Log in

De millenniumdoelstellingen: louter een spel met cijfers?

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 3 (maart), pagina 30 tot 37

De laatste tijd heeft u misschien al iets gehoord over de Millenniumdoelstellingen. Daarmee willen regeringsleiders de extreme armoede en ongelijkheid halveren tegen 2015. In september 2005 had hierover in New York een top van de Verenigde Naties plaats. Dankzij Broederlijk Delen kreeg ik de kans om gedurende zes maanden de voorbereidende onderhandelingen voor die top ter plekke te volgen. Zoals reeds gesteld door Francine Mestrum in het novembernummer, werden de hooggespannen verwachtingen rond die top helaas niet ingelost. Ook valt er veel kritiek te uiten op de doelstellingen zelf. De meeste kritiekpunten die Francine Mestrum aanhaalt, worden door een meerderheid van ngo’s gedeeld. Toch heeft de Vlaamse Noord-Zuidbeweging ervoor gekozen om dit jaar en de komende jaren rond die doelstellingen gezamenlijk actie te voeren.
Ik leg u uit waarom.

Millenniumdoelstellingen: what’s in a name?

Aan het begin van het nieuwe millennium beloofden 191 regeringen uit Noord en Zuid om het aantal mensen dat in armoede leeft te halveren tegen 2015. Op basis van deze en andere beloftes werkten de Verenigde Naties (VN), de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds acht Millenniumdoelstellingen (MD) uit. Via deze doelstellingen willen ze onder andere kinderen op de schoolbanken krijgen, inentingscampagnes organiseren om de kindersterfte terug te dringen, zorgen voor betere medische begeleiding bij bevallingen, de toegang tot water verbeteren en HIV-AIDS bestrijden.

De onderhandelingen in New York

2005 leek een scharnierjaar om de internationale gemeenschap te mobiliseren voor de strijd tegen armoede en ziekte. Er werden enkele initiatieven genomen om de Millenniumdoelstellingen op de agenda te zetten, zoals op de top van de 8 rijkste landen (G8) in juli 2005 en heel nadrukkelijk op die van de Algemene Vergadering van de VN in september 2005. Velen hoopten dat de VN-top een doorbraak in de armoedebestrijding zou kunnen forceren. CIDSE, de internationale koepel van Noord-Zuidorganisaties waar Broederlijk Delen deel van uitmaakt, lanceerde begin 2005 dan ook een campagne om de mensen ertoe aan te zetten hun regeringen te verzoeken hun beloftes te houden (‘keep their word’). CIDSE sloot zich ook aan bij de grootste antiarmoedebeweging ter wereld, de Global Call to Action against Poverty1, en stuurde mij naar New York om gedurende zes maanden de voorbereidende onderhandelingen voor de top van nabij op te volgen, kritisch te analyseren en in de mate van het mogelijke positief te beïnvloeden.

Van maart tot en met juli verliepen de onderhandelingen in een positieve sfeer. De VN-lidstaten deden elk water bij de wijn. Ngo’s mochten als observatoren de onderhandelingen volgen en werden bij VN-ambassadeurs ontvangen om meer in detail over hun concrete aanbevelingen te spreken. De ontwerptekst zag er in die eerste maanden dan ook veelbelovend uit. Een kritische inbreng van ngo’s was trouwens hoogst noodzakelijk. De Millenniumdoelstellingen werden vooral vanuit het financiële kader besproken - ‘meer geld is nodig en bestaat de politieke wil om dat geld vrij te maken?’ -terwijl armoedebestrijding of ontwikkeling van het Zuiden veel meer vereist dan charitatief geld geven. Wil men het Zuiden werkelijk het recht op ontwikkeling gunnen, dan moeten we beginnen met die structurele maatregelen door te voeren waar ngo’s al zo lang voor ijveren (schuldkwijtschelding, eerlijke handel, meer democratische participatie in de internationale financiële instellingen).
In augustus, tegen het einde van de onderhandelingen eiste de VS-ambassadeur Mr Bolton plots dat alle verwijzingen naar de Millenniumdoelstellingen en de 0,7-belofte geschrapt zouden worden. Hij had nog bladzijden andere correcties, doorhalingen of opmerkingen. Op het moment dat de VS een doorbraak rond armoedebestrijding op internationaal niveau tegenhielden, ondergingen ze op nationaal niveau de gevolgen van de orkaan Katrina. Zij weigerden in de VN-onderhandelingen de 0,7 te erkennen en meer geld aan ontwikkeling te besteden maar vroegen zelf wel financiële en logistieke steun van de wereldgemeenschap ter compensatie van Katrina.

