Abonneer Log in

Loonvorming, concurrentiekracht en werkgelegenheid in België

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 10

1. Alarm over het concurrentievermogen

Het concurrentievermogen van de Belgische economie staat alweer bovenaan de beleidsagenda. Sinds het midden van de jaren negentig neemt de Belgische uitvoer, uitgedrukt in volumes, veel trager toe dan de totale wereldhandel. Hoewel ook onze belangrijkste handelspartners marktaandelen verliezen, is dit verlies meer uitgesproken voor België. Sinds 1987 stegen de nominale loonkosten per uur in de privésector in België bijna 10% sneller dan in de buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland. Gecorrigeerd voor de evolutie van de arbeidsproductiviteit is de kloof nog groter. De nominale loonkosten per eenheid product zijn sinds 1987 in België ruim 17% sneller gegroeid dan in de drie buurlanden. Dit suggereert dat een loonkostenhandicap de Belgische competitiviteit, en dus ook werkgelegenheid, heeft aangetast.
De beleidsconclusies lijken evident: loonmatiging, lastenverlaging op arbeid, herziening van het mechanisme van loonindexering, … . Politici, werkgeversorganisaties en sommige academici pleiten in koor. In deze discussietekst1 willen we de erg eenvoudige voorstelling van zaken die momenteel opgang maakt nuanceren. In punt 2 gaan we kort in op variabelen die de evolutie van de exportprestaties van België beschrijven. In punt 3 plaatsen we de discussie in een internationaal perspectief. Punt 4 vat een aantal (voorlopige) beleidsimplicaties samen.

2. Nuancering: volumes versus waarden

Ondanks het feit dat de Belgische uitvoer naar volume achterblijft op de expansie van de internationale handel heeft de expansie van de Belgische uitvoer naar waarde over de afgelopen 3 decennia min of meer gelijke tred weten te houden met de expansie van de internationale handel. Over de periode 2000-2005 is zelfs een lichte toename in de Belgische export naar waarde op te merken. Gegeven de evolutie van de Belgische export naar volume is dit enkel mogelijk indien de Belgische exportproducten tegen een relatief hogere prijs op de exportmarkten verkocht kunnen worden. Sinds het midden van de jaren tachtig merken we inderdaad een gestage toename van de relatieve exportprijs. Tussen 1985 en 2005 zijn de Belgische exportproducten 38% duurder geworden in vergelijking met deze van onze concurrenten. De kloof inzake exportprijzen is bijgevolg nog groter dan inzake arbeidskosten per eenheid product.
Hoe kunnen bovenstaande vaststellingen worden verklaard? Zijn relatief dalende volumes bij relatief stijgende prijzen een teken van een dalende concurrentiekracht? Of zijn ze mogelijk ook een teken van sterkte? Twee verklaringen zijn alvast consistent.

Afwenteling (loon)kosten

Een eerste mogelijkheid betreft een doorrekening van de relatief hogere loonkosten in de exportprijs. In dit geval wijst de toename van de relatieve exportprijs op een achteruitgang van de Belgische concurrentiekracht en kan een matiging van de lonen aangewezen zijn. De vaststelling dat de Belgische uitvoer naar waarde gelijke tred houdt met de expansie van de internationale handel wijst dan op een prijselasticiteit van de vraag naar Belgische exportproducten van -1.
De explosieve toename van de energie- en grondstoffenprijzen sinds 2000 heeft ongetwijfeld ook geleid tot hogere exportprijzen. Maar dit vormt nog geen verklaring voor de evolutie van de relatieve exportprijzen. De energie- en grondstoffenprijzen zijn immers ook gestegen voor onze handelspartners. Bovendien verloopt de evolutie van de Belgische relatieve exportprijzen al sinds 1990 gunstiger dan die in de buurlanden.
De sterke toename in de relatieve loonkost per eenheid product en in de relatieve exportprijs sinds 2000, kan als een ondersteuning gezien worden van de afwentelingshypothese. Opmerkelijk is echter dat de relatieve exportprijs ook tussen 1985 en 2000 sterk toeneemt, terwijl de loonkost per eenheid product over deze periode min of meer stabiel blijft. Dit suggereert dat de toename in de relatieve exportprijs mede door andere factoren gedreven wordt. In 1986-1995 daalde de dollar trendmatig t.o.v. de Europese munten. Behoud van exportprijzen in nationale munt impliceert dan stijgende prijzen in dollar. De Belgische exporteurs konden zich deze stijgende prijzen in dollar blijkbaar veroorloven, zonder weggeconcurreerd te worden. De loonkosten stegen niet navenant, mede dankzij goedkopere import van goederen en diensten (inclusief olie) en loonindexering. Toenemende winsten waren het resultaat. Vanaf midden 1995 tot en met het begin van het nieuwe millennium nam de dollar weer in waarde toe. Loon- en prijsbehoud in nationale munt impliceert dan een verlaging van de loonkosten en de prijzen in dollar. Enkel voor de loonkosten stellen we dit vast. Opnieuw blijken de Belgische exporteurs de capaciteit te hebben om hun prijzen hoog te houden. In de drie buurlanden stellen we dit niet vast.

