sterke nadruk op de ecologische kwestie is gerechtvaardigd en, voor een politieke stroming die altijd zoveel nadruk heeft gelegd op welvaartsvergroting, ronduit gedurfd.
Overtuigend vind ik ook wat wordt opgemerkt over de mentale instelling die socialisten/sociaaldemocraten zou moeten kenmerken (‘verwondering over hoe de wereld in elkaar zit’) en over de verhouding tussen politiek en samenleving, collectieve en individuele verantwoordelijkheid. ‘De politiek mag het leven niet koloniseren’, heet het. En: ‘(v)oor problemen willen socialisten structurele oplossingen, maar we beseffen dat die uiteindelijk steunen op medemenselijkheid, menslievendheid, respect en het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid voor het welzijn en de waardigheid van de ander. Structurele oplossingen komen niet in de plaats van die gevoelens en inzichten, maar bouwen er op voort.’ In het verlengde daarvan wordt er terecht voor gepleit om ‘caritatieve gevoelens (te) koesteren en te ondersteunen.’
Maar ik heb ook kritiek. De ‘socialistische idealen’ worden in de gelijknamige paragraaf wel erg algemeen omschreven, met af en toe een vreemde radicale uitschieter (‘Rechtvaardigheid zorgt ervoor dat iedereen vrij is van de afhankelijkheid van eigenaren van productiemiddelen’). Het pleidooi voor een actief pluralisme, later in het stuk, beperkt zich tot de multiculturele samenleving. Aan de algemene, maatschappijordenende waarde van het pluralisme en aan de maatschappelijke ontwikkelingen die het zo sterk bedreigen, wordt voorbijgegaan. Ook de heikele problemen en dilemma’s van het multiculturele samenleven zelf, zoals bijvoorbeeld opgeroepen door de achterstelling van de vrouw in sommige culturen, worden in het stuk onvoldoende benoemd.5
Te vertrouwd-positief en te weinig probleemstellend vind ik ook de passages over (boven)nationale solidariteit. ‘Nu de onderlinge afhankelijkheid tussen mensen en staten in een geglobaliseerde wereld steeds duidelijker wordt’, aldus de tekst, ‘wint solidariteit aan betekenis omdat ze noodzakelijk is voor het voortbestaan van de mensheid.’ Belang en beginsel, zo wordt verondersteld, liggen als vanouds dicht bij elkaar. Maar dat gaat voorbij aan de tegengestelde tendens zoals door mij geschetst: een gegroeid belang van grote groepen Westerse burgers bij de status quo; met andere woorden, het uit elkaar lopen van belang en beginsel - en daarmee de noodzaak van een moralisering van de politiek.
Van de wetenschappelijke en technische vooruitgang, tenslotte, worden de ‘nadelige neveneffecten’ geschetst, die ‘waar nodig’ ingeperkt moeten worden, onder meer door de inzet van ‘ecologisch en sociaal verantwoorde alternatieven’. Ik onderschrijf dat natuurlijk, maar mis, opnieuw, een gevoel van urgentie. Neem de internationale politieke verhoudingen. De 20ste eeuw, schrijft de Britse diplomaat en onderzoeker Robert Cooper, is, mede als gevolg van de ingezette technologie, tamelijk gewelddadig verlopen. De volgende eeuw zou nog wel eens veel gewelddadiger kunnen zijn. ‘The new century risks being overrun by both anarchy and technology. The two great destroyers of history may reinforce each other. And there is enough material left over from previous centuries in the shape of national, ideological and religious fanaticisms to provide motives for the destruction’.6
Wie met die mogelijkheid rekening houdt, is geen pessimist en/of cynicus, maar iemand die weet dat de geschiedenis zelf geen richting geeft - en dat we onze morele overtuigingen nog hard nodig zullen hebben.

Tot slot

De stelselhervormingen en reorganisaties van het kabinet-Balkenende stapelen zich op, zo stelde PvdA-voorman Wouter Bos bij de jl. algemene beschouwingen in de Tweede Kamer vast. Men denkt ‘oprecht dat als je in Den Haag aan een paar knoppen draait, je een hele samenleving kunt veranderen. Wat dat betreft is dit kabinet net een stel ouderwetse socialisten.’
Van die opmerking werd in de Nederlandse pers vreemd opgekeken. Maar Bos heeft gelijk. De grootste maakbaarheidsfetisjisten zitten tegenwoordig niet meer bij links, maar bij de neoliberalen en de neoconservatieven - of het nu gaat om de zegeningen van militair optreden in de wereld, van het marktmechanisme (en van alle ingrepen die de burger op zijn ‘eigen verantwoordelijkheid’ terugwerpen) of van het wrekende strafrecht. Het maakbaarheids- en vooruitgangsgeloof van rechts doet sterk denken aan het links dat het zelf zo bekritiseerde in de jaren zestig van de vorige eeuw - en is des te gevaarlijker omdat de speelsheid en de afkeer van hiërarchie en dwang uit die tijd geheel ontbreken. Links, zo luidt mijn stelling, moet met dat overspannen mens- en wereldbeeld niet willen concurreren. Hij moet het geperverteerde Verlichtingsdenken dat eraan ten grondslag ligt, bestrijden - door er een praktisch, waarden-gebonden en vrolijk (‘gezellig’) realisme tegenover te stellen; door Verlichting en niet-verzuurde scepsis opnieuw met elkaar te verzoenen.
‘sp.a wil tonen’, zo luidt de laatste zin van de tekst, ‘dat de droom werkelijkheid kan worden.’ Daaraan zag ik graag toegevoegd: ‘sp.a zal daarnaast alles in het werk stellen om de gevaren die ons bedreigen, zoveel mogelijk te helpen beperken - en om ons er, als ze werkelijkheid worden, met zo min mogelijk schade voor de waardigheid van de mens doorheen te slaan.’

Noten

  1. De hier gevolgde redenering heb ik veel uitvoeriger uitgeschreven in: Links, rechts en de vooruitgang, Amsterdam, Mets & Schilt/Wiardi Beckman Stichting, 2004.
  2. Ik citeer den Uyl J.M. e.a., De weg naar vrijheid. Een socialistisch perspectief, Amsterdam, Partij van de Arbeid, 1951.
  3. Vgl. het nog altijd actuele geschrift van de Britse cultuursocialist Tawney R., The acquisitive society, Brighton, Wheatshealf Books, 1982 (1921).
  4. van Doorn J.A.A., ‘Het socialisme als kameleon’, in: van der List G. (red.), De draagbare Van Doorn, Amsterdam, Prometheus, 1996, p.256-259. Onder dezelfde titel verschenen als brochure: Het socialisme als kameleon. De historische overlevingskunst van de Nederlandse sociaaldemocraten (Burgerzaallezing), Rotterdam, Gemeente Rotterdam, 1992.
  5. Vgl. daar tegenover het manifest van de Partij van de Arbeid: ‘Wie zich bij zijn of haar emancipatie belemmerd weet door de druk van familie, traditie of religie verdient onvoorwaardelijke steun.’
  6. Cooper R., The breaking of nations. Order and chaos in the twenty-first century, New York, Atlantic Monthly Press, 2003, p.vii.

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 bijlage (december), pagina 11 tot 17