Een doekje voor het bloeden

Het resultaat is ondertussen bekend. De vooruitstrevende passages zijn in de slottekst gesneuveld. In vergelijking met eerdere VN-verklaringen staan er weinig nieuwe engagementen in. Op die punten waar toch vooruitgang werd geboekt, zwakt men tegelijkertijd oude engagementen af. Een goed voorbeeld is de belofte om 0,7% van het bni aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Deze belofte is meer dan 35 jaar oud en stond ook in de laatste VN-verklaring van 2002. In de huidige slottekst staat er nu ook een datum vermeld waartegen men die 0,7-belofte wil waarmaken. Maar daar waar de 0,7 in 2002 van toepassing was op alle donorlanden is dit nu niet meer het geval. Enkel diegenen die een tijdslijn hebben opgesteld (de Europese Unie) zullen trachten zich eraan te houden. Andere donoren hebben al duidelijk gemaakt zich niet aan de 0,7 gebonden te voelen. Hetzelfde geldt voor nieuwe geldbronnen voor ontwikkelingshulp: in tegenstelling tot eerdere verklaringen staan er nu een aantal concrete initiatieven op papier, maar slechts enkele landen willen zo’n initiatief implementeren. Ik kom hier later op terug.
Op 10 september, aan de vooravond van de top, hielden daarom miljoenen mannen, vrouwen en kinderen in meer dan negentig landen vreedzame betogingen. Er werden politieke concerten georganiseerd en gebouwen in witte stroken gehuld. Al deze initiatieven moesten de druk op regeringen opvoeren om op de valreep toch nog tot toegevingen over te gaan. De miljoenen stemmen werden genegeerd. Wereldleiders legden niet de politieke wil en morele moed aan de dag waar hun volk om vroeg. Dat was nochtans bepalend om van de top een succes te maken. De meeste regeringen durfden zich echter niet kritisch over de top uit te laten. Een van de weinigen die zich geen blad voor de mond nam, was de Venezolaanse president Hugo Chávez. Hij gaf de industrielanden en in het bijzonder de VS de volle laag tijdens zijn speech voor de Algemene Vergadering en noemde de slottekst van de VN-top een ‘onwettig’ document omdat de tekst werd opgesteld door een ‘elite’ van 30 landen en slechts ‘vijf minuten voor de start van de zitting’ werd ingediend. Wat dat laatste betreft zijn vele ontwikkelingslanden en ngo’s het met hem eens. Ook zij zijn niet gelukkig met de manier waarop de slottekst tot stand kwam. Sinds de VS eind augustus radicaal gingen dwarsliggen (en in hun kielzog vele anderen zoals de EU) gebeurde alles achter gesloten deuren en was het onderhandelingsproces in handen van de grote machtsblokken en moeilijke dwarsliggers.

Is de top dan volledig een maat voor niets geweest? Niet helemaal, nee. De top heeft het momentum gecreëerd waardoor toch enkelen bereid waren een stap vooruit te zetten (zoals de 0,7-tijdslijn van de EU) en op een aantal zaken zijn alle VN-lidstaten er toch in geslaagd een akkoord te bereiken. Ik denk daarbij aan een vredesopbouwcommissie en de erkenning van de internationale verantwoordelijkheid om burgers te beschermen tegen een genocide zoals in Rwanda (al moeten de concrete details nog verder worden uitgewerkt).

