Log in

Globalisering en solidariteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 bijlage (december), pagina 36 tot 41

Wat voor socialisten de logica zelf moest worden bleef steken in een bezweringsformule: globalisering en solidariteit als eenheid. Geen groter pleitbezorger van het internationalisme dan Marx, doch even zozeer, geen duidelijker uitdrukking van verheven eurocentrisme. Europa zou eerst via het kolonialisme de industrialisatie mondialiseren en vervolgens zijn socialisme exporteren. Hand in hand bereiken we een wereld waarin ‘de vrije ontwikkeling van iedereen voorwaarde tot vrije ontwikkeling van iedereen’ is. In de Gentse Germinal van 1909 getiteld Kolonisatie, worden al twijfels geformuleerd of die solidariteit wel zo vanzelfsprekend is: ‘de Engelsche arbeiders schijnen integendeel eene verderfelijke concurrentie te willen voeren tegen de onmachtig zijnde Indische werkslaven.’ Maar misschien sloeg dit enkel op de zg. arbeidersaristocratie en niet op het gezonde deel van de klasse, of werden ze misleid door de leiding. Later zullen niet alleen vragen gesteld worden naar de plaats van de Europese arbeidersklasse en partijen in dit mondialiseringproces, maar naar de historische rol die het socialisme als zodanig hierin speelt.

  1. Een meerderheid van mijn generatiegenoten verbond het ‘proletariërs aller landen…’ nog met ‘en d’Internationale zal morgen heersen op aard’: als rituele vernauwing van één der theoretische peilers van het oersocialisme. Enerzijds een socialisme dat er onvermijdelijk móest komen, en anderzijds een historische drager - de arbeidersklasse - die wereldwijd dezelfde belangen te verdedigen had. De praktijk kent als begrafenisondernemer van grote theorieën haar gelijke niet, wat niet belet dat gedachten overleven als frases. Los van de rationele ondeugdelijkheid van bovenstaand gedachtegoed, was er op het vlak van de eenduidigheid een dubbele bonus.
  2. Nadat het z.g wetenschappelijk karakter van het socialisme afgebladderd was, bleef men geloven dat het in ieder geval ‘waar’ was. Zoals Camus reeds in 1948 opmerkt: ‘si le marxisme est vrai, et s’il y a une logique de l’histoire, le réalisme est légitime…’. Daarmee bedoelt hij dat de moraliteit zou worden overstegen in de juiste strijd, waardoor ethische kwesties zouden verschrompelen tot kleinburgerlijke oprispingen in het perspectief van het goede doel. Waar gekapt wordt vallen spaanders en voor het geluk der mensheid mag dat al iets meer zijn. Right or wrong, my party.
  3. De ‘internationale proletarische solidariteit’ als veruiterlijking van belangenconcordantie kende maar één uitdrukking: een geïnstitutionaliseerde. De partij, en in sommige gevallen de Internationale, waren er de belichaming van. In ieder geval betekende dit verticale besluitvorming op het nationaal vlak (van boven naar onder) en horizontaliteit over de grenzen heen (van top naar top). Omdat die objectieve klassensolidariteit nu eenmaal bestond was ze door de leiding eenduidig uit de werkelijkheid af te lezen en waren andere opvattingen uitdrukking van vals bewustzijn. Right or wrong…

