Abonneer Log in

Etnische diversiteit, etnocentrisme en vertrouwen in Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 3 (maart), pagina 7 tot 21

Vaak gaat men er in het publieke debat van uit dat de aanwezigheid van grote groepen migranten bijna automatisch leidt tot samenlevingsproblemen, en na de recente rellen in Parijs lijkt deze bezorgdheid nog toegenomen. Uit een vergelijkend onderzoek in 21 Europese landen blijkt echter dat deze vrees ongegrond is. In landen met een grote aanwezigheid van buitenlanders is er niet minder veralgemeend vertrouwen, is er niet meer etnocentrisme, en er blijkt ook geen enkel verband op te treden met de score van extreemrechtse partijen. De enige conclusie kan dan ook zijn dat de aanwezigheid van migranten niet leidt tot een daling van de sociale cohesie in een samenleving.

Inleiding

Na de incidenten in Parijs in november van vorig jaar waren er heel wat commentatoren die in het geweld een bevestiging zagen van de stelling dat diverse culturen niet vreedzaam met elkaar kunnen samenleven. Het samenleven van autochtonen en allochtonen zorgt volgens deze auteurs onvermijdelijk voor problemen. Ruim een jaar geleden, na de moord op Theo Van Gogh, hadden we in Nederland trouwens net dezelfde discussie: opeens begon men zich vragen te stellen over de vermeende en spreekwoordelijke tolerantie van de Nederlanders. Het feit dat we een dergelijk discours zowel in Nederland als in Frankrijk terugvinden is een beangstigende vaststelling. Je kan immers stellen dat Nederland en Frankrijk net elkaars tegenpolen vormen in het integratie- en migratiebeleid zoals dat de afgelopen decennia werd ontwikkeld. Terwijl Nederland dweepte met een multiculturalismebeleid, waarin het aloude verzuilingsprincipe van ‘souvereiniteit in eigen kring’ ook werd doorgetrokken naar nieuwe islamitische minderheden, hanteerde Frankrijk net het omgekeerde model van een ‘république une et indivisible’, waarbinnen weinig ruimte wordt gelaten voor het vormen van eigen culturele gemeenschappen. Beide modellen lijken echter tot hetzelfde resultaat te lijden: een gebrekkige integratie, waarbij vooral de positie van allochtone jongeren in de grootsteden problematisch blijft (Cornelius & Rosenblum 2005).
Ook op theoretisch vlak zijn er de laatste tijd meer en meer pessimistische beschouwingen te horen over de mogelijkheid om met verschillende culturen vreedzaam naast elkaar te leven. Communautaristische auteurs gaan ervan uit dat gemeenschappen nood hebben aan een gedeelde collectieve cultuur, als ze verder willen blijven functioneren. Als we evolueren naar een echte multiculturele en cosmopolitische samenleving, dan zal dit in de praktijk enkel leiden tot ontworteling en geweld, zo stelt een filosoof als Michael Walzer. Volgens hem hebben mensen nood aan een eigen cultuur, die ingebed wordt in de geschiedenis van hun samenleving. Als die eenheid wegvalt of verbrokkeld wordt, dan kunnen we niet langer als een samenleving functioneren, zo stelt hij.
In zijn meer extreme variant leidt dit soort filosofie bij Samuel Huntington tot de stelling dat een samenleving niet kan functioneren als ze zomaar ongeremd nieuwkomers toelaat. De Amerikaanse identiteit is volgen hem gebaseerd op een christelijke en Engelstalige traditie. Als die traditie verloren gaat door een te grote instroom van Spaanssprekenden, dan verdwijnt daarmee ook het gemeenschapsleven in het land (Walzer 1983; Jacobson 1997; Huntington 2004).
Als je dit soort argumenten doortrekt, dan kom je tot de conclusie dat een sterke migratie niet anders dan bedreigend kan zijn voor de samenhang van een samenleving. De enige manier om dit te voorkomen lijkt dan het aantal migranten te beperken, of hen toch in elk geval sterk aan te moedigen zich te integreren binnen de bestaande dominante cultuur. Het feit dat beleidsvoerders nu meer en meer uitgaan van een desnoods verplichte inburgering van nieuwkomers, vormt een echo van dit theoretische debat.

