Log in

De moeilijke zoektocht naar socialistische waarden

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 bijlage (december), pagina 18 tot 21

Zoals het woord al laat vermoeden wil een partij in een ‘beginselverklaring’ verwoorden vanuit welke uitgangspunten, ideologische fundamenten en doelstellingen men aan politiek wil doen. Het opstellen van zo een verklaring is een oefening in deductief redeneren (zoals de wiskunde, de meetkunde of de logica): men formuleert een aantal algemene uitgangspunten (axioma’s) en probeert daaruit al de rest af te leiden. Hoe we concreet moeten handelen, hoe we over particuliere cases moeten denken, dat moeten we deductief kunnen afleiden uit of minstens kunnen toetsen aan de algemene stellingen en principes die vooropgesteld zijn.

De uitgangspunten van een beginselverklaring laten zich gemakkelijk neerpennen door te verwijzen naar algemene waarden. ‘Het socialisme is een internationale beweging die gedragen wordt door de basiswaarden van vrijheid, solidariteit, gelijkheid, rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid.’ De waarde die de discussietekst prioritair naar voren schuift is vrijheid. Dit zal sommigen misschien verwonderen, want is dat niet de liberale waarde bij uitstek? Alles hangt natuurlijk af van wat men onder vrijheid verstaat. De ‘blijf van mijn lijf, van mijn eigendom en laat me gerust’-vrijheid is niet de vrijheid die socialisten nastreven. Het gaat veeleer om een positieve invulling van vrijheid waarbij vrijheid gedacht wordt in termen van maximaal kansen geven aan mensen en mensen maximaal de mogelijkheid geven iets met hun talenten, mogelijkheden en vrijheden te doen. Het heeft weinig zin enkel de vrijheid om te solliciteren te verdedigen, wanneer bij aanwerving systematisch gediscrimineerd wordt. Het heeft evenmin zin om het recht op vrijheid van vereniging te verdedigen wanneer er geen democratisch systeem zou bestaan waarbinnen mensen als groep (vakbonden, politieke partijen, belangengroepen, verenigingen allerlei) zich zouden kunnen laten horen en actief kunnen deelnemen aan het politieke leven.
Socialistische vrijheid mondt dus niet uit in een minimale staat die er enkel op uit is de negatieve vrijheden te beschermen: eigendomsrechten, het recht op vrije meningsuiting, godsdienstvrijheid, recht op privacy en veiligheid, enzovoort. Nee, de socialistische vrijheid is een geëngageerde vrijheid die meer eist dan dat. De overheid moet het als haar taak beschouwen erop toe te zien dat de maatschappelijke basisvoorwaarden gerealiseerd zijn opdat mensen vrij zouden kunnen denken en handelen. Om die basisvoorwaarden voor zoveel mogelijk mensen te realiseren zal de overheid moeten aansturen op vormen van herverdeling, inzetten op duurzame ontwikkeling en investeren in een toerustingsbeleid (onderwijs, vorming, bijscholing) en de toegankelijkheid van de basisvoorzieningen voor iedereen (gezondheidszorg, gezonde en voldoende leefruimte, voeding, wonen, onderwijs, informatie, werk, mobiliteit enzovoort).
Het vrijheidsconcept wordt in de voorliggende discussietekst getypeerd als ‘het recht vrij te zijn van onderdrukking’ en ‘alle kansen krijgen om zijn of haar geluk en talenten te ontwikkelen’ en ‘greep hebben op de omstandigheden die het leven van mensen bepalen’. Daar zal elke goedmenende politicus van gelijk welke slag zich wel kunnen in vinden. Wat mij betreft mag het vrijheidsconcept dat hier als ‘kernwaarde’ voor het socialistische verhaal naar voren wordt geschoven dan ook nog een stuk duidelijker, scherper en strijdvaardiger worden geformuleerd om veel beter het onderscheid te kunnen maken met andere vormen van vrijheid die dikwijls door andere partijen naar voren worden geschoven.