Waarom en hoe voeren organisaties actie rond de Millenniumdoelen?

Er is veel kritiek op de Millenniumdoelstellingen te formuleren en het momentum van de VN-top is voorbij. Waarom voert de Vlaamse Noord-Zuidbeweging dan nog actie rond die doelstellingen? De Millenniumdoelstellingen zijn niet ambitieus genoeg en als organisaties voor ontwikkeling mogen wij hier geen vrede mee nemen. Maar wie wil dat er werk wordt gemaakt van concrete stappen in armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling, kan niet om de doelstellingen heen. Het is immers zo dat de Millenniumdoelen ondertussen een politiek feit zijn, waarrond zich in de komende jaren een heel stuk van de discussie over de Noord-Zuidverhouding zal afspelen.
Dat de ontwikkelingsprioriteiten in de vorm van de Millenniumdoelstellingen veel te bescheiden uitvallen, daarover zijn zowat alle ngo’s het eens. Ngo’s willen niet zomaar blind meestappen in het hele MD-verhaal. Zij die besloten hier rond te werken, stellen zich niet de vraag wat zij voor de doelen kunnen doen, wel in welke mate de doelen kunnen bijdragen tot een duurzame ontwikkeling voor het Zuiden. De Vlaamse Noord-Zuidbeweging wil de doelen vooral aangrijpen als instrument om rond enkele van hun essentiële eisen meer politieke en publieke druk te zetten. Kortom, ze aangrijpen om de eigen visie op ontwikkeling en bijhorende structurele eisen naar voor te schuiven: een ‘Millennium Plus-agenda’ zeg maar. Daarom hebben ngo’s in Vlaanderen afgesproken om de komende tien jaar de Millenniumdoelstellingen als kapstok voor hun politiek werk te gebruiken. In het gezamenlijk politiek handvest van 2015 - De tijd loopt eist de beweging een grondige en structurele analyse van de problemen, waarbij vertrokken wordt van het afdwingbaar recht op ontwikkeling van iedereen. Ze eist structurele ingrepen in het internationaal beleid en bindende cijferdoelen en streefdata voor donoren.2
De organisaties in Vlaanderen willen via de Millenniumdoelstellingen ook een tweede zaak realiseren: de bevolking informeren en sensibiliseren over wat de Millenniumdoelstellingen zijn en dat ze met de nodige politieke wil ook gehaald kunnen worden. Ja, de doelen zijn niet perfect en ook niet ambitieus genoeg. Maar wanneer ze bereikt worden, zal dit een belangrijke stap in de goede richting zijn. Een van de cruciale aspecten van de Millenniumdoelstellingen is juist dat ze het resultaat zijn van een overleg op het niveau van de wereldleiders. Dit zorgt voor een breed politiek draagvlak en voor een verhoogde aansprakelijkheid wat betreft de naleving ervan. En dit is waar de N-Z-beweging op in wil spelen. Want hoewel de internationale gemeenschap over de middelen beschikt, ontbreekt het haar toch aan politieke wil om deze agenda tegen 2015 te realiseren. Om die politieke wil te creëren, voeren ngo’s en het middenveld (ook wereldwijd) de druk dus op met de gezamenlijke campagne 2015 - De tijd loopt.
De koepelorganisatie 11.11.11 beet in november 2005 al de spits af met een informatiecampagne over wat die doelstellingen inhouden. Niet zonder resultaat zo blijkt. Volgens een peiling van DGOS (Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking) had amper 5% van de Belgen in augustus 2004 van de Millenniumdoelstellingen gehoord. Daarmee zaten we fors onder het Europees gemiddelde van 12%. Dat was voor de campagne. Onlangs bestelde 11.11.11 een gelijkaardig onderzoek bij TNS-Media (het vroegere Dimarso). Nu blijkt dat meer dan 39% van de Vlaamse bevolking de Millenniumdoelstellingen identificeert met de belofte om extreme armoede en honger te halveren. Geen slecht resultaat na enkele maanden actie. En we zijn nog maar net begonnen. In 2006 zullen ook de lidorganisaties in hun campagne aandacht besteden aan een van de doelstellingen. Broederlijk Delen focust zich op de 8e doelstelling (een wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling) omdat volgens ons daar het schoentje het meest knelt. In 2006 ondernemen de ngo’s ook een gezamenlijke politieke actie in de vorm van een verzoekschrift. Met dit verzoekschrift willen ze de wereldleiders duidelijk maken dat de realisatie van de Millenniumdoelstellingen tegen 2015 het absolute minimum is. Dit verzoekschrift zal aan onze Belgische beleidsverantwoordelijken worden overhandigd.3 Ook in 2007 blijven 11.11.11 en de lidorganisaties van het samenwerkingsverband 2015 - De tijd loopt op dezelfde Millenniumnagel kloppen. Opnieuw zal aan de hand van een van de doelstellingen duidelijk worden gemaakt waar het ontwikkelingsbeleid tekort schiet en wat eraan gedaan kan worden.