Gevolgen van diversiteit

Hoewel de stelling dat diversiteit onvermijdelijk tot samenlevingsproblemen leidt op het eerste gezicht misschien niet al te sympathiek lijkt, kunnen we haar vanuit wetenschappelijk oogpunt niet zomaar verwerpen. Het heeft immers weinig zin ons te laten leiden door onze eigen ideologische voorkeuren; veeleer moeten we met de nodige methodologische gestrengheid nagaan of de relatie tussen toenemende diversiteit en sociale cohesie inderdaad zo negatief is als een aantal auteurs beweren.
We keren hiermee terug naar een aloude discussie binnen de politieke wetenschappen over de vraag op welke manier een politiek systeem het best kan functioneren. Sommige auteurs gaan er daarbij van uit dat samenleven enkel mogelijk is binnen een maatschappij waarbinnen een sterke mate van homogeniteit heerst, en waarbinnen dus sprake is van een sterke gelijkenis onder de leden van de samenleving. De traditionele natie-staat kan hierbij als model gelden: in principe spreekt iedereen er dezelfde taal, en deelt iedereen er min of meer dezelfde cultuur (Castles & Davidson 2000; Castles & Miller 2003; Hooghe 2005).
Diversiteit of verschillen binnen de samenleving werden vanuit die optiek altijd enigszins argwanend bekeken. De vrees was dat samenlevingen waarin te veel verschillende culturen samenleven aan slagkracht zouden verliezen, en dan uiteindelijk meer tijd en energie zouden investeren in interne conflicten dan in het instandhouden van het samenlevingsverband. Het is pas in het werk van de Nederlandse politicoloog Arend Lijphart dat deze veronderstelling in vraag wordt gesteld. Lijphart wees erop dat de Nederlandse samenleving altijd al zeer verdeeld was, met diepe conflicten tussen protestanten, katholieken en niet-gelovigen. Ook landen als Zwitserland of België worden gekenmerkt door relatief scherpe tegenstellingen, al was het maar tussen de verschillende taalgroepen. Toch gaat het hier telkens om heel stabiele en performante democratieën, die al enkele eeuwen lang telkens weer een methode blijken te vinden om de verschillende bevolkingsgroepen toch te laten samenleven. Op het vlak van democratische stabiliteit en levenskwaliteit in het algemeen moeten Nederland, België en Zwitserland zeker niet onderdoen voor andere, meer homogene landen. De stelling van Lijphart was daarom dat ook verdeelde samenlevingen succesvol kunnen blijven functioneren, althans indien ze een manier vinden om aan een vorm van machtsdeling te doen, zodat de verschillende groepen binnen de bevolking het idee kunnen koesteren dat ze op een gelijkwaardige manier betrokken worden bij de politieke besluitvorming. Een dergelijke vorm van machtsdeling heeft uiteraard ook nadelen, omdat het daardoor moeilijker wordt een eenduidig beleid te ontwikkelen, maar het is in elk geval een krachtige formule om een divers politiek systeem bij elkaar te houden (Lijphart 1999).
In de hedendaagse literatuur lijkt de les van Lijphart echter voor een flink stuk weer verloren te gaan. In het overgrote deel van het wetenschappelijk werk rond diversiteit en democratie, wordt die relatie alleen maar geproblematiseerd. Het argument is daarbij dat de tegenstellingen tussen de nieuwkomers en de autochtone bevolking nu veel scherper zijn dan ten tijde van de conflicten tussen katholieken en protestanten. Telkens opnieuw is het startpunt van de discussie de verwachting dat een grotere mate van diversiteit automatisch zal leiden tot meer conflicten, en tot een risico voor de democratie. Dat risico is dan afkomstig zowel vanuit de groep van nieuwkomers, als vanuit de reactie van de autochtone bevolking.
Voor de nieuwkomers is de belangrijkste vrees dat zij onvoldoende gesocialiseerd zijn in de democratische politieke cultuur zoals die zich de afgelopen eeuw ontwikkelde in West-Europa. Meer specifiek wordt dan de vrees uitgedrukt dat verworvenheden zoals de gelijke behandeling van vrouwen en mannen, of de scheiding van kerk en staat, in onvoldoende mate worden aanvaard en geïnterioriseerd door allochtone minderheden. Daarbij wordt vaak verwezen naar de factor van een religieuze cultuur, als men de vrees uitdrukt dat allochtone groepen te sterk beïnvloed worden door de islam om volledig te kunnen opgaan in de basiswaarden van de westerse samenleving. Zeker in Nederland is de afgelopen jaren een discours gegroeid waarbij alle vormen van islamitische godsdienstbeleving al bij voorbaat als verdacht worden beschouwd (Cliteur 2004).
Het is echter ook bij de autochtone bevolking dat een toegenomen diversiteit voor problemen kan zorgen. Omwille van een geografische concentratie en van specifieke processen op de arbeidsmarkt, zijn het juist de meest kwetsbare segmenten op de arbeidsmarkt die als eersten geconfronteerd worden met de gevolgen van de instroom van nieuwe arbeidskrachten. Verschillende theorieën over het ontstaan van racisme en etnocentrisme gaan ervan uit dat het hier in wezen om een economisch verdringings-effect gaat: naarmate de economie meer (goedkope) arbeidskrachten uit het buitenland aantrekt, worden de economische toekomstperspectieven voor met name laaggeschoolden steeds moeilijker. Ook op de huisvestingsmarkt kan zich een gelijkaardig verdringingseffect voordoen naarmate lage inkomensgroepen binnen de autoch-tone bevolking steeds meer concurrentie ondervinden van allochtone nieuwkomers (Sniderman et al. 2003).
De verwachting dat toegenomen diversiteit bijna automatisch aanleiding zal geven tot meer etnocentrisme, met name bij economisch kwetsbare groepen, vinden we zeker niet alleen terug bij meer conservatieve auteurs. Ook binnen de sociaaldemocratie is er de vrees dat een toegenomen diversiteit, en het daaraan gekoppelde gevoel van ontworteling, uiteindelijk zal leiden tot een afbrokkeling van het maatschappelijk draagvlak voor de uitbouw van de verzorgingsstaat. De maatschappelijke steun voor de sociale zekerheid berust in essentie op een geloof in solidariteit: men gaat ervan uit dat wij, als gemeenschap, beter samen bepaalde risico’s kunnen verzekeren, dan dat alle leden van de samenleving dat op individuele wijze zouden doen. We zijn met andere woorden bereid samen het risico op bijvoorbeeld ziekte, invaliditeit of een ongeval te dragen, liever dan dat we iedereen hiervoor maar zelf een oplossing laten zoeken. Dit betekent echter dat ook de definitie van de term ‘gemeenschap’ in dit proces een belangrijke rol speelt: we zijn enkel bereid een inspanning te leveren voor diegenen die wij zien als leden van ‘onze’ gemeenschap, niet zomaar voor iedereen die op de wereld woont. Een aantal auteurs gaan er daarom van uit dat een toegenomen diversiteit ervoor kan zorgen dat het draagvlak voor de sociale zekerheid in onze westerse samenlevingen ondermijnd wordt: als de autochtonen het idee krijgen dat de sociale zekerheid niet langer een verzekering vormt voor de leden van ‘onze’ gemeenschap, maar vooral gebruikt of zelfs misbruikt wordt door nieuwkomers, dan verdwijnt de bereidheid om nog langer mee te betalen voor het instandhouden en het uitbouwen van dit systeem (van Parijs 2004). Dit argument lijkt misschien vergezocht, maar theoretisch is het wel interessant. Het toont namelijk aan dat je ook vanuit een progressieve bezorgdheid (namelijk het instandhouden van de sociale zekerheid in West-Europa) uiteindelijk tot de conclusie kunt komen dat een sterke mate van diversiteit geen goede zaak is. Het zijn dus zeker niet alleen conservatieven die pleiten voor een beperking van de instroom.
De meer pragmatische variant van dit argument luidt dat een toegenomen diversiteit er bijna automatisch toe leidt dat juist de meest kwetsbare groepen van de samenleving gemakkelijker in een populistisch en xenofoob discours zullen trappen. Juist omwille van de toegenomen diversiteit krijgen extreemrechtse partijen daardoor meer kansen bij de ‘verliezers van de moderniteit’, en het electoraal succes van extreemrechts kan uiteraard gezien worden als een potentiële bedreiging voor de democratische stabiliteit. Ook binnen deze argumentatie komt het er dus op neer dat de toegenomen diversiteit op zich problematisch is, juist door de manier waarop groepen en partijen zullen reageren op deze situatie.