De zekerheden uit dit grote verhaal zijn in de 21ste eeuw weg. Deze deconstructie was nodig, maar we hebben nagelaten er een ander huis op te bouwen en vooral een nieuw thuis in te richten. Op het gevaar af al te schematisch te zijn, wil ik in deze inleiding daarenboven wijzen op drie breukmomenten in de vorige eeuw.
- Die ene socialistische beweging heeft natuurlijk nooit bestaan, maar 1914-1920 is voor Europa het negatieve scharniermoment. Niet alleen slaagde de Tweede Internationale er niet in de oorlog te voorkomen, na 1917 scheidden zich de wegen tussen socialisten en communisten. Zowel de autoritaire trekken van de Sovjetleiding als de koudwatervrees van de Duitse socialistische partij dragen hierin een grote verantwoordelijkheid. De gespreide slagorde is een gedeeltelijke verklaring waarom ze beide geëvolueerd zijn van een antisysteembeweging naar negatieve integratie.
- Na WO II verloor West-Europa de kernpositie binnen het mondiale systeem wat leidde tot opeenvolgende golven van dekolonisering. Zoals Kipling het in de 19de eeuw had over de ‘white men’s burden’ als humanistische schutskleur voor imperialisme, zo namen wij aan dat de derde wereld de weldaden van ‘het’, d.w.z. óns socialisme moest inzien. Veel kwam daar niet van in huis, het socialisme tropicaliseerde en het was vooral vatbaar voor een Stalinistische versie ervan. Na de val van de muur bleef er niet veel van over: China doet nog alsof, maar in feite is het enkel Fidel, die gesterkt door Marx en een gezegende leeftijd het been stijf houdt.
- De versnelde globalisering en de ecologische problematiek vormen een derde probleem. Tot dusverre waren wij in het Westen die mondialisering gunstig gezind. Het feit dat wij er de meeste vruchten van plukten is hieraan niet vreemd. Daar komt nu verandering in: de voordelen uit het eerstgeboorterecht van kapitalisme en industriële revolutie zijn aan het opdrogen. Daarenboven is wat vroeger een oplossing leek nu onmogelijk: het dichten van de kloof met de ‘arme landen’ door iedereen onze rijkdom te verschaffen. Alles wijst erop dat de ecologische draagkracht van de aarde binnen de bestaande productiewijze daarvoor niet toereikend is.
Ons nieuw thuis staat dus niet meer onder de kerktoren, of naast het Volkshuis maar in de wereld. Het is een snel veranderende wereld waarin het Westen niet langer het centrum is, en het socialisme nooit tot maatstaf der dingen werd. Het is daarenboven niet alleen een kleinere maar tevens een meer kwetsbare wereld.

  1. Veel ideologische stromingen, godsdienstige als gelaïciseerde, tendeerden naar universaliteit en eeuwigheidswaarde. Het was met het socialisme niet anders en het opgeven van deze mobiliserende gedachte had zware consequenties. Natuurlijk zijn er politieke partijen van India tot Zuid-Afrika, vrouwenorganisaties van Pakistan tot Guatemala en milieubewegingen van Vietnam tot Soedan die onze steun verdienen. Maar dan wel op grond van punctuele programmatorische overeenkomsten en niet door ideologische gelijkgezindheid, laat staan van partijpolitieke identiteit.
    Dit betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt die de vroegere vanzelfsprekendheid vervangen. Wil men niet verglijden in wat single-issue politics heet, of terechtkomen in opportunisme, dan moet er opnieuw aandacht worden besteed aan een ethische positionering van het socialisme. Dit was in het laatste kwart van de vorige eeuw geen gemakkelijke opgave. De relatie wetenschap-ethiek-ideologie was zelf onderwerp van discussie en dit veld werd met verve gedomineerd door de neo-cons. De wijze waarop de globalisering zich ontwikkelde werd voorgesteld als TINA (there is no alternative) en iedere kritiek neergesabeld als ideologisch en dus achterhaald. Ze hulden zich in onvermijdelijke wetmatigheden daarbij iedere ethische vraagstelling versmachtend. Ze bezetten zelfs de taal waardoor elk voorstel tot structurele correctie als onwetenschappelijk bestempeld werd, indien er al niet gewezen werd op de gevolgen van dogmatisch-autoritair denken.
    Links, dat het initiatief verloren had, leek enkel in staat kanttekeningen te maken binnen de krijtlijnen die de anderen hadden getrokken. Een deel van de socialistische leiders bekeerde zich tot nieuw-flinks (we zijn niet wereldvreemd), boog wat verder door richting centrum (we weten wat de gewone mensen willen) en ontwikkelde een pathologische angst voor enig radicalisme (de aaibaarheidsfactor). De top hamerde op het ‘haalbare’ waarbij ze dit een objectief statuut toedichtte. Anderzijds waren er de niet-rekkelijken die Guevara’s slogan herontdekten: ‘laten we realistisch zijn, laten we het onmogelijke vragen’ (de discussie rond asiel, migratie en globalisering was in deze exemplarisch).
    Om het met Giddens te zeggen, veel ruimte voor ‘dialogische democratie’ werd er op die manier tussen de standpunten niet gelaten. Nu we toch bij deze auteur en zijn zg. derdewegoptie zijn beland: welke ook de zwakke punten waren van zijn positionering, het positieve was dat er binnen de partij meer luisterbereidheid werd geëist, en naar buitenuit op het lokale vlak minder met het grote gelijk werd gezwaaid. De relatie met de buitenlandse partners is al evenzeer veranderd: er is geen hoofdkwartier meer en er is geen sprake van enige commandostructuur. Op het Europese vlak wegen bepaalde partijen wellicht zwaarder door omdat ze groter zijn of een voortrekkersrol spelen. Ten overstaan van de niet-Europese partijen of bewegingen is bevoogding gewoon disfunctioneel geworden. De uitbouw van een debatcultuur op de diverse niveaus zonder efficiëntiedeficit wordt geen gemakkelijke opgave, gezien een bepaalde traditie van bevelspolitiek.