Zonder extra geld zullen de doelstellingen niet worden gehaald

Na vijf jaar Millenniumdoelstellingen kunnen we een tussentijdse balans opmaken. Wat is er ondertussen gerealiseerd? Azië gaat er weliswaar op vooruit, maar de situatie in Latijns-Amerika is ongeveer dezelfde en Afrika is er ten opzichte van 2000 nog slechter aan toe. De doortocht van een orkaan of een fel conflict doen bovendien jarenlange inspanningen in een mum van tijd teniet of scheppen nieuwe vormen van armoede. Het ziet er momenteel dus niet al te best uit. Het aantal mensen in ontwikkelingslanden dat met minder dan 1 dollar per dag overleeft, daalde weliswaar tussen 1990 en 2001 met 21%. Maar meer dan een miljard mensen leven nog steeds met minder dan 1 dollar per dag en miljoenen kinderen sterven voor het 5e levensjaar door ziektes die perfect te voorkomen zijn. Diverse rapporten wijzen uit dat de Millenniumdoelstellingen aan het huidige tempo niet gehaald zullen worden. Volgens het United Nations Development Programme (UNDP) duurt het met het actuele hulpvolume nog tot 2147 voor in Afrika de extreme armoede met de helft vermindert. De kindersterfte met 2/3 verminderen (doel 4) zal, de huidige trends in rekening genomen, niet gebeuren vóór het jaar 2165. Bovendien zijn vandaag 54 landen armer dan ze in 1990 al waren. De cijfers zijn verre van nauwkeurig, maar ze geven een idee van de omvang van het probleem.
Maar de doelen kúnnen gehaald worden. Volgens de jongste berekeningen van Jeffrey Sachs van de VN is er ongeveer 50 miljoen dollar extra nodig, op voorwaarde dat de reeds gedane beloftes ook worden uitgevoerd. Landen in het Noorden dragen een grote verantwoordelijkheid omdat ze vele van de hefbomen voor ontwikkeling in handen hebben. Ze moeten o.a. de kwaliteit van de hulp verbeteren en onmiddellijk met extra geld over de brug komen. Helaas moeten de meeste industrielanden nog steeds hun 35 jaar oude belofte uitvoeren om 0,7 % van hun bni aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Heel wat van de rijke landen voeren hun begrotingstekort en de economische crisis als argument aan om niet méér geld uit hun staatskas te spenderen aan ontwikkeling. Er wordt jaarlijks wel 900 miljard dollar aan defensie uitgegeven.
Op dit ogenblik gaat er 78 miljard dollar naar ontwikkelingslanden. Een groot deel van dit bedrag komt echter nooit in het Zuiden terecht: het wordt gebruikt voor opvang van vluchtelingen in België of besteed aan kwijtschelding van een schuld die alleen op papier nog bestond. Sinds enkele jaren zoeken regeringen naar nieuwe bronnen van financiering. De Britse minister van financiën Gordon Brown stelt een nieuw mechanisme voor (de Internationale Financieringsfaciliteit), waarbij regeringen geld zouden lenen op de privémarkt om snel die fameuze 0,7%-belofte te kunnen verwezenlijken. Hoewel het voorstel zijn verdiensten heeft, blijven er heel wat vragen. De landen die de hulp zouden ontvangen, moeten aan een aantal extra voorwaarden voldoen. Er wordt bovendien een nieuwe en complexe structuur opgezet die de zaak moet beheren. Bovendien is het risico groot dat de last wordt afgeschoven op toekomstige generaties, die hun budget voor ontwikkelingshulp dan moeten gebruiken om het geleende geld af te betalen.
Internationale belastingen als nieuwe bron voor financiering komen ook steeds meer op de voorgrond te staan, o.a. bij VN-Conferenties of op de G8-top in Gleneagles. Ook hier circuleren diverse voorstellen, zoals een kerosinetaks, een belasting op vliegtuigtickets, uitstoot van CO2 of een heffing op financiële speculatie, beter bekend als de Tobintaks. Begin maart heeft hierover een ministeriële conferentie plaats in Parijs onder leiding van president Chirac. Zowel de ministers van Financiën van de G8, de Europese Commissie als de speciale Werkgroep die door Chirac is opgezet, vinden een vrijwillige belasting op vliegtuigtickets het meest haalbare voorstel. Om die reden is ook onze minister van ontwikkelingssamenwerking Armand De Decker een voorstander van deze nieuwe vorm van financiering. Volgens recente berekeningen zou een vrijwillige toeslag van 1 tot 5 dollar 2 tot 10 miljard dollar extra kunnen opbrengen. Er zijn weinig of geen organisatorische of juridische bezwaren, de administratie ervan zou niet te zwaar wegen, de markt wordt niet echt verstoord en de maatregel kan relatief snel worden ingevoerd. Broederlijk Delen vindt deze vrijwillige bijdrage echter te vrijblijvend. Het is immers de gewone consument die voor de kosten opdraait. Er is ook geen enkele garantie dat dit bovenop de 0,7 komt of überhaupt aan ontwikkelingssamenwerking zal worden besteed. Eén ding is zeker: er moet dringend veel meer vooruitgang worden geboekt. De kloof tussen wat op verschillende internationale VN-conferenties is beloofd en de financiële middelen die daarvoor op tafel worden gelegd, blijft tot op heden gigantisch groot.