Vertrouwen

Ondanks het feit dat al deze auteurs dus uitgaan van heel verschillende standpunten en stellingnames, komt het uiteindelijke resultaat op hetzelfde neer. Telkens opnieuw komt men tot de conclusie dat de relatie tussen diversiteit en sociale cohesie onvermijdelijk problematisch is. Hoe verdeelder, en hoe diverser een samenleving is, hoe moeilijker het wordt de maatschappelijke samenhang te bewaren. De notie ‘vertrouwen’ speelt hierbij een zeer belangrijke rol. We weten uit eerder onderzoek dat samenlevingen waarin een hoge mate van vertrouwen heerst, het over het algemeen gemakkelijker hebben om economisch en politiek succesvol te zijn. Dergelijke landen moeten immers minder investeren in controle- en bewakingsmechanismen, en ze hebben het relatief gemakkelijk om tot samenwerkingsverbanden te komen. Landen als Finland of Zweden, bijvoorbeeld, hebben weinig last van corruptie bij de overheid. De reden hiervoor is niet dat zij een uitgebreid controlesysteem hebben ontwikkeld, maar wel het feit dat de algemene vertrouwenscultuur in de Scandinavische landen het moeilijker maakt om tot corruptie over te gaan. In veel ontwikkelingslanden, daarentegen, is corruptie endemisch, en de wijdverspreide corruptiecultuur vormt er een belemmering voor verdere economische ontwikkeling. Corruptie wordt echter mogelijk gemaakt door een cultuur van wantrouwen: als iedereen ervan uitgaat dat de interactiepartner wel corrupt zal zijn, en graag een steekpenning zal willen aannemen, dan wordt het bijzonder moeilijk een dergelijke praktijk uit te roeien (Messick & Kramer 2001).
Vertrouwen heeft dus een heel belangrijke economische en maatschappelijke impact, maar tegelijk weten we dat diversiteit over het algemeen bijzonder schadelijk is voor het ontstaan van vertrouwen. Dat komt omdat vertrouwen in essentie teruggaat op een soort voorspelling omtrent het toekomstig gedrag van anderen. Als we stellen dat we iemand vertrouwen, dan betekent dit in feite dat we met een grote mate van zekerheid de voorspelling kunnen doen dat die persoon in de toekomst geen handelingen zal stellen die tegen onze belangen indruisen. Voorspelbaarheid gedijt echter het best in een toestand van homogeniteit. Als we met anderen eenzelfde cultuur en eenzelfde geschiedenis delen, dan wordt het gemakkelijker te voorspellen op welke manier zij zich in de toekomst zullen blijven gedragen. Als we samenleven met groepen die een andere cultuur of een andere taal hebben, dan wordt die voorspelbaarheid echter al een stuk minder, en dan wordt het ook minder voor de hand liggend om vertrouwen te ontwikkelen in onze buren (Hooghe & Stolle 2003).