De andere waarden die als centraal naar voren geschoven worden zijn solidariteit, gelijkheid, rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid, vrede en actief pluralisme. Ze worden genoemd als evenwaardige en van elkaar afhankelijke voorwaarden opdat mensen in vrijheid zouden kunnen leven. Met andere woorden in een samenleving waarin onrecht heerst, waarin mensen hun verantwoordelijkheid voor zichzelf en de samenleving niet opnemen of waarin mensen enkel met zichzelf bezig zijn, daarin kan de vrijheid onmogelijk worden gerealiseerd. De genoemde waarden worden in de discussietekst kort omschreven, maar spijtig genoeg geraakt men meestal niet veel verder dan wat algemeenheden waarmee opnieuw elke rechtgeaarde politicus van gelijk welke slag zal kunnen instemmen. Het is helemaal niet duidelijk op welke manier het socialistische solidariteits- of verantwoordelijkheidsbegrip (aan dit laatste wordt slechts één zin besteed!) verschilt van dat in andere partijen. Ook de VLD en het Vlaams Belang willen de sociale zekerheid behouden, en wie is nu tegen het respect voor de gelijke vrijheid voor iedereen of zal zich verzetten tegen meer rechtvaardigheid en minder discriminatie?
Even verder lezen we: ‘Socialisten verzetten zich tegen elke schending van mensenrechten, tegen het nodeloos pijnigen van levende wezens, tegen armoede, onrechtvaardigheid en onverantwoorde ongelijkheid, tegen uitsluiting en discriminatie, en tegen de uitputting en de vervuiling van de natuur en het milieu.’ Zo geformuleerd had Stevaert inderdaad gelijk: ‘Vlaanderen zit vol socialisten, alleen weten ze het nog niet.’ Het probleem is echter dat men zich helemaal niet als socialist moet definiëren om zich te verzetten ‘tegen elke schending van mensenrechten, tegen het nodeloos pijnigen van levende wezens, tegen armoede, onrechtvaardigheid en onverantwoorde ongelijkheid, tegen uitsluiting en discriminatie, en tegen de uitputting en de vervuiling van de natuur en het milieu.’ Ik durf er mijn hand voor in het vuur steken dat zowel Vera Dua van Groen! als Guy Verhofstadt van de VLD, zowel Luc Cortebeeck van het ACV als Pieter Timmermans van het VBO, zowel kardinaal Danneels als Alexandra Colen van Vlaams Belang dit zouden willen onderschrijven, maar zich toch geen socialist zouden willen laten noemen…
Mijn analyse klinkt misschien nogal hard en kritisch, maar er zijn verzachtende omstandigheden. Het is in deze tijd en in de huidige context zeker niet eenvoudig om het eigene van socialisme in de verf te zetten. We hebben hier immers nauwelijks nog te maken met heuse libertariërs die elke vorm van belastingen een vorm van diefstal vinden of met echte communisten die gelijkheid willen bereiken ten koste van de individuele vrijheidsrechten. Er bestaat over de algemene waarden van de democratische rechtsstaat en de verzorgingsstaat een vrij grote consensus in onze samenleving. Wie voor een dergelijke discussietekst van deze waarden vertrekt, en dat is vrij logisch, loopt dan ook het risico zich in die consensus vast te rijden en het niet verder te schoppen dan de algemeenheden waar iedereen het mee eens is.
De tekst gaat er ook teveel vanuit dat de fundamentele waarden allemaal evenwaardig zijn, maar dit is een al te idealistische voorstelling van zaken. Wie over politiek en het verbeteren van de samenleving nadenkt, komt keer op keer in situaties terecht waarin waarden tegenover elkaar staan: moet de vrijheid van bruggepensioneerden ingeperkt worden om ons sociaal bestel in stand te houden; moeten we solidair zijn met mensen die hun individuele of maatschappelijke verantwoordelijkheid niet nemen; moeten we rechtvaardigheidsprincipes tussen haakjes zetten om fiscale amnestie toe te staan om zo meer staatsinkomsten te hebben, mogen we het recht op sociale woning koppelen aan de verplichting om de taal te leren…
Om het eigene van het socialisme te verduidelijken zou dus een scherpere inhoudelijke invulling moeten worden gegeven aan de genoemde waarden. Ik heb er al op gewezen hoe het vrijheidsconcept sterker geprofileerd mag worden, maar de opdracht geldt dus evenzeer voor het (socialistisch?) gelijkheids-, solidariteits-, rechtvaardigheids- en verantwoordelijkheidsbeginsel. Ik wil graag toegeven dat dit zeker geen gemakkelijke oefening is. Ik denk dat er ‘onder socialisten’ een serieuze boom kan worden opgezet over de vragen welk soort gelijkheid socialisten in onze samenleving willen nastreven en wat men echt onder solidariteit verstaat. Moeten we naast armoede ook rijkdom bestrijden en op welke manier moeten we de socialistische solidariteit denken met Wallonië, met mensen zonder papieren, met werklozen, met kansloze kinderen in de sloppenwijken van Manilla? In de tekst lezen we dat ‘een fundamentele economische, sociale en culturele gelijkheid essentieel is voor de ontwikkeling van elke mens en van elke gemeenschap.’ Dat zal wel! Mijn vraag is wat we in hemelsnaam onder die ‘fundamentele gelijkheid’ moeten verstaan en hoe die socialistisch moet worden ingevuld.