Meer dan alleen een spel met cijfers

Zoals reeds gezegd, is armoedebestrijding en ontwikkeling in het Zuiden meer dan een spel met cijfers. Een erkenning van de doelen betekent daarom nog niet de aanvaarding van de processen en beleidsmaatregelen die momenteel in hun naam worden nagestreefd. De doelen hebben de neiging om een ‘liefdadige’ ontwikkelingsaanpak aan te moedigen die de nadruk legt op de hoeveelheid financiële hulp, terwijl broodnodige hervormingen aan het internationaal financieel, commercieel en politiek systeem in de zijlijn worden geplaatst. Doelstelling 8 geeft hier wel een eerste aanzet toe (‘schuldkwijtschelding’, ‘een open en niet discriminerend financieel en handelssysteem’), maar gaat hier niet ver genoeg in. In tegenstelling tot de eerste zeven doelstellingen zijn er bij de 8e doelstelling geen kwantificeerbare indicatoren, waardoor minder kan worden nagegaan of men op weg is om doelstelling 8 te halen. Dit is waar Broederlijk Delen in haar huidige campagne aandacht voor vraagt. Wij hebben voornamelijk de volgende bezorgdheden rond de 8e Millenniumdoelstelling.

Een oefening in windowdressing?

De voorbije vijf jaar startten regeringen met een herdefiniëring van hun activiteiten in het licht van de Millenniumdoelstellingen. Door hun beleid aan te passen, proberen ze de doelen te realiseren. Maar iedereen kan onderdelen van zijn bestaande werk toewijzen aan één van de doelstellingen. Ze verworden zo gemakkelijk tot windowdressing, met slechts weinig substantiële veranderingen op het terrein of in het beleid. De voornaamste winnaars zijn dan het leger aan ontwikkelingsprofessionelen die zich wijden aan het schrijven van rapporten en terreinbezoeken; de armen zelf halen er geen voordeel uit.