  2. Laten wij even ingaan in het nationale vlak. Globalisering is noch een natuurramp noch Fukuyama’s lekenversie van de wederkomst, maar gevolg van menselijk handelen. Globalisering en totalisering zijn processen die onvoltooid en vol tegenstellingen steken en slechts binnen zekere grenzen stuurbaar zijn. Het venijn zit hem uiteraard in die ‘grenzen’. Links heeft daar steeds problemen mee gehad, te beginnen met de aartsvader zelf die zowel deterministische als voluntaristische geluiden liet horen. In de tweede helft van de vorige eeuw werd dit als volgt geïnterpreteerd: de opgaande conjunctuur is het gevolg van een bewuste correcte politieke koers, bij de neerwaartse golf schuilen de politici gemakshalve onder de paraplu van het onvermijdelijke. Er is evenwel geen absolute meetlat voor succesvolle politiek: het gaat telkens om het resultaat van keuzes die achteraf geresponsabiliseerd worden, o.m. via verkiezingen. Dit wil ook zeggen dat die keuzes gedragen worden door interne democratische besluitvorming.
    Politieke leiders, hoe briljant (wat soms zo is), of hoe uitzonderlijk ze denken te zijn (wat al meer voorvalt) zijn geen drager van ideologie. Ze kunnen hun overtuiging aan de basis opdringen, maar in de 21ste eeuw lusten nog weinig kameraden hiervan soep. Belangrijke beslissingen moeten een gevolg zijn van het gestructureerde debat of minstens van passieve consensus. Inzake globalisering en solidariteit wordt dit een moeilijke onderneming waarvan je weet dat de perfectie onhaalbaar is. Immers, de gevolgen van globalisering zijn zo divers voor verschillende groepen dat een gelijklopende evaluatie van de deelaspecten uitgesloten is. Ongetwijfeld zijn er risico’s die iedereen gelijkmatig kunnen treffen, b.v. de broeikaseffecten. Maar wat met delocalisering van arbeid die sommige lagen uitstoot maar andere eerder bevoordeelt? Betere opgeleiden zijn wellicht opgetogen over de sprongen in de informatieverwerving, maar wat hebben de kansarmen die in meerdere opzichten ‘een andere taal’ spreken hieraan? Over dit alles een draagvlak tot stand brengen binnen de beweging zal een enorme uitdaging zijn, maar één die moeilijk ontwijkbaar is. Indien er geen grondige discussie wordt gevoerd rond globalisering, dan verwordt het standpunt van de partij tot loutere gevelversiering, of worden meningen geaccapareerd in een personenstrijd zoals in Frankrijk.
    Het eerste thema is ongetwijfeld de afbakening van het veld. Op gevaar oude demonen wakker te roepen: niet alles is onderwerp van discussie; wie het waarheidsgehalte van creationisme en evolutionair denken aan elkaar wil aftoetsen, verleent aan het begrip democratie een perverse inhoud. Evenzo is de noodzaak van een groene politiek geen zaak meer van gelovigen en niet-gelovigen, maar kan de discussie enkel nog worden gevoerd in termen van optimalisering. Milieufenomenen zijn per definitie grensoverschrijdend, zodat het probleem van solidariteit zich zelfs niet stelt, al is de praktijk van not-in-my-backyard nog te vaak troef. Een tweede probleem ligt complexer: quid de solidariteit tussen alle mensen? Er kan geen zinnige argumentatie worden gevoerd waarom het einddoel van elke politiek niet de insluiting van alle mensen in de globale samenleving zou zijn. Voor socialisten komt daarbij dat die samenleving rechtvaardig is, d.w.z. een aantal basisbehoeften dekt, en dat arbeid één van de basisvoorwaarden voor die inclusie vormt. Kunnen mensen, in casu in Vlaanderen, zich herkennen in uitdeinende netwerken van onpersoonlijke relaties? Spontaan in geen geval, en de partij heeft - met alle huiver vis-à-vis de oude volksverheffing - hierin een vormende taak.