Een toenemende aanwezigheid in meer dynamische productmarkten

Een tweede mogelijkheid is een toenemende aanwezigheid in meer dynamische productmarkten, i.e. markten waar de concurrentie zich meer op de productinhoud dan op de prijs richt. In dit geval wijst de toename van de relatieve exportprijs eerder op een verbetering van de Belgische concurrentiekracht, i.e. een structurele verbetering van het exportpakket. De achteruitgang van de exportvolumes is dan een puur statistisch probleem aangezien bij de berekening van de volumes geen rekening wordt gehouden met kwaliteitsverbetering.
De aanwezigheid op dynamische productmarkten impliceert dat een kostennadeel minder zwaar doorweegt. Afwenteling van loon-, energie- en grondstoffenkosten leidt dan ook niet automatisch tot een verlies in marktaandeel. Zo toont onderzoek van Carlin et al. (2001) dat de gevoeligheid van de exportmarktaandelen met betrekking tot de relatieve loonkosten sterk heterogeen is over sectoren. Het exportaandeel van de chemiesector is bijv. ongevoelig voor de relatieve loonkost. Het exportaandeel van de textielsector en de staalsector is dan weer zeer gevoelig voor de evolutie in de relatieve loonkost. Wanneer we de evolutie in het aandeel van de Belgische uitvoer in de wereldhandel naar waarde binnen een aantal productcategorieën bekijken dan stellen we inderdaad een heterogene evolutie vast. In de traditionele sectoren, zoals staal en textiel, gaan duidelijk marktaandelen verloren. In de meer dynamische sectoren, zoals chemie en apparatuur voor elektronische dataverwerking, worden marktaandelen gewonnen.
Wanneer we de sectorsamenstelling van onze export vergelijken met deze van onze belangrijkste concurrenten, dan blijkt de chemiesector in België bovendien (in toenemende mate) een relatief belangrijke sector te zijn. Het aandeel van de chemische sector in de totale export neemt over de periode 1990-2005 toe van ongeveer 12% tot 21%. België exporteert dan weer relatief minder, en in afnemende mate, textiel en elektronische producten. Het aandeel van de staal- en de textielsector in de totale export neemt over de periode 1990-2005 af van respectievelijk 7% en 4.5% tot respectievelijk 3.5% en 2%. België is dus in toenemende mate vertegenwoordigd in exportmarkten waar de concurrentie zich niet op de prijs richt. Dit wijst op een structurele verbetering van het exportpakket. Ook inzake uitvoer van diensten laat België sinds een 10-tal jaren een geleidelijk toenemend aandeel optekenen.
Voorlopig kunnen we besluiten dat het ‘verlies aan concurrentiekracht’ van de Belgische economie zeker niet zo éénduidig is als wat de regering en de werkgevers laten uitschijnen. Verder onderzoek is hier nodig. De cijfers aangaande de evolutie van de Belgische lonen en exportprestaties komen immers zowel overeen met (i) de hypothese van een competitiviteitsprobleem omwille van de relatief hogere loonkosten als (ii) de hypothese van een structurele verbetering van het exportpakket. De beleidsimplicaties van beide mogelijkheden zijn zeer verschillend. We komen hierop terug in punt 4. Eerst verruimen we de analyse naar een aantal andere Europese landen.