Ondemocratische besluitvorming

De doelen maken geen onderscheid tussen goed en kwaad: het maakt niet uit of ze nu worden gehaald door een totalitair regime dat de armoede halveert op basis van etnische onderverdelingen, of door een staat die de doelgroep van het armoedebeleid, de arme mensen, actief tracht te betrekken bij het beleid. Op dezelfde manier kunnen controversiële overheidsbeslissingen, zoals liberaliseringen of de privatisering van basisvoorzieningen, worden doorgedrukt in naam van de doelstellingen zonder dat dit de allerarmsten ten goede komt.4 Veel ontwikkelingsprogramma’s worden bovendien door de internationale instellingen (zoals de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds) uitgevoerd zonder inbreng van de betrokkenen zelf. Landen in het Noorden hebben in deze financiële instellingen veel meer macht en invloed omdat ze over een meerderheid aan stemmen (quorum) beschikken. Daardoor bepalen zij in grotere mate de ontwikkelingsprogramma’s en -projecten dan de betrokken ontwikkelingslanden zelf. Meer nog, de Wereldbank en het IMF en de regering van het ontwikkelingsland nemen vaak beslissingen zonder rekening te houden met de nationale situatie of met de kennis, inbreng of goedkeuring van het betrokken parlement of van vertegenwoordigers van de armen. Het zijn nochtans zij die de gevolgen van een ontwikkelingsproject moeten ondergaan.
Veel ontwikkelingslanden kunnen in een paradoxale situatie terechtkomen: ze zijn gedwongen om te voldoen aan de voorwaarden van de internationale instellingen om hulp te krijgen. Tegelijk zijn ze zich ervan bewust dat deze voorwaarden de hoeveelheid toegestane hulp aan hun land beperken en de impact van regeringsuitgaven op armoedevermindering ondermijnen, waardoor ze nog afhankelijker worden van hulp. Aanvaarden ze deze voorwaarden echter niet, dan zal dat internationaal gezien worden als een weigering om naar de doelstellingen toe te werken. Regeringen in ontwikkelingslanden eisen al jaren meer inspraak in het internationaal economisch bestuur en een meer democratische vertegenwoordiging in de Wereldbank en het IMF. In 2002 beloofden regeringen en internationale instellingen op de VN-conferentie in Monterrey om hier werk van te maken. Ondertussen zijn we drie jaar verder…

Ontwikkelingssamenwerking moet structureel worden aangepakt

Bij de discussies over het 8e doel moet de nadruk worden verplaatst van windowdressing naar substantiële hervormingen van de internationale financiële en commerciële instellingen. Internationale beleidsmaatregelen moeten de nationale armoedebestrijding ondersteunen in plaats van ondermijnen. Als men niet het juiste internationale beleid uitwerkt, zullen meer geld en meer ontwikkelingsprogramma’s onvoldoende zijn.
Ten eerste moeten de doelstellingen geplaatst worden binnen het ruimere kader van waarden en principes zoals geformuleerd in de VN-conventies over economische, sociale en culturele rechten. Waarden als participatie, subsidiariteit en eigendom moeten deel uitmaken van de kern van menselijke ontwikkelingsinitiatieven. Alleen door meer de proceskwaliteit - en niet louter de hoeveelheid resultaten - te benadrukken, kunnen we armoedebestrijding efficiënter maken. We willen geen windowdressing maar substantiële veranderingen op het terrein of in het beleid.
Ten tweede moeten met de Millenniumdoelstellingen ook de onevenwichtige machtsverhoudingen ter sprake worden gebracht. In de praktijk mogen de doelen geen nieuwe voorwaarden worden die aan regeringen in het Zuiden worden opgelegd. Bij internationale discussies over de doelstellingen moet eerst worden aanvaard dat de controle van soevereine landen over economische, sociale en politieke beleidsvoering de context is waarin ontwikkeling plaatsvindt. Het beleid van de Wereldbank en het IMF moet worden hervormd zodat het rekening houdt met lokale politieke realiteiten, en in het bijzonder met de noden van de armen. Deze mensen moeten de mogelijkheid krijgen om hun recht op participatie uit te oefenen, zodanig dat oplossingen van onderaan gesteund en gedragen worden en er ruimte blijft voor nationale en lokale respons. Het eigen initiatief en de organisaties van de mensen waarvoor deze doelstellingen zijn bedacht, zouden in de Millenniumdoelstellingen centraal moeten staan.