  3. Het idee dat je de ‘nieuwe mens’ met een praktisch onbeperkte solidariteit kan boetseren laten we beter over aan de z.g. loony left. In vele gevallen kwam dit erop neer dat, aangezien het onbereikbare niet haalbaar was, het haalbare niet bereikt werd. Beter minder maar concreter, zou ik zeggen: zonder tastbare gevolgen verdampt solidariteit tot een inhoudsloze mantra. Het zal heel wat denkwerk maar ook veel bevlogenheid vergen om te zien hoe, wanneer en met wie internationale solidariteit kan worden omgezet in daden. Met wie: in het verleden is gebleken dat betreffende dekolonisering, vrouwenemancipatie, milieuproblematiek… socialistische partijen niet steeds de partner waren die men kon verhopen. Wanneer: hoewel de vraagstelling rond conquête en exercise du pouvoir met Blum ten grave is gedragen, kan niet worden ontkend dat er gunstige en minder gunstige periodes zijn voor diepgaande veranderingen. Opportuniteiten doen zich niet eindeloos voor.
    Hoe? Herprofilering heeft een duffe bijklank omdat dit begrip vernauwd werd tot een PR-oefening in het kader van electoraal gespin. Het moet meer zijn dan louter mikken op stemmenwinst. Wat ik bedoel is dat er nood is aan een project dat enthousiasme verwekt bij diegenen die hun schouders willen zetten onder een geradicaliseerd socialisme. Iedere partij steunt op drie pijlers: een materiële (de zuilen), een machtsfactor (als bindmiddel van bovenaf) en een ideologie (als bindmiddel van onderuit). Het ironische is dat de eerste twee - ooit voor de realo’s de enige werkelijkheid - aan belang hebben ingeboet, terwijl de ideologie - reeds bijgezet in het antiquariaat - weer wervingskracht wordt toegemeten. Nu de grenzen van het BV-lijmen duidelijk zijn, wordt een meer inhoudelijke binding gerevaloriseerd. Dus geen partij die oplost in een haast amorfe volksbeweging zonder kerngedachte, wel één die zelf uitgroeit tot inhoudelijk referentiepunt voor die bredere stroming.
    Zoals gezegd: het heeft geen zin dat een voorzitter daaromtrent aan ‘herbronning’ doet en dit vervolgens in een document giet, noch dat een congres occasionele teksten goedkeurt die daarna opgeborgen worden. Inzake dit algemene denkkader moeten er zelfs helemaal geen grootse oefeningen worden ontplooid: de United Nations Millennium Declaration van september 2000 biedt ons een rijk gestoffeerde agenda. De acht doelstellingen zijn geconcentreerd rond armoede, onderwijs, gendergelijkheid en omgevingsopbouw, waarbij er zeven focussen op ontwikkelingsregio’s en de laatste op industriële landen (eerlijke handelsstructuren en de schuldenproblematiek). Voor het eerst worden deze gekwantificeerd en gebonden aan een tijdsplan. Deze globale opdracht, hoewel niet ontsproten aan socialistische instituten, kan door socialisten probleemloos worden onderschreven, meer zelfs, moet door de socialistische partijen worden bewaakt indien men niet wil dat hij uitgehold wordt. Uiteraard moet deze koepeltekst worden omgezet in een concrete nationale agenda en een eenduidig socialistisch karakter meekrijgen. Think global, act local gecombineerd met think mundial, act socialist. Voor deze vertaling moet evenmin een nieuw instrument worden uitgevonden want er is een ‘Denktank Internationale Politiek’ in vorming, met een voorzitter (Dirk Van der Maelen) en een co-voorzitter (Herman Balthazar). Deze denktank is een forum waar partij, vakbond, ngo’s, academici, beleidsvoorbereidend en -ondersteunend werk zouden kunnen leveren dat ideologie omzet in concrete actie. Een denktank voor internationale politiek moet er kunnen voor zorgen dat internationalisme deel wordt van het mainstreamgedachtegoed van de partij en dat onze acties sporen met internationale betrachtingen. De vrees bestaat dat, zoals nog al eens gebeurt binnen de partij, dergelijke initiatieven niet meteen afgebrand maar eerder worden uitgehongerd, en dit terwijl iets als de denktank meer zuurstof en ondersteuning moet krijgen om die noodzakelijke blauwdruk te kunnen leveren. Een scenario waarbij interne strubbelingen gelinkt aan personele positionering uiteindelijk de plaats en functie van de buitenlanddivisie van de partij sturen is niet ondenkbaar. Het oude machtsdenken sterft nu eenmaal langzaam af, ook, of misschien vooral aan de top.