3. Loonkosten, productiviteit en werkgelegenheid in Europa … meerdere wegen naar competitiviteit

De Belgische fixatie op de nominale loonkosten per uur (en de ambitie om deze laag te houden) is verbazend zeker wanneer men deze in een ruimer internationaal perspectief plaatst. Kaldor merkte reeds in 1978 op dat het net de landen zijn met de sterkste toename in factorvergoedingen, waaronder lonen, die de sterkste exportprestaties konden voorleggen. In een meer recente econometrische studie tonen Carlin et al. (2001) dat er voor 12 industriële sectoren over 14 landen voor de periode 1970-1992 geen éénduidig verband bestaat tussen de relatieve loonkost per eenheid product en exportmarktaandelen. De gevoeligheid van de exportmarktaandelen met betrekking tot de relatieve loonkosten is sterk heterogeen over landen en over sectoren. Zo is het exportmarktaandeel van landen met een relatief sterkere groei in de totale factorproductiviteit en van relatief innovatieve sectoren typisch weinig gevoelig voor loonkostenontwikkelingen. Bovendien kan de evolutie in de relatieve loonkosten slechts een zeer beperkt deel van de evolutie in de marktaandelen verklaren. Ook investeringen in zowel vast als menselijk kapitaal hebben een belangrijke invloed.
Er was in de voorbije 10 jaar ook geen negatieve relatie over landen waar te nemen tussen de evolutie van hun nominale uurloonkosten en de evolutie van hun werkgelegenheid in uren. Figuur 1 toont voor een groep van 9 landen die tot de Eurozone behoren, alsook voor Zweden, Denemarken en de VS in 1995-2005 dat eerder het omgekeerde waar is. Sterke werkgelegenheid ging veeleer samen met sterke loongroei. In vergelijking met België vertonen in het bijzonder de Scandinavische landen en Ierland én een sterkere stijging van de loonkosten én een sterkere stijging van de werkgelegenheid. Frankrijk en vooral Oostenrijk en Duitsland laten zich omgekeerd opmerken.

Figuur 1. Loonkosten en werkgelegenheid in 13 landen, 1995-2005.

Bron : OECD, Economic Outlook.

Noten : De horizontale as geeft de verhouding weer tussen de werkgelegenheid in uren in 2005 tot deze in 1995. De verticale as geeft een gelijkaardige verhouding voor de loonkost per uur in euro. Beide variabelen betreffen de privésector. De Eurolanden Portugal en Griekenland ontbreken in de figuur omdat er geen vergelijkbare OESO-data voor het aantal uren per werknemer beschikbaar zijn. De gegevens voor Oostenrijk betreffen 1995-2004.

De realiteit in figuur 1 komt dus eerder overeen met de hypothese dat landen de voorbije 10 jaar een structureel verschillende ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit kenden. Waar de productiviteit sterk is toegenomen, bijv. ingevolge innovatie en technologische verbetering, is de vraagcurve naar arbeid sterk naar rechts verschoven. Zowel het loon als de werkgelegenheid namen bijgevolg toe, althans bij een stabiele arbeidsaanbodcurve (of loononderhandelingscurve). Waar de productiviteit slechts zwak toenam, zijn zowel loon en koopkracht als werkgelegenheid achteropgebleven. En waar de klemtoon veeleer lag op een beleid van uitgesproken loonmatiging, kan de werkgelegenheid gestegen zijn, weliswaar ten koste van de koopkracht. Figuur 2 illustreert deze strategieën. Een beleid gericht op structurele productiviteitsverbetering brengt de economie in deze figuur van punt a naar c. Een beleid dat enkel/overwegend gericht is op loonmatiging en/of uitbreiding van het arbeidsaanbod, zal de economie veeleer van a naar d brengen.

Figuur 2. Loonkosten, productiviteit en werkgelegenheid: meerdere strategieën naar werk en competitiviteit

Noot : Ld : arbeidsvraagcurve, Ls : arbeidsaanbodcurve, LO : loononderhandelingscurve.