Empirisch onderzoek

De negatieve relatie tussen vertrouwen en diversiteit komt ook tot uiting in heel wat empirisch onderzoek. Uit onderzoek in de Verenigde Staten blijkt dat de vertrouwensniveaus over het algemeen het hoogst liggen in de homogeen blanke wijken, waar in de praktijk alleen welgestelde blanken wonen. Een toename van de diversiteit, bijvoorbeeld door een toename van het aantal zwarten of Spaanssprekenden in de wijk, leidt bijna automatisch tot een daling van de vertrouwensniveaus. Nu kan men dit fenomeen nog relatief gemakkelijk verklaren bij de blanke bevolking: een toename van de diversiteit betekent voor hen een aantasting van hun dominantie-positie. Als blanke is het allicht eenvoudiger om in een homogeen-blanke wijk te wonen, en daar duidelijk de dienst te kunnen uitmaken, dan om de fysieke leefruimte te moeten delen met vertegenwoordigers van andere groepen en andere culturen. Het bevreemdende is echter dat dit fenomeen net zo zeer werd vastgesteld bij zwarten en bij Spaanssprekenden: ook die groepen reageren op een toename van de diversiteit met een daling van het vertrouwen (Hero 2003; Marshall & Stolle 2004).
Ook voor andere landen zien we echter een zelfde negatieve relatie tussen vertrouwen en diversiteit. Wereldwijd worden de hoogste vertrouwensniveaus genoteerd in de Scandinavische landen. Tegelijk zijn dit echter ook de landen die heel sterk homogeen gebleven zijn. Er is weliswaar sprake van een stijging van het aantal migranten in grote steden maar het overgrote deel van de kleinere Scandinavische leefgemeenschappen blijft gewoon blank en homogeen. Binnen een dergelijke gesloten, en vaak eerder traditionele gemeenschap, is het gemakkelijker om vertrouwen te ontwikkelen in de medemens, dan in meer diverse, anonieme grootsteden (Delhey & Newton 2005). In een recent onderzoek van Hilde Coffé en Benny Geys (2005) wordt eveneens een negatief verband gesuggereerd tussen een aantal indicatoren van sociaal kapitaal en het aantal nationaliteiten dat aanwezig is binnen de Vlaamse gemeenten.
Een groot gedeelte van het bestaand onderzoek gaat echter uit van een beperkt aantal metingen. Amerikaanse onderzoekers beperken zich veelal tot gegevens uit de Verenigde Staten zelf. Ze vergeten daarbij echter dat de Verenigde Staten een heel specifiek geval vormen, met heel scherpe tegenstellingen tussen de bevolkingsgroepen en een grote mate van socio-economische ongelijkheid (Sniderman & Piazza 1993). Internationaal vergelijkend onderzoek gaat dan weer uit van nogal diverse gegevensbronnen, die in de praktijk niet altijd perfect met elkaar vergelijkbaar zijn. In dit artikel, daarentegen, doen we een beroep op de gegevens van de European Social Survey (ESS), die in 2002 en 2004 werd uitgevoerd met middelen van de European Science Foundation. In 2002 werd de ESS uitgevoerd in 21 Europese landen, en tot dusver zijn de gegevens uit 2004 beschikbaar voor 17 landen. Kenmerkend voor de ESS is dat precies dezelfde vragenlijst wordt gebruikt in al die landen, en dat ook een grote inspanning wordt gedaan om de kwaliteit van het veldwerk zo uniform mogelijk te houden. Als geen ander lenen de ESS-gegevens zich dus tot internationaal vergelijkend onderzoek.
Als we willen nagaan of diversiteit een negatieve invloed heeft op het maatschappelijk vertrouwen, dan stelt zich echter het probleem dat we diversiteit op een groot aantal manieren kunnen meten. Bij het verzamelen van de indicatoren kan het van belang zijn een onderscheid te maken tussen ‘nieuwkomers’ van binnen de Europese Unie, en diegenen die van daarbuiten komen. Een ander argument zou kunnen zijn dat samenlevingen het vooral moeilijk zullen hebben zich aan te passen aan een plotse toename van de diversiteit. Eenmaal landen gewend zijn het hoofd te bieden aan verdeeldheid, dan kunnen daaruit stabiele samenlevingsverbanden ontstaan, maar als voorheen homogene landen plots geconfronteerd worden met een toevloed van nieuwkomers, dan hebben ze het allicht moeilijk om op basis van die diversiteit een nieuw evenwicht te vinden.
Voor elk van die argumenten valt wel iets te zeggen, en op dit ogenblik hebben we geen goede theoretische redenen om specifiek de aandacht te richten op één van deze indicatoren van diversiteit. In het kader van een langlopend en interdisciplinair onderzoeksproject, zal de komende jaren dan ook een inspanning worden gedaan om een zo breed mogelijke waaier van diversiteitsindicatoren in het onderzoek te betrekken. In deze fase van het onderzoek moeten we echter genoegen nemen met de indicatoren rond migratie en etnische diversiteit zoals die door de OESO worden opgesteld. De OESO maakt zowel een overzicht van de migratiestromen, als een totaalbalans van het aantal burgers van allochtone afkomst in elk van de OESO-lidstaten. In onze analyse hebben we alle mogelijke indicatoren gebruikt (aantal nieuwe migranten, aantal buitenlanders, aantal asielaanvragen, …), maar om het overzichtelijk te houden zullen we ons in deze bijdrage veelal beperken tot het aantal buitenlanders. De overige berekeningen gaven trouwens net dezelfde resultaten. De koppeling van de OESO-gegevens met de resultaten van de ESS-survey laat ons toe na te gaan of de gevolgen van (toegenomen) diversiteit inderdaad zo problematisch zijn als de theoretische literatuur suggereert. Deze literatuur leidt tot drie duidelijke hypotheses.

Onderzoekshypotheses

Ten eerste zou een hoge mate van diversiteit moeten leiden tot hoge etnocentrisme-niveaus. Etnocentrisme komt immers vaak neer op een gevoel van culturele en economische bedreiging door de komst van nieuwkomers. Als we hier inderdaad te maken hebben met een duidelijk verband, dan zouden we moeten vaststellen dat samenlevingen met een belangrijke aanwezigheid van allochtone minderheden ook een hoger etnocentrisme-niveau zullen vertonen (bij de autochtone bevolking uiteraard, cf. Citrin & Sides 2004).
De tweede hypothese gaat nog een stap verder. Hierbij gaan we ervan uit dat de aanwezigheid van etnisch-culturele minderheden niet alleen leidt tot negatieve reacties tegenover die groepen, maar ook meer de wortels van het samenleven zelf aantast. In een diverse en bijzonder gemengde samenleving, zullen burgers minder geneigd zijn vertrouwen te ontwikkelen in anderen, met alle gevolgen van dien voor de politieke en economische ontwikkeling van het land. Het wantrouwen richt zich hierbij niet specifiek op de etnische minderheden alleen maar tast het volledige sociale weefsel aan (Alesina & La Ferrara 2002).
De derde hypothese, ten slotte, gaat ervan uit dat in gemengde samenlevingen extreemrechtse partijen het gemakkelijker zullen hebben om steun te verwerven onder de bevolking. Racisme en nationalisme zijn immers een belangrijke voedingsbodem voor extreemrechts en de verwachting is dat deze thema’s belangrijker en acuter worden als er meer allochtonen aanwezig zijn in de samenleving (Norris 2005).
Als we deze drie hypotheses op een correcte manier willen toetsen, moeten we een beroep doen op een multilevel-analyse. Etnocentrisme kan immers op verschillende niveaus ontstaan. Op het individuele niveau weten we dat mannen en lager opgeleiden vaker zullen instemmen met een etnocentrisch discours dan vrouwen of hooggeschoolden. Op een hoger niveau is de verwachting dat, naarmate er meer allochtonen in mijn omgeving wonen, ik gemakkelijker vatbaar zal zijn voor een etnocentrisch discours, ongeacht mijn eigen, individueel scholingsniveau. Om het met een boutade uit te drukken: we verwachten meer etnocentrisme in de stad Antwerpen (met een relatief hoge aanwezigheid van allochtone minderheden) dan in een landelijke gemeente als Horebeke (Hox 2002).
Alvorens echter over te gaan tot de presentatie van dit meer complexe multilevel-model, presenteren we eerst de ruwe samenhang tussen de variabelen. Op die manier krijgen we een duidelijk maar wat al te eenvoudig antwoord op de vraag: zijn meer diverse samenlevingen wantrouwender dan homogene samenlevingen?