  4. De globalisering, d.w.z. de versnelde mondialisering, werd gedragen door een grote technologische sprong voorwaarts. De markt accapareerde de ruimte en het ultraliberalisme organiseerde die. Het socialisme leek alle greep op de toekomst te verliezen. De z.g. derde weg en de theoretische inbreng van Giddens waren een eerste aanzet: globalisering was een uitdaging die progressieven mee moesten uitbouwen. Het wordt de komende jaren één van de taken: hoe overtuig je de partij dat globalisering niet iets is dat enkel de aandacht trekt wanneer binnenlandse problemen de agenda niet overladen. Hoe leg je de militanten uit dat het zilverfonds of de werkgelegenheidstrijdpunten blijven, maar dat het bereiken van de millenniumdoelstelling betreffende terugdringen van de armoede al even belangrijk is. En hoe overtuig je de kiezer dat de strijd tegen terrorisme niet enkel een zaak is van militaire suprematie. Dit debat moet worden gevoerd met wetenschappelijke en ethische argumenten desnoods door een soort verlicht egoïsme te propageren. Maar, er is geen ontkomen aan: het buitenland wordt steeds meer binnenland en omgekeerd. Wat in dit alles nog de betekenis is van nationale verkiezingen en soevereiniteit is niet meer zo duidelijk. Wat wel als een paal boven water staat is dat partijen die hun internationale dimensie verwaarlozen daar een zware prijs zullen voor betalen.

Saidjah’s vader had allang geen buffel meer. Op studiedagen van één van onze vele organisaties durfden we daar al eens verontwaardigd over doen. Maar om binnen het Europese landbouwbeleid aan boeren uit het Zuiden een stem te verlenen waren we minder resoluut. Saidjah’s vader was zijn buffel kwijtgespeeld aan de militairen. Met de ontwikkelingsorganisaties stapten we op in ‘’t-is-maar-een-begin… betogingen’ tegen het Soeharto-regime, maar in het parlement gedroegen we ons een stuk vriendelijker. En toen Saidjah’s vader tegen een hongerloon in een autoassemblagebedrijf werkte kookten we over van morele verontwaardiging, maar echt protesteren deden we pas toen bij ons banen op de tocht kwamen te staan. We reageerden wel, maar te laat, te weinig en vooral zonder strategische doelstellingen die verbonden waren met de nationale agenda. Waar het aan mangelde is een visie en het vermogen acties te kaderen binnen het totaalbeeld. Dit heeft uiteraard een terugslag op de wijze waarop op het Vlaamse niveau de strijd tegen rechtspopulisme gevoerd wordt. Want laten we duidelijk zijn: indien we voor de globalisering geen socialistische invulling formuleren, dan zullen we evenmin een antwoord vinden tegen het weigeringsfront dat extreemrechts uiteindelijk is. Toch weer een groot verhaal? Neen, indien zoals het zoals de tafelen naar beneden komt; ja, indien het steunt op een draagvlak dat van onderuit werd opgebouwd. Neen, indien ideologie een alibi wordt om de discussie te smoren; ja, indien een coherent wereldbeeld steun verleent aan concrete actie.

Ruddy Doom
Hoogleraar Vakgroep Studie van de derde wereld - UGent

ideologisch congres sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 12, 2005, nr. 10 bijlage (december), pagina 36 tot 41