De werkgelegenheid stijgt, maar de arbeidsproductiviteit en de lonen dalen. Bemerk dat geen van beide strategieën betere of slechtere resultaten hoeft op te leveren inzake competitiviteit, wanneer deze laatste geëvalueerd wordt op basis van de loonkost per eenheid product. Wanneer competitiviteit evenwel geëvalueerd wordt op basis van productinhoud en -innovatie, heeft de eerste strategie een grotere kans op succes.
De Scandinavische landen kunnen worden beschouwd als uitgesproken voorbeelden van de eerste strategie. Zij zetten de voorbije 10 jaar sterk in op innovatie, R&D, (hoger) onderwijs en een ruime verspreiding van nieuwe technologieën. Finland en Zweden laten ook relatief hoge cijfers optekenen inzake publieke investeringen in vast kapitaal en - vooral - inzake door de overheid gefinancierde R&D. In vergelijking met de meeste Eurolanden zijn de arbeids- en productmarkten er ook relatief flexibel. Verder combineren ze een uitgesproken actief arbeidsmarktbeleid met hoge uitkeringen die evenwel beperkt zijn in de tijd en sterk afhankelijk van daadwerkelijke beschikbaarheid op de arbeidsmarkt. De overheid speelt een sturende rol door haar begrotingsuitgaven in belangrijke mate op innovatie, onderwijs, actief arbeidsmarktbeleid en investeringen te richten (Nicoletti en Scarpetta, 2003; Heylen en Dhont, 2005; Aiginger en Guger, 2006).
Landen als Duitsland, Frankrijk, België, Oostenrijk en Nederland kozen veeleer voor de alternatieve strategie van (competitieve) loonmatiging en loonkostenverlaging. Er zijn uiteraard verschillen tussen deze landen, maar globaal stonden innovatie, R&D, (hoger) onderwijs en overheidsinvesteringen er veel minder centraal.2 Arbeids- en productmarkten zijn er globaal minder flexibel. Werkloosheidsuitkeringen worden er langer toegekend, vervroegd uittreden uit de arbeidsmarkt kan relatief vlot.
Naast de Scandinavische landen en de continentale Eurolanden valt in figuur 1 ook Ierland op. Dit land kan worden beschouwd als een erg succesvol convergentieverhaal uit de groeitheorie. Productiviteitstijging, loonstijging en toenemende werkgelegenheid werden in belangrijke mate geïnduceerd door inkomende buitenlandse directe investeringen (Alfaro et al., 2005). De totale factorproductiviteit steeg snel, in belangrijke mate dankzij imitatie.3 Ook de voorraad vast kapitaal werd snel uitgebreid. Beide ontwikkelingen duwden de vraag naar arbeid naar rechts.
In lijn met onze verwachting laten de Scandinavische landen en Ierland de voorbije 10 jaar dan ook de sterkste groei in de arbeidsproductiviteit optekenen. Vooral de totale factorproductiviteit nam sterk toe in deze landen. België, Duitsland en Nederland presteren eerder matig inzake groei van de arbeidsproductiviteit. De relatie tussen de productiviteitsgroei en de ontwikkeling van de reële brutolonen (en dus de koopkracht4) is evident. In Scandinavië en Ierland stegen de reële brutolonen (zowel per uur als per werknemer) de voorbije 10 jaar het sterkst. Nederland en Duitsland bleven opvallend achterop. De sterke loonstijging ging echter niet ten koste van kostencompetitiviteit, noch ten koste van marktaandelen. Dankzij hun sterke productiviteitsgroei, evolueerde de loonkost per eenheid product de voorbije 10 jaar immers niet ongunstiger in de Scandinavische landen dan in België. In tegenstelling tot België en onze drie buurlanden slaagden de Scandinavische landen er bovendien in hun marktaandeel te behouden.

5. (Voorlopig) besluit

Lijdt de Belgische economie onder een loonkostenhandicap die weegt op de concurrentiekracht en de werkgelegenheid? De zekerheid waarmee sommigen deze vraag beantwoorden is niet de onze:
- De cijfers aangaande de evolutie van de Belgische lonen en exportprestaties stemmen zowel overeen met (i) de hypothese van een competitiviteitsprobleem omwille van de relatief hogere loonkosten als (ii) met de hypothese van een structurele verbetering van het exportpakket. Verder onderzoek is hier nodig.
- Verschillende landen, in het bijzonder in Scandinavië en Ierland, laten veel sterkere loonstijgingen optekenen dan België. Nochtans doen deze landen het bijzonder goed inzake kostencompetitiviteit, marktaandelen en werkgelegenheid. De evoluties in deze landen tonen dat België veeleer een productiviteitsprobleem heeft dan een loonkostenprobleem.