Bivariate verkenning

Met behulp van de gegevens van de ESS kunnen we deze drie hypotheses toetsen voor 19 Europese landen (voor twee landen ontbreken de noodzakelijke gegevens). Ten eerste zullen we nagaan of een grotere diversiteit, gemeten via het aandeel aanwezige buitenlanders op de totale bevolking, samengaat met een hoger niveau van etnocentrisme. Ten tweede wordt nagegaan of een grotere diversiteit samengaat met een lager niveau van veralgemeend vertrouwen. En ten slotte wordt getest of dat de sterkte van extreemrechts samenhangt met de aanwezigheid van buitenlanders op het grondgebied.
De eerste hypothese die getest wordt is of het aandeel buitenlanders in een land zorgt voor een hoger niveau van etnocentrisme. Uit deze bivariate verkenning blijkt dat dit niet het geval is, integendeel: hoe diverser de samenleving, hoe lager het niveau van etnocentrisme. De simpele hypothese dat de aanwezigheid van meer migranten zorgt voor meer etnocentrisme onder de bevolking, blijkt dus helemaal niet te kloppen. Het waargenomen negatieve verband is niet significant (p=0.48), zodat de enige veilige conclusie uit deze verkenning is dat er helemaal geen verband bestaat tussen het percentage buitenlanders op het grondgebied en het etnocentrisme-niveau van een samenleving. Uiteraard is het percentage buitenlanders slechts een beperkte indicator voor diversiteit. Veel migranten hebben immers al een Europese nationaliteit verworven. Over het algemeen blijft het percentage buitenlanders echter een goede, maar enigszins ruwe indicator voor de aanwezigheid van etnisch-culturele minderheden. Als we de analyse verderzetten, en ons richten op het aantal niet-EU-burgers, de instroom van nieuwe migranten, het totaal aantal nieuwe migranten de afgelopen 20 jaar, het aantal asielaanvragen, of het aantal naturalisaties, dan komen we telkens opnieuw tot dezelfde conclusie. Het gebruik van het criterium ‘nationaliteit’ mag dan niet perfect zijn, alle overige criteria leveren in de praktijk net dezelfde resultaten op.
Het is wel opvallend dat we te maken hebben met enkele uitzonderlijke gevallen: in Griekenland is het etnocentrisme-niveau bijzonder hoog, en veel hoger dan je zou kunnen verwachten op basis van het aantal vreemdelingen in dat land. In Zweden en Finland, daarentegen, ligt het etnocentrisme-niveau dan weer veel lager dan we zouden kunnen verwachten. België neemt in dit verband een middenpositie in (Figuur 1).

Figuur 1. Verband tussen percentage buitenlanders en etnocentrisme-niveau.

Verband tussen percentage buitenlanders in het land (Bron: OESO) op de X-as, en gemiddeld etnocentrisme-niveau op de Y-as (bron: ESS 2002).

De tweede hypothese die getest wordt is of een groot aandeel immigranten bijdraagt tot een lager niveau van veralgemeend vertrouwen. Ook deze hypothese moet echter verworpen worden. De landen met een hoge aanwezigheid van buitenlanders blijken integendeel juist meer vertrouwend te zijn. Opnieuw is het verband echter niet significant (p=0.17) zodat de conclusie moet zijn dat er geen verband is tussen diversiteit en vertrouwen. Bovendien kunnen we ook hier opmerken dat als we het percentage buitenlanders vervangen door andere indicatoren voor diversiteit, dit niets aan de resultaten verandert. Ook bij deze analyse zijn het de Scandinavische landen die een uitzondering vormen, met zeer hoge vertrouwensniveaus. Griekenland en Polen wijken af langs de andere kant van het spectrum, en België gedraagt zich net zoals de andere Europese landen (Figuur 2).

Figuur 2. Verband tussen percentage buitenlanders en maatschappelijk vertrouwen

Verband tussen percentage buitenlanders in het land (Bron: OESO) op de X-as, en gemiddeld etnocentrisme-niveau op de Y-as (bron: ESS 2002).

De laatste hypothese die bivariaat getest wordt, is de vraag of een groot aantal buitenlanders het gemakkelijker maakt voor extreemrechtse partijen om electoraal door te breken. Bij deze verkenning hebben we alleen de landen opgenomen waar een extreemrechtse partij actief is. Opnieuw zien we echter geen significant verband (p=0.85); het is niet zo dat in landen met veel buitenlanders de extreemrechtse partijen het gemakkelijker hebben om stemmen te veroveren dan in landen zonder veel buitenlanders. In landen als Polen of Hongarije zijn er weinig vreemdelingen, en toch haalt extreemrechts daar veel stemmen; in Groot-Brittannië en Duitsland zijn er dan weer veel vreemdelingen, maar toch komt extreemrechts er nauwelijks van de grond. België blijkt terug een modaal land, hoewel we in dit geval moeten toegeven dat dit louter een statistisch gemiddelde vormt tussen de hoge score voor extreemrechts in Vlaanderen en de lage score voor extreemrechts in Wallonië. Bij deze laatste analyse moeten we er natuurlijk ook rekening mee houden dat het kiessysteem in sommige landen de doorbraak van een extreemrechtse partij zo goed als onmogelijk maakt. Wanneer we echter de landen met een dergelijk gesloten kiessysteem uit de analyse verwijderen, blijft de verhouding grotendeels overeind.

Figuur 3. Verband tussen percentage buitenlanders en extreemrechts.

Verband tussen percentage buitenlanders in het land (Bron: OESO) op de X-as, en electorale score van extreemrechtse en populistische partijen op de Y-as (bron: ESS 2002).

De drie hypothesen die we konden afleiden uit de bestaande literatuur rond diversiteit worden dus in geen enkel opzicht bevestigd: we vinden geen verband tussen etnische diversiteit enerzijds, en etnocentrisme, maatschappelijk vertrouwen of extreemrechts aan de andere kant. Deze vaststelling blijft overeind, ook als we etnische diversiteit op andere manieren proberen te meten. Het gaat hier voorlopig slechts om een verkenning: achter deze ruwe cijfers kunnen heel andere elementen schuilgaan, zoals bijvoorbeeld een hoger gemiddeld opleidingsniveau in Zweden dan in Griekenland. Om ook die effecten te onderzoeken, doen we in de volgende paragraaf een beroep op een multilevel analyse, die ons toelaat zowel individuele kenmerken als landenkenmerken tegelijk in de analyse op te nemen.