Besluit

Met Millenniumdoelstelling 8 erkent de internationale gemeenschap dat er structurele oorzaken van armoede zijn en dat die met een gezamenlijke inspanning moeten worden opgelost. We mogen daarbij het ruimer kader vooral niet uit het oog verliezen: armoede wordt in de hand gewerkt door (burger)oorlogen, gewapende of onderhuidse conflicten, natuurrampen, oneerlijke of ondemocratische internationale beslissingsprocedures, corruptie en slecht beheer in ontwikkelingslanden, inefficiënte ontwikkelingsprogramma’s of een tekort aan financiële middelen om een langetermijnplanning op te stellen. Wil men de armoedeproblemen op een structurele manier oplossen, dan zal men op deze verschillende terreinen tegelijk moeten werken en daar voldoende middelen voor vrijmaken.
De partnerrelatie tussen rijke en arme landen moet beter worden uitgewerkt dan wat nu in doel 8 omschreven wordt. Iedereen heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid. Ontwikkelingslanden moeten - in samenspraak met de lokale bevolking - goede nationale armoedebestrijdingsplannen ontwikkelen. Ze moeten hiervoor meer middelen vrijmaken en erop toezien dat het geld goed wordt besteed. Dit veronderstelt ook dat ze de corruptie bestrijden, de democratie bevorderen en de mensenrechten respecteren. Ze moeten investeringen aanwenden om de economische groei in het land te bevorderen - zonder daarbij te snoeien in sociale voorzieningen - en via adequate belastingsmaatregelen een betere herverdeling doorvoeren. Middeninkomenlanden, waar de MDs binnen bereik zijn, moeten een ‘Millennium Plus-agenda’ met meer ambitieuze doelen uitwerken.
Ontwikkelde landen en de internationale instellingen moeten de ontwikkelingslanden de nodige morele en financiële steun geven om de nationale armoedebestrijdingsplannen uit te voeren. Dit wil zeggen dat er meer en betere ontwikkelingshulp beschikbaar moet zijn en dat de schuldenlast verminderd moet worden. Dit houdt vooral in dat men het huidige financieel en handelssysteem meer ontwikkelingsgericht en democratischer moet maken, en dat de huidige ontwikkelingsprogramma’s en maatregelen geharmoniseerd, gecoördineerd en meer coherent moeten worden. Een deel van deze wijzigingen hebben donoren al beloofd, maar helaas nog niet in de praktijk omgezet. Ondertussen is het 5 voor 12. De Noord-Zuidbeweging wil daar iets aan doen. De voornaamste uitdaging voor de civiele maatschappij bestaat erin om deze gelegenheid aan te grijpen en deze ruimte te gebruiken om de aandacht regelrecht te richten op de onderliggende en structurele oorzaken van armoede en onrechtvaardigheid.

Ann De Jonghe
Politiek lobbyist voor Broederlijk Delen

Noten
1/ Voor meer info: www.whiteband.org.
2/ Zie www.11.be of www.detijdloopt.be voor meer uitleg
3/ Je kan dit onderzoekschrift mee ondertekenen via www.detijdloopt.be.
4/ More than a Numbers Game? Ensuring that the Millennium Development Goals address Structural Injustice, Cidse en Caritas Internationalis, april 2005.

Verenigde Naties - millenniumdoelstellingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 3 (maart), pagina 30 tot 37