Een macro-economisch loonmatigingsbeleid in functie van de drie buurlanden is dan ook niet meer aangewezen:
- Een algemeen loonmatigingsbeleid houdt op een artificiële wijze de traditionele sectoren in stand en belemmert het dynamisme in andere sectoren. De vraag is bovendien of traditionele sectoren met een dergelijk beleid leefbaar blijven. Wat dergelijke sectoren betreft, moeten we immers niet alleen competitief zijn ten opzichte van onze buurlanden maar in toenemende mate ook ten opzichte van de opkomende economieën (China, Oostblok, ..). Dit is een haast onmogelijke opdracht.
- Een model van competitieve loonmatiging dwingt handelspartners om hetzelfde te doen. Uiteindelijk heeft iedereen loon ingeleverd, en lasten op arbeid verlaagd, maar is niemand competitiever geworden.
- De ervaring van andere Europese landen leert dat de prioriteit elders moet liggen (vorming, scholing, innovatie, investeringen, verbetering van het exportpakket, …).

Deze analyse sluit vanzelfsprekend niet uit dat zich in sommige segmenten van de Belgische economie wel een loonkostenprobleem stelt, bijv. in bepaalde sectoren, voor bepaalde scholingsniveaus of leeftijdscategorieën. De keuze voor innovatie zal ook implicaties hebben voor bijv. de tewerkstellingskansen van laaggeschoolden. Deze analyse moet dan ook vooral gezien worden als een waarschuwing tegen een beleid dat eenzijdig gericht is op loonmatiging. Verder onderzoek is nodig om tot een genuanceerd alternatief te komen.

Gerdie Everaert, Niko Gobbin, Freddy Heylen, Eddy Omey, Glenn Rayp en Koen Schoors
SHERPPA, Universiteit Gent

Noten
1/ Voor een meer gedetailleerde en cijfermatig onderbouwde analyse van het Belgische concurrentievermogen verwijzen we graag naar de discussietekst op www.sherppa.be.
2/ Merk dat op het vlak van R&D-investeringen ook België - alvast tot 2002 - een relatief sterke groei laat optekenen. Recentere ontwikkelingen zijn mogelijk minder gunstig (CRB, 2005, p. 120). Nederland en Ierland scoren relatief zwak inzake R&D. Ierland scoort ook minder sterk inzake overheidsuitgaven voor onderwijs. De publieke investeringen zijn er anderzijds wel relatief hoog.
3/ Onvoldoende innovatie en modernisering in Ierland en de Ierse bedrijven zelf wordt echter vaak als een probleem aangehaald dat de Keltische Tijger op termijn in zijn groei kan belemmeren.
4/ Althans indien we mogen veronderstellen dat de belastingen op de werknemers in de verschillende landen niet fundamenteel anders evolueerden.

Literatuur
- Aiginger K. en Guger A., 2006, The Ability to Adapt: Why It Differs between the Scandinavian and Continental Models, Intereconomics, Review of European Economic Policy, 41, January/February, p.14-23.
- Alfaro L., McIntyre S. en Dev V., 2005, Foreign direct investment and Ireland’s tiger economy, Harvard Business Online, 29 p.
- Carlin W., Glyn A. en Van Reenen J., 2001, Export market performance of OECD countries: an empirical examination of the role of cost competitiveness, The Economic Journal, 111, January, p.128-162.
- CRB, 2005, Technisch Verslag van het Secretariaat over de maximale beschikbare marges voor de loonkosten-ontwikkeling, Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, Brussel, november.
- Dhont T. en Heylen F., 2005, Fiscal policy, employment and growth: Why is the Euro area lagging behind?, Paper presented at the 20th Conference of the Eur. Ec. Assoc., Amsterdam (www.sherppa.be)
- Kaldor N., 1978, The Effect of Devaluation on Trade in Manufactures in N. Kaldor Further Essays in Applied Economics, p. 99-166, London.
- Nicolletti G. en Scarpetta S., 2003, Regulation, productivity and growth, Economic Policy, April, p. 9-72.
- Skoczylas L. en Tissot B., 2005, Revisiting recent productivity developments across OECD countries, BIS Working Paper, n° 182, Bank for International Settlements.
- VBO, 2006, Groei en jobs: Taboes overboord!, Verbond van Belgische Ondernemingen, Brussel.

loonvorming - concurrentiekracht - tewerkstelling - werkgelegenheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 5 (mei), pagina 4 tot 10