Voor wie op zoek gaat naar het eigene van het socialistische politieke project, kan een opsomming van de ‘socialistische waarden’ zoals in de tekst onmogelijk volstaan. Niet dat deze waarden niet onderschreven moeten worden en als uitgangspunt moeten blijven dienen, het probleem is dat ze te weinig mogelijkheden bieden om het verschil te maken met andere politieke formaties. In wat volgt wil ik kort drie denkpistes aangeven die inspirerend zouden kunnen werken om het eigene van het socialisme beter te omschrijven in deze tekst.
Vooreerst kan er nadrukkelijker gewezen worden op de manier waarop men de idealen wil verwezenlijken. Politieke discussies zijn immers dikwijls terug te brengen tot verschillende visies op de aanwending van middelen om de waarden en idealen te bereiken waarover de deelnemers aan de discussie het eigenlijk eens zijn. Zowel de vraag naar welke middelen, als de vraag naar de hoeveelheid middelen is hier relevant en kan aantonen waar men de prioriteiten legt. Iedereen is natuurlijk voor ontwikkelingssamenwerking, maar dikwijls vallen de maskers eenmaal ook gevraagd wordt hoeveel man daarin wil investeren en op welke manier men de emancipatie in de ontwikkelingslanden wil ondersteunen. Pas dan moet men kleur bekennen. Hetzelfde geldt voor de bestrijding van discriminatie op de arbeidsmarkt, het gevecht tegen de ongelijke kansen in het onderwijs, het behoud van de sociale voorzieningen en de inzet op duurzame ontwikkeling. Welke en hoeveel middelen willen socialisten daarvoor inzetten? Het antwoord op die vraag kan hen misschien een duidelijker profiel geven.
Het eigene van het socialisme kan ook gezocht worden in de analyse die men maakt van de samenleving en de maatschappelijke problemen die zich daarin voordoen. Socialisten hebben oog voor maatschappelijke structuren, machtsverhoudingen en sociale determinanten die het leven van mensen (individueel of als groep) bepalen. De socialistische analyse van de samenleving gaat er niet van uit dat mensen volledig zelf verantwoordelijk zijn voor wie en wat ze zijn, de situatie waarin ze zich bevinden en welke positie ze innemen op de sociale ladder. Individuele lotgevallen zijn dikwijls veroorzaakt door en slechts symptomen van onderliggende structurele problemen en scheve machtsverhoudingen. Wie als socialist (groepen) mensen vooruit wil helpen, zal dan ook op het structurele niveau aan de slag moeten.

Tot slot moeten socialisten duidelijker aangeven voor wie en in wiens voordeel ze aan politiek willen doen. ‘Socialisme is goed voor de mensheid, maar ook voor de mensen’, zo staat te lezen. Zou het iets concreter mogen? Het is begrijpelijk dat het socialisme een aantal zaken nastreeft die iedereen en de samenleving in haar geheel ten goede komen, zoals duurzame ontwikkeling, goed openbaar vervoer, gezondheidszorg, enzovoort. Dit neemt echter niet weg dat het socialisme er in de eerste plaats is om het op te nemen voor de zwaksten, de minst beschermden, de meest onderdrukten, de mensen met de minste kansen in onze samenleving en daarbuiten. Of mogen we dat niet meer zeggen nu de socialistische kiezer steeds minder uit die groep mensen bestaat die het socialisme nodig hebben? Het is sinds een aantal jaren bon ton om het socialisme los te maken van miserabilisme (het socialisme moet gezellig zijn, weet je wel) en er zijn daar een aantal goede (electorale) redenen voor te geven. Anderzijds mag het socialisme niet in de val trappen zijn historische missie te ontkennen door het kansloze kind met het miserabele badwater weg te gooien. Of je het nu graag hoort of niet, er is nog bijzonder veel onrecht, armoede, ongelijkheid hier en vooral elders op deze wereld en het is, dacht ik, een primaire taak van het socialisme om het op te nemen voor de mensen die daarvan het slachtoffer zijn. Of het nu gaat over het beleid inzake economische groei, sociale woningen, onderwijs, grootsteden of internationale handel, steeds moet de socialist de reflex maken om af te toetsten of het niet ten koste gaat van de zwaksten, of het niet zo georganiseerd kan worden dat de mensen met het minst kansen er beter uit komen - ook al is dat ten koste van de mensen met meer kansen…
Socialisten geloven in de maakbaarheid van de samenleving, maar weten ook dat een rechtvaardige samenleving niet zonder slag of stoot tot stand kan komen. Daar moet aan worden gewerkt, daar moet voor worden gestreden. De voorliggende tekst straalt die strijdvaardige houding veel te weinig uit. Onder het kopje ‘uitgangspunten’ waar de tekst mee begint, zou ik graag iets zien van die gedrevenheid, de wil om tegen onrecht te strijden en het geloof in een betere wereld. Socialisten moeten er zich als geen ander van bewust zijn dat niet alleen ‘onze welvaart, kennis en toekomstmogelijkheden’ de vrucht zijn van de inspanningen van de voorbije generaties. Ook het feit dat we in een wereld leven waarin structureel onrecht regeert, moeten we voor een groot stuk als de verantwoordelijkheid van deze en de voorbije generaties mensen en machthebbers beschouwen, en het is deze verantwoordelijkheid die socialisten als geen ander serieus moeten nemen.

Patrick Loobuyck
Redactielid en doctor-assistent moraalfilosofie verbonden aan de UGent

ideologisch congres sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 bijlage (december), pagina 18 tot 21