Multilevel model

Het is hier niet de bedoeling een technische uitleg te geven over de manier waarop een multilevelanalyse werkt (zie Hox 2002; Hooghe, Reeskens & Stolle 2005). Het is hier voldoende te vermelden dat een mulitilevel-model toelaat de invloed van verschillende niveaus tegelijk in te schatten. Op die manier krijgt men een ondubbelzinnig antwoord op de vraag hoe etnocentrisme precies kan worden verklaard: heeft dit te maken met het feit dat ik hoog- of laaggeschoold ben (individueel niveau), dan wel met het feit dat ik in een regio woon met veel of weinig migranten (macro-niveau). Het model dat we testen is meer specifiek een ‘random intercept’ -model: we gaan immers uit van de veronderstelling dat de niveaus van etnocentrisme en veralgemeend vertrouwen kunnen variëren tussen de verschillende landen (dit is: random intercept), maar dat de grootte van de effecten tussen de landen niet varieert op basis van onze onafhankelijke variabele (dit zou de keuze impliceren voor een random slope model).
Bij de opbouw van een multilevel model is het belangrijk dat alle gegevens zoveel mogelijk aanwezig zijn, zonder ontbrekende gevallen. Daarom zullen we het in deze analyse niet hebben over de score voor extreemrechts, omdat er immers veel landen zijn waar geen extreemrechtse partij actief is. We zullen ons beperken tot veralgemeend vertrouwen en etnocentrisme als afhankelijke variabele, waarbij nog dient opgemerkt te worden dat Slovenië, Tsjechië en Zwitserland niet werden opgenomen in de analyse, omdat voor die landen een aantal gegevens niet beschikbaar waren.
Laten we eerst het individuele niveau bekijken (de bovenste helft van Tabel 1). Daar gaan we na of individuele kenmerken een effect hebben op vertrouwen en etnocentrisme. We slagen erin 30 procent van de variantie inzake vertrouwen, en 26 procent van de variantie inzake etnocentrisme te verklaren aan de hand van ons model. Deze individuele analyse bevat eigenlijk weinig nieuws voor wie vertrouwd is met de literatuur rond vertrouwen en etnocentrisme: we vinden enkel de gebruikelijke verbanden terug. In die zin is dat een positief element, omdat het ons sterkt in de overtuiging dat dit wel degelijk een betrouwbaar model is.

Tabel 1. Multilevel modellen voor etnocentrisme en veralgemeend vertrouwen

Als we de resultaten overlopen, merken we dat mannen een lager niveau van veralgemeend vertrouwen hebben, en dat ze meer vooroordelen koesteren ten opzichte van etnische minderheden dan vrouwen. Bovendien blijkt dat hoe ouder men is, hoe meer vertrouwen men heeft. Daartegenover staat dat ouderen etnocentrischer zijn dan de jongeren. Opleidingsniveau is een kenmerk dat zich sterk laat gelden: hoe hoger men opgeleid is, hoe meer vertrouwen men heeft en hoe minder bevooroordeeld men is tegenover etnische minderheden. De aard van tewerkstelling is evenzeer van belang: werklozen hebben minder vertrouwen en zijn meer etnocentrisch dan de actieven. Mensen met een andere tewerkstellingssituatie, zoals gepensioneerden en personen met een handicap, hebben daarentegen een lichtjes hoger niveau van veralgemeend vertrouwen maar blijken ook lichtjes meer bevooroordeeld te zijn tegenover immigranten. Bovendien blijkt dat hoe meer men een financieel zekere situatie heeft, hoe meer veralgemeend vertrouwen men bezit en hoe minder etnocentrisch men is. Kerkelijke betrokkenheid vertoont eerder curvilineaire effecten: de modale en marginale kerkleden hebben een veel lager niveau van veralgemeend vertrouwen dan de kernleden. Voor de niet-gelovigen, daarentegen, zien we minder uitgesproken effecten.
De mate van politieke interesse speelt vooral sterk mee met betrekking tot etnocentrisme: hoe meer politieke interesse, hoe minder etnocentrisch men is en hoe meer veralgemeend vertrouwen men bezit. Ook het verenigingsleven heeft een duidelijk effect: diegenen die lid zijn van een of meer verenigingen hebben niet alleen meer vertrouwen, maar kenmerken zich ook door een lager etnocentrisme-niveau. Politiek zelfvertrouwen (het gevoel dat men impact kan hebben op politieke beslissingen) draagt eveneens bij tot een hoger niveau van vertrouwen en een lager niveau van etnocentrisme. De links-rechts-schaal, die peilt naar de politieke ideologie, vertoont ook enige effecten: hoe rechtser men is, hoe lager het niveau van veralgemeend vertrouwen en hoe hoger het niveau van etnocentrisme. Het laatste respondentenkenmerk dat getest is, is of immigranten van buiten Europa afwijken van de dominante groepen wat betreft veralgemeend vertrouwen en etnocentrisme. Deze immigranten blijken een lager niveau van veralgemeend vertrouwen en een lager niveau van etnocentrisme te hebben.
Al deze individuele kenmerken gedragen zich perfect zoals we hadden kunnen verwachten, en deze gegevens bevatten dan ook geen verrassingen. Het feit dat we ze toch opnemen, laat ons echter toe tot een netto-inschatting te komen van de landen-effecten. Als we nu nog verschillen zouden zien tussen Zweden en Griekenland, dan kunnen we er nu zeker van zijn dat die verschillen niet te wijten zijn aan het feit dat de Zweden, gemiddeld genomen, beter opgeleid zouden zijn dan de Grieken, een financieel betere situatie hebben, minder te kampen hebben met werkloosheid, enzovoort.
Als we vervolgens gaan kijken naar het landenniveau (onderste helft van Tabel 1), dan zien we dat op dat niveau resp. 90 procent (vertrouwen) en 61 procent (etnocentrisme) van de variantie op landenniveau kunnen verklaren.
Bij de opbouw van het model bleek, om te beginnen, dat een heleboel landenkenmerken geen enkel effect hebben op vertrouwen of etnocentrisme. Het aantal migranten dat het land heeft opgevangen in de jaren negentig, het aantal asielzoekers en het aantal naturalisaties in het land bleken niet de minste invloed te hebben, ongeacht de periode die we in de berekeningen opnamen. Ook een toename van de diversiteit heeft dus geen waarneembare gevolgen inzake etnocentrisme of veralgemeend vertrouwen. Het algemene ontwikkelingsniveau van een land (zoals gemeten in de Human Development Index van de Verenigde Naties) en de mate van inkomensongelijkheid bleken al evenmin significante resultaten op te leveren.
Wat bleef er dan wel over als interessante variabele op landenniveau? Het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking blijkt een licht positief effect te hebben op vertrouwen: hoe rijker we zijn, hoe gemakkelijker we het vinden vertrouwen te hebben in anderen. Het percentage buitenlanders in het land heeft echter géén significant effect op etnocentrisme of vertrouwen. Weliswaar blijkt er een licht negatief verband op te treden, zowel met vertrouwen als met etnocentrisme, maar dit verband is niét significant. De stelling dat diversiteit zou leiden tot een toename van het etnocentrisme, en tot een daling van het veralgemeend vertrouwen, wordt hier dus, door middel van een betrouwbare en geëigende statistische methode, verworpen.
Een ietwat onverwacht effect vinden we echter bij het opnemen van de informatie of een land al dan niet stemrecht toekent aan migranten van buiten de Europese Unie. Op theoretisch vlak hadden we geen al te grote verwachtingen van deze variabele. In de praktijk blijkt deze variabele echter wel relatief krachtig. In die landen waar migranten reeds vroeg stemrecht ontvingen, zoals Ierland of diverse Scandinavische landen, liggen de etnocentrisme-niveaus significant lager. Er is nog altijd een daling in landen waar migranten pas laat, en in beperkte mate stemrecht kregen (zoals ons land), maar de etnocentrisme-niveaus liggen het hoogst in die landen waar migranten helemaal geen stemrecht hebben (zoals bij alle landen in Centraal- en Oost-Europa).
Het is niet zo eenvoudig dit resultaat te interpreteren. Het is eerder onwaarschijnlijk dat louter het geven van stemrecht aan migranten op zich reeds een negatief effect zou hebben op het etnocentrisme-niveau van de bevolking. Over het algemeen is een dergelijke maatregel immers niet al te ingrijpend in het dagelijks leven. Het lijkt dan ook voor de hand te liggen hier eerder te redeneren via een omgekeerd causaal verband. In landen waar de bevolking minder etnocentrisch is, zal het voor de politiek gemakkelijker zijn stemrecht toe te kennen aan migranten, dan in landen waar een hoge mate van etnocentrisme heerst. Het thema blijkt zelfs zo gevoelig dat in de meest tolerante landen het migrantenstemrecht reeds werd ingevoerd in de jaren zestig van de vorige eeuw (in Ierland bijvoorbeeld al vanaf 1963); in de minder tolerante landen gaat het om een recent fenomeen (denk aan België), en in de landen met veel vooroordelen blijft het toekennen van migrantenstemrecht volledig taboe.
Deze analyse toont met andere woorden aan waarom migrantenstemrecht een dergelijk gevoelig en symbolisch belangrijk politiek thema is. In de praktijk verandert het immers weinig. Ook voor België kunnen we nu reeds voorspellen dat het migrantenstemrecht zeker niet voor politieke aardverschuivingen zal zorgen bij de komende gemeenteraadsverkiezingen. Enkel in sommige Brusselse gemeenten zal er misschien een waarneembaar effect zijn. De inzet van het debat over migrantenstemrecht heeft dan ook weinig te maken met de vermeende praktische gevolgen, maar eerder met de symbolische inzet. Het geven van migrantenstemrecht impliceert dat ook buitenlanders worden erkend als volwaardige leden van de samenleving, die mee mogen beslissen over het politieke lot van die samenleving. Het spreekt vanzelf dat etnocentrische samenlevingen veel minder geneigd zullen zijn die stap te zetten, dan eerder tolerante samenlevingen (Baubock 1994; Benhabib 2004; Jacobs 2001; Waldrauch 2005).

Besluit

Vooraleer we enige besluiten trekken uit deze analyse, moeten we wel aanmanen tot voorzichtigheid. Hoewel onze analyse veel uitgebreider is dan die van eerdere onderzoeken, blijft het aantal cases nog relatief beperkt tot 21 Europese landen. Ook voor wat betreft onze indicatoren van diversiteit moeten we nog een slag om de arm houden: we zijn hiervoor immers bijna volledig afhankelijk van cijfers die worden verzameld door de OESO, en die cijfers zijn niet altijd even gedetailleerd of nauwkeurig als we zouden willen (Salt 2005). Het is een van de bedoelingen van ons interdisciplinair onderzoeksproject om dit soort gegevens de volgende maanden en jaren op een meer gedetailleerde wijze te verzamelen en te integreren in de analyse. We kunnen nu echter reeds stellen dat, als we andere diversiteits-indicatoren gebruiken (migratiestromen, naturalisaties, asielaanvragen, enz…), dat dit niets aan de resultaten verandert.
In de huidige staat van het onderzoek moeten we echter tot de conclusie komen dat geen van de pessimistische veronderstellingen waarmee we dit artikel openden, bevestigd wordt door dit vergelijkend onderzoek. Meer migranten leiden niet tot meer etnocentrisme, ze zorgen niet voor een afbrokkeling van het maatschappelijk vertrouwen, en er is totaal geen verband tussen het aantal migranten en de score van extreemrechts, zelfs niet als we ons beperken tot landen met een min of meer vergelijkbaar kiessysteem. Ook in een robuste multilevel-analyse zien we dat geen enkele hypothese werd bevestigd, eerder integendeel. Landen als Hongarije, Polen en Griekenland hebben weinig vertrouwen, en halen hoge scores op de etnocentrisme-meting. Toch zijn dit tegelijk landen waar, relatief gezien, heel weinig migranten aanwezig zijn. Het valt buiten het bereik van deze studie om te willen aantonen waarom precies Hongarije, Polen en Griekenland een dergelijke uitzonderingspositie vertonen. Wat we wel hebben aangetoond is dat het niet opgaat de verantwoordelijkheid voor een toenemend etnocentrisme te zoeken bij aanwezigheid van migranten zelf. Het is immers niet omdat een land meer migranten opneemt, dat het etnocentrisme zou stijgen, of dat het veralgemeend vertrouwen zou worden aangetast. Cijfers over etnocentrisme en vertrouwen lijken meer te zeggen over de ontvangende samenleving zelf, dan over de aanwezigheid van migranten.

Marc Hooghe1
Hoofddocent politieke wetenschappen KU Leuven
Tim Reeskens
Wetenschappelijk medewerker Centrum voor Politicologie KU Leuven
Dietlind Stolle
Assistant Professor McGill University (Montreal, Canada)

Noot
1/ Dit artikel vormt een samenvatting en herwerking van onze paper Integration Regimes in European Nation-States. Generalized Trust and Ethnocentrism in European Societies, Montebello (Canada): Institute for Research on Public Policy, 2005. Voor de uitgebreide technische verantwoording van de multilevelanalyse, en voor een meer uitvoerige literatuurlijst verwijzen we u graag naar deze paper, die u kan downloaden via www.kuleuven.be/citizenship. Het onderzoek kwam tot stand in het kader van een Interdisciplinair Onderzoeksprogramma (IDO), betoelaagd door de Onderzaaksraad van de KU Leuven en een onderzoekstoelage van de Social Sciences and Humanities Research Council (Canada).

Literatuur
- Alesina A. & La Ferrara E. (2002). Who Trusts Others? Journal of Public Economics, 85, 207-234.
- Baubock R. (1994). Transnational Citizenship: Membership and Rights in International Migration. Aldershot: Edward Elgar.
- Benhabib S. (2004). The Rights of Others. Aliens, Residents, and Citizens. Cambridge: Cambridge University Press.
- Castles S. & Davidson A. (2000). Citizenship and Migration. London: Routledge.
- Castles S. & Miller M. (2003). The Age of Migration. Basingstoke: Palgrave.
- Citrin J. & Sides J. (2004). European Immigration in the People’s Court. Unpublished paper, Berkeley, University of California.
- Cliteur P. (2004). Tegen de decadentie. De democratische rechtstaat in verval. Amsterdam: De Arbeiderspers.
- Coffé H. & Geys B. (2005). Verklaringen voor het verenigingsleven in de Vlaamse gemeenten. Samenleving en politiek, jg.12, nr. 6 (juni), 39-46.
- Cornelius W. & Rosenblum M. (2005). Immigration and Politics. Annual Review of Political Science, 8, 99-119.
- Delhey J. & Newton K. (2005). Predicting Cross-National Levels of Social Trust. Global Pattern or Nordic Exceptionalism? European Sociological Review, 21(4), 311-327.
- Hero R. (2003). Social Capital and Racial Inequality in America. Perspectives on Politics, 1, 113-122.
- Hooghe M. (2005). Het cement van de samenleving. Naar een gedeelde sokkel van normen en waarden?, pp. 37-48 in Sanders L. (red.), Politiek voorbij de transcendentie? Kapellen: Pelckmans & Kampen: Klement.
- Hooghe M., Reeskens T. & Stolle D. (2005). Integration Regimes in European Nation-States. Generalized Trust and Ethnocentrism in European Societies, Montebello: Institute for Research on Public Policy.
- Hooghe M. & Stolle D. (eds., 2003). Generating Social Capital. Civil Society and Institutions in Comparative Perspective. New York: Palgrave.
- Hox J. (2002). Multilevel Analysis. Techniques and Applications. Mahwah: Erlbaum.
- Huntington S. (2004). Who are we? The Challenges to America’s National Identity. New York: Simon & Schuster.
- Jacobs D. (2001). Stemrecht, nationale identiteit en diversiteit, Samenleving en politiek, jg.8, nr. 3 (maart), 31-38.
- Jacobson D. (1997). Rights Across Borders. Immigration and the Decline of Citizenship. Baltimore: John Hopkins University Press.
- Lijphart A. (1999). Patterns of Democracy. Government Forms and Performance in Thirty-Six Countries. New Haven: Yale University Press.
- Marshall M. & Stolle D. (2004). Race and the City. Neighborhood Context and the Development of Generalized Trust. Political Behavior, 26(2), 125-154.
- Messick D. & Kramer R. (2001). Trust as a Form of Shallow Morality, pp. 89-117 in Cook K. (ed.), Trust in Society. New York: Russell Sage Foundation.
- Norris P. (2005). Radical Right. Parties and Electoral Competition. Cambridge: Cambridge University Press.
- Salt J.(2005). Current Trends in International Migration in Europe. Strasbourg, Council of Europe Publishing.
- Sniderman P. & Piazza T. (1993). The Scar of Race. Cambridge: Harvard University Press.
- Sniderman P. et al. (2003). The Outsider. Princeton: Princeton University Press.
- Van Parijs Ph. (ed., 2004), Cultural Diversity versus Economic Solidarity. Bruxelles: De Boeck Université.
- Waldrauch H. (2005). Electoral Rights for Foreign Nationals. A Comparative Overview. Paper presented at the Conference on ‘Citizens, Non-Citizens and Voting Rights in Europe’, University of Edinburgh, 2-5 June 2005.
- Walzer M. (1983). Spheres of Justice. A Defense of Pluralism and Equality. New York: Basic Books.

diversiteit - Europa - cultuur - etnocentrisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 3 (maart), pagina 7 tot 21